Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Woensdag, 4 4 Februari 1900.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

KECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

N°. 7388.

TWEE - EN ■ ZESTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VERITAS

Dit Blad verschijnt des Maandags Woensdags en Vrijdags. - Prijs per jaargang /f20,- voor de beleden franco per post met f 1 00 verh^i^^^ advertenhen, ^rregd - Bijdragen brieven, enz., franco aan de Uitgevers, Gbbk. Bekante, -s-Gravenhage & Wagenstraat 100) _ auteurs,echt voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

Beleialie ?an plaatselijke wetcevenfle maclit.

De kundige redacteur van het Weekblad voor de Burg. Adm. is in nommer 2640 tot de ontdekking gekomen, dat de Hooge Raad in zijn arrest van 2 Januari 1900 (W. 7386) «breekt met zijne sinds jaren gehuldigde jurisprudentie omtrent delegatie van wetgevende macht en de daarmede samenhangende beperkte uitlegging van art. 179, litt. a Gemeentewet».

Verrassend inderdaad, omdat in het arrest, dat volgens het W. v. B. A. het bewijs levert van 's Hoogen Raads afwijking van de sinds jaren gehuldigde leer omtrent de ongeoorloofde delegatie der bij art. 135 Gem.wet aan den raad toegekende macht op Burgemeester en Wethouders, den Burgemeester alleen of wien dan ook, in rechte op den voorgrond wordt gesteld: «dat de Gemeenteraad de hem bij de wet toegekende

wetgevende macht — ook voor geen deel (1)

aan een ander gezag en dus ook niet aan Burgemeester en Wethouders kan overdragen».

Over het beginsel, dat de plaatselijke wetgevende macht, de door strafbedreiging gesanctioneerde bevoegdheid van den gemeenteraad, in art. 135 der gemeentewet omschreven, zoomin als eenig ander publiekrechtelijk mandaat voor overdracht op een ander vatbaar is, dus ook nu geen verschil.

De H. R. blijft uitdrukkelijk volharden bij de oude leer: delegatie is ongeoorloofd, maar het arrest laat daarop volgen : h i e r is geen delegatie. Indien B. en W. bij openbare kennisgeving de wegen aanwijzen, van het rij wiel verkeer uitgesloten, of waar het rijwielverkeer slechts in eene bepaalde richting wordt toegelaten, dan is die openbare kennisgeving, ofschoon in technischen zin volgens art. 150, le lid, Gem.wet onder «verordeningen» begrepen, niet eene zoodanige zelfstan¬

dige regeling ais waartoe volgens art. 135 in verband met art. 134 de raad en, vermits deze ver reikende en in de belangen der ingezetenen diep ingrijpende macht aan geen ander gezag is opgedragen, de raad alléén bevoegd is.

Nu kan men over de grenzen waar de uitvoering (art. 179a) eindigt, en de min of meer gemaskeerde zelfstandige regeling begint, van meening verschillen, en is de mogelijkheid zeker niet uitgesloten, dat zij in de tallooze arresten over deze materie nu eens te ruim, dan weder te eng zijn gesteld. Het wil ons echter voorkomen, dat de openbare kennisgeving, bedoeld in art. 105& der Amsterdamsche politieverordening (overgeschreven in het arrest) door den H. R. terecht is gestempeld als eene zuivere daad van uitvoering van dit artikel, niet als eene naast de raadsverordening staande zelfstandige regeling of verordening van B. en *■> en 'n dien zin beslissende, in be¬

ginsel niet is afgeweken van het in der tijd druk besproken arrest van 5 Maart 1883 (W. 4893) en vele latere, in denzelfden geest gewezen.

Wij laten het bij dit korte woord, daar het volstrekt °ns voornemen niet was het groote aantal verhandelingen o er dit epineuse onderwerp weder met één te verme ; leren.

Wij wagen ons te minder gaarne aan zoodanige verhandeling, omdat daarin, zoude zij op eenige betrekkelijke volledigheid aanspraak kunnen maken, niet met stilzwijgen zoude mogen worden voorbijgegaan menige bepaling van onschendbare rijkswetten, waarbij Koning en de Staten-Generaal» de hun bij art. 109 ^ opgedragen macht — wij hechten nog altijd aan een materieel wetsbegrip — overlaten aan door Koning vast te stellen maatregelen van bestuur.

U i Wij spatieeren.

