Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vrijdag, 4 Mei 1900.

N°. 7422.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

TWEE - EN - ZESTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VERITAS.

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der advertentiën, 20 cent* per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers, Gebr. Belinfante, te 's-Gravenhage (2e Wagenstraat 100).

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 26 Maart 1900.

Voorzitter, Mr. J. J. van Meebbeke.

Raadsheeren, Mrs.: A. A. de Pinto, A. J. Clant van der Mijll, A. P. Th. Eyssell, B. H. M. Hanlo, S. M. S. de

Ranitz en A. Teldeks.

De aanklacht van een voertuig door een aangeduiden persoon te hebben doen besturen bevat in zich de aanklacht, dat het voertuig ingevolge de lastgeving door dien persoon is bestuurd.

Schending van de artt. 211, 221, 223 en 253 Strafvord. door in het vonnis, houdende ontslag van rechtsvervolging, niet op te nemen den inhoud van een procesverbaal, dat tot het bewijs der aanklacht heeft medegewerkt.

De ambtenaar van het Openb. Min. bijl liet Kantongerecht te Leeuwarden, is requirant van cassatie tegen een vonnis va.il den kantonrechter te Leeuwarden van den 22 IJesc. 1899, waarbij de gereq. W. M., weduwe van IJ.- de H., oud 52 jaar, zonder beroep geboren en wonende te Leeuwarden, is ontslagen van alle rechtsvervolging.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Clant van deb Mijll, heeft de adv.-gen. Patijn de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Heeren!

Door den heer ambtenaar van het O. M. bij het Kantongerecht té Leeuwarden zijn bij memorie twee middelen van cassatie voorgesteld tegen het in deze door het Kantongerecht aldaar gewezen vonnis.

Het eerste is een vormmiddel en luidt:

Schending en verkeerde toepassing van de artt. 211, 221, 223 en 253 Strafvord. en dat wel, omdat het. vonnis niet voldoende met redenen is omkleed, voor zooveel het ten laste gelegde bewezen wordt verklaard en bovendien geen beslissing inhoudt omtrent de schuld van de bekl.

Ik acht verschil van opvatting omtrent de waarde van dit middel alleszins mogelijk, maar meen toch, dat, wanneer men het vonnis scherp beziet, de grief niet ongegrond is.

Bekl. stond terecht ter zake dat zij op zekeren dag in Nov. 11. op de openbare straat te Leeuwarden eene handhar heeft doen besturen door een löjarig meisje. Dit feit werd geconstateerd door liet procesverbaal van een politie-dienaar, tevens onbezoldigd rijksveldwachter en nu blijkt wel, dat dit proces-verbaal ter terechtzitting is voorgelezien en dat van den inhoud daarvan is gebruik gemaakt, voorzooveel betreft de daarin voorkomende buitengerechtelijke bekentenis van bekl., dat zij aan bedoeld meisje last had gegeven om de handkar te besturen om daarmede brood rond te brengen, maar uit het vonnis blijkt niet, hoe de kantonrechter tot het bewijs komt, dat bekl. die handkar werkelijk heeft doen besturen m. a. w. dat het meisje er mede gereden heeft

Voor de overtreding van art. 77 der politie-verordening van Leeuwarden is noodig het bewijs, dat een rij- of voertuig door een persoon beneden den leeftijd van 16 jaren is bestuurd en dat de last daartoe is gegeven en nu is het laatste wel het eerste m. i. niet naar eisch van rechten bewezen.

Is zulks ook het oordeel van uwen Raad dan zal liet vontnis moeten worden vernietigd, maar zal uw Raad — zooals de heer req. terecht opmerkt — niet ten j>ricipale kunnen recht doen.

Mocht uw Raad dit formeel bezwaar niet deelen dan rijst de vraag of het feit valt onder de verbodsbepaling van art. 77 der politie-verordening, hetgeen de heer req[. — en dit is het tweede middel, — door het vonnis geschonden en. verkeerd toegepast acht; ik zou liever willen lezen: door niet-toepassing geschonden.

Dit artikel luidt: ,,Hij die een rij- of voertuig doet besturen door een persoon benéden den leeftijd van 16' jaren, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste f 15".

