Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Donderdag, 15 October 1868.

WEEKBLAD VAN HET REGT.

REGTSKÜNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

Mo Tn **«r 2 - -.

. UVK»,

ÜUU TIG STA1 JAAR GAN G.

JUS ET VERITA?.

Dit blad verschijnt geregeld twee malen per week. Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden, franco per post, met f 1.20 verhooging. — Prijs der advertentiën, zonder zegelregt, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., behalve van HH. gewone correspondenten, franco.

WETGEVING.

intrekking van art. i der wet van 29 mei 1349

(,Staatsblad n°. 21).

(Veranderde zamenstelling der kamers van den Hoooen Raad.)

öat wets-ontwerp is op nieuw aan de Tweede Kamer ingediend 3 Vergezeld van de volgende memorie van toelichting:

Koninklijke boodschap van den 25 Februarij 1868 werd aan •Je Tweede Kamer der Staten-Generaal ter overweging aangeboden een ontwerp van wet tot intrekking van art. 1 der wet van 29 Mei l849 (Staatsblad n°. 21). Uit ontwerp, dat in de vorige zitting ongedaan bleef, wordt nu op nieuw onveranderd aangeboden. De ondertekende kan zich mitsdien voor de uiteenzetting der gronden, daarop deze voordragt berust, geheel gedragen aan de toelichtende Memorie, die haar bij de eerste aanbieding vergezelde, onder vere''e verwijzing naar het als bijlage dier memorie overgelegde advies V!ln den Hoogen Raad.

De Minister van Justitie, van Lilaar.

v°orloopige regeling der regtsmagt van den hoogen raad der nederlanden in west-indische koloniale zaken.

I^it wets-ontwerp is op nieuw aan de Tweede Kamer aangeboden, Vergezeld van de volgende memorie van toelichting :

^ ®ij Koninklijke boodschap van den 28 April 1868 werd aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal ter overweging aangeboden een ontwerp van wet tot voorloopige regeling der regtsmagt van den Hoogen Raad der Nederlanden in West-Indische koloniale zaken. Dit °ntwerp, dat in de vorige zitting onafgedaan bleef, wordt nu opnieuw aangeboden zonder eenige verandering , behoudens de verbetering van Cen paar misstellingen in de artt. 1 en 2 , in overeenstemming met eefe in de vorige zitting reeds ingediende nota. De ondergeteekenden kunnen zich mitsdien voor de uiteenzetting der gronden , waarop deze Y°ordragt berust, geheel gedragen aan de memorie van toelichting , die haar bij de eerste aanbieding vergezelde.

De minister van Justitie, van Lilaar. De Minister van Koloniën, de Waal.

Veranderingen in den eeksten titel van het crimineel wetboek voor het krijgsvolk te lande, en vervanging van den tweeden titel door nieuwe bepalingen.

Üit wets-ontwerp is op nieuw aan de Tweede Kamer aangeboden, Ve''gezeld van de volgende memorie van toelichting:

rp Koninklijke boodschap van den 1 Maart 1868 weid aan de lveede Kamer der Staten-Generaal ter overweging^ aangeboden een ontwerp, houdende veranderingen in den eersten titel van het CriUneel Wetboek voor het krijgsvolk te lande , en vervanging van en tweeden titel door nieuwe bepalingen. Dit ontwerp, dat in de j0l'ge zitting onafgedaan bleef, wordt nu op nieuw aangeboden zon!.ei' eenige verandering , behoudens de verbetering van eene misstel'r'SS in het tweede lid van art. 3, waar voor «der gevangenis-straf» ?Ooet worden gelezen: «doorgevangenis-straf.» De ondergeteekenden u"nen zich mitsdien voor de uiteenzetting der gronden, waarop deze oordragt berust, geheel gedragen aan de memorie van toelichting, le !>aar bij de eerste aanbieding vergezelde.

De Minister van Justitie,

van Lilaar. De Minister van Oorlog , J. J. van Molken.

^RIvORTING van sommige termijnen, in het wetboek van burgerlijke regtsvordering gesteld.