Al zijn n u vele der krachtens deze opdracht tot stand gekomen bestuursmaatregelen aoor art. 56 Gw. (nieuw)

vi y van aen smet van ongrondwettigheid, de voortbrengselen dezer delegatie zijn daarom met het oog op het publiek belang niet altijd vrij van bedenking. Geboren buiten het heilzame licht der openbaarheid, bereikt de openbare kritiek hen eerst na hun geboorte, mist zij alzoo preventieve werking. Tot welke in het algemeen belang min wenschelijke gevolgen dit aanleiding kan kan geven, is in de laatste maanden weder eens gebleken uit het zeker niet geheel ongerechtvaardigde verzet tegen het K. B. van 25 Maart 1899 (Stbl. no. 85) tot wijziging van het reglement van politie over de vis-

„ï 1 , TT , r

kc/utji öiiavgn t6 ij minden. A.1 mogö hot vgg! besproken art. 22 van dat Besluit, getoetst aan de wet van 8 Februari 1891 (Stbl. no. 69), voor een deel gehandhaafd zijn bij 's Hoogen Raads binnen kort door ons mede te deelen arrest van 22 Januari 1900, daaruit volgt natuurlijk niet, dat het artikel in 7 ;; «

heel, welks «inwendige waarde of billijkheid» (art. 11 Alg. Bep.) de rechter niet heeft te beoordeelen, den vischhandel niet aan knellender band legt dan het'algemeen belang, niet te verwarren met het belang van den rijksvischafslag en van de rijksvischhal te Umuiden, eischt of de billijkheid toelaat.

Wat gel.dt voor algemeene maatregelen van bestuur, bij K. B. vastgesteld, geldt in beperkten kring niet minder voor verordeningen in de kamer van Burgemeester en Wethouders eener gemeente krachtens mandaat van den raad zonder openbare behandeling en dus zonder mogelijkheid van openbare kritiek tot stand gekomen. Wij trekken daaruit deze conclusie dat zoolang de artt. 56, 2e lid, en 121, 2e lid, der Grondwet niet m. m. op het terrein der plaatselijke wetgevende macht zullen zijn overgeplant, het des rechters plicht

1:5 oinnen aen Kring zijner bevoegdheid te waken, dat wat ingevolge de artt. 134 en 135 Gem.wet des raads is niet met voor een ieder bindend gevolg door den raad worde gedelegeerd aan Burgemeester en Wethouders, den Burgemeester of wien dan ook.

' ;igAIleeft 'let vonr|is der Rechtbank, waarbij de Rechtbank tot ) Ilet,nb®wezen verklaren van het ten laste gelegde feit als bewijsmiddelen gebruikte aanwijzingen, daadzaken, omstandigheden, waarvan op liet onderzoek ter terechtzitting niet gebleken is. ; IJe pleiter heef zich moeite gegeven om aan te toonen dat de verklaringen der getuigen ten opzichte van verschillende onderdeelen, die toch voor de bewijsvoering beslissend waren in h-;t proces-verbaal der terechtzitting niet voorkomen zooals zij in het m appel bevestigde vonnis zijn weergegeven.

Zijn pogen moet echter als ijdel beschouwd worden, als afstuiende op de nog voor korten tijd gehandhaafde jurisprudentie, lioudende dat in cassatie niet mag worden onderzocht of de inhoud van een bewijsmiddel werkelijk die is, welke in het vonnis als zoodtoig is opgegeven; vgl. o. a. het arrest van 2 Mei 1898, W 7128, en dat van 26 Oct. 1885, W 5228, Rspr. 141 blz 71

Het middel is dus ongegrond, en ik concludeer tot verwerping van het beroep. 1 6

De Hooge Raad enz.;

hl Opleid00? ^ 1™ddeI van cassatie, namens den req. voorgesteld

Schending door verkeerde toepassing van de artt. 211 in verband met 221, 223 en 407 Strafvord., omdat het Gerechtshof bevestigd heeft liet vonnis der Rechtbank, waarbij de Rechtbank tot het bewezen verklaren van het ten laste gelegde feit als bewijsmiddelen gebruikte aanwijzingen, daadzaken, omstandigheden waarvan bij liet onderzoek ter terechtzitting niet gebleken is; ' Overwegende dat blijkens de toelichting bij pleidooi het middel van cassatie hierop is gegrond, dat in het bevestigde vonnis der Rechtbank tot het bewijs der feiten hebben medegewerkt getuigenverklaringen, die met aldus in het proces-verbaal der terechtzitting waren opgenomen;

O. daaromtrent, dat de rechter in cassatie in geen onderzoek der feiten mag treden, doch volgens de wet verplicht is de feiten aan te nemen gelijk die zijn opgegeven en omschreven in het vonnis van den rechter die over de feiten, te oordeelen heeft: . ' c: :j 1 a.Mucu ouderZocnl- ai ue verMk-

nngen der getuigen werkelijk zoo door hem zijn afgelegd, als in vonnis wordt opgegeven en liet middel van cassatie niet gegrond is • Verwerpt het beroep in cassatie.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE ARNHEM.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 1 November 1899.

