Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 26 Februari 1900.

N°. 7395.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

KECHTSKHNDIS NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

TWEE - EN - ZESTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VERITAS.

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der advertentiën, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers, Gebr. Belinfante, te 's-Gravenhage (2e Wagenstraat 100).

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 19 Januari 1900.

Voorzitter. Mr. F. B. Conistck Liefsting. Raadsheeren, Mrs.: J. J. van Meerbeke, P. R. Feith, Ph. vak Blom, S. M. S. de Rabitz, E. W. Guljé en A. M. van Stiprtaan Luïscius.

Be Hollandsclie IJzeren Spoorwegmaatschappij is als vrach tvervoerster aansprakelijk voor de schade aan of het verlies van de postpaketten, die ingevolge de wet van 21 Juni 1881 (Stbl. no. 70) in de treinen ten vervoer zijn opgenomen, maar die aansprakelijkheid wordt ingevolge art. 67 van het Algemeen Reglement voor het vervoer op de spoorwegen beperkt tot het maximum van f 0.60 voor elk kilogram bruto, zoodat zij met de betaling daarvan kan volstaan.

33e Staat der Nederlanden, eischer, advocaat Mr. \V. Thorbecke,

tegen

de Naamlooze Vennootschap de Hollandsclie IJzeren SpoorwegMaatschappij, gevestigd te Amsterdam, verweerderes, advocaat Mr. B. M. Vlielander Hein.

De adv.-gen. Gregory heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Heeren, President en Baden!

Tegen het bestreden arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, waaiijij vvciu bevestigd"' eeii vonnis yau de Rechtbank aldaar, is voorgesteld één middel van cassatie, luidende :

„Schending en verkeerde toepassing van de artt. 1, 2, 3, 27 der wet van 9 April 1875 (Stbl. n°. 67), 22, 24, 63, 66, 67 van het Koninklijk Besluit van 9 Jan. 1876 (Stbl. n°. 7), gewijzigd bij de Koninklijke Besluiten van 2 Aug. 1883 (Stbl. n°. 127), 25 Nov. 1885 (Stbl. n°. 195), 20 Mei 1887 (Stbl. n°. 87), 9 Juni 1891 (Stbl. n°. 100) en van 9 Jan. 1894 (Stbl. n°. 4); houdende Algemeen Reglement voor het vervoer op de spoorwegen; 7 en 8 deiwet van °21 Juni 1881 (Stbl. n°, 70), in verband met de artt. 1, 91 W. v. K. en 1653 B. W., omdat het Hof de in art. 67 van het Algemeen Reglement verordende beperking der op toevertrouwen gegronde strenge aansprakelijkheid van den vervoerder van toepassing' acht op dit postpakkettenvervoer, hoewel blijkens de bepalingen van de wet van 1881 geen toevertrouwen hierbij plaats heeft; en het Hof hier aan ten onrechte geen juridiek gevolg toekent op grond van art. 66, 4°. en 5°. van het Algemeen Reglement, omdat in de daar bedoelde gevallen van eigen lading en lossing of begeleiding, welke, behoudens deze modificatie belieerscht worden door art. 63 van het Algemeen Reglement, het goed wordt aangenomen door en toevertrouwd aan den spoorweg".

De vraag, die partijen verdeeld houdt, is deze, of de beperkte aansprakelijkheid der spoorwegmaatschappijen t. a. van het goederenvervoer, krachtens art. 67 van het Algemeen Reglement, ook geldt voor het vervoer van postpakketten.

Regel is, dat de spoorwegmaatschappijen „verantwoordelijk [zijn] voor de schade, welke door verlies of beschadiging van de goederen is ontstaan" onverschillig of er harerzijds schuld aanwezig is, of niet (art. 63 A. R.) Men noemt dit: de strenge aansprakelijkheid. Intusschen wordt die strenge aansprakelijkheid b ep e r k t in art. 67 A. R. Daar leest men namelijk sub 2, zoigüs dit is gewijzigd bij art. XV van het Kon. Besl. van 9 Juni \ 891 (Stbl. n°. 100) : „Bij de berekening der schadevergoeding, wordt de waarde niet hooger dan 60 centen voor elk kilogram bruto aangenomen, voorzoover niet uitdrukkelijk ter daarvoor bestemde plaatse op de adreszijde van den vrachtbrief eene hoogere waarde

in letters is vermela .

Met eene schadeloosstelling, op dezen grondslag berekend, meende de verweerderesse te kunnen volstaan. Daarmede echter was de eisclier niet tevreden, bewerende dat het A. R. ten deze niet van toepassing was, omdat de bepalingen daarvan steunen op een toevertrouwen aan de spoorwegmaatschappijen, een zoogenaamd receptum, waarvan ten deze geen sprake was. Evenwel werd en door de Rechtbank en door het Hof deze leei als ondeugdelijk verworpen.

