Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 7400.

Vernietigt de arresten door het Gerechtshof te 's Gravenhage den 12 Dec. 1898 en den 9 Mei 1899 in deze gewezen ;

Verwijst de zaak naar evengemeld Gerechtshof om, met inachtneming van dit arrest, verder te worden behandeld en beslist; Veroordeelt de verweerderesse in de kosten van cassatie.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 29 Januari 1900.

Waarnemend-voorzitter, Mr. A. A. de Pinto.

Raadsheeren, Mrs.: A. J. Clant van der Mijll, A. P. Th. Eyssell,

B. H. M. Hanlo, S. M. S. de Ranitz, A. Telders en Jhr.

S. Laman Trip.

Het ontbreken van de in den aanhef van art. 4 van het Koninklijk Besluit van 19 Januari 1898 (Stbl. no. 25) bedoelde vergunning is een bestanddeel der overtreding van dit artikel.

De Ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongerecht te Almelo, is requirant van cassatie tegen een vonnis van het Kantongerecht te Almelo van den 10 Nov. 1899, waarbij W. H., oud 32 jaar, stoelenmatter, geboren te Wijhe, zonder vaste woonof verblijfplaats, bij verstek werd ontslagen van alle rechtsvervolging.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Jhr. Laman Trip, heeft de adv.-gen. Patijn de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Heerenl

Menigmalen reeds heeft het woord „tenzij" in wet of verordening voorkomende, beslissingen van uw Raad noodig gemaakt. Ik verwijs o. a. naar mijne conclusie, voorafgaande aan uw arrest van 14 Dec. 1896 (W. 6903), waarin ik verschillende uitspraken van uw Raad vermeldde.

In casu loopt de strijd over die uitdrukking, zooals ze voorkomt in art. 4 initio van het K. B. van 19 Jan. 1898 (Stbl. n°. 25) luidende: ,,tenzij met vergunning van onzen Commissaris in de provincie is het verboden van de wegen en paden, onder beheer van het Rijk enz. gebruik te maken:

f. tot het leggen of plaatsen van zand, steenen, hout en andere losse voorwerpen.

Aan den nu-gereq. werd ten laste gelegd, dat hij op den berm van den Rijksweg van Hengelo naar Borne een woonwagen geplaatst had; de kantonrechter te Almelo achtte dit feit bewezen maar ontsloeg den beklaagde van alle rechtsvervolging te dier zake op grond van de overweging: ,,dat uit de redactie van dat artikel door vooropstelling der woorden : ,,tenzij met vergunning", ten duidelijkste blijkt, dat van al wat onder litt. a, 6, c, d, e en f verboden is in het algemeen ontheffing kan worden verleend, indien de daarvoor benoodigde vergunning van den heer Commissaris der Koningin in de provincie maar aanwezig is, alzoo geen onvoorwaardelijke maar eene voorwaardelijke verbodsbepaling".

De heer ambtenaar van het O. M. ziet in die beslissing: Schending door niet toepassing van artt. 1 en 2 der wet van 28 Febr. 1891 (Stbl. n°. 69) en van artt. 4 en 13 van evengemeld K. B. van 19 Jan. 1898, en verkeerde toepassing van art. 216 Strafvord.

Denk ik nu aan uw hierboven door mij geciteerd arrest van 14 Dec. 1896, dan komt het mij voor, dat ook dit beroep zal moeten worden verworpen. Of bij verbodsbepalingen, waarin het woord „tenzij" voorkomt het daarop volgende al dan niet een bestanddeel der overtreding, dan wel een fait d'excuse uitmaakt, zal in de meeste gevallen van de redactie afhangen, en ter voorkoming van veelvuldige cassatieberoepen zou het me wenschelijk voorkomen, dat in kwestieuse gevallen in de dagvaarding melding werd gemaakt van het gemis der vergunning, waar alleen het ontbreken daarvan het feit tot overtreding stempelt. Het bewijs van gemis van vergunning zal in de meeste gevallen gemakkelijk te leveren zijn.

Denk ik nu aan de u zoo evenmedegedeelde redactie van art. 4 van het K. B. van 19 Jan. 1898 en aan uwe uitspraak van 14 Dec. 1896, dan komt het ook mij voor, dat het gemis der vergunning een bestanddeel der overtreding uitmaakt.

