Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'■ Z0I"ler dat de daarnaast wonende app. eenige aanmerking gemaakt, 0 eenige vordering gedaan heeft;

dat app. eer6t bij exploit van 30 Maart, toen het werk voltooid &a> geklaagd heeft over gebreken, die naar zijn beweren door het M van geïnt. waren veroorzaakt;

•lat geïnt., hoezeer van oordeel, dat die gebreken liet gevolg waren ^an het afhakken en hooger optrekken van den gemeenen muur door "en aPp., toen onmiddellijk alles heeft gedaan wat mogelijk was ter ^ermijding van moeijelijkheden en proces, hetwelk noch voor zijn uUrman t noch voor hem wenschelijk was;

dat hij daarom zijne werklieden naar den app. gezonden heeft, met erzoek om aanwijzing van hetgeen beschadigd zou zijn ,

. t app. toen gewezen heeft op twee onbeduidende barsten of afwijkingen, maar de opgave van hetgeen tot herstel daarvan verlangd Vei"d . op zeer onheusche wijze geweigerd heeft;

tiat app. daarna bij exploit van 11 Junij 1367 den geïnt. voor de egtbank te Nijmegen gedagvaard heeft;

dat hij in die dagvaarding over drie onregtmatige daden geklaagd en heweerd heeft, dat geïnt.:

den gemeenen muur afgehakt had ;

, • den gemeenen muur verzwaard (daarop zwaarderen last gebragt) had;

®°' onder de fondamenten van den gemeenen mnur gegraven had; dat geïnt. dien eisch als ongegrond bestreden en ontkend heeft, dat 0&ïl het huis van den app. eenig gebrek was ontstaan ten gevolge van n''egtruatige daden van geïnt.;

, dat de Regtbank, voorgelicht door deskundigen, zich overtuigd eeft» dat de beide eerste grieven van den app. in fado onjuist en °Hgegrond, en dat zijne klagten over de gevolgen van de derde hoogst ^ndreven waren, vermits alles zich bepaalde tot twee onbeduidende al*ijkingen, die in weinige uren voor enkele guldens konden worden

dat de regter a guo daarom den eisch op twee punten ontzegd, laaar tevens dien met betrekking tot het derde punt gegrond beschouwd en den eeïnt. dientengevolge tot schadevergoeding veroordeeld heeft;

dat de regter daarbij die vergoeding zeer ruim begroot en met het 0og daarop en op de ontzegging van 2/3 van den eisch de kosten ge c°Bipenseerd heeft;

dat geïnt., hoezeer van gevoelen, dat hij door dat vonnis is ver°ngelijkt, niettemin daarin gaarne zou hebben berust, om zoo een Clnde te maken aan een hoogst omslagtig en kostbaar geding, dat ®ver een nietig object wordt gevoerd, en dat voor de welvaart van eide de hier litigerende partijen niet zonder gevaar is;

dat app. evenwel tegen dat vonnis in hooger beroep twee grieven

aanvoert•

, dat de begrooting der schade in strijd met de wet en willekeurig is, en dat het cijfer te laag is;

2°- dat de kosten ten onregte zijn gecompenseerd;

dat die grieven , naar het oordeel van den geïnt., den toets met bonnen doorstaan; . . .

I. dat, zooals app. zelf opmerkt, de wet bij veroordeeling tot schadevergoeding als regel stelt: bepaling van het beloop er van door den regter en alleen dkn vereffening bij staat, als de regter niet bij ^gte is de schade bij het vonnis te begrooten;

^at de wet dus geheel aan het arbitrium judicis overlaat, in ieder Seding te beslissen, welk der beide gevallen aanwezig is;

dat de regter, bijgestaan en voorgelicht door deskundigen, de plaats ^ geschil naauwkeurig en met zorg heeft opgenomen, en dat hij daardoor volkomen in staat was üe schade, die er naar zijn oordeel *as toegebragt, te begrooten ;

dat de app. ten onregte beweert, dat die begrooting de taak was

deskundigen :

