Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Woensdag, 13 Juni 1900.

N°. 7459.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

TWEE EN- ZESTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VERITAS.

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der

advertentiën, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers, Gebr. Belinfante, te 's-Gravenhage (%' Wagenstraat 100). Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN".

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 23 April 1900.

Voorzitter, Mr. J. J. van Meerbeke.

Raadsheeren, Mrs. : A. A. de Pinto, A. J. Clant van der

Mijll, A. P. Th. Eyssell, B. H. M. Hanlo, A. Telders en Jhr.

8. Laman Trip.

Bij het bestreden arrest is terecht beslist, dat de dagvaarding wat de tijdsaanwijzing betreft aan het vereischte van art. 143 Strafvord. voldoet door de vermelding, dat het ten laste gelegde feit zoude hebben plaats gehad in den avond van 1 Dec. 1898.

Kt feit valt onder het bereik van art. 48 der algemeene politieverordening van Amsterdam inzoover dit artikel verbiedt op den openbaren weg vertooningen te geven zonder schriftelijke vergunning van den burgemeester.

Eene grief tegen een in hooger beroep vernietigd vonnis kan in cassatie geen onderwerp van nader onderzoek uitmaken.

1°. G. J. H. v. O., oud 52 jaar, teekenaar, geboren te Amsterdam, 2°. 6. P., oud 40 jaar, timmerman, geboren te Dordrecht, 3°. C. E., oud 29 jaar, bakker, geboren te Amsterdam, allen wonende te Amsterdam, zijn requiranten van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van den 16 Jan. 1900, waarbij het Hof, ingevolge ven-wijzing van den Hoogen Raad van 2 Oct. 1899 rechtdoende op het hooger beroep van een vonnis van den kantonrechter te Amsterdam (tweede kanton) van 2 Febr. te voren, met vernietiging van dit vonnis, de requiranten heeft schuldig verklaard aan: „het te Amsterdam zonder schriftelijke \ ©rguixiiiug van den Burgemeester van Auisterdn.ni' geven van eene vertooning aan den openbaren weg" en hen te dier zake, met toepassing van de artt. 48 en 113 der Algemeene Politieverordening van die gemeente en art. 23 Strafrecht, heeft veroordeeld ieder tot een© geldboete van f 1, met vervangende hechtenis van 2 dagen.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Clant van der Mijll, heeft de adv.-gen. Noyon de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtbare Heeren!

Deze zaak komt thans ten tweeden male bij den Hoogen Raad

in behandAlinrv rvo^n + Ar. 4 ,4-,^ U™ „1*+ ,.üv

_ , "«iuau l Uil cl/liL-Oii, Jvi L'üi-Lo auoau vtiu v -

wijzing voor het Gerechtshof te Amsterdam terechtgesteld wegens het hun te last gelegde voorzoover zij daarvan niet reeds vroeger waren vrijgesproken, deswege veroordeeld zijn.

. memorie worden door de requiranten. eenige door hen

middelen van cassatie genoemde grieven voorgedragen, ten deele reeds bij hun vroeger beroep te berde gebracht

I De oorspronkelijke dagvaarding zou nietig zlJn> onldat zij met vermeldt omstreeks welken tijd het te last gelegde feit zou zijn gepleegd. Blijkens hunne vorige memorie, waarnaar requiranten verwijzen, berust de grief op het niet vermelden van het uur De hierop betrekking hebbende bepaling van art. 143 Strafvord is eenvoudig eene meer uitgebreide omschrijving van de voor 1886 aan de dagvaarding gestelde eischen; en toen alleen opgave van het, feit geëischt was, werd algemeen aangenomen dat tot juist begrip van het feit ook behoorde de vermelding van den tijd. Aleer dan de vaststelling van het te last gelegde feit werd dan ook met de nieuwe bepaling niet beoogd; het uur waarop het .gepleegd is vormt van de omschrijving van het feit alleen dan een bestanddeel wanneer de strafbaarheid er van afhangt.

