Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ten onrechte wordt door den gedaagde beweerd, dat de overeenkomst tusschen partijen met onderlinge overeenstemming zoude zijn ontbonden.

De bewoordingen van de ter zijde der overeenkomst gestelde, in het vonnis gereproduceerde clausule zijn voor geen© andere redelijke uitlegging vatbaar dan deze, dat de gedaagde het recht had, om zijn zoon, zoo deze dienstplichtig was, zelf zijn dienstplicht te doen vervullen en dat het contract van plaatsvervanging tusschen partijen alsdan kosteloos zal zijn ontbonden, mits hiervan door gedaagde aan eischer vóór of op 1 December schriftelijk was kennis gegeven. Rechtb. Rotterdam. 7401. 2.

— Ten onrechte wordt door den gedaagde beweerd, dat de overeenkomst tusschen partijen met onderlinge overeenstemming zoude zijn vervallen.

De uitvoering dezer overeenkomst kan echter niet worden gevorderd wegens niet-vervulling eener voorwaarde, waarvan de praestatie en contra-praestatie afhankelijk waren. Rechtb. Rotterdam. 7401. 3.

—- Art. 637 W. v. K. Wanneer de verzekeraar goederen verzekerd heeft voor de reis van Amerika naar Nederland, te verladen in een stoomschip en zijn risico aanvangt met het oogenblik dat het goed gebracht is op de kade, om van daar in het stoomschip geladen te worden, zoo komen de gevolgen van het feit dat de goederen, zonder toestemming des inladers, door den kapitein, in plaats van in het stoomschip, op het dek daarvan worden geladen, als veroorzaakt door nalatigheid of verzuim des schippers, voor rekening des verzekeraars.

Onder nalatigheid of verzuim des schippers toch moet verstaan worden elke handeling, niet vallende onder het begrip van schelmerij, waardoor hij te kort schiet in zijn verplichting tegenover de inladers, terwijl het op dek laden in elk geval in zoover een bepaald verzuim in engeren zin is, als de schipper, door dit te doen, naliet en verzuimde om d£ goederen een plaats te geven onder dek, waartoe hij verplicht was. Rechtb. Rotterdam. 7410. 2.

—■ Wanneer de verzekeraar, met afwijking vanaa-t. 643 W. v. K., zich verbonden heeft tot vergoeding van schade door lekkage, ook zonder evenement, onder aftrek van 2 pet. voor gewone lekkage, kan hij ter zijner bevrijding niet volstaan met een beroep op eigen gebrek der vaten, waarin de waar vervoerd is, maar heeft tij te bewijzen dat dit eigen gebrek de schade, tot welker vergoeding hij aangesproken wordt, heeft doen ontstaan.

De vermelding op het cognossement, dat de schipper de daarin bedoelde vaten goed en wel geconditioneerd heeft ontvangen, wordt opgeheven door d© vermelding in de scheepsverklaring dat die vaten in lekken toestand aan boord zijn ontvangen.

Dientengevolge kan niet worden aangenomen dat de vaten, bij de inlading, nog het gewicht hadden daarvoor door beëedigde wegers vóór de inlading, geconstateerd, nu niet blijkt hoeveel tijd er tusschen de weging en de inlading verloopen is.

Een cognossement door den schipper geteekend met de vermelding „gewicht onbekend", kan ook tegenover den Verzekeraar niet dienen tot bewijs van het ingeladen gewicht. Rechtb. Rotterdam. 7436. 2.

— De nietigheid, in art. 251 W. v. K. bedreigd, moet door den lechter worden uitgesproken.

Een assurantie-maatschappij heeft tot behoud van haar goeden naam belang bij de vernietiging van verzekeringen op grond van art. 251 W v. K.

Ontkennende beantwoording van deze vraag in het voorstel van verzekering :

„Is ooit een voorstel tot verzekering op dit leven geweigerd?" geeft grond tot vernietiging der overeenkomst, indien die weigering aan den verzekerde bekend is geweest. Rechtb Utrecht. 7477. 3.

— Assurances et contre-assurances.

Du consen temen t et deses éléments oonstitutifs.

