Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Woensdag, 7 Februari 1900.

N°. 7385.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

TWEE - EN - ZESTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VERITAS.

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang f 20/ voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der

advertentiën, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers, Gebr. Belinfante, te 's-Gravenhage (Ie Wagenstraat 100). Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke Kamer.

(Raadkamer.) .

Beschikking van den 5 Januari 1900.

Voorzitter, Mr. P. B. Coninck Liefsting. Raadsheeren, Mrs.: J. J. van Meerbeke, Jhr. B. C. de Jonge, Ph. van Blom, S. M. S. de Ranitz, E. W. Guljé en A. M. van Stipriaan Luïscius,

Het verzoek van den curator in liet faillissement van een gepensioneerd officier van het Nederlandsch Indische leger om met verlof van den Hoogen Raad in Nederland onder den minister van koloniën beslag te mogen leggen op het pensioen van den gefailleerde is met het oog op art. 73, laatste lid der Nederlandsch Indische comptabiliteitswet niet voor inwilliging vatbaar.

(Te vergelijken met de bijdrage van Mr. A. Struycken in W. 7383, onder de rubriek Mengelwerk).

Aan den Hoogen Raad der Nederlanden. Geeft eerbiedig te kennen :

Mr. L. den Beer Poortugael, advocaat en procureur te 's Gravenhage, bij vonnis van de Arrond.-Rechtbank te 's Gravenhage van 27 Juni 1899 benoemd tot curator in het op dien datum, uitgesproken faillissement van den heer G. M. B., gepensioneerd Majoor van het Nederlandsch-Indisch leger, wonende te 'sGravenhage ;

dat gemelde failliet een pensioen geniet groot f 2800 — ten laste van de begrooting van Nederlandsch-Indië;

dat ondergeteekende curator in overeenstemming met het bepaalde in 'aft. 100 der Faillissemèntswet aaii den failliet, overeenkomstig diens verzoek, van af den datum der faillietverklaring tot aan dien der insolventie, een door den heer rechter-commissaris in dit faillissement vastgesteld bedrag, op den voet van f 1400 per jaar, heeft uitgekeerd ter voorziening in het levensonderhoud van den gefailleerde en diens huisgezin, bestaande uit: den failliet, zijne echtgenoote en twee minderjarige kinderen ;

dat de failliet thans geen andere bron van inkomsten voor zijn levensonderhoud en dat van zijn huisgezin heeft dan hetgeen hem van zijn pensioen kan worden uitgekeerd;

dat het steeds in de bedoeling van den wetgever heeft gelegen om er voor te waken dat niet het geheele tractement of pensioen van officieren, wanneer omstandigheden daartoe zouden kunnen leiden, ten bate van crediteuren kwam en de eersten dus broodeloos zouden kunnen zijn, maar dat een deel den debiteur (hier den failliet) en een deel den crediteuren ten goede komt;

dat de wet van 23 April 1864 (Stbl. n°. 35) tot regeling van de wijze van beheer en verantwoording der geldmiddelen van Nederlandsch-Indië, gewijzigd bij de wet van 13 Juli 1895 (Stbl. n°. 126), in de artt. 72 en 73 bepaalt, dat met verlof van den Hoogen Raad beslag mag gelegd worden in Nederland op eene vordering ten laste der begrooting van Nederlandsch-Indië of op gelden die door of ten behoeve van het Departement van Koloniën beheerd Worden, en dat in het verlof tot beslag niet mogen worden aangewezen die zaken, welke bij de wet of bij1 algemeene verordening voor geen in beslagneming vatbaar zijn verklaard;

dat het KoninkuiK besluit van 19 Jan. 1861, n°. 50 en dat van

13 April 1898, n°. 54, dit onderwerp bedoelen te regelen ;

dat ondergeteekende echter opmerkt dat deze Koninklijke besluiten niet in het Staatsblad zijn geplaatst en dus niet als algemeene verordening of algemeene maatregel van bestuur in Nederland verbindend zijn krachtens de artt. 1 en 2 van de wet van 26 April 1852 (Stbl. n°. 92) gewijzigd bij de wet van 23 Juni 1893 (Stbl. n°. 111);

dat hij mitsdien op grond van art. 73 van de wet van 23 April 1864 (Stbl. n°. 35) zich wendt tot den Hoogen Raad der Nederlanden met eerbiedig verzoek hem verlof te verleenen om beslag te leggen op het pensioen van bovengemelde failliet, loopende ten laste der begrooting van Nederlandsch-Indië en te willen aanwijzen voor welk deel daarop beslag mag worden gelegd;

's Gravenhage, 5 Dec. 1899.