Afgescheiden van de vraag of onder ,,andere losse voorwerpen", waarvan in litt. f van dit artikel wordt gesproken, ook wagens bedoeld zijn, meen ik dat de kantonrechter den bekl. terecht van alle rechtsvervolging heeft ontslagen.

Ik concludeer mitsdien tot verwerping van het ingesteld beroep.

De Hooge Raad enz. ;

Gelet op het middel van cassatie, door den req. voorgesteld bij memorie:

Schending door niet-toepassing van de artt. 1 en 2 der wet van 28 Febr. 1891 (Stbl. n°. 69) en van de artt. 4 en 13 van het Kon. besluit van 19 Jan. 1898 (Stbl. n°. 25) en verkeerde toepassing van art. 216 Straf vord., omdat bij art. 4 van voormeld Kon. besluit in het algemeen wordt strafbaar gesteld, ,,het gebruik maken van den berm behoorende tot een weg onder het beheer van het Rijk tot het leggen of plaatsen van eenig los voorwerp", en op dit algemeene verbod in dat artikel uitzondering wordt verleend voor het geval de dader tot het op die wijze gebruik maken van den berm van den weg vergunning heeft van den Commissaris der Koningin in de provincie, waar het feit wordt gepleegd, en dus het in het bezit zijn van eene derge-ijke vergunning moet worden beschouwd als een zoogenaamd, „fait d'excuse" eu het ontbreken dier vergunning niet oplevert een element der overtreding en derhalve niet behoeft te worden ten laste gelegd;

Overwegende dat den gereq. is ten laste gelegd en bij het bestreden vonnis is bewezen verklaard, dat ,,hij den 3en Oct. 1899 des namiddags omstreeks 9£ uur onder de gemeente Borne op den berm van den Rijksweg van Hengelo naar Borne een woonwagen heeft geplaatst gehad ';

O. dat de kantonrechter heeft beslist, dat dit feit niet strafbaar is, meer bepaald dat het niet valt onder art. 4 van het Kon. besluit van 19 Jan. 1898 (Stbl. n°. 25), op grond dat dit artikel niet inhoudt eene onvoorwaardelijke maar eene voorwaardelijke verbodsbepaling;

dat het gemis van vergunning daarin genoemd is een bestanddeel van het strafbare feit, en den bekl. had behooren ten laste te worden gelegd;

O. dat hiertegen het middel is gericht:

O. daaromtrent, dat art. 4 van het Kon. besluit luidt:

„Tenzij met vergunning van onzen Commissaris in de provincie is het verboden van de wegen en paden, onder beheer van het Rijk, en van de daartoe behoorende glooiingen, bermen en slooten gebruik te maken:

a. tot het maken van uitwegen en andere verbindingen en het verbreeden van bestaande uitwegen;

b. tot het maken van voetpaden en stoepen;

c. tot het plaatsen en laten staan van gebouwen of getimmerten, hekken, afrasteringen, schuttingen en hagen ;

d. tot het plaatsen en laten staan van lantaarnpalen, aanplakborden, telephoonpalen en dergelijke voorwerpen ;

e. tot het leggen van goten, riolen en buizen;

f. tot het leggen of plaatsen van zand, steenen, hout en andere losse voorwerpen" ;

O. dat dit artikel, blijkens zijnen inhoud, niet bevat een algemeen, onvoorwaardelijk verbod om van de wegen en paden, onder beheer van het Rijk, de daartoe behoorende glooiingen, bermen en slooten het onder a tot en met f omschreven gebruik te maken, waarvan alleen bij uitzondering in bepaalde, bijzondere gevallen ontheffing kan worden verleend; doch dat gebruik alleen dan is verboden, wanneer het geschiedt zonder vergunning van den Commissaris der Koningin in de provincie;

dat dit verbod dus is voorwaardelijk, en art. 4 alleen dan is overtreden, indien die vergunning niet verleend is;

O. dat, waar de overtreding van dat artikel afhangt van eene bepaalde, voor elk geval gestelde voorwaarde, de aanwezigheid daarvan, dus het gemis der gevorderde vergunning, is een bestanddeel van de overtreding van art. 4, hetwelk in de dagvaarding had moeten zijn opgenomen om het gebruik, volgens de artt. 4 en 13 van het Kon. besluit strafbaar te doen zijn;

dat dus, nu het ontbreken der vergunning niet ten laste is gelegd, de kantonrechter den gereq. terecht heeft ontslagen van alle rechtsvervolging en het middel van cassatie niet gegrond is;

Verwerpt het beroep in cassatie.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE 's GRAVENHAGE. Burgerlijke Kamer.