Contrat. — Pollicitation. — Acceptation. — Pourparlers. — Assurances. — Conditions Générales. —■ Interprétation. -—■ Preuve. — Agissements ultérieurs.

S'agissant d'une proposition de contracter que le proposant soutient n'être qu'un acte préliminaire a nne convention éventuelle et que le réceptionnaire prétend avoir constitué une pol- licitation, en cas de doute au sujet de la portee des termes d© Ia proposition, c'est au réceptionnaire qu'incombe le fardeau de la preuve.

La proposition de contracter aux conditions générales des polices d une société dont on déclare avoir pris connaissance, ne suffit pas pour servir de base a la formation d'un contrat, s'il nest pas prouvé que le proposant ait eu 1'intention de conclure ^ la convention déterminée que 1'autre partie prétend avoir été faite. ^

Lorsque, après une pollicitation, la réponse de 1'autre partie est telle ^ que le pollicitant n'en doit pas nécessairement con- ^ clure qu nn contrat s'est formé, cette réponse ne parfait pas \ le contrat. ^

S agissant de la question de savoir si un contrat s'est formé \ a un moment ^-onné, les agissements ultérieurs des parties peu vent être pris en considération pour la solution de cette question. Tribunal de Commerce te Gent. 7508. 2.

Dwaling omtrent de feiten. Waar de verzekeraar den verze- V kerde schriftelijk mededeelt dat de schadepapieren bij hem zijn ingekomen en dat hij het gevorderde bedrag den volgenden dag zal laten toekomen, zonder dat daarbij van eenige voorstelling der ramp sprake is, kan hij, op grond van die verklaring aangesproken, zich niet aan de betaling der gevorderde schadevergoeding onttrekken, onder bewering dat hij, door dwaling omtrent de feiten, tot die erkentenis zou zijn gebracht.

Dergelijk beroep op dwaling staat wel het voortbestaan der verbintenis in den weg, doch is op zichzelf niet voldoende tot vernietiging, zonder het, ingevolge art. 1485 B. W. inroepen van 's rechters tusschenkomst. Rechtb. Amsterdam. 7515. 1. _ Er is verandering in het onderwerp van den eisch, wanneer Vi de verzekerde, schadevergoeding vorderende van den verzeke- y raar, zijn oorspronkelijk positum bij dagvaarding, waarin slechts eéne verzekering wordt vermeld, nader wijzigt in dier voege, dat er verschillende verzekeringen zouden zijn geweest. Rechtb Assen. 7521. 2.

- Zie Hulploon. 7470. 3; Makelaar. 7483. 2; Scheidslieden■ H. R. 7379. 1; Vervoer. 7508. 1.

Verzendingsorders. — Zie Koop en verkoop. 7524. 2.

Verzet. — Wanneer de opposant niet verschijnt omdat hij daartoe door ziekte buiten staat is, handelt de rechter niet in strijd met art. 267 Strafvord., door zonder vervallenverklaring van het verzet, de behandeling der zaak uit te stellen tot eene nadere terechtzitting. H. R. 7412. 1.

— Zie Borgtocht. 7504. 3 ; Hooger beroep. H. R. 7440. 1; Huwelijk. H. R. 7481, 1 ; Nietigheid. H. R. 7377. 1 : Verstek 7469. 3.

Verzoekschrift. — Zie Hooger beroep. 7430. 2: H. R. 7468 1Onderhoud. 7437. 2.

Verzoening. — Zie Echtscheiding. 7445. 1; 7458. 2 ; Scheiding van tafel en bed. 7434. 2.

Verzuim. — Zie Scheidsmannen. 7403, 2.

ie Vieler (J. B. G.) ca. J. J. Zoetmulder. 7456. 1.

n- Vijver (H. van der) ca. Pincofïs Pieters en Co. 7411. 2.

— (W. S. P. van der) ca. C. J. van der Vijver. 7466. 1. e> Visch. — Zie liijkswaterstaatsu>erk. H. R. 7396. 1.