1°. omdat de wet die aan den regter opdraagt:

2o. omdat er wel niet veel technische kennis noodig is , om de Schade te begrooten van een paar onbeduidende barsten of afwijkingen

eer» huisje als dat van den app.; , ^ ,

dat app. evenzeer ten onregte wijst op toekomstige schade door verdere verzakking van den muur, want dat hij daarbij uit het oog Artiest, dat de deskundigen bij nader, meer naauwkeurig onderzoek Van oordeel waren , dat door het ontgraven en verlengen van den muur door den geïnt., geen gevaar te weeg gebragt wordt;

dat van even weinig gewigt is de bewering van app., dat de regter. de schade be°rootende, hem app., van de gelegenheid verstak te bewijzen welke schade hij leed , nademaal de wet den regter de TerP'igting 'tot beu-rooting oplegt, zonder te onderscheiden of de eischer af ot met het bedrag der door hem beweerde schade in de

^agvaarding uitdrukt; , „iïfar tP Inno-

. dat de app. almede kbagt, dat het hem toegewezen cijferte^laag 18 • en aanbiedt te bewijzen, dat de schade, die lij > g ^ dat hij daarbij evenwel vergeet, dat het hiei m ° ^

ka" zijn , welke gebreken aan het oude , verbouwde huisje van de

aPP- aanwezig zijn, en wat er tot wegneming van die ^reke ,l0°dig zijn, maar alleen, welke schade het gevolg is van handel,n-

> waarvoor geïnt. aansprakelijk is; ,

, dat nu de regter a guo op allezins juiste gronden besliste, .at ae de eerste door app. aangevoerde grieven met bestonde ,

erigens de voornaamste gebreken, waarover app. klaagde, on Selijk aan den eeïnt. konden worden toegerekend;

dat daarom dan ook het door app. nu aangeboden bewijs met

er zake dienende of afdoende; , u„„ton

„ Ü- dat app. tegen de uitgesproken compensatie vim kosten aan V°ert, dat hij in geen punt werd in het ongelijk Seste1^'

dat hij daarbij evenwel vergeet, dat van de rie, onbe-

de zoogenaamde onregtmatige daden van den g ï • dat

ezen weerden verklaard, en dat het bij onderzoe g sléchts

an al de door hem met grooten ophef aangegeven ge 1 Ue twee minst beduidende konden in aanmerking komeni;

dat de app. onder die omstandigheden meer nog dan g ■ aam verdient van temere litigaus, en dat het grootste gei °sten volkomen teregt te zijnen laste gebragt werd ; .

dat dus de door app. tegen het vonnis a guo aangevoerde £rl£v °ngegrond ziin en dat hij zich ten onregte in hooger beroep ee Vo°rzien; , ,

dat geïnt., hoezeer hij, zooals hij reeds opmerkte, naar zijn oordee d°or het vonnis a guo is verongelijkt, om een einde te zien aan een ^«stbaar en omslagtig geding, zeer gaarne in het gewezen vonnis zou "erusten, en zou mogen lijden, dat het door het Hof werd bevestigd;

dat hij evenwel, wanneer het Hof, ten gevolge van het ingestelde hooger beroep termen mogt vinden tot vernieuwd ouderzetek en tot daarvoor noodige geregtelijke opneming, wel genoodzaakt is van zijn r.egt tot incidenteel appèl gebruik te maken, opdat het tusschen parijen bestaande geschil in zijn geheel aan 's regters kennisneming on derworpen worde en opdat tegenover de door app. gestelde feiten en gevoerde beweringen ook de feitelijke voorstelling van geïnt. kunne

ln aanmerking komen; ., .