. Zitting van den 27 December 1899.

Voorzitter, Mr. J. Spoor Raadsheeren, Mrs. : J. C. J. Ridder van Rappard, J. B. J. N. Ridder de van der Schueren, H. van Manen en A. van Laer.

De bepaling van art. 558 al. 3 B. 11. strekt niet om een recht van hooger beroep te vestigen maar bedoelt blijkbaar het vaststellen van den termijn openstaande voor het hooger beroep, als die uitspraak, volgens de algemeene regelen voor hooger beroep vatbaar is.

L. van den Berg, weduwe van W. de Graaf, wonende te Bijnacker, appellante, procureur Mr J. M. van Mtinnekrede,

tegen

1°. A. J. Muller, melkverkooper, wonende te Delft; 2°. W. A. Meijer, weduwe van Chr. W. Beeterse, wonende te Delft;

3°. J. A. de Roo, metselaar, wonende te Delft, in hoedanigheid van toeziend voogd over F. A., A. J., J. A. en A. Meijer, wonende te Delft;

4°. W. J. van Buüren, Mr. vleeschhouwer, wonende te Delft, geintimeerden, niet verschenen.

De proc.-gen. Mr. R. Th. Bijleveld, heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen:

Edel Groot Achtbare Heerenl

W. J. van Buuren kocht op den 29 Aug. 1898 een te Delft gelegen goed, toebehoorende aan A. J. Muller.

De verkoop geschiedde ten verzoeke van W A. Meijer, weduwe van C. W. Bieterse als hypotheekhoudster.

Op het goed was beslaggelegd wegens een schuld van f 200 door L. van den Berg, weduwe van W. de Graaf, app.

Naar aanleiding van een verzoek van den kooper, werd door de Rechtbank te 's Gravenhage benoemd een rechter-commissaris tot het vaststellen van eene gerechtelijke rangschikking tot verdeeling van den koopprijs.

App. verzocht in de rangregeling te worden opgenomen, behalve voor hare concurrente vordering van f 200, als preferente creditrice voor een bedrag van f 63.07, zijnde de kosten van het beslag.

De rechter-commissaris verklaarde app. alleen preferent voor een deel van gemelde vordering van f 63 07 en wel voor een bedrag van f 18.92 voor verschotten bij het beslag, maar wees het verzoek af voor het overige gedeelte ad f 44.15, zijnde het bedrag van het salaris van den procureur, die bij het leggen van het beslag voor app. was opgetreden.

Na tegen die beslissing door app. ingebracht bezwaar, verwees de rechter-commissaris haar naar de terechtzitting der Rechtbank.

De Rechtbank ontzegde bij vonnis van den 30 Juni 1899 de vordering van opposante, daartoe strekkende dat, met wijziging van de gemaakte rangregeling, zij opp. in de eerste plaats zoude worden verklaard preferent wegens gemelde kosten van uitwinning ad f 63.07.

Tegen die uitspraak kwam opp. bij u in beroep. In eene ingediende memorie zijn hare grieven uiteengezet.

Evenmin als app. kan ik mij met de zienswijze der Rechtbank vereenigen.