II. Het feit zou niet vallen onder het bereik der toegepaste artt. 48 en 113 der Amsterdamsche Politieverordening. Ook hieromtrent wordt verwezen naar de vroegere memorie, waarin wordt betoogd, dat eene verlichting van binnen, al is haar effect van buiten waarneembaar, niet eene vertooning mag heeten als in de verordening bedoeld wordt. Feitelijk staat vast dat de requiranten met een vaartuig hebben gevaren waarop een van binnen verlicht toestel was aangebracht dat door middel der verlichting opschriften te zien gaf. De onderscheiding, hier gemaakt tusschen hetgeen aan den buitenkant en hetgeen door oorzaken van binnen iets te zien geeft, is geheel buiten de termen der verordening, die enkel Preekt van vertooningen geven op of aan den openbaren weg. rino d kantonrechter heeft geen acht geslagen op de bewering,, tfklaa8'den dat door eeme der getuigen valsche verida, kan ° r arabtseed ™ geschrift waren gebracht, Hierdoor geene wetsbepaling geschonden zijn. Daarenboven is het vonnis van den kantonrechter vernietigd, zoodat zijne eventueele ïsvattingen niet meer in aanmerking komen.

v' •tlet bewijsvan het te laste gelegde zou ontbreken, omdat m z°°Senaa™de bekentenis der requiranten dat zij zonder vern,leLeen "innenst'heeps verlicht vaartuig door de stadsde lÜTn "e?be® gevaren door niets bevestigd wordt, terwijl in " „ntems door hemi die het vaartuig voortroeide het woord ■'„de;;".,■eelu' andere beteekenis heeft dan in die van den

thar,»' binnen het verlichte toestel bevond. Dit is eene

Het % °',r ^ eerst te berde gebrachte grief.

door hetel'St<Ldeel-is onJa'st' omdat de bekentenis bevestigd is het tw ^btseedig proces-verbaal van eenen politieambtenaar; ,e e (*oet "iet af omdat de rechter geen onderscheid heeft naar gelang van het voortbewegen van het vaartuig en

het medevaren, maar uit de handelingen der beklaagden ten aanzien van elk hunner het geven van eene vertooning bewezen heeft verklaard.

V. Ten slotte wordt, eveneens thans voor hei eerst, als grief aangevoerd dat in het proces-verbaal van bekeuring en in de rechterlijke uitspraak afgeknotte pyramide wordt genoemd wat in werkelijkheid een prisma was. Waar over den aard en de beteekenis van het voorwerp geen verschil is kan eene vergissing op het gebied der wiskunde (gesteld dat zij begaan is) geene wetscliennnis medebrengen. Het bestaan van eene afgeknotte pyra mide is trouwens bewezen verklaard, en ook daarop stuit de grief als cassatiemiddel af.

Ik concludeer tot verwerping van het beroep.

De Hoogen Raad enz. ;

Gelet op de middelen van cassatie, door de twee eerste requiranten voorgesteld bij memorie:

1°. dat de dagvaarding in strijd met art. 143 Strafvord. niet vermeldt omstreeks welken tijd het te last gelegde feit zou, zijn gepleegd;

2°. dat het feit niet valt onder het bereik der toegepaste artt. 48 en 113 der Amsterdamsche Politieverordening;

3°. dat de kantonrechter geen acht heeft geslagen op de bewering der beklaagden, dat door een der getuigen, agent-rechercheur valsche verklaringen onder ambtseed in geschrift waren gebracht;

4°. dat het Hof als bewijsmiddel heeft gebezigd de geheel op zich zelf staande verklaring van elk der beklaagden „dat zij zonder vergunning met een binnenscheeps verlicht vaartuig door de stadsgrachten hebben gevaren", zonder dat deze zoogenaamde bekentenis van schuld op de terechtzitting van het Hof door eenig ander bewijsmiddel of nadere omstandigheid is bevestigd geworden, zoodat niet recht is gedaan op wettig bewijs;

5°. dat de vorm van de in de dagvaarding bedoelde roef niet zooals de dagvaarding stelt, den vorm had van een pyramide;