In het Algemeen Reglement vmdt men, zooals gezegd, de regeling der aansprakelijkheid t. a. van het vervoer van vrachtgoederen.

Of nu de goederen door particulieren, da,n wel door den Staat ten uitvoer zijn aangeboden, is natuuilijk geheel onverschillig, t e n z ij aani de gewone regeling door eene a n d e r e, s p eciale regeling is gederogeerd. De wet echter van 21 Juni 1881 (Stbl. n° 70) betretfende de verzending van postpakketten, kent die niet, evenmin als eenige latere wettelijke verordening. Nu ■wordt wel van de zijde des eischers op de artt. 7 en 8 dier wet gewezen, maar daarin zal men te vergeefs naar eene au d e r e r e< gel ine zoeken. In die beide bepalingen, zoo wordt beweerd, Z0U het" receptum zijn uitgesloten, ü i t d r u k k e 113 k zeer zeker "iet en toch zou dit moeten zijn geschied wanneer de wetgever zulk eene algeheele verandering van beginsel gewild had. Maar bovendien is ook virtualiter in die artikelen het receptum niet uitgesloten. _ '

Het vervoer van brievenmalen heeft, ingevolge art. 47 der wet

van 9 April 1875 (Stbl. n°. 67), door de spoorwegmaatschappijen kosteloos plaats.

Daartegen betaalt de Staat voor het vervoer van postpakketten. Dat zegt art. 8. Maar nu is het merkwaardig, dat de Staat niet betaalt voor de postbeambten, die met de pakketten medereizen, maar alleen voor de pakketten; en wel voor elk pakket afzonderlek.

„Voor het vervoer", zegt art. 8, ,,op de spoorwegen van de voorwerpen der pakketpost, onverschillig of het in de rijtuigen of afdeelingen van rijtuigen der postadministratie dan wel in de spoorwagens plaats vindt, wordt door de ondernemers der spoorwegdiensten, op den grondslag van de boeken of aanteekeningen der postadministratie, de navolgende vergoeding' van vracht genoten.

7 cents voor een pakket tot een gewicht van 1 kilogram;

11 cents vooreen pakket boven het gewicht van 1 kilogram tot 3 kilogram;

15 cents vooreen pakket boven het gewicht van 3 kilogram tot 5 kilogram".

Ik voor mij kan in deze bepaling niets anders lezen dan dat de wetgever uitgaat van het denkbeeld, dat elk pakket af zondeï' 1 ij k aan de spoorwegmaatschappij ter vervoer wordt toevertrouwd. Wanneer het waar was, wat de eischer wil, dat de spoorwegmaatschappij alleen op zich nam de wagen met de daarin aanwezige pakketten en beambten te vervoeren, dan zou daarvoor eene som ineens door den Staat worden betaald en eene betaling per afzonderlijk pakket hoegenaamd geen zin hebben.

Tegen de leer, dat bij het vervoer van postpakketten het bestaan van receptitm. evengoed kan en moet worden aangenomen als bij vervoer van gewone vrachtgoederen, heeft de geeërde pleiter van eisch nog dit bezwaar, aan art. 8 ontleend, dat de boeken of aanteekeningen der p o s t a d m i n i s t r a t i e tot grondslag voor de betaling der vracht worden genomen, waaruit dan zou moeten volgen, dat de spoorwegmaatschappij met het vervoer eigenlijk niets te maken heeft. Ik zie echter geen de minste reden 0111 uit de bedoelde bepaling deze gevolgtrekking te maken, en beschouw de daarin aangenomen grondslag als den eenig denkbaren tof de l'prp.kp.nii'o' rlfi; '...vacUhivii^eu van de .afzonderlijke postpakketten te komen, omdat deze in manden zijn gepakt en dus onmogelijk door de spoorwegmaatschappij kunnen worden geboekt.

Doch niet alleen art. 8, ook art. 7 moet, volgens den eischer, ten bewijze strekken dat de wetgever bij het vervoer der postpakketten geen receptum heeft bedoeld. „Het vervoer', zoo lezen wij daar, „op de spoorwegen van de pakketten en van de ambtenaren, onder wier geleide en toezicht dat vervoer plaats vindt' geschiedt in de rijtuigen of afdeelingen van rijtuigen der postadministratie, die zicli in den trein bevinden .