Visscherij. — Zie Jacht en Visscherij.

st VissChershaven. — Zie Rijkswaterstaalswerk. H. R. 7396. 1. in Vischnetten. — Zie Jacht en Visscherij. 7487. 3.

s- Visser Sr. (P. J. de) ca. Mevr. A. G. van Voorthuysen. 7459. 2. t- Vlasman (P.) en A. van Spanje ca. J. Hillen. 7399. 3. 1 Vleesch. — Zie Accijns. 7433. 2; Delegatie. II. R. 7507. 2. a- Vliet (.Mr. D. van der; ca. W. Boot Pz. 7462. 3.

— ca. C. de Vos. 7464. 3.

r~ Vlissingen. -— Zie PI. Verordening. 7421. 2.

ig Voeging. — Art. 159 B. R. — Voeging. — Verknochtheid.

Voor voeging is het geen vereischte, dat de zaken tusschen >n dezelfde partijen aanhangig zijn, zoodat het feit dat in een ■n der zaken, wier voeging wordt gevraagd, nog een derde persoon >• als medegedaagd© is betrokken, het onderzoek naar de vraag

of beide zaken verknocht zijn, niet in den weg staat, r- Onder verknochtheid' moet worden verstaan eene zoodanige © nauwe betrekking van de eene vordering tot de andere, dat t liet oordeel van dien -rechter over de eene noodzakelijk invloed -r moet uitoefenen op de andere, zoodat in het belang der rechten n van beide partijen over beide vorderingen bij één en hetzelfde i, vonnis moet worden beslist.

t Waar in de eene procedure door den hypotheekhouder wordt d gevorderd nietigverk-aring der huurovereenkomst, als gesloten in strijd met het beding der akte van hypotheekstelling, in de andere zaak ontbinding der huurovereenkomst, op grond van p wanpraestatie, kan in dit geval geen verknochtheid in den zin der wet aanwezig worden geacht. Rechtb. Amsterdam. 7477. 2. £ — Zie Regeling van rechtsgebied. 7506.2; Tusschenkomst. 7501. e 2 ; Verknochtheid. 7491. 6.

■ Vogel (N. C.). De arbeidsovereenkomst van tooneelisten aangek, door Mr. S. J. M. van Geuns. 7432. 4.

Vogel en Jachtwet (voor vogelvrienden). 7496. 1 ; 7497. 4. > Volmacht. —■ Zie Dading. 7441. 2; Hooger beroep. 7441. 1.

Vonnis. — Zie Alternatieve aanklacht. H. R. 752U. 1 ; Minder5 jarige. 7405. 2.

1 Voogd. — Zie Bevoegdheid. 7385. 2; 7402. 2 ; Boedelbeschrij' ving. 7448. 2; Üeelvoogd. 7464. 1.

L Voogdij. — Vordering van een gewezen minderjarige tegen zijn toezienden voogd tot schadevergoeding, op grond dat bij zijne 1 meerderjarigheid zijn voogd niet bij machte was een door hem

voor den minderjarige ontvangen erfdeel uit te keeren. I Ontzegging dier vordering op grond dat de schade, die de minderjarige daardoor heeft geleden, niet een gevolg was van de nalatigheid van zijn toezienden voogd. Rechtb. Zierikzee. 7373. 3.

— De vader of moeder, in gebreke blijvende te voldoen aan het voorschrift van art. 407, le lid, B. W., verliest krachtens liet 2e lid van rechtswege, dus zonder rechterlijke tusschenkomst, de voogdij.

Als dit geval zich voordoet, moet de kantonrechter krachtens art. 4'j.3 B. W. in de opengevallen voogdij voorzien door de benoeming van een nieuwen voogd.

Bij gebreke van het in art. 463 B. W. bedoeld© rechterlijk verlof is de voogd niet ontvankelijk in eene door hem ingestelde vordering tot scheiding of verdeeling. H. R. 7394. 1. (Zie het arrest a quo in W. 7325).

—■ Uit d© wet volgt niet, dat d© kantonrechter een verzoek van den voogd tot benoeming van een toezienden voogd zou moeten afwachten alvorens die benoeming te doen. H. R. 7396. 1.