Overwegende dat bij het bestreden arrest is bewezen verklaard, dat de requiranten, gelijk hun bij de introductieve dagvaardingonder meer was ten laste gelegd, te Amsterdam in den avond van 1 Dec. 1898 aan den openbaren weg in de Prinsengracht samen en in vereemging, zonder scmiiteiijke vergunning van den Burgemeester, eene vertooning hebben gegeven, door met een vaartuig door het water aldaar te varen, op welk vaartuig een afgeknotte pyramide stond, die van binnen verlicht was en waarvan het bovenvlak en de zijvlakken bestonden uit transparante stof, waarop verschillende opschriften waren aangebracht;

dat het Hof hierdoor overtreden heeft geacht art. 48 der Algemeene Politieverordening van Amsterdam,, luidende, na de wijziging daarin gebracht bij de verordening van 6 April 1898 en voórzoovar het hier in aanmerking komt:

„Het is verboden, op of aan den openbaren weg, zonder schriftelijke vergunning door den Burgemeester gegeven;

b. muziek te maken, vertooningen te geven of toespraken te houden";

O. ten aanzien van de middelen van cassatie:

ad I. dat, blijkens het bestreden arrest, gelijke bewering tar terechtzitting van het Hof is voorgedragen, doch door het Hof ongegrond is verklaard, „omdat aan het vereischte van art. 143 Strafvord., dat in de dagvaarding moet worden vermeld omstreeks welken tijd het feit begaan zou zijn, in deze dagvaarding is voldaan door de vermelding van „in den avond van 1 Dec. 1898";

dat in deze juiste beslissing ook het middel zijne wederlegging vindt;

ad II. dat het Hof, door de handeling, gelijk zij hier heeft plaats gehad, als het geven van eene vertooning te beschouwen en daardoor het verbod van art. 48 der Verordening overtreden te achten, dit artikel niet heeft, geschonden, evenmin als art. 113, hetwelk de strafbepaling op de overtreding inhoudt;

ad III. dat het vonnis van den kantonrechter, waar bij het hier bedoeld verzuim zou zijn begaan, is vernietigd bij het arrest, waartegen deze voorziening is gericht en dat een grief tegen een niet meer bestaand vonnis niet. vatbaar is voor een nader onderzoek ;

ad IV. dat in de voorlaatste overweging van 's Hofs arrist hetgeen aan de beklaagden bij de dagvaarding was ten laste gelegd, voorzoover dit aan het oordeel van liet, Hof was onder worpen, alsmede hunne schuld daaraan wettig en overtuigend bewezen is verklaard door hunne in het arrest opgenomen bekentenissen, bevestigd door de daarin mede opgenomen verklaringvan een getuige, hebbende, zooals het Hof daaraan toevoegt, hetgeen door ieder dea- beklaagden is bekend niet gestrekt als: „bewijsmiddel tegenover een der mede-beklaagden" ;

dat derhalve het vierde middel zijn feitelijken grondslag mist; ad V. dat de voor de rechtsbeslissing onverschillige vraag, betreffende den vorm van liet op het vaartuig geplaatste toestel als van feitelijken aard, niet in cassatie kan worden onderzocht; O. dat mitsdien geen der middelen tot cassatie kan leiden ; Verwerpt het beroep.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE ARNHEM.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den .28 Maart 1900.

Voorzitter, Mr. L. U. de Sitter.

Raadsheeren, Mrs.: E. H. Karsten, Ph. W'. Scholten, Jhr. G.

A. Nauws en J. R. H. van Schaik

Burenweg.

De vordering gegrond op het onrechtmatige eener handeling, verricht in strijd met art. 719 B. W. en strekkende tot wegneming van de gevolgen dier onrechtmatige daad, is niet een zakelijke vordering, noch een bezitsactie, maar een persoonlijke vordering.

Indien een openbare weg ter plaatse waar daarop een burenweg uitmondt door de bevoegde autoriteit wordt verlegd, zoodat die burenweg thans ophoudt op eenigen afstand van den verlegden openbaren weg, is de verkrijger van den grond, gelegen tusschen het uiteinde van den burenweg en den verlegden openbaren iveg, niet verplicht daarover den burenweg door te trekken of te verlengen, indien hem die last bij de verkrijging van dien grond niet is opgelegd.

