Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ƒ Vrijdag, 11 Mei 1900. N°. 7425.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

TWEE EN - ZESTIGSTE JAARGANG. JUS ET VERITAS

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang /' 20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der advertentiën, 20 cent* per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers, Gebr. Belinfante, te 's-Gravenhage (Ie Wagenstraat 100).

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124). '

WETGEVING.

Hooger onderwijs.

Aan de M em or i e tm Autwoord op het Voorloopig Verslag der Tweede Kamer over het in W. 7338 medegedeelde wetsontwerp ontleenen wij het volgende, waaruit tevens blijkt, welke bedenkingen in de afdeelingen der Kamer zijn gerezen telgen dit wetsontwerp, voorzoover het strekt om het bezoeken van onze universiteiten door Zuid-Afrikaansche jongelieden zooveel mogelijk te bevorderen.

§ 2. Dat de indiening van dit wetsontwerp, voorzoover het strekt om het bezoeken van onze universiteiten door Zuid-Afrikaansche jongelieden zooveel mogelijk te bevorderen, vrij algemeen met groote ingenomenheid is begroet, was den ondergeteekende zeer aangenaam.

Geenszins verwacht hij, dat na de totstandkoming dezer wet alle Zuid-Afrikaansche jongelieden, die in Europa eene universitaire opleiding komen zoeken, zich naar Nederland zullen begeven. Wel echter mag men, gelet op den politieken toestand in ZuidAfrika, aannemen, dat de lust bij de bewoners van Transvaal en Oranje-Vrijstaat, om hunne zonen naar eene Britsche universiteit te zenden, er in den laatsten tijd niet grooter op zal zijn geworden. Dat velen uit de kaapkolonie, vooral uit de grootere meer Engelsch gezinde centra van bevolking aan de Engelsche universiteiten de voorkeur zullen blijven geven, zal de ondergeteekende niet ontkennen. Men nxag echter niet vergeten, dat door de instelling van een doctoraat in het hedendaagsch Romeinsch-Hollandsch recht de rechtsgeleerde studiën hier te lande voor Zuid-Afrikaners van groot practisch belang zullen worden.

Gevaar, dat het peil van ons universitair onderwijs door de aanwezigheid van vreemde, overeenkomstig de thans voorgedragen bepaling toegelaten studenten zou dalen, zou er kunnen bestaan, indien werd voorgesteld alle getuigschriften van bekwaamheid tot universitaire studiën, afgegeven door buitenlandsche instellingen van onderwijs of onderzoek gelijk te stellen met het getuigschrift, vermeld in art. 11 der wet tot regeling van het hooger onderwijs. Nu echter de eischen, voor het verkrijgen van het buitenlandsch getuigschrift gesteld, voldoenden waarborg zullen moeten opleveren, dat de bezitter bekwaam is om tot de studie aan eene Nederlandsclie universiteit over te gaan; nu biji Koninklijk besluit de buitenlandsche instellingen zullen worden aangewezen, alsmede de getuigschriften omschreven, en er voor eene goede uitvoering der wet waarborgen zijn gelegen in het verplicht hooren van den Raad van State en het inwinnen van advies van ieder der senaten der Rijks-universiteiten, is de vrees voor daling van het peil van het onderwijs, naar ondergeteekende meent, ongegrond. Mocht later ondanks al deze waarborgen toch blijken, dat niet behoorlijk onderlegde studenten tot de universitaire examens worden toegelaten, dan wijst art. 85bis, laatste lid, der wet tot regeling van het hooger onderwijs den weg aan, langs welken dergelijke studenten in liet vervolg zouden kunnen worden geweerd.

Terecht wordt er in het Voorloopig Verslag op gewezen, dat, wat de universitaire examens betreft, de eisclien voor studenten met een buitenlandsch diploma volkomen dezelfde zullen zijn als voor ingezetenen.

Met nadruk moet de ondergeteekende er tegen opkomen, dat door dit wetsontwerp studenten met een buitenlandsch getuigschrift de aan onze universiteiten verkrijgbare doctoraten zullen kunnen verwerven door het afleggen van verlichte examens.

