Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N®. 7402.

welke mitsdien geen particulier eigendom waren, en welke goederen en fondsen strekten om aan geestelijke personen huntractement te betalen, naar de publieke schatkist zouden worden overgebracht, welke daarentegen met d e b o v e n g e m e 1 d e betalingen zou zijn belast, terwijl de betalingen, die toen gedaan werden uit plaatselijke of andere kassen of publieke fondsen, met den aanvang van 1810 zouden ophouden.

De publieke schatkist zou dus tegen overbrenging der geestelijke goederen onder beheer van den staat de betaling der tractementen doen, en het was zoo zeeir de bedoeling, dat de verplichting tot het doen dier betaling inhaerent zou zijn aan het beheer der goederen, dat, toen in den aanvang van 1810 te Kampen en elders aan den last tot overbrenging der goederen onder Staatsbeheer nog niet was voldaan, bij aanschrijving van 's Konings len Secretaris van het Kabinet van 22 Maart. 1810 werd bepaald, dat de beheering dier goederen, hangende de déliberatiën over de toepassing van het 2e lid van art. 3 van het aangehaalde decreet, onder verantwoordelijkheid aan den Minister, zouden blijven op den tegenwoordigen voet, en daaruit bij voortduring de gewone uitgaven gedaan en de inkomsten voor dezelve genoten zouden worden.

Dien toestand vond nog de Grondwetgever van 1814; want bij het Souverein besluit van 19 Jan. 1814 werd niets veranderd, maar slechts de betaling der tractementen uit 's lands kas, welke tot 31 Dec. 1810 had plaats gehad voorloopig verzekerd. En wat was nu de bepaling der Grondwet van 1814? Zij bepaalde in art. 136, dat aan de Christelijke Hervormde Kerk bij- voortduring werd verzekerd de voldoening uit 's lands kasse van alle zoodanige tractementen enz. als voormaals aan derzelver leeraren, hetzij direct uit 's lands kasse of uit de daartoe bestemde inkomsten van geestelijke en kerkelijke goederen of eenige plaatselijke inkomsten waren betaald. Maar volgde nu daaruit, dat de tractementen der leeraren voortaan alleen van den Staat konden gevorderd worden, ook daar waar tot dusverre de betaling dier tractementen moest gedaan worden en gedaan werd door beheerders van nog niet onder beheer van den Staat overgebrachte geestelijke goederen'! Dat schijnt niet de bedoeling van den Grondwetgever te zijn geweest. De Grondwet laat in het midden wie de personen of autorisatie zijn, die voortaan de tractementen uit 's lands kasse d. i. uit 's lands inkomsten zullen hebben te voldoen, zij verzekert alleen bij voortduring betaling uit de inkomsten zonder in de wijze van betaling uit die inkomsten iets te veranderen, en tot 's lands inkomsten behoorden niet slechts de inkom sten uit de geestelijke goederen, die reeds onder beheer van den Staat waren gebracht, zoodat de Staat reeds nu zelf (direct) de vroeger daaruit genoten tractementen betaalde, doch ook de inkomsten uit andere geestelijke goederen, welke, zooals die te Kampen, nog niet met het overige staatsvermogen waren vereenigd, maar nog altijd op den ouden voet afzonderlijk werden geadministreerd, waaruit nog altijd de tractementen door de beheerders werden betaald, en die niettemin, ook zonder dat eenige feitelijke overdracht daarvan had plaats gehad, v i 1 e g i s, krachtens de nationaal verklaring van 1798, Staatsvermogen waren.

En daarom kon de Secretaris van Staat voor de Binnenlandsclie Zaken bij aanschrijving van 27 Mei 1814, o. a. ook voor Kampen, de betaling op den ouden voet gelasten, zonder te handelen in strijd met de Grondwet, welke op dit punt gecne innovatie inhield, maar slechts verzekerde, dat uit de Staatsinkomsten zou worden betaald wat vroeger betaald werd, en dus intact liet de verplichting der gemeente, waar die verplichting bestond, om gevolg te geven aan de op haar vroeger verstrekte, thans weêr gehandhaafde, delegatie om de betaling te doen uit de inkomsten voor de den Staat toebehooreude, door haar nog altijd geadministreerd wordende, geestelijke goederen, die zij onder zich genomen had.

Ook in 1814 bleef dus de verplichting tot betaling der tractementen inhaerent aan het beheer.

