Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarvan in het middel wordt gesproken, voor hem de aanleid;.)g is geweest 0111 naar de woning van v. L. te gaan, maar uit niets blijkt, dat de mededeeling van dien getuige omtrent het tijdstip van het overlijden van v. L. op iets anders zou berusten dan op eigen waarneming.

Het tweede middel luidt:

Schending van de artt. 211, 216, 221 j°. 223 van hetzelfde Wetboek, doprdat het Hof niet uit wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft geput omtrent — althans ten onrechte bewezen heeft verklaard — het feit, dat de overledene verwond was door een revolverschot en de verwonding oorzaak is geweest van het overlijden van gemelden v. L., onder meer door de bevinding van den arts Br. J. 6. ten B., wiens oordeel door den rechter is overgenomen.

Blijkens de toelichting tot dit middel is de eigenlijke grief deze : dat de identiteit van het door Dr. ten B. geschouwde lijk met dat van den op den 3 Sept. overledenen v. L. niet vast zou staan.

Ook voor deze grief bestaat m. i. redelijker wijze geen grond. Zelfs al laat ik buiten beschouwing het op den 6 Sept.^ 1899 voor den gemeente- en onbezoldigd rijksveldwachter A. v. T. op den ambtseed opgemaakt proces-verbaal, waaruit blijkt, dat op den 5 Sept. bevorens het lijk van E. v. L. door hem is vervoerd naar het zoogenaamde polderhuis te Acquoy en door hem is overgegeven in handen van den heer 1). v. d. H., arts, wonende te Asperen en het op den 5 Sept. 1899 door den rechter-commissaris opgemaakt proces verbaal van beëediging van de deskundigen de artsen ten B. env. d. H., waaruit blijkt, dat de identiteit van het door hen te onderzoeken lijk is geconstateerd door genoemden Dr. v. d. H. en door den mede aldaar tegenwoordig zijnd en gemeente-veldwachter A. v. T., die verklaren den verslagene persoonlijk gekend te hebben, dan volgt ook uit het arrest zelt, dat het door hen onderzochte lijk geen ander kan geweest zijn dan dat van v. L.

Meergenoemde v. T. toch verklaart als getuige, dat liij liet lijk van v. L. op 5 Sept. jl. heeft overgebracht naar het polderhuis te Acquoy, alwaar hij het heeft overgegeven aan den rechter commissaris voor de gerechtelijke schouwing en de als deskundigen en als getuige gehoorde Dr. ten B. verklaart, dat hij met den arts v. d. H. op 5 Sept, jl. in het polderhuis te Acquoy de legale inspectie van en sectie op het lijk van een volwassen man heeft verricht, dat hem aldaar door den rechter commissaris werd overgegeven in bijzijn van den gemeente-veldwachter v. T.

Waar nu verder het Hof, het oordeel van dien deskundige overnemende en tot het zijne makende, aanneemt, dat de door hem geconstateerde verwonding de oorzaak is geweest van het overlijden van bovenbedoelden v. L. daar is ook te dien aanzien 's Hofs arrest genoegzaam met redenen omkleed en het middel dus ongegrond.

Ik heb mitsdien de eer te concludeeren tot verwerping van het ingesteld beroep.

De Hooge Raad. enz.;

Gelet op de middelen van cassatie, door den req. voorgesteld bij memorie; _

I. Schending, althans verkeerde toepassing van de artt. 39tj en 391 Strafvord. doordat het Hof (te dien opzichte woordelijk overnemend de overwegingen van het vonnis der Rechtbank) het feit, dat E. v. L. op 3 Sept. jl. is overleden bewezen heeft verklaard door de verklaring van den getuige A. v. T. in haar geheel genomen en mitsdien onder meer tot de constructie van dat bewijs heeft medegewerkt de verklaring van dien getuige, dat hij van O. W. de K. de mededeeling had ontvangen, dat E. v. E. door een revolverschot van den req. was verwond;

II. Schending van de artt. 211, 216, 221, in verband met art. 223 van hetzelfde Wetboek, doordat het Hof (alweder hieromtrent uitsluitend de overwegingen der Rechtbank overnemende) niet uit wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft geput omtrent, — althans ten onrechte bewezen heeft verklaard —• het feit, dat de overledene verwond was door een revolverschot, en de verwonding oorzaak is geweest van het overlijden van gemelden v. L., onder meer door de bevinding van den arts Dr. J. G. ter B., wiens oordeel door den rechter is overgenomen;