H. A. P„ te West-Pannerden, appellant, procureur Mr. X. S.

T. A. van Meurs,

tegen

G. R., te Doornenburg, geintimeerde, procureur Mr. M. van

GeLÜI.N V llfil-WA.

Het Hof enz. ;

Gehoord partijen in hare conclusiën en pleidooien;

Gezien de stukken, voor zooveel vcreischt geregistreerd;

Ten aanzien der daadzaken en procedure:

Overwegende dat het Hof zich vereenigt met en alzoo overneemt hetgeen daaromtrent is overwogen in het vonnis waarvan beroep, door de Rechtbank te Arnhem den 13 April 1899 gewezen tus' schen app. als ged. in conventie, eischer in reconventie, en o-eint. als eischer in conventie, verweerder in reconventie, van welk vonnis het dictum luidt: enz. ;

O. dat app. zich met dit vonnis voorzooverre de beslissing in conventie betreft bezwaard achtende, daarvan tijdig met dagvaar ding van geint. voor dit Hof is gekomen in hooger beroep, vervolgans bij ter rolle genomen conclusie zijne grieven tegen het vonnis heeft aangevoerd en ontwikkeld en ten slotte heeft geconcludeerd tot vernietiging van liet vonnis a quo, voorzooverre de beslissing op de vordering in conventie betreft, en toewijzing alsnog aan app. van zijne in prima in conventie genomen conclu siën, met veroordeeling van geint. in de kosten in eerste instantie op de vordering in conventie gevallen, alsmede in alle kosten van het hooger beroep;

O. dat geint. biji conclusie van antwoord, na akte gevraagd te hebben dat hij de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het appel opwerpt, met bestrijding van appellants grieven tegen het vonnis a quo, de daarbij in conventie gegeven beslissing heeft verdedigd, en geconcludeerd tot bevestiging daarvan, cum expensis;

Wat het recht betreft:

O. dat bij introductieve dagvaarding geint., stellende dat de bij dagvaarding omschreven weg zou zijn een buurweg gemeen aan hem, aan app. en aan eenige andere bij dagvaarding genoemde geburen, welke al de geburen dient als uitweg naar de publieke dorpstraat of Pannerdenschen weg, zoomede dat app. dien weg zou hebben versperd ter plaatse waar de buurweg op den open baren weg uitmondt, en dat hij geint. door die onrechtmatige handeling van app. schade heeft geleden en nog lijdt, heeft gevraagd dat het der Rechtbank behage:

1°. te verklaren dat het ged. niet vrijstond bedoelden uitweg te versperren;

2°. ged. te veroordeelen om binnen drie dagen nadat het in deze te wijzen vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan gemelde versperring op te ruimen, met machtiging op den eischer om, bij faute van dien, zulks op gedaagde® kosten te doen bewerkstelligen door een deurwaarder houder dei' grosse, bijgestaan door de noodige werklieden en desnoods door den sterken arm ;

3°. ged. te \eroordeelen om aan eischer te vergoeden alle kosten, schaden en interessen door eischer te dezer zake geleden en nog te lijden, op temaken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

4°. ged. te veroordeelen in. de proceskosten ;

O. dat de Rechtbank op deze vordering heeft beslist, zooals hierboven is vermeld, door welke beslissing app. zich bezwaard acht en waartegen zijn appel is gericht;

O. dat de ontvankelijkheid van dit appel door geint. is bestreden met de bewering dat in dezen door hem is ingesteld eene actie ter zake van stoornis in het bezit van een door hem met anderen mede uitgeoefend recht, lioedanigo rechtsvordering wegens bezitrecht door de Rechtbank in het hoogste ressort, wordt beslist;

O. hieromtrent, dat bij de dagvaarding wordt geklaagd over het, door app. plaatsen van een versperring, waardoor de uitweg van een buurweg tot den openbaren weg zou zijn vernietigd, welke plaatsing wegens het beweerd strijdig zijn daarvan met de voorschriften van art. 719 B. W. eene onrechtmatige handeling

Sluiten