dat geint. het bij de adstructie van dat incidenteel appel, onnoodig acht Stil te staan bij de twee eerste door den app. bij dagvaarding geallegeerde grieven (het afhakken en verzwaren van den gemeenen muur), die door den regter a guo als in facto onjuist zijn'> dat geïnt. de waarheid van die feiten ontkent, en dat app. daarvoor geenerlei bewijs levert of aanbiedt;

dat dus alleen overblijft de derde grief (het ondergraven

lengen van den gemeenen muur); dat de geïnt. te dien aanzien al dadelijk opmerkt, dat de wet den mede-eigenaar van een muur regt geeft dien hooger op te trekken en bij gevolg ook dien naar beueden te verlengen;

dat de wet daarvoor niet vordert de toestemming van den anderen eigenaar, maar dezer, alleen de bevoegdheid geeft te eischen, dat vooraf de middelen worden beraamd, die noodig mogten zijn,, om hem voor schade te behoeden ;

dat de app. van die bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, hoezeer het graven van den kelder en het werken daaraan aan de openbare straat vlak naast de woning vau app. plaats had ;

dat hij in weerwil daarvan niets van zich heeft laten hooren vóór den 30 Maart 1b67, toen, zooals hij zelf stelt, het werk was voltooid;

dat geïnt. toen dadelijk, om alle moeijelijkheden te vermijden, zijne werklieden aan den app. gezonden en aanwijzing van de gebreken en van de wijze, waarop herstel werd verlangd, verzocht heeft;

dat app. toen een paar geringe afwijkingen of barsten aangewezen heeft, en dat geïnt. zich toen onverpligt bereid verklaard heeft die zóó te herstellen als de app. zou aanwijzen;

dat app. dat toen heeft geweigerd;

dat geïnt. bereid is en aanbiedt de waarheid van die feiten door alle middelen regtens, speciaal ook met getuigen, te bewijzen;

dat, zoo dus al de gebreken aan de woning van den app. het gevolg konden geacht worden te zijn van het verlengen vau den gemeenen scheidsmuur, eensdeels die gebreken niet het gevolg zouden zijn van onregtmatige daad vau geïut., anderdeels geint. reeds vóór de dagvaarding aangeboden heeft die gebreken te herstellen;

dat geïnt. evenwel ontkent, dat die geringe afwijkingen, die aan het huisje van app. zijn waargenomen, het gevolg zijn vau het ondergraven en verlengen van den gemeenen scheidsmuur ;

dat de deskundigen die gebreken, wel is waar, daaraan hebben toegeschreven , maar dat zij toen onkundig waren van de volgende feiten , die geïnt. aanbiedt met getuigen te bewijzen:

а. dat app. in 1864 de beneden-, in 1866 de bovenverdieping zijner woning uitgebroken, en bij die gelegenheden den gemeenen muur. doorgebroken , afgehakt en aanmerkelijk afgenomen heeft;

б. dat hij in 1866 op dien verzwakten gemeenen muur eene hoogere verdieping opgetrokken heeit;

dat, naar het oordeel van geïnt., de geringe afwijking vau den muur even goed het gevolg kan zijn vau die ongeoorloofde en onregtmatige handelingen van den app.;

dat hiertegen niets afdoet het door app. gestelde feit, dat de afwijking zich eerst heeft vertoond na het afbreken van het huisje van geint., vermits het zich zeer wel laat verklaren, dat de gevolgen van de handelingen van den app. zich eerst openbaarden toen het huisje van geïnt. werd afgebroken ;

dat geïnt. intusschen door dat afbreken van zijn huisje niets anders heeft gedaan , dan gebruik maken van zijn regt, en dat hij voor de gevolgen, al waren die schadelijk geweest voor den app., uiet aansprakelijk zou zijn;

dat dus het feit, dat de gebreken aan het huis van app. zich eerst na het graven van den kelder van geïnt. hebben geopenbaard , niet is ter zake dienende of afdoende;

Op alle welke gronden geïnt. doet concluderen , dat het den Hove behagen moge:

1". met te-niet-doening van het appel en met voorbijgang van de door den app. gestelde daadzaken, als niet ter zake dienende noch afdoende, het vonnis a guo te bevestigen en den app. te veroordeelen in de kosten;