Wanneer de postpakketten onder geleide en toezicht van de ambtenaren der postadministratie zich bevinden, hoe kan, zoo vraagt men, er dan nog aan een r e c e p t u m, aan een toevertrouwen der pakketten aan de spoorwegmaatschappij! worden gedacht? Daarop is vooreerst dit het antwoord, dat, naar den wil des wetgevers, een geleide of toezicht wel de aansprakelijkheid der spoorwegmaatschappij kan verminderen, maar haar daarom nog niet geheel opheft. Dat leeren wij uit de bepaling van 66 sub 4 en 5 van het Algemeen Reglement. Maar bovendien, liet geleide en het toezicht der postambtenaren, waarvan de artt. 7 en 8 der wet van 1881 spreken, hebben een zeer b ij z o n d e r k a r a k t er en strekken niet verder dan hetgeen hun dienst betreft. Het postrijtuig, waarin zij zich bevinden is niets anders dan een „vervoerbaar postkantoor' , zooals art.' 47 der wet van 1875 het uitdrukt. En evenals in de postkantoren in de gemeenten hebben zij in de „vervoerbare postkantoren" de brieven en de postpakketten te bewaken en daarmede te handelen zooals hun dienst hun dat voorschrijft. Dat ook de wetgever zelf de bedoelde woorden in dien zin opvat, blijkt uit het slot van art. 8, aldus luidende: „Het vervoer op de spoorwegen van de ambtenaren der posterijen, die met de begeleiding van pakketten of met eenig toezicht op de uitvoering der dienst van de pakketpost op de spoorwegen zijn belast, geschiedt kosteloos".

Eigenlijk kan hier, waar de wet duidelijk is, een beroep op hare geschiedenis achterwege blijven.

Toch kan het misschien nuttig zijn er even op te wijzen, hoe de Regeering in dit postpakkettenvervoer niets anders heeft gezien dan een gewoon goederen vervoer, zoals dit bij het Algemeen Reglement is geregeld. Men leest nl. in de Memorie van Beantwoording ad art. 8 en 9 (7 en 8 nieuw) (Handb. 1880/81 Bijl. 49) het volgende: ,,De Staat treedt niet op als concurrent van de spoorwegmaatschappijen, maar veeleer als de bevrachter voor het vervoer van groote hoeveelheden tegen schadeloosstelling en ontheft daarbij de ondernemers van de omslachtige en kostbare administratieve behandeling van dat vervoer en van die voor laden, lossen en bestellen"

Geene verandering alzoo in het wezen van het vervoer, maar alleen in de administratie en de behandeling der vrachtgoederen.

Het middel komt mij derhalve ongegrond voor, waarom ik de eer heb te concludeeren tot verwerping der voorziening, met veroordeeling van den eischer in de kosten.

De Hooge Raad enz. ;

Partijen gehoord;

Gezien de stukken;

Overwegende dat het middel van cassatie luidt:

Schending en verkeerde toepassing van de artt. 1. 2 3, Al der wet van 9 April 1875 (Stbl. n°. 67), 22. 24. 63 , 66, 67 van het Koninklijk Besluit van 9 Jan. 1876 (Stbl. n°. 7), gewyzigd bij de Koninklijke Besluiten van 2 Aug. 1883 (Stbl. n . 1^7),

Nov. 1885 (Stbl. n°. 195), 20 Mei 1887 (Stbl. n°. 87), 9 Juni 1891 (Stbl. n°. 100) en van 9 Jan. 1894 (Stbl. n°. 4)( houdende Algemeen Reglement voor het vervoer op de spoorwegen; 7 en 8 der wet van 21 Juni 1881 (Stbl. n°. 70), in verband met de artt. 1. 91 W. v. K. en 1653 B. W., omdat het Hof de in art. 67 van het Algemeen Reglement verordende beperking der op toevertrouwen gegronde strenge aansprakelijkheid van den vervoerder van toepassing acht op dit postpakkettenvervoer, hoewel blijkens de bepalingen van de wet van 1881 geen toevertrouwen hierbij plaats heeft; en het Hof hier aan ten onrechte geen juridiek gevolg toekent op grond van art. 66, 4°. en 5° van liet. Algemeen Reglement, omdat in de daar bedoelde gevallen van eigen lading en lossing of begeleiding, welke, behoudens deze modificatie beheerscht worden door art. 63 van het Algemeen Reglement, het goed wordt aangenomen door en toevertrouwd aan den spoorweg;

O. dat blijkens het bestreden arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 Nov. 1898, waarbij is bekrachtigd een vonnis der Arrond.-Rechtbank te Amsterdam van 21 Jan. 1896 vaststaat: dat in den avond van 1 Mei 1894 nabij het station Barendrecht tusschen een sneltrein van de verweerderes en een deel van een anderen trein eene botsing heeft plaats gehad, tengevolge waarvan drie manden met postpakketten, welke door de verweerderes in den goederenwagen van dien sneltrein werden vervoerd, geheel zijn verbrand, en dat dit ongeval te wijten is aan de schuld en de onvoorzichtigheid van de aan gemeld station op dien avond dienstdoende ondergeschikten der Exploitatie-Maatschappij;