Voorzitter, Mr. L. U. de Sitter.

Raadsheeren, Mrs. : L. Hertzveld, Ph. W. Scholten Jlir. G. A. Nahuijs en J. R. H. van Sohaik.

Legaat Alexander Verhdell aan de gemeente Doesburg.

Al of niet toepasselijkheid van art. 1008 B. W.

Olographisch en openbaar testament.

Uitlegging der volgende bepaling in }t openbaar testament: „Ik bepaal dat alle successie en overgangsrechten en verdere kosten die ten gevolge van mijne in deze gemaakte beschikkingen mochten verschuldigd worden en alle kosten waartoe deze mochten aanleiding geven uit mijn vollen boedel ten laste van mijn erfgenaam zullen moeten worden voldaan Hieruit volgt dat in 't openbaar testament vrijstelling van rechten wordt gegeven aan alle legaten door den erflater gemaakt welke aan V testament rechtskracht ontleenen, dus ook aan die in 't olographisch testament, voor zoover zij bij het openbaar testament worden gehandhaafd.

Beide testamenten vormen tesamen den uitersten ivil van den erflater.

Waar 't legaat aan Doesburg besproken in het olographisch testament ivordt gehandhaafd in het openbaar testament daar komen volgens bovenstaande bepaling de daarop vallende rechten ten laste van den erfgenaam.

De Burgemeester der gemeente Arnhem, als die gemeente in rechten vertegenwoordigende, wonende te Arnhem, tot het voeren dezer procedure in hooger beroep gemachtigd bij besluit van den Raad der gemeente Arnhem van 11 Maart 1899, n°. 21, goedgekeurd bij besluit van Gedeputeerde Staten der provincie Gelderland van 21 Maart 1899 n°. 144, appellant, procureur Mr. F. N. L. Aberson,

tegen

den Burgemeester der gemeente Doesburg, als zoodanig die gemeente m rechten vertegenwoordigende, tot het voeren dezer procedure m hooger beroep, gemachtigd bij besluit van den Raad der gemeente Doesburg van 6 April 1899, goedgekeurd bij besluit van Gedeputeerde Staten der provincie Gelderland van 11 April 1899, n°. 11, geintimeerde, procureur Mr. L. J. van" Gelein

v itringa.

Het Hof enz. ;

Gehoord partijen in hare conclusiën en pleidooien;

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 8 Januari 1900.

Waarnemend-voorzitter, Mr. A. A. de Pinto.

Raadsheeren, Mrs.: Ph. van Blom, A. J. Olant van der Mijll,

i " m' eyssell> b- h- m- Hanlo, A. Teledrs en Jhr. s. ■Laman Trip.

In cassatie mag niet worden onderzocht, of de verklaringen der getuigen werkelijk zoo door hen zijn afgelegd als in het vonnis wordt opgegeven.

H. .T. B oud 30 jaar, koopman, geboren te Zelhem, zonder vaste woonplaats, is requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 10 Oct. 1899, waarbij werd be-

Trfoon x."°,nniS van de Arrond.-Rechtbank te Almelo van 31 Juli itfyy, bij hetwelk de req. werd schuldig verklaard aan diefstal waarbij de schuldige zich den toegang heeft verschaft tot de plaats van het misdrijf door middel van braak, gepleegd bij herhaling; en met toepassing van de artt. 310,311, 421 Strafreclit, is veroordeeld tot gevangenisstraf voor den tijd van drie jaren, met bepaling dat de tijd door den veroordeelde tot aan de uitspraak van dit vonnis voorloopig in verzekerde bewaring doorgebracht bij de ten uitvoerlegging der straf geheel in mindering zal worden gebracht, enj met bevel tot teruggave der stukken van overtuiging.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Jhr. Laman , en de advocaat van den req., Mr. J. J. de Meijier, de voorziening had toegelicht, heeft de adv.-gen. Noyon de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Heere.nl

Voor dezen requirant is bij pleidooi als middel van cassatie voorgesteld : Schending door verkeerde toepassing van de artt. ^11 jis. 221, 223 en 407 Strafvord., omdat liet Gerechtshof beves-

Sluiten