Door art. 194 der Grondwet van 1815, dat voortbestaat in art. 171 der tegenwoordige Grondwet, kwam daarin geene verandering. Het verzekerde aan de onderscheidene godsdienstige gezindheden de door haar of hare leeraars thans genoten wordende tractementen, pensioenen en inkomsten van welken aard ook, dus ook die welke genoten worden uit de bij eenige gemeenten in beheer zijnde geestelijke goederen ; het fixeerde dus den bestaanden toestand, die rationeel en billijk was. Er werd echter in dat art. 194, niet meer, zooals in de Grondwet van 1814 (art. 136), gesproken van voldoening uit.'slands kasse, en indien dus uit die woorden zou moeten blijken (wat intussclien mijne opvatting niet is) dat bij de Grondwet van 1814 de Staat is aangewezen om zelf- de betaling van de tractementen te doen, dan kan men dit toch na de Grondwet van 1815, welke die woorden niet inhoudt, niet meer volhouden. Mijne meening is dat men in art. 194 der Grondwet van 1815 hetzelfde heeft willen zeggen als in art. 136 der Grondwet van 1814, maaï dat juist uit de weglatingin art. 194 van de woorden uit 'slands kasse blijkt dat de Grondwetgever van 1815 daaraan niet de beteekenis hechtte die de eischer daaraan wil gegeven hebben

De in het middel genoemde bepalingen van publiekrechtelijken aard zijn door het Hof niet geschonden ; en evenmin de artt. 1269 en 1376 B. W., nademaal hier van geene civielrechtelijke overeenkomst tusschen den Staat en Kampen sprake is, maar van eene sedert 1798 bestaande publiekrechtelijke delegatie, van de overbrenging van eene verplichting van den Staat op de gemeente. Dat zoodanige delegatie niet, of niet aldus kon plaats hebben, valt uit geene der wetsbepalingen, die het middel aanwijst, af te leiden, maar al ware dat zoo zij is door de gemeente aanvaard, en door art. 171 der Grondwet gehandhaafd, hoe abnormaal men haar onder den tegenwoordigen staatsrechtelijken toestand ook moge willen noemen. En dat men dan ook aan het voortbestaan daarvan tijdens de laatste herziening der Grondwet niet twijfelde, dat kan blijken daaruit, dat, toen, naar aanleiding van het voorstel der Staatscommissie om aan art. 171 een lid toe te voegen, waarin zouden verzekerd worden de uit keeringen, die van wege eenige gemeente, als in het beheer gebleven van voormalige geestelijke goederen of fondsen, hebben plaats gehad, door de Regeering is opgemerkt, dat het onnoodig zoude zijn in de Grondwet te gewagen van de thans bestaande verplichtingen van sommige gemeenten tot uitkeering van predikantstractementen, omdat deze ook nu worden erkend, al spreekt de Grondwet er niet van. De pleiter voor de verweerderes verwees naar Arntzenius; men vindt het ook bij Roozeboom, De Grondwet toegelicht pag. 419. Ten slotte herinner ik, dat dezelfde pleiter zich beriep op Buys II, bl. 563 en Smidt, Bijdr. v. d. kennis van liet Staatsbestuur 1880, dl. 23, bl. 371, 393 en 395.

Mijne conclusie strekt tot verwerping van het beroep met veroordeeling va,n den eischer qq. in de kosten.

De Hooge, Raad enz. ;

Partijen gehoord;

Gezien de stukken;

Overwegende dat als eenig middel van cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te Arnhem van den 17 Mei 1899 is voorgesteld :

Schending en verkeerde toepassing van de artt. 1 en 4 der addi¬

tioneele artikelen der Constitutie van 1798, de Publicatie van het Uivoerend Bewind van 11 Oct. 1798, art-. 14 der Grondwet van 1801, de artt. 1 en 3 van het Decreeit van Lodewijk Napoleon van 2 Aug. 1808 (v. d. Poll. pag. 419), het Kabinetschrijven van den Secretaris van dezen Koning van 22 Maart 1810, het Besluit van den Souvereinen Vorst van 19 Jan. 1814 (Bijv. I, 61), art. 136 der Grondwet van 1814, de aanschrijving van den Secretaris van Staat voor de Binnenlandsche Zaken van 27 Mei 1814; art. 194 der Grondwet van 1815, gelijk het voortbestaat in art. 171 der tegenwoordige Grondwet, de artt. 154—160 der Grondwet van 1815, de artt. 138—144 der Grondwet van 1848, de artt. 142—148 der tegenwoordige Grondwet, en de artt. 1269 en 1376 B. W., omdat, wat er ook zij van de historische en rechtskundige constructie, op grond van welke het Hof beslist, dat de goederen van het voormalig Geestelijk Kantoor van Kampen vallen onder art. 3 van het Decreet van Koning Lodewijk, en onverschillig of de verhouding tusschen het Rijk en de Gemeente na 1808 al of niet die is geweest van civielrechtelijk mandaat, — het Hof ten onrechte beslist, dat tegen de Gemeente Kampen de verweerder eene actie heeft tot uitbetaling der predikantstractementen, hebbende verweerder die, uitwijzens de door het Hof zelf ingeroepen wetsbepalingen alleen tegen den Staat, behoudens alle actie, welke de Staat tegen Kampen mocht hebben uit de tusschen hen beiden bestaande rechtsverhoudingen;

