Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 7417.

opgelegd de in deze artikelen omschreven verplichtingen, zoodat zij en zij alléén wegens overtreding van deze artikelen ingevolge art. 17 strafbaar zijn ;

dat dit te minder aan twijfel onderhevig is omdat, terwijl in het oorspronkelijk ontwerp der Arbeidswet de aanhef der artt. 10 en 11 luidde respectievelijk : „hij die een persoon beneden 18 jaren arbeid doet verrichten" enz. en „hij die een of meer personen beneden 18 jaren of vrouwen arbeid in fabrieken of werkplaatsen doet verrichten" enz., deze uitdrukkingen bij nadere nota van regeeringswege zijn gewijzigd en de tekst is vastgesteld gelijk deze thans luidt;

dat het dus voor de aansprakelijkheid der hoofden of bestuurders voor de overtreding van de artt. 10 en 11 der Arbeidswet onverschillig is, of de arbeid door een persoon beneden, 16 jaret of door eene vrouw, al dan niet krachtens eenige met hen aangegane overeenkomst, is verricht;

dat hunne aansprakelijkheid voor deze overtredingen, met het oog op de algemeenheid van het gebod, evenmin afhankelijk is daarvan, of zij de kinderen of vrouwen, in hunne fabrieken of werkplaatsen hebben toegelaten of zelfs daarvan, dat zij' mei, hunne aanwezigheid daar ter plaatse bekend waren;

dat toch in het stelsel der Arbeidswet de artt. 10 en 11, ook blijkens hunne toelichting, strekken om het toezicht op de naleving der wet te vergemakkelijken, en in dat stelsel de hoofden of bestuurders van een bedrijf of eene onderneming alle mogelijke voorzorgsmaatregelen, moeten nemen, dat niet in hunne of in de door hen beheerde fabrieken en werkplaatsen kinderen of vrouwen arbeid verrichten buiten toestemming of voorkennis van hen zelve of van degenen, die op hun last en onder hunne verantwoordelijkheid toezicht op den arbeid houden;

O. mitsdien, dat het middel is ongegrond;

Verwerpt het beroep.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 10 November 1899.

Voorzitter, Mr. R. van de Werk.

Raadsheeren, Mrs.; D. L. de Leao Laguna, E. StarBusmann. h. I'. Baron de Kock en a. J. Rooijaards.

Procureur-Generaal, Mr. H. J. Kist.

Het vonnis houdende beslissing omtrent de juistheid van de bij art. 741 B. R. bedoelde door den derden gearresteerde afgelegde verklaring is voor hooger beroep niet vatbaar, indien het derde arrest moet strekken tot verhaal van eene som van f 45.45.

<J. van Dillen, gemeente-ontvanger te Amsterdam, ten deze in die qualiteit handelend optredende, appellant, procureur Mr. L. H. KIJHN JB.,

tegen

de handelsvennootschap onder de firma B. de Vries en Zonen, gevestigd en kantoor houdende te Amsterdam, geïntimeerde, procureur Mr. H. R. Goudsmit.

Het Hof;

Gehoord partijen;

Gehoord den heer proc.-gen. Mr. H. J. Kist, in diens conclusie, dat het Hof den app. niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn appel en hem zal veroordeelen in do kosten van het hooger beroep;

Gezien de stukken;

Ten aanzien der feiten en procedures:

Overwegende dat door den gemeente-ontvanger van Amsterdam qq., thans app,, onder de thans geint. executoriaal derde arrest is gelegd op alle zoodanige gelden, geldswaarden en goederen, die deze derde gearresteerde verschuldigd was of zou worden aan S. van Spiegel, om daarop te verhalen eene som van f 45.45, door gezegden van Spiegel wegens plaatselijke directe belastingen en gemaakte kosten verschuldigd;