— Art. 405 B. W., alleen geschreven voo-r het geval, dat die 1 moeder-weduwe en als zoodanig voogdes over hare wettige 1 minderjarige kinderen een tweede of volgend huwelijk wil aangaan, is niet vatbaar voor analogische toepassing op het daar mede niet gelijkstaand geval, dat de moeder van een natuurlijk wettelijk erkend kind] huwt. H. R. 7408. 1.

— De bijzondere, in art. 315 B. W. bedoelde voogd, moet benoemd worden door de Rechtbank en niet door den Kantonrechter. Hof Arnhem. 7411. 2. 1

(Zie het vonnis a quo in W. 7385). 1

—• De gevallen, waarin men ontslag kan verzoeken van de voogdij 1 of toeziende voogdij, mogen niet worden uitgebreid tot andere dan de in de wet genoemde. Hof v. Justitie te Suriname. 1 7437. 3. ^

— De toeziende voogd, benoemd over een uitdrukkelijk genoemd \ minderjarig kind, is niet rechtens ook toeziende voogd over een bij die benoeming nog onbekend, later uit hetzelfde huwelijk \ geboren kind. Kan tong. Goes. 7471. 4.

— Zie Hooger beroep. 7473. 3.

Voogdijhypotheek. — Zie Boedelscheiding. H. R 7410 1 • \ 7417. 3. \

Voorham (G. II.) ca. A. Hillenaar. 7395. 2. I \

Voorlezen- — Zie Jacht en Visscherij. H. R. 7474. 1. Voorloopige tenuitvoerlegging. — ZieBurgerlijke Stand. 7435.2. V Voortgezette handeling. — Het voltooid zijn van een vroeger V feit verhindert niet, dat het te zamen met een later, mits gelijksoortig feit, als ééne voortgezette handeling in den zin van art. 56 Strafrecht kan beschouwd worden. H. R. 7-510. 1. V Voorwaarde. — Is de voorwaarde der geldleening door het V waterschap Groot-Mijdrecht aangegaan, dat de coupons bij de V voldoening van den polderomslag in betaling worden aangenomen, W in strijd met het openbaar belang en dus in strijd met art. V 14 A. B. v. W. ? — Neen.

Is die voorwaarde in strijd met art. 104 van het reglement voor de waterschappen in de provincie Utrecht? -— Neen.

Heeft het aanbod der coupons gedaan door den opposant en gevolgd door hunne bewaargeving bij den deurwaarder den opposant bevrijd? — Ja. Rechtb. Utrecht, 7461. 3.

(Cf. H. R. 24 Juni 1897 W. 6986).

— Zie Koop en verkoop. 7424. 2.

Vos (Mr. H ). Geschillen van bestuur. 7380. 4.

Vraagpfnten. — Indien een eisch tot tiendplichtigverklaring van zeker perceel op grond van de resultaten van de gehouden getuigenverhooren, wordt ontzegd en de vraagpunten in appel gesteld, waarop mem de tegenpartij wil doen hooren, niets inhouden, waaruit de onwaarheid van het feit (waaruit de onvrijheid bleek) zou volgen, terwijl de vragen kennelijk de strekking hebben de uit die enquêtes getrokken resultaten te ver- — zwakken, daar zijn die vraagpunten niet ter zake dienende en behoort t verzoek tot bedoeld verhoor t© worden afgewezen.

Over de toelaatbaarheid van een dergelijk verhoor (waaromtrent de tegenpartij zich refereerde aan 's rechters oordeel) in dezen stand van het geding, alvorens van grieven was gediend en waar doel en strekking van het verhoor niet rechtstreeks werden vermeld, is niet- beslist. Hof Arnhem. 7458. 1.

(Zie hierover een vonnis Rechtbank Rotterdam, 20 Febr. 1899, W. 7344, in welke zaak 't geval zich voordeed, dat een gedaagde nog geen verweer tegen de ingestelde actie had gevoerd en beslist werd dat ,,alzoo het geschilpunt tusschen partijen nog niet vastgesteld was kunnen worden, zoodat de rechter niet in staat was om over de toelaatbaarheid van het gevraagde verhoor te oordeelen", zoodat 't verzoek werd afge¬

wezen, en een arrest H. R. 10 Juni 1898, W. 7139, waarbij evenals in de onderwerpelijke zaak nog geen conclusie van grieven was genomen en beslist werd, dat de rechter, die over de feiten oordeelt, bevoegd is het verhoor te weigeren, in alle gevallen dat het naar zijn oordeel nutteloos zou zijn en strekken zou om de aldoening van het geding slechts te vertragen^. — Door de dagvaarding in hooger beroep wordt de omvang van 2. het appel bepaald.