Dit wets-ontwerp is op nieuw aan de Tweede Kamer aangeboden, ergezeld van de volgende memorie van toelichting :

''li Koninklijke boodschap van den 24 April 1868 werd aan de weede Kamer der Staten-Generaal ter overweging aangeboden JLn ontwerp van wet tot verkorting van sommige termijnen , in het , etboek van burgerlijke liegtsvordering gesteld. Dit ontwerp, dat de vorige zitting onalgedaan bleef, wordt nu op nieuw aangeboen zonder eenige verandering, behoudens de verbetering van enkele 'sstellingen in art. 2, in overeenstemming met eene in de vorige zitting reeds ingediende nota. De ondergeteekende kan zich mitsdien °°i' de uiteenzetting der gronden , waarop deze voordragt berust, Selieel gedragen aan de memorie van toelichting , die haar bij de ecrste aanbieding vergezelde.

De Minister van Justitie, van Lilaar.

goedkeuring der overeenkomst tusschen NEDERLAND en ITALIË tot regeling van den toestand der naamlooze en andere vennootschappen van het eene in het andere land.

Dit wets-ontwerp is op nieuw aan de Tweede Kamer aangeboden, vergezeld van de volgende memorie van toelichting :

Bij Koninklijke boodschap van den 19 Junij 1 ^68 werd aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal ter overweging aangeboden een ontwerp van wet, houdende goedkeuring der overeenkomst tusschen Nederland en Italië tot regeling van den toestand der naamlooze en andere vennootschappen van het eene in het andere land. Uit ontwerp, dat in de vorige zitting onafgedaan bleef, wordt nu op nieuw onveranderd aangeboden.

De ondergeteekenden kunnen zich mitsdien voor de uiteenzetting der gronden , waarop deze voordragt berust, geheel gedragen aan de memorie van toelichting, die haar bij de eerste aanbieding vergezelde , onder verdere verwijzing naar de daarbij overgelegde stukken.

De Minister van Buiienlandsche Zaken, Roest van Limburg.

De Minister van Justitie, van Lilaar.

AFSCHAFFING DER ARTT. 884 EN 957 VAN HET BURGERLIJK WETBOEK.

Den 3 October jl. is bij de Tweede Kamer ingekomen het volgende wets-ontwerp :

Wij WILLEM III enz.

Allen , die dezen zullen zien of hooren lezen , salut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging hebben genomen, dat het wenschehjk is de vreemdelingen ook ten opzigte der bevoegdheid om als erfgenamen op te treden en schenkingen aan te nemen met Nederlanders gelijk te stellen, zonder beding van weder keerigheid;

Zoo is het, dat Wij , den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelij k Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Art. 1. De artt. 884 en 957 van het Burgerlijk Wetboek zijn afgeschaft.

Art. 2. Art. 1718 vari het Burgerlijk Wetboek wordt gelezen als volgt:

»De bepalingen van het tweede lid en van het laatste lid van art. 951, mitsgaders artt. 953, 954, 955 , 956 en 958, zijn opschenkingen toepasselijk.»

Art. 3. Deze wet is verbindend op den dag harer afkondiging.

Lasten en bevelen enz.

Bij dat wets-ontwerp was gevoegd de volgende memorie van toelichting :

Niet zonder tegenspraak zijn de weinig vrijgevige bepalingen omtrent het erfregt der vreemdelingen in ons Burgerlijk Wetboek opgenomen.

De geschiedenis der zamenstelling van dat wetboek leert, dat de artt. 884 en 957 door de Regering in haar antwoord op de daartegen ingebragte bedenkingen zijn in verband gebragt met «drukkende regten , als daar zijn het jus detractus , albiginatus» enz., welke in sommige vreemde landen nog zouden kleven op of geheven worden van de door vreemdelingen krachtens erfregt van inboorlingen verkregen goederen; en dat men dus bij het voorstellen dezer wetsbepalingen schijnt te zijn uitgegaan van de onderstelling, dat zij , ook ten aanzien van het heffen der genoemde regten, het beginsel van reciprociteit tot wet verheffende, hunne afschaffing elders zouden kunnen bevorderen of hunne wederinvoering ten aanzien van Nederlanders beletten, waar die afschaffing reeds had plaats gehad (Voorduin IV, p. 11 vgg.). Die onderstelling intusschen is zoo* zeer in stryd met de in dit opzigt duidelijke woorden der genoemde artikelen en met den aard van het jus detractus, dat zij , wat dienaangaande de bedoeling des wetgevers ook moge zijn geweest, onmogelijk als juist kan worden aangenomen.