Overwegende dat aan het slot van het bestreden arrest door een aantal aldaar opgesomde bewijsmiddelen, alles in onderling verband en samenhang, wettig en overtuigend bewezen is verklaaid hetgeen den req. is ten laste gelegd (benevens zijne schuld daaraan) bij dagvaarding, volgens den aanhef van liet arrest luidende „dat hij in den avond den 2 Sept. 1899 in de Huigenssteeg te Acquoy terwijl hij zich in de onmiddellijke nabijheid bevond van E. v. L„ 21 jaren, glasslijper, wonende ter laatstgenoemde plaatse, uit een revolver, die met scherpe patronen geladen was, in de richting van v. L. bovengenoemd een schot heeft gelost, waarvan de "kogel diens lichaam treffende door de linkerbil gaande in het lichaam is gekomen en don dood van den verwonde v. L. heeft teweeggebracht, zijnde derhalve de dood van laatstgenoemden aan de schuld van den bekl. te wijten geweest" ;

dat de achtste overweging van 'sHofs arrest luidt: ,,dat uit het voorgelezen extract (van overlijden) en de verklaringen dei getuigen sub 1°. (G. W. de K.) en 6°. (A. v. T.) blijkt, dat E. v. E. overleden is op 3 Sept. jl., terwijl naar aanleiding van hetgeen bekl. heeft erkend, de verklaringen der getuigen sub 1°. (de^K.) en 2°. (E. E. T.) en de hierboven voorkomende bevinding van den arts Dr. ter B. als bewezen mag worden aangenomen, dat de overledene in den avond van 2 Sept. te voren verwond was . door een revolverschot" ;

dat het eerste cassatiemiddel tegen het eerste gedeelte van deze overweging is gericht en de req. tot ondersteuning daarvan aanvoert, dat°daar aan het beroep van die overweging op de verklaring van v. T. geene restrictie of splitsing wordt verbonden, de gansche verklaring is gebezigd als bewijs : dientengevolge zoowel de mededeeling van G. W. de E. in het middel vermeld als diverse andere opgaven van v. T. die geen van alle zijn producten van eigen waarnemhig, hetgeen te meer klemt, omdat elke uitdrukkelijke waarneming van v. L.'s dood door v. 1. in diens verklaring wordt gemist;

O. dat het Hof in voorzegd eerste gedeelte dier overweging alleen vaststelt, op welke bewijsmiddelen, waaronder de getuigenverklaringen de K. en v. T., het overlijden van E. v. L. wordt aangenomen, terwijl het Hof in zijne vijfde overweging als door v.. T. verklaard vermeldt: „dat hen in den vroegen morgen van 3 Sept. j.1., door G. W. de K. werd medegedeeld, dat E. v. L. den vorigen 'avond door een revolverschot van bekl. was verwond ; dat getuige eerst naar den brigadier te Geldermalsen is gegaan en, hem niet te huis aantreffende, 's middags te drie ure ten huize van E. v. L. is gekomen, dezen kreunende te bed vond liggen", waarop volgt getuige's opgaaf van hetgeen v. L. den getuige bij dat bezoek al of niet heeft medegedeeld, en daarna: „dat getuige na het overlijden van E. v. L. diens lijk heeft overgebracht naar het polderhuis te Acquoy, alwaar hij het op 5 Sept. j.1. heeft overgegeven aan den rechter-commissaris voor de gerechtelijke schouwing" ;

O. dat alzoo blijkbaar de mededeeling van de K. alleen dienst doet als opgave der beweegreden waarom) de getuige zich vervoegd heeft eerst aan de woning van requirants superieur, daarna

aan die van v. L. en gekomen is bij diens bed; dat getuige, verklarende dat de bedlegerige persoon, met wien hij gesprekken heeft gevoerd, was E. v. L., niets verklaart onvatbaar voor eigen waarneming en dat, wanneer vervolgens door hem verklaard is, dat hij het lijk van dien persoon heef t vervoerd, uit een en ander volgt dat de bewering, dat diens overlijden niet door den getuige zou zijn waargenomen, haren feitelijken grondslag mist, terwijl uitteraard de medegedeelde gesprekken, door v. L. met den getuige gevoerd, door het Hof niet zijn gebezigd als bewijzen voor den dood van dien persoon ;

O. dat dus het eerste cassatiemiddel is ongegrond;

O. omtrent het tweede middel dat dit, zooals de bovenvermelde formule daarvan luidt, bevat eene . tweeledige klacht over het gebezigde bewijs, waarvan het eerste gedeelte gericht is tegen het slot van 's Hofs bovenaangehaalde achtste overweging, handelend over het verwond zijn van v. E. ;