Uit de bepaling van het ongewijzigde W. v. Burg. Rechtsv., dat partijen in eiken stand van het geding elkander op vraagpunten mogen doen hooren, vloeit niet voort de bevoegdheid om, waar in eersten aanleg op verzoek van eene der partijeiy zoodanig verhoor heeft plaats gehad, op haar verzoek in hooger beroep andermaal een verhoor op vraagpunten, die geen nieuw sn licht op de zaak werpen, toe te staan. Hof Amsterdam. 7465. 2. ,n —- Zie Bevoegdheid. 7490. 3; Bewaargeving. 74ül. 3; Last>n geving. 7466. 2 ; Revindicatie. 7494. 1.

•g «Vrede door recht» orgaan van den Nederlandschen Vrouwenbond ter internationale ontwapening. 7385. 4.

;e Vredenbregt (M. H.) ca. G. van Seperen. 7421. 3. it Vreemdeling. —- Zie Filiale. 7464. 2; Gijzeling. 7449. 2; •d Zekerheidstelling. 7456. 4.

n Vreemdelingenwet. Toepassing te Venlo door A. W. 7494. 4; le 7499. 4; 7506. 4; door P. J. Dammers. 7496. 4; door Rauch.

7497. 4; door Forceville. 7502. 4; door G. T. 7502. 4; door t J. O. 7504. 4.

n Vries (De), Mulder & Go. ca. F. Butzke & Co. 7488. 2. © — (Mr. C. J. de). —- Beësdigd als advocaat tn procureur. 7420. 41' — (Mr. G. de). Overlijdensbericht van — 7397. 4.

n — (Ph. L. de), ca. M. L. Schaap. H. R. 7415. 1.

I. Vrijheid. — Zie motiveering. H. R. 7427. 1.

[. Vrijspraak. — Tegen de in het bestreden vonnis vervatte vrijspraak, als berustende op het niet bewezen zijn van een der l. vereischten van strafbaarheid van het bij de dagvaarding ten laste gelegde feit, is geen gewoon beroep in cassatie toegelaten. H. R. 7470. 1.

— Zie Fabriek- en Handelsmerken. 7384. 2 ; Strafr. art. 461. H. R. 7374. 1.

Vrijstelling. — Zie Belasting (Personeele). 7411. 3. \ rij waring. —■ W aar blijkt dat de gestelde posita nimmer de toewijzing der ingestelde vordering ten gevolge zullen hebben, i moet de rechter ambtshalve de vordering met-ontvankelijk ver. s klaren. Rechtb. 's Gravenhage. 7384. 3.

i — Ook dan wanneer dl© gestelde feiten recht zouden kunnen geven tot oproeping in vrijwaring, is de rechter niet verplicht i daartoe in elk geval verlof te verleenen, maar heeft hij naar i d© omstandigheden te beoordeelen of daartoe termen bestaan. Rechtb. Rotterdam. 7427 . 3.

— Al moet ongetwijfeld ook de suppletoirs, evenals de decisoire eed tot de beslissing der zaak kunnen leiden, wordt aan dien eisch niet te kort gedaan, wanneer niet alle punten in geschil tusschen partijen daarin zijn opgenomen.

Aan den gedaagde in vrijwaring komt wel in het algemeen toe het recht om zijnerzijds door alle middelen rechtens het bewijs te leveren van hetgeen tot zijn verweer kan dienen; ma-ar wanneer hij zich bij den oorspronkelijken gedaagde heeft gevoegd ten einde diens verweer te ondersteunen, wordt dat recht uit den aard der zaak beperkt door de bevoegdheid der hoofdpartij, bij welke hij zich heeft aangesloten, en wier stelling in het geding hij verklaard heeft tot de zijne te maken. H. R. 7447. 1.