Dat krachtens dit wetsontwerp vreemdelingen, na liet artsdiploma te hebben verworven, zich hier te lande als geneeskundigen zullen kunnen vestigen, zonder in het bezit te zijn van een dea getuigschriften, vermeld in artt. 11 en 12 der wet tot regelingvan het hooger onderwijs, kan bezwaarlijk als een grief tegen du wetsontwerp gelden. Vooreerst is het bezit van een dier getuigschriften ook hier te lande krachtens art, 3 der wet van 25 Dec. 1878 (Stbl. n°. 222) zooals dat luidt krachtens de wet van 12 Dec. 1892 (Stbl. n°. 261) geen vereischte, om bevoegd te zijn tot liet afleggen van het practisch artsexamen, maar verder kunnen krachtens dat artikel zij, die in een ander Rijk of in eene der Nederlandsclie koloniën of overzeesche bezittingen na afgelegd examen het recht tot uitoefening der geneeskunst in haren geheelen omvang verkregen hebben, geheel of gedeeltelijk vrijstelling genieten van de Staatsexamens, die aan liet artsexamen voorafgaan. Reeds thans worden dus vreemdelingen tot het artsexamen toegelaten, zonder hier te lande zelfs de propaedeutische geneeskundige examens te hebben afgelegd.

Geheel kan de ondergeteekende zich vereenigen met de opmerkingen, in het Voorloopig Verslag gemaakt, ter weerlegging van het financieel bezwaar van sommige leden. Hij meent, dat de met betrekking tot het doel der wetsvoordracht zeer geringe kosten, die liet gevolg zullen zijn van de instelling van het nieuwe doctoraat, alleszins gewettigd zijn.

Artt. 2 en 4 (oud 2 en 3).

Aan het nieuw in te stellen doctoraat den naam te geven van doctoraat in „het Zuid-Afrikaansch recht", omdat het nieuwe vak van onderwijs ook dien naam zal dragen zou minder juist zijn. In de uitdrukking ,, Zuid-Afrikaansch recht" treedt eender elemen/T? m an 'let n'euwe doctoraat te veel op den voorgrond. Het. Zuid"j^aansch recht toch zal slechts een deel uitmaken van de ecntsstudie noodig om het doctoraat deelachtig te worden. De reoïrf ^iet' ™ te stellen doctoraat zal zijn het oud-Hollandsch t) ' r reeds thans wordt onderwezen.

-oescnouwd in het licht der Memorie van Toelichting zal de naam van „hedendaagsch Romeinsch-Hollandsch recht" wel geene

moeilijkheid opleveren. Mocht de instelling van liet doctoraat lateiblijken voor de kennis van ons thans vigeerend recht van belang te zijn. dan zou het geenszins als een nadeel zijn te beschouwen, dat de uitdrukking in art. 83 zoo r.nm is, dat de mogelijkheid niet is uit gesloten, hier te lande ook kennis te nemen van de ontwikkeling van het Roomsch-Hollandseh recht in andere deelen der wereld.

Art. 2.

Bij de examens, diei zullen worden vereischt ter verkrijging van het doctoraat zal ook eenige kennis van het Engelsch recht worden geëischt. Terecht werd in het Voorloopig Verslag onderwijs hierin geacht van zelf in den term „Zuid-Afrikaansch recht" te zijn begrepen.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 30 Maart 1900.

Voorzitter, Mr. F. B. Coninck Liefstin-o. Raadsheeren, Mrs. : P. R. Feith, Jhr. B. C. de Jonge, Pb. van Blom, S. M. S. de Ranitz, E. W. Guljé en A. M. van Stipriaan Ldïscids.

Onder de in art. 753 B. R, verboden oppositie is begrepen elk verzet tegen de daarbij omschreven afgifte, onverschillig, of dit geschiedt bij eigenlijk gezegde oppositie dan wel bij ivege van interventie, terwijl ook geen onderscheid bestaat tusschen de gelden, die onder den derden gearresteerde zijn gearresteerd en de opbrengst der onder hem gearresteerde goederen, en voorts de algemeenheid van het artikel niet toelaat dit te beperken tot de medeschuldeischers van hem, ten wiens laste het beslag is gelegd.

(Zie het arrest a quo in W. no. 7332).

C. H. W. Kreeftmeyer, eischer, advocaat Mr. H. J. M. de Vries,

tegen

P. W. van de Groetnekan h/v. Kreeftmeyer, verweerderes, advocaat Mr. J. WoLTERBEEK MULLER,

en tegen

de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen, medeverweerderes, advocaat Jhr. Mr. E. X. de Bratjw.