dat de eischer te dezer zake tegen de verweerderes eene vorde ring heeft ingesteld tot vergoeding van de kosten, schaden en interessen tengevolge van hare schuld bijhem geleden en te lijden, en dien eisch hierop heeft gegrond, dat de verweerdeers, overeenkomstig de bepalingen der wet van 21 Juni 1881 (Stbl. n°. 70) de postpakketten tegen betaling vervoerende en daarbij gebruikmakende van den spoorweg, de inrichtingen en het personeel van de Exploitatie-Maatschappij, zooal niet voor alle schade, buiten overmacht, aan de pakketten overkomen aansprakelijk is, althans tegenover den eischer de schade vergoeden moet, welke bij hei vervoer aan de vervoerde pakketten toegebracht "wordt zoo door haar eigenschuld of onvoorzichtigheid als door die van de onder remiiie' wier spflorAveginrichtingen en personeel zii bij de bewerkstelliging van' het vervoer gebruikt of door die van het dienst doend personeel dezer laatste onderneming;

dat echter het Hof evenals de Rechtbank den eisch, zooals hij was ingesteld heeft ontzegd, en zich heeft vereenigd met de stelling der verweerderes, dat zij als vraclitvervoerster aansprakelijk is voor de schade .aan. of het verlies van de postpakketten die ingevolge de wet van 1881 in de treinen ten vervoer zijn opgenomen, maar dat die aansprakelijkheid door art. 67 van het Algemeen Reglement voor het vervoer op de spoorwegen vastgesteld bij K. 1'>" van 9 Jan. 1876 (Stbl. n°. 7), zooals dat artikel is ge wijzigd bij n°. XV van het K. B. van 9 Juni 1891 (Stbl. n°. 100) wordt beperkt tot het maximum van f 0.60 voor elk kilogram bruto, zoodat zij met de betaling daarvan kon volstaan;

dat de toepasselijkheid van art. 67 ook in cassatie is betwist; O. daaromtrent, 'dat voormeld Algemeen Reglement, berustende op art. 27 der wet van 9 April 1875 (Stbl. n°. 67) met welke wet het alzoo kan worden aangemerkt een geheel te vormen, o. a. eene regeling inhoudt van de verantwoordelijkheid der ondernemers van spoorwegdiensten bij goederenvervoer;

dat bij de wet van 21 Juni 1881 (Stbl. n°. 70) aan die ondernemers de verplichting is opgelegd, op nader daarin omschreven wij ze het vervoer van de pakketten en van de ambtenaren der pakketpost te bewerkstelligen tegen vergoeding van vracht, maar dat die wet geene regeling inhoudt van de aansprakelijkheid dei ondernemers voor dat vervoer ;

dat waar nu bij de behandeling van laatstgenoemde wet het vervoer van de voorwerpen der pakketpost is beschouwd als goederenvervoer en de regeering daarbij uitdrukkelijk den Staat als bevrachter heeft aangemerkt het Algemeen Reglement, voorzoover daarvan niet is afgeweken, op de aansprakelijkheid der ondernemers toepasselijk moet worden geacht;

dat de eischer die toepasselijkheid uitgesloten acht, doordien art. 63 van het Algemeen Reglement alleen betrekking heeft op goederen die aan den vervoerder worden toevertrouwd en art. 7 der wet van 21 Juni 1881 het vervoer doet geschieden onder geleide en toezicht van de ambtenaren in de rijtuigen der postadministratie ;

dat echter door deze ,,ontheffing van de ondernemers van een* omslachtige en kostbare administratieve behandeling", zoóals zij door de Regeering in de gewisselde stukken is genoemd, het vervoer geenszins een ander karakter heeft verkregen, en de \ei plichting der ondernemers om de goederen behouden naar de plaat s van bestemming over te brengen niet van aard is veranderd, ver mits het voor het wezen der aansprakelijkheid voor vervoer vol doende is, dat de goederen in liet vervoermiddel met (zij het dah verplichte) toestemming der vervoerders zijn opgenomen en volgens art. 8 der laatstgenoemde wet de voorwerpen der pakketpost (niet de rijtuigen der postadministratie) tegen eene vergoeding van vracht berekend naar liet aantal en het gewicht der pakketten op de spoorwegen worden vervoerd ; ^ ,,

dat dan ook het Hof er terecht op heeft gewezen, dat art. 6b, 4°. en 5°. gevallen van eigen lading en lossing alsmede van bege leiding van goederen heeft voorzien, en daarvoor wel eene bijzon dere beperking der verantwoordelijkheid vaststelt, doch zonder de algemeene beperking van art. 67 op te heften; dat mitsdien het middel is ongegrond;

Verwerpt het beroep en veroordeelt den eischer in de kosten in cassatie gevallen.

Sluiten