O:, daaromtrent, dat noch in de aldaar als bewijsmiddelen vernielde opgaven van den req., noch in de drie getuigenverklaringen, zooals deze in het arrest vermeld worden, als erkend of waargenomen voorkomt, dat aan v. E. een revolverschot is toegebracht, doch wel het navolgende:

dat req. onder andere erkend heeft te hebben geschoten van zich af en vooruit met eenen revolver geladen met vijf scherpe patronen, waarvan hij; er na het voorgevallene nog slechts vier in den revolver heeft opgemerkt;

dat de K. heeft verklaard in den laten avond van 2 Sept. den bekl. zijnen revolver in de richting van E. v. L. te hebben zien afschieten;

en T., dat hij in den daarop volgenden nacht heeft voldaan aan het verzoek van v. L., die verklaarde niet verder te kunnen, om nachtverblijf, en den volgenden morgen den opgenomene heeft aangetroffen zeer slecht van uitzicht en in zoodanigen toestand, dat twee personen, die kwamen om hem naar huis te geleiden, hem hebben moeten vervoeren op eenen kruiwagen;

terwijl blijkens de verklaring van Dr. ter B. de schouwing van het lijk, waarvan bij het vorig middel sprake is geweest, de bevinding heeft opgeleverd van eene ronde wondopening in de linkerbil, van doorborende openingen over eene groote uitgestrektheid van den darmwand en van eenen op den bodem van het kleine bekken liggenden kogel;

dat kennelijk dit een en ander, ter kennis van den rechter gebracht door middelen in art. 407 Strafvord. erkend] als wettig bewijs voor aanwijzingen, door het Hof is gebezigd als zoovele aanwijzingen, mogende doen aannemen (zooals de achtste overweging het uitdrukt) v. L.'s verwond zijn door een revolverschot, hetgeen dus steunt op wettig bewijs ;

O. dat, nu overeenkomstig het tot dusver overwogene èn het overlijden van v. L. èn diens verwonding, in den voorafgaanden avond door wettig bewijs is gestaafd, ook de laatste in het tweede middel geformuleerde klacht niet kan opgaan, daar alsdan het Hof als eigen wetenschappelijk oordeel, overgenomen van den onder eede gehoorde deskundige, kon aannemen (gelijk dit in de negende overweging wordt uitgesproken) dat deze verwonding, op de wijze als in het arrest wordt vermeld, oorzaak is geweest van het overlijden;

O. dat, voorzoover de req. bij de toelichting van liet middel klaagt over onvoldoend bewijs dat het lijk, waarop Dr. ter B. volgens zijne verklaring met Dr. v. d. H. op 5 Sept. jl. in het polderhuis te Aqcuoy de legale inspectie en sectie heeft verricht met de door dien getuige opgegeven bevindingen, is geweest het lijk van E. v. L., ook dan het middel niet zou zijn gegrond ;

dat immers Dr. ter B. ook verklaard heeft, dat dit lijk hem ter tijde en plaatse voormeld is overgegeven door den rechtercommissaris in tegenwoordigheid van den getuige v. T., die blijkens het op het eerste middel overwogene v. L. kende, diens lijk heeft vervoerd naar het polderhuis en d i t lijk aldaar heeft overgegeven aan den rechterlijken ambtenaar, van wien Dr. ter B. verklaart liet te hebben overgenomen;

O. dat alzoo de beide middelen zijn ongegrond;

Verwerpt het beroep.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANKEN.

ARROND.-RECHTBANK TE 's HERTOGENBJSOH.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 15 December 1899.

Voorzitter,. Jhr. Mr. L. C. J. A. van Meeuwen. Rechters, Mrs.: J. A. A. Bosch en H. W. J. Th. van Basten Batenburg.

In casu is gebleken, dat de bepalingen van de statuten der vennootschap, volgens welke moest worden gehandeld, grovelijk zijn overtreden.

De in een onwettige vergadering benoemde directeur kan rechtens niet voor de vennootschap optreden, zoodat de Stoomboot-Maatschappij „Altena" in dit proces niet is opgetreden als eischeres; nu ook niet gezegd is ivie namens haar geprocedeerd heeft, blijft slechts over den procureur in de kosten van de winnende partijen te veroordeelen.