Ik erken dat ook hier verschil van opvatting mogelijk is, maar juist toch komt me voor de opmerking, in. de memorie vervat, dat de verordening, wanneer men let op andere daarin voorkomende artikelen (men zie artt. 21, 66, 67, 80, 81 en 82) geen grond geeft om onder de uitdrukking „rij- of voertuig" alleen die te verstaan, welke tot vervoer van personen worden gebezigd, zooals in art. 1 van het K. B. van 31 Juli 1880 (Stbl. n°. 121) uitdrukkelijk wordt bepaald.

Nu zegt wel de Memorie van Toelichting op het tegi nwoordig art. 77, dat het voorschrift in overeenstemming is met art. 5 van genoemd K. B., maar beperkt het toch niet, zooa's art. 1 van het besluit doet, tot rij- of vaartuigen tot vervoer vati personen gebezigd en geeft als reden voor de verbodsbepaling op, dat deze nocdig is „voor de veiligheid zoowel van den best ïurder zelf a's van de door hem te vervoeren personen" en nu is het m. i. voor de veiligheid van den bestuurder volkomen onverschillig of ' eze personen dan wel goederen vervoert en zou ik meetien, dat w-'—' KiK>ia'S in ^eze' d® woorden van het artikel duidelijk zijn en vo^ geheel© verordening bij de woorden „rij of

q. 61 ,i'1 " onderscheid wordt gemaakt tusschen vervoer

aaarmede van personen of goederen, art. 77 ook op het aan bekl. ten laste ge'egde feit van toepassing is.

Ik heb derhalve de eer te concludeeren tot vernietiging van het in deze gewezen vonnis — zoo uw Raad het eerste middel gegrond acht — met verwijzing der zaak naar de Arrond.-Rechtbank te Leeuwarden, ten einde op de bestaande dagvaarding te worden berecht en afgedaan, zoo niet met beslissing ten principale en veroordeeling van de nu-gereq. conform het requisitoir in eersten aanleg genomen.

De Hooge Raad enz.;

Gelet op de middelen van cassatie, door den req. voorgesteld bij memorie:

I. Schending en verkeerde toepassing van de artt. 211, 221, 223 en 253 Strafvord. ;

II. Schending en verkeerde toepassing van art. 77 der Verordening, houdende algemeene bepalingen van politie voor de gemeente Leeuwarden van den 10 Nov. 1896;

Overwegende dat aan de gereq. bij de dagvaarding is ten laste gelegd, dat zij op 10 Nov. 1899 op de openbare straat het Hofplein te Leeuwarden een. handkar heeft doen besturen door een meisje van 15 jaar, genaamd A. L. ;

O. dat de kantonrechter heeft beslist, dat door de in het vonnis vermelde bewijsmiddelen „bekl. het aan haar ten laste gelegde feit heeft gepleegd" ;

dat op deze feitelijke beslissing afstuit het eerste middel van cassatie, waarbij blijkems de memorie wordt beweerd, dat de kantonrechter alleen bewezen zou hebben verklaard, dat de bekl. aan de 15jarige A. L. last heeft gegeven om de handkar te besturen doch niet, dat het besturen werkelijk heeft plaats gehad, terwijl bovendien het vonnis geen beslissing zou inhouden omtrent de schuld van bekl. ;

dat toch de aanklacht van een voertuig door een aangeduiden persoon te hebben doenbesturen in zich bevat de aanklacht, dat het voertuig ingevolge de lastgeving door dien persoon is bestuurd en dat in de bewezenverklaring, dat de bekl. het haar ten laste gelegde feit heeft gepleegd alzoo, dat zij de kar op die wijze heeft doen besturen, de beslissing omtrent haar schuld aan dat feit ligt opgesloten;

O. ambtshalve, dat tof het hüwijs heeft medegewerkt het op den ambtseed opgemaakt en ter terechtzitting voorgelezen procesverbaal van een dienaar van politie der gemeente Leeuwarden tevens onbezoldigd rijksveldwachter ;

dat de inhoud van dit proces-verbaal in het vonnis niet is vermeld, zoodat niet blijkt, dat het berust op eigen waarneming van den rela,tant en dus als wettig bewijsmiddel kon gelden;

dat hierdoor de in het eerste middel aangehaalde artikelen zijn geschonden, zoodat het vonnis uit dezen hoofde moet worden vernietigd en het tweede middel niet kan worden onderzocht;

Vernietigt het vonnis, door den kantonrechter te Leeuwarden den 22 Dec. 1899 in deze zaak gewezen;

Rechtdoende krachtens art'. 106 R. O.:

Verwijst de zaak naar de Arrond.-Rechtbank te Leeuwarden, teneinde op de bestaande dagvaarding te worden berecht en afgedaan.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 1 December 1899.