O. dat op de hierna ingestelde vordering tegen geint. tot het doen van verklaring met de gevolgen van dien, bij vonnis der Arrond. Rechtbank te Amsterdam dd. 15 Dec. 1896, tusschen partijen gewezen, waarvan het Hof voor zooveel noodig overneemt de feiten daarin vermeld, is verstaan, dat de door ged. (geint.) afgelegde verklaring van tijdens het beslag niets aan S. van Spiegel verschuldigd te zijn, noch hem iets te moeten uitbetalen, afgeven of verantwoorden, is deugdelijk en ged. daarmede kan volstaan, berustende deze uitspraak op 's rechters leer, dat beslag onder derden alleen op die inschulden kan gelegd worden, die tijdens het beslag opvorderbaar zijn, zoodat geene verklaring behoefde te geschieden van hetgeen de derde gearresteerde na het gelegde beslag aan van Spiegel is verschuldigd geworden;

O. dat de eischende gemeente-ontvanger van die uitspraak is gekomen in hooger beroep en partijen hebben geconcludeerd bij hare memoriën op de daarbij uiteengezette gronden;

de app., zulks geheel in overeenstemming met zijn eisch en conclusie, in de akte van api>el opgenomen, „dat het Hof zal vernietigen het vonnis, waarvan appei, en, opnieuw rechtdoende, alsnog zal toewijzen aan app. qq. zijne in eersten aanleg genomen conclusiën mitsdien de door de geint. afgelegde verklaring zal verbeteren in voege als dit bij nadere conclusie in prima is gevorderd, met veroordeeling van de geint. om aan den app. qq. tegen bewüs van ontvangst af te geven of te betalen het bedrag zijner vordering ten laste van S. van Spiegel te weten f 45.45, alles met verwijzing van geint. in de kosten der beide instantiën;

de geint., „tot niet-ontvankelijkverklaring van den app. qq. in het door hem ingestelde hooger beroep, in elk geval tot bevestiging van het vonnis, waarvan appel, met veroordeeling van den app. qq. ook in de kosten van het hooger beroep, terwijl door app. alsnog nader is geconcludeerd tot verwerping van de voorgestelde exceptie vun niet-ontvankelijkheid;

In rechte: ,

O. dat in de eerste plaats de al of niet gegrondheid van de voorgestelde niet-ontvankelijkheid van het hooger beroep moet worden onderzocht;

O. dat de geint. tot staving der exceptie aanvoert, dat de vordering in appel aangebracht is eene persoonlijke, die loopt ovei een geldelijk bedrag van slechts f 45.45 ; dat de gevraagde betaling van die som is het eigenlijk, het hoofdvoorwerp dier vordering, terwijl in dit domineerend karakter der actie geen wijziging : wordt gebracht doordien met de hoofdvordering tot betaling is verbonden een voorbereidende, niet op zich zelf staande, onder- t geschikte eisch tot verbetering der uitgebrachte verklaring;

O. dat de app. ter bestrijding dezer exceptie aanvoert, dat da ingestelde eisch, met de daaraan toegevoegde en daarbij behoorende nevenvorderingen, is van onbepaalde waarde, èn in zichzelf èn door wetsduiding, in zichzelf, omdat gevraagd wordt verklaring, en afgifte van geld of goed, door wetsduiding, omdat die eisch, onafhankelijk van het beloop der principale schuld, in prima moet worden aangebracht voor de Rechtbank ;

O. wat den laatstem grond betreft, dat deze is onjuist, omdat het voorschrift van art. 54 2°. R. O., „dat de Rechtbanken, in het hoogste ressort kennis nemen van alle personeele rechtsvorderingen, de waarde van f 400 in hoofdsom niet te boven gaande", als beheerscht door art. 53 dier wet, omdat alle persoonlijke vorderingen tot f 400 waarover in eerste instantie noch kantonrechter, noch Hof, noch HoogenRaad rechtspreekt, zonder dat daarbij' onderscheiding wordt gemaakt, of de niet-onttrekking aan de Rechtbanken het gevolg is van de waarde der vordering, dan wel, zooals in deze, van eenige anderen wettelijke» grond ;

dat dus het hooger beroep ook van deze vordering is uitgesloten, tenzij deze het bedrag van f 400 te boven gaat of in zich zelf is van onbepaalde waarde;