De Naamlooze Vennootschap Stoomboot-Maatschappij1 „Altena , gevestigd en kantoor houdende te Woudrichem, eischeres, aanvankelijk procureur Jhr. Mr. Verheijen, later procureur Mr. va.n Zinnicq Bergmann,

tegen

M. A. Baks, wonende te Woudrichem, gedaagde, procureur Mr. Baron J. van Htjgenpoth,

en tegen

1°. J. van Herwijnen, candidaat-notaris, wonende te 's Gravenhage ;

2°. W. van Herwijnen, fabrikant, wonende te Woudrichem; 3°. J. Gulden, particulier, wonende te Woudrichem;

4°. Dr. A. van Toorenenbergen, arts, wonende te Woudrichem; 5°. H. L. Horstmann, kapitein magazijnmeester der artillerie,

wonende te Woudrichem;

6°. F. H. Niemann, broodbakker, wonende te Rijswijk, interveniënten, procureur Mr. Baron J. van Httgenpoth.

De Rechtbank;

Gezien de stukken, enz. ;

Overwegende dat de eischende Vennootschap den ged. als zijnde haar ontslagen penningmeester, heeft aangesproken tot het doen van rekening en verantwoording e» tot afgifte van het saldo;

O. dat de ged. daarop geantwoord heeft: dat als eischeres optreedt, de naamlooze vennootschap stoombootmaatschappij ,,Altena", dat onder die benaming niet begrepen is de Directeur, die, volgens de statuten de maatschappij vertegenwoordigt ;

dat de stoombootmaatschappij ,,Altena", directeur A. Smits, hem ged. bij exploit van 29 Juli 1898 heeft verboden om te voldoen aan de ingestelde vordering; dat inderdaad als eischer optreedt D. Wilhelm, die voorgeeft de directeur te zijn maar het niet is; dat dus ged. tegen dezen of tegen ieder ander, die de onderhavige procedure heeft ingesteld, opwerpt de exceptie van disqualificatie met conclusie hem of hen te verklaren niet-ontvankelijk en te veroordeelen in de proceskosten;

O", dat ged. ten principale aanvoerde, dat de vergadering van 12 Mei 1898, waarop hij dan zou ontslagen zijn, niet was eene wettige vergadering, omdat de oproeping te laat en niet door den directeur was gedaan; dat deze zelfs zulks bij, den aanvang vei klaarde en toen met vele aandeelhouders is weggegaan, waarvan er verschillende geprotesteerd hebben tegen de later in die vergadering genomen besluiten dat in elk geval ged. toen niet ontslagen is nóch kon worden en liij tot 1 April 1898 rekening en verantwoording heeft afgelegd, concludeerende tot niet-ontvankelijk- althans ongegrond verklaring der eischeres, cum expensis;

O. dat de eischeres nader aanvoerde: dat de exceptie niet opgaat, omdat ze niet tegen haar gericht is; dat de verwering ten principale niet afdoende en bovendien onjuist is; dat toch de gemelde vergadering wettig was en daarin do ged. als penningmeester is ontslagen ten bewijze waarvan de eischeres overlegde:

a. het Bijvoegsel tot de Nederlandsche Staatscourant van 23 en 24 Mei 1897 n°. 120, houdende de akte van oprichting der maatschappij: uit art. 24 waarvan blijkt, dat van den 14daagschen oproepingstermijn kan worden afgeweken in spoedeischende gevallen ter beoordeeling van den directeur;

b. afschrift der notulen van de commissaris-vergadering van 27 April 1898 blijkens welke van dien termijn afgeweken is;

c. twee couranten, de oproeping behelzende, welke oproeping niet behoeft uit te gaan van den directeur;

d. afschrift van de notulen der vergadering van 12 Mei 1898, waaruit blijkt, dat een ander tot penningmeester is benoemd, dat wel de ged. rekening en verantwoording tot 1 April 1898 heeft afgelegd, doch het saldo onder zich houdt, zoodat de vordering nog noodig is en blijft;

O. dat de interveniënten, na als zoodanig te zijn toegelaten bij vonnis van den 17 Maart 1899, hebben aangevoerd : dat zij alleen Smits erkennen als directeur, dat diens ontslag zoowel als de benoeming van Wilhelm tot directeur ongeldig zijn;

1°. op den reeds bovenvermelden grond, dat toch ontkend wordt de inhoud van het afschrift sub b overgelegd; dat bovendien de directeur, door zijne verklaring ter vergadering te kennen gaf, dat er geen spoed eischend geval bestond;

2°. voordat de interveniënten tengevolge van die niet tegengesproken verklaring zijn weggegaan en dus door de schuld van directeur en commissarissen zijn uitgesloten geworden van de beraadslaging en de stemming;