O. daaromtrent:

dat bij het in eersten aanleg gewezen vonnis is verstaan, dat de gedaagde gemeente (thans eischeres in cassatie) gehouden is om onverminderd de verplichting tot uitbetaling op den nu bestaanden voet van de tractementen der thans dienstdoende predikanten der Nederduitsclx Hervormde Gemeente te Kampen, waarover geen geschil bestaat, voor de te beroepen predikanten dier gemeente ter vervulling van de twee nu bestaande vacatures beschikbaar te stellen het aan die bediening verbonden tractement ten bedrage van f 1715 voor ieder predikant per jaar;

dat blijkens het beklaagde arrest de app., thans eischeres, daartegen in de eerste plaats heeft aangevoerd, dat de Rechtbank ten onrechte heeft aangenomen, dat de geestelijke goederen, welke dienden tot onderhoud van de katholieke geestelijken en den katholieken eeredienst te Kampen, na de Hervorming niet geworden zijn privaatrechtelijk eigendom van de stad Kampen, maar door die stad in beheer zijn genomen ten einde die te bezigen ten dienste van den Hervormden Godsdienst, bewerende app. dat ten gevolge der Hervorming bedoelde goederen heerloos zijn geworden en als bona vacantia aan de stad Kampen zijn vervallen;

dat bij liet beklaagde arrest op onderscheidene gronden van geschiedkundigen aard daarentegen is uitgemaakt, dat te Kampen het geestelijk kantoor als eene afzonderlijke zelfstandige administratie met een bepaald doel is blijven bestaan en nog bestond tijdens 1798, tot welk doel ook behoorde het betalen van tractementen aan de leeraren der Hervormde Kerk, en dus terecht door de Rechtbank is aangenomen, dat de goederen van het geestelijk kantoor te Kampen niet waren privaateigendom dier stad, maai als geestelijke fondsen waaruit leeraren der Hervormde Kerk werden betaald, vielen onder de bij art. 4 der additioneele artikelen van de Staatsregeling van 1798 nationaal verklaarde goederen ;

dat tegen deze beslissing, welke trouwens van feitelijken aard is, het cassatiemiddel niet is gericht, en zij dus in cassatie als vaststaande moet worden aangenomen;

O. alsnu met betrekking tot liet voorgedragen cassatiemiddel: dat als gevolg van de bovenomschreven feitelijke beslissing het vonnis, waarbij de vordering der verweerderesse werd toegewezen, terecht bij liet beklaagde arrest bevestigd is ;

dat toch, welke aanspraken de Staat sedert 1798 moge gehad hebben om zich op grond van de nationaal verklaring der geestelijke goederen te stellen in liet bezit der goederen van het geestelijk kantoor te Kampen, in allen gevalle feitelijk vaststaat, dat de Staat die vóór het Koninklijk decreet van 2 Aug. 1808 niet heeft doen gelden, terwijl de stad Kampen in het bezit dier goederen was gebleven, onder den last om, overeenkomstig de publicatie van 11 Oct. 1798, met de betaling van de tractementen deipredikanten op den vorigen voet voort te gaan tot deswegens, na gedane overdracht van de goederen en fondsen, eene nadere schikking- zou zijn gemaakt ;

dat wel bij art. 3 van gemeld Koninklijk decreet is bepaald, dat alle betalingen, welke aan de geestelijken der verschillende gezindheden werden gedaan of bij vervolg (overeenkomstig de beide voorgaande artikelen) zouden worden toegestaan, door de Publieke Schatkist zouden geschieden, maar daaruit niet volgt, dat de Staat onbepaald op zich nam de betaling ook van die tractementen, welke geheel of gedeeltelijk geschiedden uit kerkelijke goederen, of fondsen, die onder de administratie waren van plaatselijke besturen of onder andere publieke beheering;