O. wat betreft des appellant® eerste bewering, dat de ingestelde eisch inzichzelf is van onbepaalde waarde, omdat gevraagd is verklaring e n afgifte van geld of goed, dat ter beoordeeling hiervan vooraf dient vast te staan de omvang van het geschil in hooger beroep aan de kennisneming van dit Hof onderworpen,;

O. dat uit de hierboven vermelde akte van appel blijkt, dat in dezen stand van het geding niet de afgifte wordt gevorderd van het bij de geint. in beslag genomen geld of goed, maar afgifte of betaling van f 45.45, terwijl, wat betreft de nevenvordering, de eisch tot het doen van verklaring, nadat deze was afgelegd, maar werd bestreden, in overeenstemming met de desbetreffende wetsbepaingen heeft plaats gemaakt voor den eisch tot verbetering dier verklaring, welke beide vorderingen echter in haar wezen niet zijn onderscheiden ;

O. dat de eisch tot betaling van f 45.45 op zichzelf niet voor hooger beroep vatbaar is, en daarom slechts de vraag ter beant woording overblijft of die eisch, door de daaraan toegevoegde vordering tot het doen van verklaring, of tot verbetering der verklaring, wordt van onbepaalde waarde;

O. dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord, daar gezegde bijkomende vordering enkel de strekking hebbende om ten opzichte van het bedrag, dat de derde gearresteerde onder zich heeft, en waarop arrestant de schuld van van Spiegel wil verhalen, tot zekerheid te geraken in den aard der hoofdvordering geen verandering teweegbrengt en ook op de waarde van het gevorderde bedrag, van geen der minsten invloed is, de waarde der rechtsvordering niet verhoogt, terwijl uit art.. 746 B. R. niets blijkt voor appellants bewering, dat een eisch als de onderhavige alleen in subsidium een bepaald bedrag ten onderwerp krijgen kan ;

O. derhalve, dat, aangezien, blijkens art. 54, 2°. R. O., de geldelijke waarde eener ingestelde personeele rechtsvordering is uitsluitend de maatstaf ter beoordeeling van de appellabiliteit, en nu uit het hierboven ontwikkelde blijkt, dat het bedrag van de vordering tot betaling van f 45.45 op zich zelf niet voor hooger beroep vatbaar, door de nevenvordering niet wordt verhoogd, de ingestelde vordering in het hoogste ressort door de Arrond. Rechtbank te Amsterdam werd beslist en tegen het vonnis dier Rechtbank dus geen hooger beroep ontvankelijk is ;

Rechtdoende:

Gezien artt. 54, 2°. R. O. en 56 B. R. ;

Vei-klaart den app. n i e t-o n t v a n k e 1 ij k in het door hem ingesteld hooger beroep van het op 15 Dec. 1896 door de Arrond.Reclitbank te Amsterdam tusschen partijen gewezen vonnis ;

Veroordeelt den app. qq. in de kosten van het hooger beroep, aan zijde van geint. begroot op f 166.22.

De app. is van deze uitspraak in cassatie gekomen.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE BREDA. Rechtdoende in Burgerlijke Zaken.

Zitting van den 5 September 1899.

Voorzitter, Mr. .15. Hulshoef.

Rechters, Mrs. : Jlir. A. J. J. van Sasse van Ysselt en A P. L. Nelissen.

O ff. v. Just., Mr. O. L. M. E. J. E. Baron Speijart van Woerden.

De vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat is eene personeele vordering van onbepaalde waarde mitsdien noch bij art. 38 noch bij art. 42 R. O., hetgeen alleen van de vordering tot ontbinding en ontruiming spreekt, noch bij eenig ander wetsartikel gebracht tot de competentie des kantonrechters.