■i«. voor het geval, dat het Hof, naar aanleiding van het ingestelde hooger beroep vernieuwd onderzoek mogt noodig achten, den geint. te verleeneu acte, dat hij voor dat geval voor zooveel noodig incidenteel van dat vonnis, voor zooverre daarbij de eisch is toegewezen , in hooger beroep komt, en hem ten profijte daarvan toe te laten tot het bewijs der hierboven door hem, onder aanbod van bewijs gearticuleerde feiten ; voorts, nadat dit bewijs zal zijn geleverd en nadat zoodanige geregtelijke opneming zal hebben plaats gehad, als het Hof zal noodig achten, het incidenteel appel aan te nemen , dat a . pel mitsgaders het vonnis a guo, voor zooveel daarbij de eisch werd toegewezen, te niet te doeu en, met verbetering van dat vonnis, den principalen app. niet-ontvankelijk te verklaren in zijnen eisch, immers hem dien te ontzeggen en hem te veroordeelen in al de kosten.

Hierbij worden overgelegd:

Van n°. 1 tot en met 8, alle stukken der eerste instantie met en blijkens den inventaris.

A. Copij-acte van appel en dagvaarding.

B. Procureurstelling voor geïntimeerde.

C. Conclusie van appellant.

De app. (incidenteel geïnt.) doet eerbiedig voordragen :

dat hij ondersteunt het verzoek van geïnt., tot het instellen van een nieuw onderzoek;

dat toch daardoor over de meeste punten alsnog in geschil, meerder licht zal worden verspreid , en al aanstonds zal kunnen blijken van de onware voorstelling van geint., dat in dit geding sprake zoude zijn van: «twee oude huisjes, staande aan eene vrij steil afloopende straat" ;

dat hij , zoo het Mof tot dat onderzoek mogt termen vinden , evenwel in overweging geeft, ingevolge art. 235 13. R. , andere deskundigen te benoemen dan de stads-rooimeesters van Nijmegen;

dat hij verder de door geïnt. gestelde feiten ontkent, en het daarom aangeboden bewijs, als niet ter zake dienende en afdoende zijnde, dient te worden voorbijgegaan.

Op welke gronden de app. doet concluderen :

dat het den Hove moge behagen:

I •. voor het geval dat het Hof termen mogt vinden, een nieuw onderzoek te gelasten , alsdan andere deskundigen te benoemen dan degenen , die in eersten aanleg hebben gerapporteerd;

2". het door den geïnt. aangeboden getuigenbewijs, als met ter zake dienende en afdoende , voorbij te gaan ; en ....

3". den geïnt. te veroordeelen ook in de kosten van dit incident.

Het Hof enz.;

Gezien de wederzijds genomene conclusien ;

Mede gezien , de door de beide partijen , betrekkelijk deze procedure overgelegde stukken, voor zooverre noodig, behoorlijk geregistreerd en waarvan de registratie, voor zooveel betreft de stukken ter eerster instantie overgelegd, en bij het vonnis a guo genoemd,

aldaar is vermeld;

Ten aanzien der daadzaken en pioceduie.

Zich gedragende aan en alzoo overnemende hetgeen daaromtrent is vermeid in het, den 3 Dec. 1867 tusschen partijen door de Arrond.Regtbank te Nijmegen, g-wezen vonnis , waarvan hooger beroep, en

VOX^""rfe!adafegenoemde Regtbank den 81 Oct. te voren ten gevolge van een door haar op dien zelfden dag uitgesproken interlocutoir vonnis, in bijzijn van drie door haar benoemde deskundigen is overgedaan tot eene plaatselijke opneming, ten einde te onderzoeken of, en"zoo ja, hoeverre de klagten gegrond waren door den app. , toen eischer, tegen den geïnt , toen ged., mgebragt, wegens schade aan zijne woning gelegen in de Nieuwstraat te Nijmegen, sectie C, n . 694 en 695 , veroorzaakt door het ondergraven van den gemeenschappe-

lijken muur in de daar naast gelegene woning van den geïnt., sectie C, n°. 692 en 693 tot daarstelling van eenen ongewelfden kelder door het gedeeltelijk verbreken van dien muur en eindelijk door het verzwaren van denzelven;