't Welk doende enz.,

(get.) L. den Beer, Poortugael,

curator.

Conclusie van den proc.-gen. Polis :

De proc.-gen.;

Gezien vorenstaand verzoekschrift;

Omerivegendc dat wel een schuldeischer, die voor eene vordering beslag wil leggen in Nederland op een ten laste van de begrooting van Nederlandsch-Indië loopend pensioen van zijn schuldenaar, luidens de artt. 72 en 73 der wet van 23 April 1864 (Stbl. n°. 25), laatstelijk bekend gemaakt bij Koninklijk besluit van 30 Juli 1895 (Stbl. n°. 145), daartoe verlof behoort te vragen van den Hoogen Raad, welke dit verlof niet zal verleenen, tenzij summier lijk van de deugdelijkheid der vordering blijkt, maar het geval in füe artikels voorzien liier niet bestaat, en dus die wetsbepalingen bier niet toepasselijk zijn; dat toch het faillissement omvat het geheele vermogen van den schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verderft, zoodat het in deze bedoelde pensioen tot de baten des fail¬

lieten boedels behoort, en de curator krachtens de wet voor den boedel daarop aanspraak kan maken en betaling daarvan in zijne handen kan vorderen, en wel voor het geheel, na de maal er geene wet of wettelijke verordening bestaat, waarbij een pensioen, als dit, geheel of voor een gedeelte aan het verhaal der schuldeis chers is onttrokken;

(Men zie de arresten van 3 Nov. 1899, W. n°. 7356 en 4 Maart 1892, R. Dl. 160 § 42 bladz. 287 (1);

Concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek.

Parket, 11 Dec. 1899. (get.) C. Polis.

De Hooge Raad enz.;

Overwegende dat de verzoeker in zijne hoedanigheid van curator in het faillissement van den heer G. M. B., gepensioneerd majoor van het Nederlandsch-Indisch leger, wonende te 's Gravenhage. op grond van art. 73 van de wet van 23 April 1864 (Stbl. n°. 35), gewijzigd bij de wet van 13 Juli 1895 (Stbl. n°. 126) van den Hoogen Raad verlof vraagt om beslag te leggen op het pensioen van gemelden failliet, loopende ten laste der begrooting van Nederlandsch-Indië, met aanwijzing voor welk deel daarop beslag mag worden gelegd;

O. dat de kennelijke strekking van het verzoek is, dat het beslag zou worden gelegd in Nederland onder den Minister van Koloniën;

O. dat wel volgens art. 20 der Faillissementswet het failJisse ment omvat het geheele vermogen van den schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende het faillissement verwerft, doch dat volgens art. 22 dier wet de curator in het faillissement ten aanzien onder meer van een pensioen, hetwelk de gefailleerde wegens een ambt of bediening geniet, de rechten uitoefent, welke de schuldeiscliers zouden kunnen doen gelden, echter, evenals deze, niet anders dan , ,binnen de grenzen en op de wijze, voorgeschreven bij de bijzondere wetten en wettelijke verordeningen op dit onderwerp vastgesteld'';

O. dat volgens art. 757 B. R. pensioenen wegens ambten of bedieningen niet in beslag worden genomen dan voor zoodanig gedeelte en op zoodanige wijze, als door de bijzondere wetten wordt bepaald;

en dat volgens art. 1 der wet van 24 Jan. 1815 (Stbl. n°. 5) ..geenerhande arresten zullen gedoogd worden op gelden — berustende onder onze Secretarissen van Staat of andere hoofden van administratiën in hunne kwaliteit, speciaal niet op eenige ordonnantiën van betaling ter zake van traktementen, soldijen of pensioenen" :