T. A. H. v. d. V., waterbouwkundige, wonende te Gastel, gemeente Oud- en Nieuw-Gastel, eischer, procureur Mr. M. P. M. van Dam,

tegen

L. v. d. M., kapper en barbier, wonende te Breda, gedaagde, procureur Mr. W. Inoenhousz.

De Rechtbank;

Gehoord partijen in hare conclusiën;

Gehoord den heer Officier van Justitie in zijne conclusie, daartoe strekkende, dat het der Rechtbank behage zich te verklaren bevoegd om van de ingestelde vordering kennis te nemen ;

Gezien de stukken;

Ten aanzien der daadzaken :

Overwegende dat de eischer bij inleidende dagvaarding en daarmede overeenstemmende conclusie van eisch heeft gesteld, dat de ged. van af 1 Aug. 1890 van hem eischer in huur heeft de bene- ■ denwoning en erf van het huis en erf, gelegen te Breda, kadastraal aldaar bekend Sectie B, n°. 776, aanvankelijk tegen een huurprijs van f 2.50 per week, later tegen een prijs van f 10 per maand en uit dien hoofde op 1 Juni 11. aan hem, eischer voor verschenen huur schuldig was een bedrag van f 466.50 en de ged. niettegenstaande herhaalde minnelijke aanmaning en gerechtelijk i exploit nalatig blijft dat bedrag aan hemi eischer te voldoen, en ' op deze gronden heeft gevorderd, dat de Rechtbank vooromschre- J ven huurovereenkomst zal verklaren voor ontbonden door wan- { praestatie van ged., dezen zal veroordeelen om binnen tweemaal 24 uren na beteekening van het in deze te wijzen vonnis het ge- < huurde te ontruimen en te stellen ter vrije beschikking van hem eischer met machtiging om mocht ged. hierin nalatig blijven, die ; ontruiming zoo noodig met behulp van het openbaar gezag te be- ;

s werkstelligen met veroordeeling van ged. tot vergoeding van • kosten, schade en interessen door hem eischer tengevolge dier wanpraestatie geleden of nog te lijden,1 op te maken bij staat, en met verwijzing van den ged. in de kosten van het geding;

O. dat de ged. als eenig middel van verweer tegen die vordering heeft opgeworpen het middel van onbevoegdheid der Rechtbank om van de ingestelde vordering kennis te nemen, dewijl de ingestelde vordering strekt tot ontbinding- eener huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, in deze de huur over het jaar berekend niet meer dan f 200 bedraagt, zoodat volgens art. 42 R. O., de kantonrechter was de aangewezen rechter om van deze vordering kennis te nemen; dat wel is waar tevens wordt gevorderd vergoeding van kosten, schade en interessen op te maken bij staat, doch dat vermits deze vordering- tot schadevergoeding haren grond aan de ontbinding ontleent ook de Rechtbank van deze vordering tot schadevergoeding niet zal kunnen kennis nemen;

O. dat de eischer hiertegen heeft aangevoerd: dat^ de ingestelde vordering strekt behalve tot ontbinding en ontruiming tevens tot vergoeding van schade op te maken bij staat, welke vordering als van onbepaalde waarde bij de Rechtbank tehuis behoort en aan de kennisneming van den kanton rechter is onttrokken;

Ten aanzien van het recht:

O. dat art. 42, li. O. aan de kennisneming van, den kantonrechter opdraagt alle vorderingen tot ontbinding van huur en ontruiming van het gehuurde op grond van wanbetaling- van huurpenningen, bijaldien het bedrag der huur per jaar niet meer be draagt dan f 200, en zulks onverschillig of die vordering tot ontbinding en ontruiming heeft, eene onbepaalde waarde, of eene waarde van meer dan f 200; dat daarnaast bij' art. 38 R. O. aan de kennisname van den kantonrechter worden onderworpen alle personeele rechtsvorderingen tot een bedrag van hoogstens f 200;

dat echter de vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat is een personeele vordering van onbepaalde waarde mitsdien noch bij art. 38 noch bij art. 42 R. O., hetgeen alleen van de vordering tot ontbinding en ontruiming spreekt noch bij eenig ander wetsartikel is gebracht tot de competentie des kantonrechters ;

dat alzoo waar bij ééne vordering wordt gevraagd ontbinding', ontruiming en schadevergoeding op te maken bij staat, deze vordering terecht is aangebracht bij de Rechtbank, terwijl de omstandigheid dat de onderdeelen,dezer vordering innig samenhangen, eene omstandigheid waarop door ged. de nadruk wordt gelegd, het verklaarbaar maakt, waarom de eischer bij een en dezelfde actie, ontbinding, ontruiming en schadevergoeding heeft gevorderd, doch voor den bevoegden rechter geen grond mag zijn om de berechting dezer vordering te verwijzen naar den kantonrechter die onbevoegd zou zijn daarvan kennis te nemen ; Rechtdoende:

Verleent aan partijen akte waarvan akte werd gevraagd; Verklaart zich bevoegd van de ingestelde vordering kennis te nemen;

Verklaart ontbonden de hierboven omschreven huurovereenkomst, op grond van wanpraestatie van de zijde van ged. ;

Veroordeelt den ged. om binnen tweemaal 24 uren na beteekening van dat vonnis het gehuurde te ontruimen en te stellen ter vrije beschikking van eischer, met machtiging op deze, om, mocht ged. nalatig zijn binnen voormeld tijdstip die ontruiming te bewerkstelligen hem hiertoe ten zijnen koste zoo noodig met behulp van het openbaar gezag te noodzaken;

Veroarde&lt deu- ged. om aan den. eischer te vergoeden alle kosten, schade en interessen, door hem. tengevolge dezer wanpraestatie geleden of nog te lijden, op te maken bij staat; Veroordeelt den ged. in de proceskosten.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE ROERMOND. Rechtdoende in Burgerlijke Zaken.

Zitting van den 5 October 1899.

Voorzitter, Mr. P. M. O. H. Beerenbroek.

Rechters, Mrs.; G. R. A. Lemmens en B. H. A. M. Romme.

In eene procedure tot echtscheiding ltan bij incidenteele vordering wel gevraagd ivorden de wijziging of opheffing der presidiale beschikking, ivaarbij de kinderen tijdens het rechtsgeding aan eene der partijen zijn toevertrouwd) doch niet de bevestiging daarvan, hene zoodanige vordering is niet ontvankelijk, zelfs wanneer de tegenpartij daarin toestemt, vermits het geldt een voorschrift van proces-orde, alzoo van openbare orde.

A. E. N. v. d. K„ militair apothekersbediende, wonende te Utrecht, eischer, procureur Mr. J. H. Tasset

tegen

E. C. M., echtgenoote van A. F. N. v. d. K., gedomicilieerd te Utrecht, doch verblijf houdende te 's Gravenhage, gedaagde, procureur Jlir. Mr. G. Michiels van Kessenich,

De Rechtbank;

Gehoord partijen in hare middelen en conclusiën;

Gezien de processale stukken;

Gehoord den Officier van Justitie concludeerende tot toewijzing der vordering der incidenteele eischeres ;

Ten aanzien der feiten:

Overwegende dat de eischer gesteld heeft, dat hij den lOen April 1878 te 's Gravenhage in gemeenschap van goederen is gehuwd met de ged. E. C. M. ; dat hiji tijdens dit huwelijk heeft moeten ondervinden, dat zijne vrouw, de ged., hem meermalen zonder wettige redenen verliet; dat deze inzonderheid op 12 Oct. 1891 de echtelijke woning, toen te Venlo, weder zonder wettige redenen heeft verlaten, en sedert meer bepaald over de laatste 5 jaren, zonder wettige redenen is blijven weigeren daarin terug te keeren; dat dit tijdstip dus langer dan 5 jaren is geleden en hij mitsdien recht heeft op grond van kwaadwillige verlating tegen de ged. een eisch te doen tot ontbinding van het tusschen partijen bestaande huwelijk;

O. dat de eischer op dien grond gevorderd heeft, het behage der Rechtbank het huwelijk van partijen, den 10 April 1878 te 's Gravenhage voltrokken, door echtscheiding ontbonden te verklaren en de ged. te veroordeelen in de kosten van het rechtsgeding ;

O. dat de ged. hierop antwoordde, dat, toen zij in 1891 door de mishandelingen van den eischer gedwongen werd de echtelijke woning te verlaten, hunne beide kinderen met haar mede zijn gevlucht; dat die kinderen sedert dien voortdurend bij haar zijn gebleven en zij geheel alleen door haar arbeid voor de opvoeding

Sluiten