De gedachtegang in het vonnis is m. i. kortelijk deze:

In de bij de wet van 7 Juli 1896 (Stbl. n°. 103) aan art. 557 B. R. toegevoegde nieuwe 2e alinea, worden het salaris en de verschotten van den procureur, die bij het beslagleggen en bij de rangregeling voor partijen is opgetreden wel gebracht onder de rubriek van bevoorrechte kosten, maar bij liet vaststellen van die bepaling, had men geenszins op het oog, wat betreft de procureurs kosten die te brengen onder de bevoorrechte kosten waarvan in geval van uitwinning, art. 1185 sub 1 B. W. gewaagt, maar men bedoelde alleen die kosten gelijk te stellen met die, waarvan in de eerste alinea van art. 557 wordt melding gemaakt en aldaar bevoorrecht worden verklaard, namelijk met de kosten van rangregeling. De kosten van rangregeling in deze kwamen evenwel, gelijk tusschen partijen was onbetwist, krachtens de veilingsvoorwaarden ten laste van den kooper, zij konden alzoo bij de rangregeling zelfs niet pro memorie worden vermeld.

Het komt mij voor, dat de m. i. duidelijke beteekenis van art. 557 le en 2e al. B. R. bij het vonnis is miskend. Al. 1 bepaalt het volgende: ,,In geval er geene tegenspraak gedaan wordt, zal de rechter-commissaris de rangregeling sluiten en de kosten vereffenen, welke als bevoorrecht zullen worden gebracht" enz. Het :

2e lid luidt: „Tot de bevoorrechte kosten behooren het salaris en de verschotten van de procureurs" enz. Het zegt alzoo niet dat het salaris en de verschotten met de kosten van rangregeling zullen worden gelijkgesteld, wat den aard betreft, en alzoo als kosten van rangregeling moeten worden aangemerkt, maar het bepaalt, dat het bedoeld salaris en de verschotten mede bevoorrecht zullen zijn. Niet wat betreft den aard alzoo, maar wat betreft het bevoorrecht zijn zullen zij met de kosten der rangregeling gelijkstaan. De woorden van de wet zijn m. i. ook volkomen in overeenstemming met de bedoeling.

Omtrent die bedoeling kan geloof ik moeilijk twijfel bestaan. Bij haar voorstel, om al. 2 aan art. 557 toe te voegen, werd door de Commissie van Voorbereiding er op gewezen, dat bij het (ook in het vonnis der Rechtbank aangehaald) arrest van den Hoogen Raad van 10 Mei 1894, (W. n°. 6502) was beslist, dat voor het doen van bevel van betaling en het leggen van beslag, evenals voor het doen van eisch, om in de rangregeling te worden begrepen, de bijstand van een procureur niet was voorgeschreven, zoodat het voor die handelingen in rekening gebrachte salaris, als niet kunnende worden beschouwd als te behooren tot de kosten van uitwinning, niet als bevoorrechte gerechtskosten (art. 1185 1° B. W.) batig kon worden gerangschikt. Dat het echter gebruikelijk was, dat die handelingen door tusschenkomst van een procureur geschiedden en het voor den leek, bij de moeilijke stoffe van executie en rangregeling, meestal eene noodzakelijkheid was, dat hij door een rechtskundige werd] bijgestaan, en het alzoo billijk was diens salaris en verschotten onder de bevoorrecht© kosten ~ te rangschikken.

Het tweede lid van art. 557 moest alzoo alleen strekken om een. voorrecht voor die kosten in het leven te roepen.

Alsnu zoude nog kunnen worden besproken de m. i. ontkennend te beantwoorden vraag, of zelfs in het stelsel van de Rechtbank, dat de in deze bedoelde procureurskosten moesten worden beschouwd als kosten van rangregeling, aan eene vermelding pro memorie zoude in den weg staan de door de Rechtbank bedoelde bepaling in de door de verkoopster . de wed. Bieterse tegenover den kooper vastgestelde veilingsvoorwaarden. En ook of app. bij hare bij de Rechtbank ingestelde vordering, om voor een bedrag van f 63.07 preferent te worden verklaard, niet voor een deel, namelijk een bedrag van f 18.92, vorderde wat haar door den rechter-commissaris reeds was toegewezen.

Ik meen evenwel, dat nadere beschouwingen over het fond van de zaak kunnen achterwege blijven, omdat, naar het mij voorkomt, zij niet vatbaar is voor eene beslissing in hooger beroep.