3°. omdat .niet is nageleefd geworden: a. art. 22 alinea 3, bepalende dat de presentielijst moet vermelden ieders getal aandeelen, en stemmen b. art. 9, laatste alinea, bepalende dat voorstellen van enkele aandeelhouders (hier het ontslag van den directeur) niet in behandeling mogen komen, tenzij 8 dagen te voren ten kantore der vennootschap ingediend; c. art. 21 alinea 5, daar er over het ontslag van den directeur mondeling is gestemd;

O. dat interveniënten nog aanvoerden, dat de ged. in die vergadering niet ontslagen is en zonder zijn ontslag de benoeming van een opvolger ongeldig' is ;

O. dat eischeres buiten het reeds vermelde nog geantwoord heeft: dat zij subsidiair aanbiedt om de feiten, vervat in de notulen van 27 April 1898, door getuigen te bewijzen dat de directeur Smits niet bevoegd was om op zijn toen genomen besluit later terug te komen;

dat interveniënten, vrijwillig de vergadering van 12 Mei verlatende, daaraan geen ongeldigheid kunnen ontleenen, dat op het sub 3a genoemde geen nietigheid staat, dat art. 19 wel is nageleefd, wordende daarvan subsidiair bewijs aangeboden; dat ook art. 21 is nageleefd, daar het ontslag van den directeur niet is stemming over een persoon maar over eene zaak, dat eindelijk de tijd waarvoor de penningmeester aangesteld was, verstreken was en er dus geen sprake kon zijn van ontslag;

O. dat ged. onder overneming van het betoog der interveniënten nog aanvoerde, dat de laatste opmerking van eischeres oplevert eene verboden verandering van eiscli en bovendien onjuist is, omdat hij is benoemd zonder tijdsbepaling in de vergadering van den 23 Juli 1897 ;

O. dat eischeresse tot staving liarer beweringen nog heeft overgelegd, de notulen van de vergaderingen van 23 Juli en 10 Sept. 1897;

O. dat ged. nog heeft ingebracht, dat hij niet weet, dat zijne aftreding op 12 Mei 1897 ooit door eenige vergadering zou be paald zijn en dan ook de notulen van 10 Sept. 1897 alle bewijskracht missen, omdat ze niet volgens de statuten vastgesteld zijn;

In rechte:

O. dat de ged. tegen de vordering heeft voorgesteld een middel door hem genoemd disqualificatoire exceptie en daarin bestaande, dat de persoon die last tot het voeren van dit proces gegeven had, onbevoegd was om dien last te geven;

O. dat de eischende maatschap die optreedt onder hare benaming zonder aanduiding van den persoon, die haar in rechten moet vertegenwoordigen tegen dat middel eenvoudig lieeft aangevoerd, dat dergelijke disqualificatoire exceptie haar niet raakt, omdat ze gericht is tegen D. Wilhelm of andere ongenoemde personen ;

O. dat dit antwoord, hoewel schijnbaar juist, toch niet afdoende is, omdat het de ware strekking van het middel miskent ; dat toch het middel kennelijk hierop neerkomt dat de procureur der eischeres zijne opdracht voor dit proces ontving van personen die niet bevoegd waren namens de maatschap te spreken en dus het middel de eischende partij wel degelijk raakt;

O. dat de Rechtbank dergelijk middel in een geval als dit volkomen geoorloofd acht omdat het niet raakt de verhouding van den procureur tot zijn cliënt, maar alleen de verhouding van dien cliënt tot de maatschap ;

- O. dat tegenover die exceptie, waarbij de ged. met eene ontkentenis kan volstaan, zeker na, overlegging van het exploit van 29 Juli 1898 had moeten worden genoemd de naam van den lastgever en worden bewezen diens qualiteit; dat nu noch het eene noch het andere geschied is en de eenig gevoerde verwering het voorgesteld middel niet deert, dit middel als gegrond moet worden beschouwd en daaraan moet worde toegekend het gevolg, dat er rechtens uit voortvloeit, ook al is dat gevolg een ander dan de conclusie waartoe de excipient zelf gekomen is;

O. dat de Rechtbank tot dezelfde slotsom komt, indien moet worden aangenomen dat liet debat op de hoofdzaak ook geldt als debat op de exceptie en bijgevolg, dat tegen de exceptie ook is aangevoerd, dat D. Wilhelm is de lastgever en dat hij bevoegd is om namens de maatschap op te treden; dat toch in dat geval, de

Sluiten