O. dat nu wel volgens de artt. 72 en 73 der wet van 23 April 1864 (Stbl. n°. 35), tot regeling van de wijze van beheer en verantwoording der geldmiddelen van Nederlandsch-Indië, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 Juli 1895 (Stbl. n°. 126), in haar geheel bekend gemaakt bij Koninklijk besluit van 30 Juli 1895 (Stbl. n°. 145), in Nederland met verlof van den Hoogen Raad beslag mag worden gelegd, ter zake van eene vordering, loopende ten laste der begrooting van Nederlandscli-Indië, of op gelden en goederen, die door of ten behoeve van het Departement van Koloniën beheerd worden, doch dat bij het laatste lid van art. 73 van dat beslag worden uitgezonderd zaken, die bij de wet of algemeene verordening voor geene inbeslagneming vatbaar zijn verklaard, —- hetgeen bij de aangehaalde wet van 1815 — op welke wet bij de beraadslaging over de artt. 72 en 73 der wet van 1864 (Stbl. n°. 35), is gelet (Handelingen Staten-Generaal 1863/4, bladzijden 513 en volgende) ten aanzien van rijkspensioenen het geval is;

O. dat mitsdien het verzoek niet voor inwilliging vatbaar is;

Wijst het af.

Kamer yan Strafzaken.

Zitting van den 2 Januari 1900.

Waarnemend-voorzitter, Mr. A. A. de Pinto.

Raadsheeren, Mrs.: Jhr. B. C. de Jonge, A. J. Clant van der Mijll, A. P. Tn. Eyssell, B. H. M. Hanlo, A. Telders en Jhr. S. Laman Trip.

Art. 626 B. W. is te verstaan in dien zin, dat hetgeen op den grond is, om aan den eigenaar van den grond toe te behooren, met den grond verbonden of daaraan gegehecht moet zijn.

Waar, zooals hier, sprake is van planten, doet eene verbinding met of aanhechting aan den grond door middel van wortels de plant deel uitmaken van den grond, onverschillig op welke bijzondere wijze zij door hare wortels op of in den grond bevestigd is, en evenzeer of zij haar voedsel trekt uit den grond, de lucht of het water.

Zoowel de plant, die het voortbrengsel is alléén van de natuur, als die welke het voortbrengsel is van bebouwing, maakt deel uit van den grond, waaraan zij gehecht is, zoolang zij er aan gehecht is.

Mitsdien was het op den dijk vastzittende wier, waarvan hier sprake is, op het oogenblik dat het werd afgesneden, niet eene aan niemand toebehoorende zaak, maar als geworteld op den dijk, waarvan het waterschap Bruinisse eigenaar was, het eigendom van dat waterschap.

De Off. van Just. bij de Arrond.-Rechtbank te Zierikzee, is (1) W. 6155. Red.

requirant. van cassatie tegen een vonnis van die Rechtbank van 29 Sept. 1899, waarbij op het hooger beroep van den Ambt. van het O. M. bij het Kantongerecht te Zierikzee, is vernietigd het vonnis door den Kantonrechter aldaar op den 26 Juni 1899, ten laste van J. G., oud 29 jaar, arbeider, geboren en wonende te St. Annaland, bij verstek gewezen en de gerequireerde, met toepassing van de artt. 14 en 34 lid 5 van het Reglement van Politie voor de polders in Zeeland, vastgesteld bij besluit van de Staten dier provincie den 5 Juli 1867, in verband met art. 27 der wet van 15 April 1886 (Stbl. n°. 64), art. 23 Strafrecht, is schuldig verklaard aan het rapen van zeewier aan een water keerenden dijk en te dier zake veroordeeld tot eene geldboete van f 3, met bepaling van den tijd der vervangende hechtenis op 2 dagen.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Hanlo, heeft de adv.-gen. Patijn de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Heeren!

Terecht m. i. heeft de Officier van Justitie bij de AiTond.-Rechtbank te Zieri kzee niet berust in het u zooeven medegedeelde vonnis, en ik kan me geheel vereenigen met de door ZEdA. ingediende memorie van cassatie en met het daarin voorgestelde middel, luidende : Schending dloor niet-toepassing van art. 314 Strafrecht in verband met art. 626 B. W.

Het vonnis berust op de stelling, dat wier, dat zich vastgehecht heeft aan een zeedijk, niet behoort aan den eigenaar van dien dijk maar is r e s nullius en dat wel, zooals we in het vonnis lezen, omdat „het wier een zeeplant is ,die zich met hare wortels hecht aan steenen en andere voorwerpen, die haar voedsel niet uit die voorwerpen, maar uit het water trekt, zoodat hare wortels1 niet anders zijn dan het middel waardoor zij op hare plaats wordt gehouden en bevestigd".