Art. 558 al. 3 B. R. spreekt wel van hooger beroep van de uitspraak van de Rechtbank na verwijzing door den rechter-commissaris, maar die bepaling strekt wel evenmin, als bv. die van art. 487 B. R., tot vestiging van een recht van hooger beroep. Dat voorschrift, waarmede de wetgever beoogde te voorkomen, dat de procedure onnoodig werd gerekt, bedoelt blijkbaar alleen het vaststellen van den termijn openstaande voor het appel, wanneer de uitspraak volgens de algemèene regelen voor hooger beroep vatbaar is.

De Rechtbank had te beslissen over eene vordering met sustenu van preferentie gr^ot f 63.07. De waarde van die vordering was alzoo beneden die welke bij art. 54 al. 2 R. O. voor appellabiliteit wordt geëischt.

Dat de algemeene bij art. 54 R. O. gestelde regelen ook voor deze zaak gelden, acht ik niet twijfelachtig. Zoo oordeelt ook Mr. de Binto, Handl. Burg. Rv., 2e gedeelte § 38 sub 10 j°. § 334 sub 7. In gelijken geest is het gevoelen van Mrs. Sassen en M. H. Godefroi, medegedeeld bij hunne beschouwingen naar aanleiding van de Fransche wet van 21 -Mei 1858, houdende wijziging in de bepalingen betreffende de saisie immobilière, te vinden in Themis, 2e verz., die van Mr. Sassen in deel 7, bladz. 357, die van Mr. Godefroi in deel 10 bladz. 88 Wel bestaat verschil van gevoelen tusschen die schrijvers over de vraag die zich evenwel na de gemelde wet van 1858 voor den Franschen rechter niet meer kan voordoen, of, bij de bepaling van de waarde der vordering in aanmerking moet komen de volle som, waarvoor die werd ingebracht, of alleen het verschil tusschen die som en het bedrag, dat, na betwisting mocht zijn toegelaten, maar dat punt eischt, gelijk geen opmerking behoeft, in onze zaak geen bespreking.

Ik concludeer dat app. zal worden verklaard niet-ontvankelijk in het ingesteld hooger beroep.

Het Hof;

Gehoord appellante;

Gezien de stukken voor zooveel noodig behoorlijk geregistreerd ; Ten aanzien der daadzaken en in eersten aanleg gevoerde procedure ;

Overwegende dat het Hof zich gedraagt aan en overneemt de daartoe betrekkelijke overwegingen, voorkomende in het vonnis door de Arrond.-Rechtbank te 's Gravenhage den 30 Juni jl. tusschen partijen gewezen, waarvan het dictum luidt: enz. ;

O. dat opp. van dit vonnis is gekomen in hooger beroep en bij haar schriftuur in hooger beroep haar sustenuen heeft uiteengezet en geconcludeerd, gelijk aan het slot daarvan gemeld staat, zijnde de geintimeerden als hebbende geen procureur gesteld, niet verschenen ;

In rechte:

O. dat vooraf moet worden onderzocht of opp. ontvankelijk is in het door haar ingestelde hooger beroep;

O. te dien aanzien, dat terwijl de Rechtbank had te beslissen over eene vordering met sustenu van preferentie, groot f 63.07 en dus over eene vordering beneden die, welke bij art. 54 al. 2 R. O. voor appellabiliteit wordt vereischt, het de vraag is, of in de algemeene bij dat artikel gestelde regelen een verandering is gebracht door art. 558 al. 3 B. R., waar gesproken wordt van hooger beroep van de uitspraak der Rechtbank na verwijzing door den rechter-commissaris, dan wel of die algemeene regelen ook in deze zaak van kracht zijn;

O■ dat dit laatste liet geval is daar de bepaling van art. 558 al. 3 B. R. niet strekt om. een recht van hooger beroep te vestigen, maar, ten einde een onnoodig rekken der procedure te voorkomen, blijkbaar alleen bedoelt het vaststellen van den termijn openstaande voor het hooger beroep, als de uitspraak volgens de algemeene regelen voor hooger beroep vatbaar is ;

O. dat opp. dus niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hooger beroep;

Gezien art. '56 B. R. ;

Rechtdoende in hooger beroep :

Verklaart opp. niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hooger beroep;

Verwijst haar in de kosten daarop gevallen, aan zijde van geintimeerden begroot op nihil.

Sluiten