Immers zij handelen alléén over het erfregt der vreemdelingen in Nederland, dat zij, bij uitzondering op den regel van art. 9 Alg. Bep. van Wetg., door het beginsel van wederkeerigheid beperken. Van de toepassing van dat beginsel op regten, door den Staat jure publico te heffen van goederen , die de vreemdelingen hier te lande jure hereditario verkrijgen , een onderwerp geheel vreemd aan het burgerlijk regt, is in het Burgerlijk Wetboek niets te vinden.

Maar al beperkt men de voorschriften van de artt. 884 en 957 tot het gebied van het privaat regt, tot het erfregt der vreemdelingen , afgescheiden van de daarop te heffen belastingen, dan nog verd'ient het daarin gehuldigde stelsel van wederkeerigheid — opgevat , hetzij als réciprocite' de nation a nation, hetzij als re'ciprocite' de particulier a particulier, waarover nog steeds veel verschil heerscht — geen goedkeuring.

Bevordering van het internationaal verkeer, ook door gelijkheid van regt voor vreemdelingen en inboorlingen, is steeds een kenmerk geweest van onze burgerlijke wetgeving in vroegeren tijd. Terwijl in andere landen bepaaldelijk de bevoegdheid als om erfgenaam op te treden, op het voetspoor van het Romeinsche regt, den vreemdeling werd ontzegd, waren in Nederland reeds voorlang vreemdelingen ook in dat opzigt met de inboorlingen gelijkgesteld.

»Over-sulx is 't dat de uytlanders, nu erflaten ende beuren als In borelingen (de Groot, inleiding I, 13, 3; II, 16, 1; Groenewegen , de legibus abrogatis , ad tit. Cod. communia de successionibus VI, 59}.

Bij Koninklijke boodschap van den 19 Junij 1868 werd aan de

Mogen ook al later door het Fransche regt andere beginselen hier inheemsch zijn geworden, en wederkeerigheid als voorwaarde gesteld zijn voor de erfbevoegdheid van vreemdelingen, die beginselen hadden geen toepassing moeten vinden in onze eigen wetgeving, welke, in afwijking van art. 11 Code Napoléon, in het algemeen, het stelsel van reciprociteit ten aanzien van de regtsbevoegdheid van vreemdelingen verwierp.

De Nederlandsche burgerlijke wetgeving wil in beginsel gelijkstelling van vreemdelingen met Nederlanders (art. 9 Alg. Bep.); en zoo nu ook al eene volkomen gelijkheid, bij name op het gebied van het procesregt, voor alsnog onbereikbaar is, het onderscheid tusschen vreemden en inboorlingen, door art. 884 en art. 957, in verband met art. 1718, Burgerlijk Wetboek aangenomen, laat zich niet wel verdedigen.

Het is strijdig met de regtsbegrippen van den tegenwoordigen tijd, den vreemdeling de erfenis van zijnen bloedverwant te ontzeggen . of wel hem bij het toekennen dier erfenis en van testamentaire makingen aan exceptionnele lasten te onderwerpen, of op andere wijze bij den Nederlander achter te stellen, alleen omdat hij behoort tot een land, waar in het omgekeerde geval hetzelfde geschiedt; het mag onbillijk genoemd worden het individu te doen lijden voor de onregtvaardige wetten van den Staat, waartoe hij behoort. Doch er is meer. Al stelt men zich ten deze op het hiervoren aangegeven standpunt van den wetgever van 1838 , ai deelt men in de bewaren, waaraan de artt. 884 en 957 Burgerlijk Wetboek hun oorsprong verschuldigd zijn, zoo mag men toch niet uit het oog verliezen, dat de min of meer afdoende redenen, die in 1838 met het oog op de vreemde wetgevingen golden, thans niet meer of althans niet; in gelijke mate bestaan.

De drukkende lasten, verbonden aan het erfregt van vreemdelingen , zijn schier overal afgeschaft.

Bij ons was het aftogtsregt (jus detractus) geregeld niet bij de wet, maar bij het Kon. besluit van 14 Dec. 1833, n». 87 in verband met dat van 21 Julij 1833, n». 29. Die besluiten, welker verbindbaarheid voor het minst aan zeer gegronden twijfel onderhevig was , zoo met het oog op art. 19 7 der Grondwet van 1 s 15 als omdat zij nimmer zijn afgekondigd, zijn onlangs ingetrokken bij' Zijner Majesteits besluit van den 3 Aug. jl., n'. 34.