Nu ben ik het geheel eens met den steller der memorie, waar hij aantoont, hoe uit art. 625 B. W. volgt, dat de eigendom, van planten die op of in den grond groeien behoort aan den eigenaar van den grond, waaarbij het er uit den aard der zaak niets toedoet, op welke wijze de voeding dier planten plaats heeft em waar hij verder wijst èn op de geschiedenis èn op de woorden van art. 314 Strafrecht, waarbij ook hst wegnemen van wier, met het oogmerk om zich dit wederrechtelijk toe tei eigenen, als strooperij wordt gequalifleeerd.

Ik ben derhalve van oordeel, dat hel vonnis der Rechtbank niet

zal kunnen worden gehandhaafd en dit, waar de uitspraak, dat niet is bewezen, dat het wier toebehoorde aan den eigenaar van den dijk uitsluitend berust op eene rechtskundige beschouwing, uw Raad in deze ten principale zal kunnen recht doen.

Mijne conclusie strekt derhalve daartoe, dat uw Raad het vonnis, voor zooveel het de daarbij aan het feit gegeven qualificatie betreft, zal vernietigen en dit zal qualificeeren als strooperij en den nu gerequireerde, met toepassing van art. 314 Strafrecht zal veroordeelen conform het requisitoir in eersten aanleg genomen.

De Hooge Raad enz.;

Gelet op het middel van cassatie, door den req. voorgesteld bij memorie:

Schending door niet toepassing van art. 314 Strafrecht in verband met art. 626 B. W. ;

Overwegende, dat den beklaagde (gerequireerde) bij de oorspronkelijke dagvaarding is ten laste gelegd : dat hij den 12 Juni 1899, des middags omstreeks 12 uur, van de steenglooiing van den waterkeerenden dijk van het calamiteuse waterschap Bruinisse, onder Bruinisse, wier, toebehoorende aan dat waterschap, althans aan een ander dan hem bekl., heeft afgesneden en weggenomen, met het oogmerk zich dat wier wederrechtelijk toe te eigenen;

O. dat de. Kantonrechter bij zijn door de Rechtbank vernietigd vonnis die feiten bewezen heeft verklaard en geoordeeld op te leveren het misdrijf van strooperij strafbaar gesteld bij art. 314 Strafrecht;

O. dat de Rechtbank bij haar bestreden vonnis, het vonnis des kantonrechters vernietigende, bewezen heeft verklaard!: dat de bekl. (gereq.) op tijd en plaats in de dagvaarding vermeld het wier heeft afgesneden en weggenomen, maar niet bewezen heeft verklaard hetgeen bij de dagvaarding „overigens is ten laste gelegd"; dat zij verder geoordeeld heeft, dat de bewezen verklaarde feiten niet opleveren het misdrijf voorzien bij art. 314 Strafrecht, maar vallen in de in den hoofde dezes genoeimde bepalingen van het daar genoemd] reglement van politie voor de polders in Zeeland.;

O. d'at de Rechtbank als gronden voor hare beslissing aangeeft: dat wier is eene zeeplant, die met hare wortels zich wel hecht aan steenen en andere voorwerpen, doch haar voedsel niet uit die voorwerpen, maar uit het zeewater trekt, zoodat hare wortels niet anders zijn dan het middel waardoor ze op hare plaats wordt gehouden; dat. dus de bedoelde klappers (zeewier) wel groeiden oip maar niet in de steenglooiing, die aan genoemd waterschap toebehoort en zich daarmede niet zoodanig vereenigdi hadden, dat zij te zamen één lichaam uitmaakten; dat derhalve die klappers niet kunnen geacht worden door natrekking het eigendom van het waterschap te zijn geworden, maar omdat zij van nature zich op1 de steenglooiing hadd'en gevestigd, zaken waren, die aan niemand toebehoorden;

O. dat dus de "Rechtbank enkel op grond der rechtskundige beschouwing : dat het door den gerequireerde afgesneden en weggenomen wier niet aan het waterschap Bruinisse toebehoorde, is gekomen tot de beslissing, dat hetgeen „overigens" aan den gereq. is ten laste gelegd niet is bewezen en hem van dat ,,overigens" ten laste gelegde ook niet heeft vrijgesproken; zoodat de onbeperkt ingestelde voorziening in cassatie geheel is ontvankelijk;

O. dat tot staving van het middel in hoofdzaak is aangevoerd: dat volgens art. 626 B. W. de eigenaar van den grond' tevens eigenaar is van al hetgene daarmede naar boven of naar beneden

Sluiten