O. dat, naar aanleiding van het van die geregtelijke plaatsopneming opgemaakt proces-verbaal, in verband met een vroeger reeds door diezelfde deskundigen ingezonden berigt, door de Regtbank in het vonnis van den 3 Dec. 1867 , voornamelijk op de gronden door die deskundigen bijgebragt, is aangenomen geworden, dat ten onregte dooiden app. is geklaagd geworden over verbreking van den scheidsmuur, door de daarstelling van een schoorsteentje, hetgeen slechts tegen den muur is gebouwd geworden, en evenmin dat opbouwen op den scheidsmuur van geenen nadeeligen invloed kan zijn geweest op de woning van den app., en dat de aan die woning aanwezige scheuren in den voorgevel noodzakelijk aan eene andere oorzaak moeten worden toegeschreven ; dat echter teregt door den app. is geklaagd geworden over de ondergraving van den scheidsmuur, waaraan behooren te worden toegeschreven de overigens van weinige beteekenis zijnde afwijking in den vloer en scheur iu het plafond van des appellants benenen-voorkamer, zijnde overigens, naar het oordeel der Regtbank, door het, indien dan ook al niet geheel voldoende weder-onderbouwen van den ondergraven scheidsmuur, geen verdere nadeelen voor het huis van den app. te vreezen ;

O., dat de Regtbank uit deze wijze van beschouwing de gevolgtrekking heeft gemeend te moeten afleiden, dat de veroorzaakte schade gering was, en door haar bij raming konde worden bepaald, en dat beide partijen over en weder ten deele in het ongelijk dienden te worden gesteld, en om die reden de schadevergoeding aan den app. toekomende heeft bepaald op f 100, met compensatie van de kosten des gedings tusschen hem en den geïnt.;

O. , dat de app. van dit vonnis is gekomen in hooger beroep en, hoezeer subsidiair het betoog voerende, dat hij ten onregte in het bestreden vonnis niet op alle zijne klagten, tegen den geïnt. ingebragl is in het gelijk gesteld geworden , toch voornamelijk als grieven tegen dat vonnis doet gelden èn de uitgesprokene compensatie van kosten èn de vaststelling bij raming van het cij fer der schadevergoeding, naar zijne schatting daarenboven veel te laag gesteld, concluderende hij mitsdien tot vernietiging van dat vonnis, tot verhooging van het bedrag der schade, die verhooging bij staat op te maken , en tot veroordeeling van den geïnt. in alle de kosten der beide instantiën, biedende hij , voor zooveel noodig, aan , met getuigen te bewijzen , dat hoegenaamd geene gebreken aan zijn huis aanwezig waren vóór de ondergraving van den scheidsmuur door den geïnt. bewerkstelligd, en dat de door hem geledene schade en die nog te lijden is , meer bedraagt dan f 100;

O., dat de geïnt. zich bepaald heeft tot verdediging van het vonnis des eersten regters tegen de beide grieven door den app. daartegen aangevoerd , en ten slotte geconcludeerd heeft tot bevestiging van dat vonnis met veroordeeling van den app. iu de kosten van het hooo-er beroep, subsidiair acte vragende, dat hij incidenteel hooger beroep instelt van datzelfde vonnis, voor zooverre het Hof mogt noodig oordeelen, naar aanleiding van des appellants conclusie, een vernieuwd onderzoek te gelasten ;

Wat het regt betreft:

O., dat de eerste regter, door eigen aanschouwing en onder voorlichtingvan door hem benoemde deskundigen, zich eene klare en duidelijke voorstelling heeft kunnen maken van de schade aau het huis des. appellants veroorzaakt, door hetgeen door den geïnt. aan den o-emeenschappelijken muur is veranderd geworden ; dat die regter iu het thans bestreden vonnis met de meeste naauwgezetheid het resultaat van zijn onderzoek heeft ter neder gelegd, en dat wel zeer gewigtige gronden zouden behooren te worden bijgebragt om de juistheid van het over de zaak gevelde oordeel in twijfel te trekken, en iu hooo-er beroep een nieuw onderzoek te gelasten e