dat toch uit het tweede lid van genoemd artikel blijkt, dat die goederen zouden worden overgebracht aan de publieke schatkist, welke daarentegen met de bovengemelde betalingen zou zijn belast, waaruit volgt dat ten aanzien der hier bedoelde tractementen de verplichting, welke de Staat op zich nam, samenhing met en afhankelijk was van de overbrenging van genoemde goederen, dat wederom feitelijk vaststaat, dat ook na 1808 zoodanige overbrenging ten aanzien van de goederen van het geestelijk kantoor te Kampen geene plaats heeft gehad; terwijl bij het in het middel genoemde Kabinetschrijven van 22 Maart 1810 is bepaald, dat hangende de deliberatiën over de toepassing van genoemd art. 3 de beheering der geestelijke kantoren en goederen, onder verantwoordelijkheid aan den Minister, zoude blijven op den tegenwoordigen voet, en dat daaruit bij voortduring de gewone uitgaven gedaan en de inkomsten van dezelve genoten zouden worden ;

dat daarna bij de in het middel genoemde aanschrijving van 27 Mei 1814 is bepaald, dat de tractementen der predikanten, welke bevorens uit plaatselijke geestelijke goederen werden betaald, weder uit dezelve moesten worden voldaan, in afwachting van en voorbehoudens de finale beschikkingen, welke te dien aanzien zouden worden gemaakt;

dat uit een en ander volgt, dat bij de invoering der Grondwet van 1815 de goederen en fondsen van het geestelijk kantoor te Kampen nog steeds waren in liet bezit en onder het beheer van het plaatselijk bestuur aldaar, en daaruit de tractementen van de predikanten der Hervormde Kerk werden voldaan;

dat de beloofde finale beschikking is gegeven bij art. 194 deiGrondwet van 1815, m het algemeen bepalende, dat de tractementen, pensioenen en andere inkomsten bij het in werking treden dier Grondwet door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver leeraars genoten wordende, en dus ook r]ie, welke door plaatselijke besturen uit de onder hunne administratie staande kerkelijke goederen en fondsen betaald werden, aan dezelve gezindheden verzekerd zouden blijven;

dat hiertegen door den eischer is aangevoerd, dat de Grondwet van 1814 in art. 136 bepaald had, dat aan de Christelijke Her. vormde Kerk bij voortduring werd verzekerd de voldoening uit < 's lands kasse van alle tractementen als voormaals aan derzelver ; leeraren, hetzij direct uit 's lands kasse of uit de daartoe bestemde inkomsten van geestelijke en kerkelijke goederen of eenige plaatselijke inkomsten waren betaald;

dat deze verzekering was onvoorwaardelijk en algemeen zonder dat daarbij eenig onderscheid werd gemaakt tusschen het geval, dat de bedoelde inkomsten in 's lands kas waren overgebracht, I of dat dit geene plaats had gehad; dat de Grondwet van 1815 in gelijken zin moet worden opgevat;

dat echter al neemt men de uitlegging-, door den eischer van genoemd art. 136 gegeven, aan, het nog ongeoorloofd is art. 194 der Grondwet van 1815 zoo te lezen, alsof de woorden „uit 's lands kasse", die daar zijn weggelaten, ook daarin voorkwamen;

dat veeleer uit de vergelijking- van beide teksten ten aanzien van een onderwerp waarvan de ontwerpers der Grondwet van 1815 geacht kunnen worden geheel op de hoogte te zijn geweest, mag worden afgeleid dat hunne bedoeling was terug te komen op de onbepaalde belofte van 1814, en in plaats daarvan den feitelijken toestand, daaronder begrepen hetgeen in enkele plaatsen ' met betrekking tot de geestelijke goederen bestond, te bestendingen ;

dat deze bedoeling mede blijkt uit de 'aanteekening van Mr. C. F. van Maanen betreffende het verhandelde over Grondwet van 1815 (blz. 210 en 221 van de uitgave van Mr. C. F. Th. van ; Maanen), volgens welke de aangenomen redactie het behoud medebracht van hetgeen toen bestond zonder onderscheid of uitzondering ;

dat eindelijk opmerking verdient, dat, terwijl van 1798 tot 1815 ' voortdurend voorloopige maatregelen voorgeschreven en definitieve beschikkingen in uitzicht werden gesteld, dit na 1815 geheel j is opgehouden, waaruit mag worden afgeleid, dat aanvankelijk de zaak door alle betrokken besturen als voor goed geregeld werd aangemerkt; °

dat bij deze opvatting van het grondwettig voorschrift de vraag of de verhouding tusschen het Rijk en de Gemeente na 1808 die is geweest van civielrechtelijk mandaat, dan of de gemeente gehandeld heeft als publiekrechtelijk orgaan van den Staat, voor de beslissing der thans aanhangige zaak zonder gewicht is, omdat de onderlinge verhouding tusschen den Staat en de Gemeente eene onverschillige zaak is voor de kerkelijke belanghebbenden, aan wie in de genieenten, waar hunne tractementen door plaatselijke besturen betaald werden, tegenover die besturen dezelfde aanspraak werd gegeven, die zij elders tegen den Staat hadden ;