Voorzitter, Mr. R. van de Werk.

Raadsheeren, Mrs.: D. L. de Leao Laouna, E. StakBusmann, H. F. Baron de Kocic en A. J. RooiJAARDs.

Procureur-Generaal, Mr. H. J. Kist.

De schriftuur van debat van den gerendeerde in een rekenings-proces behoeft geen conclusie te bevatten.

Het staat den rechter vrij om, indien de tegen de rekening ingebrachte bezwaren gegrond zijn, het bedrag van de geheéle ontvang en uitgaaf, overeenkomstig de ingebrachte bedenkingen, ook zonder daartoe strekkende conclusie op te maken.

Op den rendant rust bij ontkentenis van den gerendeerde, de bewijslast van de vorderingen die hij beweert dat hem uil het door hem gevoerde beheer toekomen.

Te Amsterdam bestaat de usance dat de houders van openbare kunstveilingen, buiten hetgeen de koopers hun betalen, van de verkoopers ontvangen eene vergoeding van niet minder dan 10 pet. der opbrengst.

Het recht, op een beslaand gebruik gegrond, blijft bestaan, zoolang niet is bewezen dat daarvan is afstand gedaan.

A. Preyer, kunsthandelaar en ondernemer van publieke verkoopingen, wonende te Bussum, appellant, procureur Mr. F. K. van Lennep,

tegen

Mevr. G. van Hoboken, wed. van M. "V lierboom, zoo voor zich als in hoedanigheid van moeder-voogdes van hare minderjarige dochter c. s., wonende te St. Josse ten Noode (Brussel), geintimeerden, procureur Mr. F. c. N. Dammers.

Het Hof;

Gehoord partyen;

Gehoord den heer proc.-gen. Mr. H. J. Kist in diens conclusie „dat het Hof, alvorens te beslissen, den app. zal gelasten, om door alle middelen rechtens ook door getuigen te bewijzen, dat, volgens de usance te Amsterdam, de houders van openbare veilingen van roerend goed en bepaaldelijk van kunstveilingen, buiten hetgeen de koopers hun betalen, van de verkoopers ontvangen eene vergoeding van niet minder dan. 10 % der opbrengst, met reserve van kosten" ;

Gezien de stukken;

Ten aanzien der feiten en procedures:

Overwegende dat, naar aanleiding van het vonnis der Arrond. Rechtbank te Amsterdam op 26 Febr. xödl tusschen partijen gewezen, waarbij, op vordering van de geïntimeerden, de app. werd veroordeeld, om binnen den tijd van tweei maanden na de beteekening van het vonnis aan de eischers (geintimeerden) rekening en verantwoording te doen omtrent de hem gegeven en door hem aangenomen opdracht tot verkoop in publieke veiling van het schilderijenkabinet van wijlen den heer M. Vlierboom, en van het provenu der dientengevolge op 18 Febr. 1896 plaats gehad hebbende veiling, door den app. als rendant zijne rekening en verantwoording, waarvan zoowel het geheel der ontvangsten als dat der uitgaven bedraagt f 73920 aan de gerendeerden is beteekend;

O. dat door de gerendeerde slechts aanmerking is gemaakt op den post van uitgaven groot f 7392, voor honorarium den verkooper A. Preijer, die van dergelijke veilingen zijn beroep maakt, competeerende volgens de hem verstrekte en door hean aangenomen opdracht om voornoemde schilderijen in publieke veiling te verkoopen, onder beding dat A. Preyer daarvoor als loon van de gerendeerden zou genieten 10 pet. van de opbrengst van den verkoop, hetgeen overeenkomstig het gebruik is, volgens hetwelk tevens A. Preyer het del credere op zich nam", betwistende de gerendeerden het recht van den redant om dat honorarium in rekening te brengen, ook omdat partijen waren overeengekomen, dat rendant voor salaris en verschotten slechts zoude genieten 10 pet., te heffen van de koopers boven den koopprijs;