— Zie Aanvaring. 7413. 2; 7524. 3; Bezit. 7410. 2; Orderbiljet. 7472. 3. Vennootschap. 7511. 2,

Vromen (M.) ca. K. Philips. 7443. 2.

Vruchtgebruik — Zie Gemeenschap. 7454. 3.

Vruchtgenot. — Zie Schadevergoeding. 7518. 2.

w.

Waarde naar genoegen genoten. — Zie Schuldoorzaak. 7402. 3. Waarschuwing. — Zie Beleediging. 7467. 3.

Wachtgelden, uitbetaald aan ambtenaren bij voormalige Prov.

gerechtshoven, van rechtbanken en kantongerechten. 7489. 4. Wagen. — Zie Vervoer. 7373. 4.

Walter (Mr. F. J. F. M.). Overlijdensbericht van —. 7381. 4. Walters (A. II.) ca. Directie Grootboeken der Nationale Schuld.

7410. 3; 7497. 2.

Wanpraestatie. — Zie Huur en verhuur. 7398. 2; 7407. 2 : 7478. 2; 7525. 1; Koop en verkoop. 7399. 3; 7433. 2 ; 7496. 2; Overeenkomst. 7453, 2; Schadevergoeding. 7418. 1.

Wardenaar (J.) ca. J. J. Licher. 7402. 3.

Warnitz (J. C.) ca. J. v. Rede en Zn. 7445. 2.

Waschhokken. — Zie Belasting (Personeele). 7374. 3 ; 7411. 4 •

H. R. 7428. 2 ; 7434. 4.

Waterfornuis. — Zie Belasting (Personeele). H. R. 7428. 2. Watergraafsmeer (Gemeente) ca. Dijkgraven en Hoogheemraden van Watergraafsmeer 7438. 2.

Zie Pl. Verordening. H. R. 7515. 1.

Watering. — Zie Onteigening. 7464. 2.

Waterleiding. — Zie Overeenkomst. 7438. 2.

Waterloop. — Zie Bevoegdheid. 7500. 2.

Waterlossing. — Zie Bezit. 7422. 2.

Waterschap. — Waar door Gedeputeerde Staten krachtens art-, 19 j°. art, 12 der wet van 12 Juli 1855 (Stbl. nio. 102) is besloten tot het heffen van een buitengewonen omslag als daar bedoeld, en dus de aanwezigheid der gevallen van eerstgemeld artikel langs administratieven weg is geconstateerd, moeten bij verzet door een ingeland tegen het te dier zake tegen hem uitgevaardigd dwangbevel bij den burgerlijken rechter, krachtens het hier toepasselijke art. 15 der wet van 9 Oct. 1841 Stbl. no. 4h), ingevolge art. 17 dier wet, de in eerstgemeld art. 19 bedoelde daadzaken en schuldplichtigheid als in rechten voor bewezen worden gehouden, behoudens de l)evoegdheid van den ingeland tot het leveren van tegenbewijs.

Aan Gedeputeerd© Staten is de bevoegdheid niet onthouden om een nieuwen omslag te heiïen alvorens de rekening over een vroegeren omslag is afgelegd. Hof Amsterdam. 7487. 3. (Zie het vonnis a quo in W. 7217).

— Waar een polderbestuur als zoodanig heeft gehandeld ter behartiging van de belangen van den polder waarover het gezag uitoefent, heeft op zoodanige daad art. 1401 B. W. geen betrekking.

Indien echter schennis van eene tusschen partijen bestaande privaatrechtelijke verhouding of van eene contractueele of anderszins bestaande verplichting het gevolg der publiekrechtelijke handeling is geweest, is de burgerlijke rechter bevoegd tot kennisname van de daarop gegronde actie.

Zoodanige schennis van een burgerlijk recht vloeit intussclien uit de daadzaken bij dagvaarding gesteld, niet voort, waar gesteld^ is schennis van- het recht hetwelk een waterschap als zoodanig beheer uitoefenende over een complex van landerijen en wateren, beweert te hebben om die geadministreerde gronden, door het willekeurig sluiten of openen van een duiker.

Sluiten