dat het aannemen van eene dergelijke aansprakelijkheid niet in strijd is met de artt. 154 tot en met' 160 der Grondwet van 1815 (142 tot en met 148 der tegenwoordige) omdat, al valt het betalen van kerkelijke tractementen geheel buiten de gewone taak, welke de Grondwetgever aa.n de gemeentebesturen heeft opgedragen, zulks niet belet dat diezelfde Grondwetgever bovendien aan enkele plaatselijke besturen krachtens den historischen toestand * bijzondere verplichtingen kan hebben opgelegd;

dat, voorzoover het alsnog noodig mocht zijn, naast het grondwettig voorschrift een rechtsgrond voor deze verplichting te zoeken, deze gelegen is in het voortdurend bezit der goederen, waaraan die verplichting van ouds is verbonden geweest;

dat het middel derhalve is ongegrond ;

Verwerpt het ingesteld beroep in cassatie en veroordeelt den eischer in zijne hoedanigheid in de kosten.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE 's GRAVENHAGE. Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 1 Februari 1900.

Voorzitter, Mr. H. W. de Graaf.

Raadsheeren, Mrs.: J. J. van Gkuns, Jhr. D. G. van Teijlingen,

W. Ivarsten, C. H. Star Bosmann en k. van Laer.

Het in deze vervalschte geschrift, zijnde eene verklaring als bedoeld in art. 5 der wet van i Juni 1865 (Stbl. no. 60) en alzoo volgens de wet tot bewijs strekkende van den dood van den betrokken persoon, ter bekoming van liet bij de wet gevorderde verlof tot de daarbij verplichtend gestelde begraving van het lijk, was in den zin van art. 225 Strafrecht bestemd om tot betvijs van eenig feit te dienen.

De Officier van Justitie bij de Arrond. -Rechtbank te Rotterdam, is appellant van een vonnis, op den 30 Nov. 1899 door die Rechtbank in zake den na te noemen beklaagde gewezen, voor wien ten deze optreedt de proc.-gen. bij dit Gerechtshof, en W. H., volgens zijne opgave oud 34 jaren, geboren te Delfshaven, wonende te Rotterdam, van beroep bedienaar ter begrafenis, geintimeerde, verschijnende in persoon;

Gezien het vonnis, in eersten aanleg gewezen, houdende :

Overwegende enz.;

Gezien artt. 216, 286 Strafvord. ;

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen het aan den bekl. ten laste gelegde;

Spreekt hem daarvan vrij ;

Beveelt dat de voorwerpen welke in de zaak als stukken van overtuiging' hebben gediend na verloop van acht dagen nadat dit vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, zullen worden teruggegeven aan M. B. ; a. liet bewijs van overlijden ten name van C. J. A. ; b. aan den ambtenaar van burgerlijken stand der gemeente Rotterdam, de opgave wegens overlijden van C. J. A. ;

Gehoord het rapport van den raadsheer Mr. Karsten;

Gehoord den bekl. zoo in zijne antwoorden, als in de middelen van verdediging, door hem; aangevoerd;

Gehoord den adv.-gen. Mr. Reitsma, namens den proc.-gen. in zijn requisitoir, strekkende: dat het Hof het vonnis van den eersten rechter zal vernietigen, het den bekl. ten laste gelegde bewezen en hem mitsdien zal schuldig verklaren aan valschlieid in geschrifte en hem te dier zake met toepassing van art. 225 Strafrecht zal veroordeelen tot 2 dagen gevangenisstraf;

Gelet op de memorie, ter bekwamen tijde door den Officier van Justitie te Rotterdam aan het Hof ingediend;

Alle formaliteiten, bij de wet voorgeschreven, in acht genomen zijnde;

O. dat den beklaagde bij dagvaarding is ten laste gelegd, dat hij op 27 Juli 1899 of daaromtrent te Rotterdam in een schriftelijke verklaring als bedoeld in art. 5 der wet van 1 Juni lb65 (Stbl. n°. 60), en afgegeven door den geneesheer Dr. H., valschelijk zoude hebben veranderd het woord „Vrijdag" in „Zaterdag" en tweemaal het getal ,,21" in „22", met het oogmerk om die verklaring als echt en onvervalscht te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, terwijl uit dat gebruik eenig nadeel kon ontstaan;

O. dat de bekl. ter terechtzitting zoo in eersten aanleg als in hooger beroep heeft bekend en opgegeven : dat hij, na op zich

Sluiten