O. dat de gerendeerde, bij: hunne memorie van debat op dien grond stellende, dat, het bedrag der geheele uitgaaf niet f ió92 moet worden verminderd, en. dus op f 66.528 behoort te worden, gesteld, aan het slot hunner memorie hebben geconcludeerd : „dat de rendant zal worden veroordeeld om tegen behoorlyk bewijs van kwijting aan hen als saldo van rekening te betalen f 7392, met de renten ad 6 % sedert den dag der dagvaarding ;

O. dat de rendant bij memorie van contra-debat zich op de bestaande usance en de getroffen overeenkomst, wat betreft het hem toekomende loon, is blijven beroepen, verder de conclusie van gerendeerde als niet op de wet gegrond of voor toewijzing vatbaar heeft bestreden, omdat de conclusie tot vaststelling der rekening in ontvangsten en uitgaven daaraan ontbreekt, en ten slotte heeft geconcludeerd: dat de rekening en verantwoording van ged., rendant, zal worden vastgesteld en bepaald in ontvangsten op f 73920 en in uitgaven op f 73.920 en het saldo van rekening alzoo zal worden vastgesteld en bepaald op nihil, en voorts de eischers, gerendeerden, zullen worden verklaard niet-ontvankelijk in hunne vordering' en deze hun in elk geval zal worden ontzegd;

O. dat bij vonnis der Arrond.-Rechtbank te Amsterdam dd. 25 Febr. 1898 waarnaar, wat het overige der feiten betreft, met overneming voor zooveel noodig, wordt verwezen, op grond dat door den rendant het bewijs niet is geleverd van zijn beweerd recht om den gerendeerden 10 % van de verkoopsom in rekening te brengen, zoodat de post van f 7392 als ongejustificeerd, niet onder de uitgaven op de rekening mag gebracht worden, de geheele ontvangsten der rekening werden bepaald op f 73.920 en de geheele uitgaven op f 66.528, het saldo ten laste van den rendant werd vastgesteld op f 7392 en de rendant tot betaling van dat saldo werd veroordeeld;

O. dat de rendant tijdig van die uitspraak is gekomen inhooger beroep, en partijen hebben geconcludeerd bij hare memoriën, op de daarbij uiteengezette gronden, de app., overeenkomstig de dagvaarding in appel tot vernietiging van gezegd vonnis en toewij zing zijner in eersten aanleg genomen conclusie, in elk geval de geint. te verklaren niet-ontvankelijk in hunne vordering en genomen conclusie, althans hun die te ontzeggen, geheel subsidiair, hem app. toe te laten tot het bewijs, ook door getuigen, van de door hem gestelde daadzaken, speciaal ook van de door hem gestelde usance, de geint., dat het Hof den app. niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn bewijsaanbod, immers hem dat zal ontzeggen, en verder tot bevestiging van het vonnis, over en weder met eisch van kosten ten laste der tegenpartij ;

In rechte:

O. dat door den app. tegen het beroepen vonnis een aantal grieven zijn aangevoerd, waarvan de beide eerste, van geheel formeelen aard ,hierop neerkomen, dat de Rechtbank ten onrechte heeft aangenomen:

1°. dat de gerendeerden in. eene rekening-procedure, de afgelegde rekening debatteereaide, niet behoeven te concludeeren tot vaststelling der rekening in ontvangsten en uitgaven, en zonder zoo danige conclusie ontvankelijk zijn in hunne conclusie tot uitbetaling van een saldo;

2°. dat het den rechter vrijstaat om, bij gebreke van eene conclusie van de gerendeerden tot vaststelling der rekening in ontvangsten en uitgaven, de rekening anders vast te stellen dan conform de conclusie van den rendant;

O. dat deze grieven zijn onjuist en de Rechtbank terecht het verweer, in die grieven nader ontwikkeld, ongegrond heeft geacht, omdat de wet nergens voorschrijft, dat de schriftuur van debat eenige conclusie moet bevatten, en het den rechter niet zoude vrijstaan om, indien de tegen de rekening ingebrachte bezwaren gegrond zijn, het bedrag van de geheele ontvang en uitgaaf, overeenkomstig de ingebrachte bedenkingen, ook zonder daartoe strekkende conclusie op te maken;

Sluiten