De ad>v.-gen. Gregory heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtbare Hetren, President en Baden I

Ten deze is voorgesteld één middel van cassatie, luidende: „Schending en verkeerde toepassing van de artt. 285 en 753 B. R., in verband met de artt. 457 en 458 van dat Wetboek, doordien het Gerechtshof ten onrechte heeft beslist, dat den gearresteerde niet kan worden toegestaan om te intervenieeren in de tusschen den arrestant en den derden gearresteerde gevoerde verklaringsprocedure, ten einde zich te kunnen verzetten tegen de afgifte aan den arrestant van een gedeelte der onder den derden gearresteerde: berustende, aan den gearresteerde verschuldigde, gelden, en zulks op grond dat de toepasselijkheid van liet in art. 285 voornoemd vervatte algemeene voorschrift in liet genoemde geval zou zijn uitgesloten door voormeld art. 753".

De eerste verweerderesse had de tweede verweerderesse voor de Rechtbank te Utrecht gedagvaard tot het doen van verklaring van hetgeen laatstgenoemde, als derde gearresteerde, van den eischer in cassatie onder zich had of aan dezen verschuldigd was, en om aan haar, eerste verweerderesse, af te geven of ter executie over te geven wat diensvolgens blijken zou aan den eischer toe te komen, ten einde daarop hare vordering tegen den eischer te verhalen. Daarop verzocht de eischer aan genoemde Rechtbank om te mogen tusschenkomen in dit tusschen de beide verweerderessen hangende rechtsgeding, op grond dat hij, bij toewijzing' van den eisch der eerste verweerderesse, daardoor aanzienlijk nadeel zou lijden. Dat verzoek werd door de Rechtbank toegewezen, doch in hooger beroep werd haar vonnis vernietigd en den eischer in cassatie zijne vordering tot tusschenkomst ontzegd.

Bij de behandeling der zaak in appel werden tegen de beslissing der Utrechtsche Rechtbank drie grieven aangevoerd, waarvan^ ei slechts ééne door het Gerechtshof te Amsterdam in het bestrenen arrest werd behandeld.

Alleen met deze grief, waarbij zich dan ook uitsluitend het middel van cassatie bepaalt, hebben wij hier te maken. En de eenige rechtsvraag, die de Hooge Raad thans te beslissen heeft, is deze: bevat art. 753 B. R. een algemeen verbod van oppositie, of is dat verbod slechts tot de schuldeischers beperkt? Het laatste wordt door den eischer in cassatie tegenover het Hof volgehouden. Ik voor mij aarzel geen oogenblik mij met het gevoelen van het Hof te vereenigen. Art. 285 B. R. zegt. „Een ieder, welke een belang heeft in een rechtsgeding, hangende tusschen andere partijen, kan aan den rechter verzoeken daarin ./ii■ 11 ip moo-en voecren of te mogen tusschenkomen . Op dieniegel

wordt eene uitzondering gemaakt door art. 753 ibidem, aldus lui¬

dende : „Oppositie tegen de afgifte van de opbrengst van dei in beslag genomen goederen wordt niet toegeaten".

Het artikel luidt zoo algemeenmogelijk. Eene onderscheiding, welke ook, wordt er niet in gevonden. Nu kan het zijn dat de wetgever meeir bepaald aan schuldeischers heef i gedacht en dat hem de bepalingen van artt. 457 en 458 voor den geest hebben gezweefd. Men zou dit ook kunnen opmaken uit het onmiddellijk volgende art. 754. Maar daaruit, dat de wetgevermeer bepaald en misschien allereerst aan de schuldeischers heeft gedacht, volgt nog niet dat hij alleen aan hen de oppositie heeft willen verbieden. Want daarvoor dat de wetgever meer bijzonder aan de schuldeischers heeft gedacht, bestaat eene zeer natuurlijke reden, deze namelijk dat, in den regel, de schuldeischers de eenigen zijn, die bij de bedoelde oppositie belang hebben.

De reden waarom in deze geen oppositie tegen de afgifte van de opbrengst der in beslag genomen goederen wordt toegelaten, vindt men in de Memorie van Toelichting, medegedeeld bij van der Honert § 750 bl. 702: „dewijl het geheele arrest onder derden eene oppositie is, een verzet tegen afgifte van gelden en goederen, die een derde voor den schuldenaar onder zich heeft" En die reden slaat, zooals van zelf spreekt, niet alleen op de schuldeischers, maar op ieder, wiens belang zou medebrengen in verzet te komen. En dat uit art. 754 geen argument kan worden geput om het verbod van oppositie tot de schuldeischers te beperken, blijkt uit de daaropvolgende zinsnede in genoemde Memorie, waar de beteekenis van dat artikel in het kort aldus wordt teruggegeven:

„Indien andere schuldeischers hunne rechten daarop willen doen gelden, moeten zij, evenals de eersten, arrest onder den derde doen". Bij dit artikel wordt dus aan de daarbij bedoelde schuldeischers slechts de weg aangewezen, dien zij hebben in te slaan om tot hun recht te komen, van een beperking van het verbod van oppositie tot de schuldeischers is er geen sprake, hoegenaamd. Van de artt. 457 en 458 zedde ik straks dat het niet onmogelijk was dat de wetgever daaraan had gedacht. Ze kunnen echter liiei in geen geval van toepassing worden geacht, omdat ze, gelijk terecht van wege de eerste verweerderesse is opgemerkt, eene andere rechtsstof regelen.

Dat ook de Hooge Raad het verbod van art 753 als een geheel algemeen, voor ieder geldend, verbod beschouwt, volgt duidelijk uit het arrest van 3 Juni 1870 (NRspr. 95 bl. 107). (1) De Hooge Raad overweegt daarbij: toch aldus : „dat gezegd artikel [nl. art 753] is algemeen en niet toelaat het beweerde onderscheid ; dat, wel is waar het volgend art. 754 veronderstelt schuldeischers van denzelfden schuldenaar, als het meest gewoon geval; maar dat alleen daarom niet mag worden aangenomen eene daarmede overeenstemmende bejierking van het verbod van art. 753, met terzijdestelling van andere, bij dat artikel niet uitgesloten, gevallen".

Bij genoemd arrest was de casus positie eene andere dan in het tegenwoordige geding, maar dit doet niets ter zake, omdat de Hooge Raad in beginsel beslist dat het verbod van art. 753 betreft alle bij dat artikel niet u it ges 1 o ten gevallen.

Het middel komt mij derhalve ongegrond voor, zoodat ik de eer heb te concludeeren tot verwerping der voorziening, met veroordeeling van den eischer in de kosten.

De Hooge Raad enz. ;

Partijen gehoord;

Gezien de stukken;

Overwegende dat tegen het arrest door het Gerechtshof te Amsterdam den 12 Juni 1899 tusschen partijen gewezen, als middel van cassatie is aangevoerd :

Schending en verkeerde toepassing van de artt. 285 en 753 B. R., in verband met de artt. 457 en 458 van dat Wetboek, doordien het Gerechtshof ten onrechte heeft beslist, dat den gearresteerde niet kan worden toegestaan om te intervenieeren in de tusschen den arrestant en den derden gearresteerde gevoerde verklaringsprocedure, ten einde zicli te kunnen verzetten tegen de afgifte aan den arrestant van een gedeelte der onder den derden gearresteerde berustende, aan den gearresteerde verschuldigde, °elden, en zulks op grond dat de toepasselijkheid van het in art. 285 voornoemd vervatte algemeene voorschrift in het genoemde geval zou zijn uitgesloten door voormeld art. 753 ;

O. dat de verweerderesse, uit kracht van een vonnis, waarbij de eischer in cassatie is veroordeeld aan haar, zijne echtgenoote, ter voorziening in haar onderhoud, f 8 per week te betalen, onder lianden en beheer van de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen te Utrecht, bij welke Maatschappij die eischer ambtenaar is, executoriaal arrest heeft gelegd op al zoodanige gelden of goederen, als die Maatschappij! verschuldigd mocht zijn of worden, aan, of onder hare berusting mocht liebben of krijgen van genoemden haren echtgenoot, en zulks ter voldoening eener som van f 304 voor 38 weken onderhoud; dat voorts de eischer in cassatie tegen dat executoriaal beslag is gekomen in verzet, met dagvaarding der verweerderesse voor de Rechtbank te Utrecht, die alsnu dit beslag gedeeltelijk heeft opgeheven voorzoover het namelijk gelegd is op gelden of goederen, die de Exploitatie-Maatschappij mocht verschuldigd worden aan, of onder hare berusting k r ij g e n van den eischer in cassatie, met veroordeeling van de verweerderesse tot schadevergoeding-, voorzoover het beslag is opo-eheven, terwijl bij dat vonnis de opposant, nu eischer in cassatie, overigens is verklaard kwaad opposant, maar dat, op het appel van beide partijen, dit vonnis bij arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van den 31 Dec. 1897 is vernietigd, voorzoover daarbij voormeld executoriaal arrest is nietig en opgeheven verklaard, met veroordeeling tot schadevergoeding en voorzoover de opposant

(1) W. 3228. Red.

Sluiten