O., dat de geïnt., hoezeer gedeeltelijk iu het ongelijkgesteld, uitdrukkelijk verklaard heeft van zijne zijde in het vonnis te berusten , en de app. even duidelijk heeft te kennen gegeven , dat hij vooral daarom in hooger beroep is gekomen, dewijl de schadevergoeding willekeurig zoude zijn geregeld, en op veel te laag cijfer zoude zijn gebragt, doch ten eenemale in gebreke is gebleven om zwaarwigtige bedenkingen in te brengen tegen de juistheid van het onderzoek door den eersten regter ingesteld;

O., dat er dus ook niet de minste grond kan bestaan om hier een nieuw onderzoek te gelasten naar de gesteldheid der zaak zelve en dat eenig en alleen beslist behoeft te worden of de schadevergoeding teregt door den eersten regter is begroot geworden op een bedrag van ƒ100 en of teregt compensatie vau kosten tusschen partijen is uitgesproken geworden ;

0., dat door de wet aan den regter de bevoegdheid is toeeekend geworden , om het bedrag der schadevergoeding waarin hij ééne der partijen veroordeelt, zelf vast te stellen , en dat hij eerst dan de nadere regeling van dat bedrag behoeft uit te spreken , indien hij zieh buiten staat gevoelt, om zulks , zonder nadere opgave van partijen, bij het uitspreken der veroordeeling volgens eigene begrooting te doen', terwijl het geheel in den aard der zaak ligt, dat de regter, die iu persoon de veroorzaakte schade heeft opgenomen, en daarbij ae voorlichting van deskundigen heeft genoten, rijkelijk in staat is zelf de schade, die te vergoeden is, te schatten, en hier dan ook niets is bijgebragt om te betoogen , dat de schade te laag zoude zijn gewaardeerd, vooral indien men bedenkt, dat de nadeelen, aan het huis van den app. door de verbouwing in dat van den geint. veroorzaakt, hoe hoog door den app. opgevoerd, op zeer weinig zijn neêrgekomen;

0., dat nadat de regter in loco door eigen bevinding de wetenschap had verkregen, dat de inderdaad geledene schade, voor zooverre die voor rekening van den geïnt. konde komen , zoo oneindig verschilde van de opgaven dienaangaande in de dagvaarding gedaan, het ook geheel in den aard der zake lag , dat hij van de hem insgelijks door de wet verleende bevoegdheid gebruik maakte om de kosten van het geding tusschen partijen te compenseren, terwijl door den app. niets wezenlijk ter zake dienende is bijgebragt gewordeu ten betooge, dat de eerste regter ten onregte vau die bevoegdheid zoude hebben gebruik gemaakt;

0., dat bij deze beschouwing der zaak de door den app. in hooger beroep subsidiair gestelde daadzaken niet zijn ter zake dienende en afdoende;

0., dat er dus allezins termen bestaan om het beklaao-de vonnis te bevestigen;

Het Hof:

Regt doende enz.,

Gezien art. 56 B. R.;

Doet te niet het hooger beroep:

Verleent aan beide partijen de door haar gevraagde acten, en de door den app. in hooger beroep gestelde daadzaken ,°als niet ter zake dienende noch afdoende , voorbijgaande , en

Bevestigt het vonnis tusschen partijen gewezen door de Arrond.Regtbank te Nijmegen den 3 Dec. 867 ;

Gelast., dat liet volkomen uitwerking zal hebben ; en

Veroordeelt den app. in de kosten van het hooger beroep , nader bij staat op te maken , ingevolge de wet.

(Gepleit voor den eischer en appellant -r. '. P. Pooi., en voor den gedaagde en geïntimeerde Air. W. Fuancken NGzn. , beide vau Nijmegen.)

Sluiten