Kegtstreeksche uitsluiting of beperking van het erfregt van den vreemdeling in de burgerlijke wet behoort, zoo zij nog hier en daar mogt bestaan , mede tot de zeldzame uitzonderingen. In Frankrijk ging men reeds in 18 19 (wet van 14 Julij van dat jaar) over tot de afschaffing der artt. 726 en 912 Code Civil, en België volgde bij de wet van 27 April 1865 dat voorbeeld.

Door de wederkeerige gelijkstelling van burgers en vreemdelingen in bijna alle Staten hebben de artt. 884 en 957 Burgerlijk Wetboek, zelfs voor de voorstanders van het beginsel van wederkeerigheid, hun practisch nut en daarmede hunne reden van bestaan verloren. Men zoude hiertegen kunnen aanvoeren, dat, wanneer de gelijkstelling van vreemdelingen met inboorlingen, ook ten aanzien van het erfregt, thans schier algemeen geldt, van do toepassing van de artt. 884 en 957 ook weinig of geen onbillijke gevolgen te vreezen zijn. Het antwoord op die mogelijke tegenwerping is tweeledig. Vooreerst heeft de erkenning van de ware regtsbeginselen voor den wetgever hare waarde, al ontstaat uit de niet-erkenning voor het ooo-enblik geen regtstreeksch nadeel. Maar ten andere heeft die tegenwerping slechts dan eenige kracht, wanneer men in de genoemde artikelen alleen ziet uitgedrukt de zoogenaamde rtSciprocité de nation a nation niet de veel verder reikende réciprocitc de particulier h particulier welke laatste het meest schijnt overeen te stemmen met de woorden der wet, bij name van art. 884 , en dan ook werd aangenomen bij een vonnis der Arrond.-Regtbank te Maastricht van 19 Maart 1856 in hooger beroep bevestigd bij arrest van het Prov. Geregtshof in Limburg van 4 Febr. 1859 (Weekblad van het liegt n'\ 1872 en 2040). Immers wanneer het, om de erfbevoegdheid van den vreemdeling hier te lande uit te maken , niet alleen de vraag is, of de Nederlander ais Nederlander is uitgesloten van het erfregt in het land van dien vreemdeling, maar meer algemeen of hij, volgens de wetten van dat land, in het gegeven geval — onafhankelijk van zijne nationaliteit en zonder achterstelling bij den inboorling — als erfgenaam kan optreden, dan behoeft het geen betoog, dat zelfs eene volkomen gelijkstelling van vreemdelingen met inboorlingen in alle bekende wetgevingen eene hoogst onregtvaardige en onbillijke toepassing van het stelsel van reciprociteit, volgens de artt. 884 en 95 7 B. W. in Nederland niet kan beletten Het geval, beslist bij • de aangehaalde regterlijke uitspraken, stelt dit in het volle licht. Art. 892 B. W. geeft in de zijdlinie een onbeperkt regt van plaatsvervullino aan de afstammelingen van vooroverleden broeders en zusters van hen , die den erflater op het oogenblik van zijn overlijden het naast in den bloede bestaan , in tegenstelling van het Romeinsche regt eu van den Code Napoléon, die in de zijdlinie geeue representatie erkennen dan ten behoeve van de kinderen en verdere afstammelingen van vooroverleden broeders of zusters van den erflater. Nu deed het geval zich voor, dat een Belg, afstammeling van een vooroverleden broeder van den naasten bloedverwant van iemand, wiens nalaten schap in Nederland was opengevallen , het erfdeel vorderde waarou hij , ware hij Nederlander geweest, uit kracht van art 892 B W regt zoude hebben gehad. Dit werd hem ontzegd, niet omdat de Nederlander in zoodanig geval in België bij den inboorling achter zoude zijn gesteld, maar eenvoudig, omdat de Belgische wet (de Code Napoleon) ten aanzien van bet regt van plaatsvervulling bij li (opvolging andere beginselen huldigt dan het Nederlandsche Burgerlijk Wetboek.

Met het oog op deze beschouwingen schijnt het niet twijfelachtig, dat ook voor Nederland de tijd gekomen is om, door de afschaffing van de uitzonderende bepalingen van de artt. 884 en 9n7 B. W., den regel van art. 9 Alg. Bep. ook ten aanzien van het erfregt in volle werking te doen treden.

Art. 4 der Belgische wet bepaalt, in overeenstemming met art. 2 der Fransche wet, dat, ingeval van verdeeling eener nalatenschap

Sluiten