Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 7445.

O. dienaangaande, dat ten processe vaststaat, dat de app., nadat de geint. kennis droeg van het door haar gepleegde overspel, de echtelijke woning heeft verlaten en daarin niet meer is teruggekeerd; dat zij toen haar intrek heeft genomen bij hare moeder te Uecle in België, waar de geint. haar heeft bezocht en met haar echtelijke bijslaap gehad en waar zij' daarna ook heeft ontvangen de 12 door haar in 't geding gebrachte brieven van den geint., wier inhoud tusschen partijen is onbetwist, terwijl eveneens is buiten contest, dat de app. de door den geint. geproduceerde schriftelijke verklaring op den 27 Jan. 18a8 aan hem heeft afgegeven;

0. dat de geint. nu wel heeft toegegeven, dat uit zijne voor. melde brieven terecht is afgeleid, dat hij aan de app. vergiffenis had geschonken en het plan koesterde om zich met haar te verzoenen, maar heeft volgehouden, dat ten onrechte daarin het bewijs was gezocht, dat zoodanige verzoening werkelijk ook, was tot stand gekomen;

O. dat echter naar 's Hofs oordeel, in de voormelde correspondentie van den geint. in haar geheel genomen, niet slechts zijn voornemen te lezen is om zich te verzoenen, maar daarin ook de bewijzen aanwezig zijn, dat hij zich werkelijk met de app. heelt, verzoend;

dat immers uit die brieven, allen geschreven te Geertruidenberg in het tijdsverloop tusschen den len, Aug. 1897 en den 2en Jan. 1898, blijkt, dat de geint. al in Aug. 1897 aan de app. vergiffenis had geschonken voor den in April te voren beganen misstap ;

dat hun inhoud verder getuigt van groote vertrouwelijkheid en innige toegenegenheid zijnerzijds voor de app. en van zijn groot en voortdurend verlangen om haar weer te zien, wat hij echter telkens tot zijn spijt moet uitstellen wegens overwegende bezwaren; dat hij ook in 4 zijner brieven bespreekt en regelt eene samenkomst, die hij aan de app. voorstelt te Antwerpen te houden, teneinde dan d4ar den dag samen door te brengen; dat uit een later schrijven blijkt, dat die samenkomst in Oct. 1897 heeft plaats gehad en beiden met voldoening daarop terugzien, zoodat daardoor tevens wordt weerlegd geintimeerdes beweren, dat hij vroeger door de app. naar Uccle zou zijn gelokt, en daar, tegen zijn voornemen, maar zwichtende voor den door haar opgewekten hartstocht, met haar echtelijke gemeenschap zou hebben gehad en, dit laatste feit dus ook zijne waarde behoudt;

dat uit die brieven nog blijkt, dat de geint. al besloten had om de echtelijke samenleving te hervatten, zoodra de omstandigheden dit zouden toelaten en met het oog daarop reeds op 5 Aug. 1897 aan de app. schreef: „Mogen wij al niet meer rekenen later veel met families in contact tö zullen komen, zoo begin ik toch langzamerhand mede te vertrouwen en te hopen, dat we ons geluk en onze tevredenheid eenmaal (neen weder mag ik niet zeggen, want eerst deze harde les heeft ons doen inzien waar we ons geluk moesten zoeken d. w. z. thuis bij en in elkander) zullen vinden daar waar dit alleen te vinden is";

dat in zijn brief aan de app. van 21 Aug. 1897, de geint. ook schrijft: dat zij niet moet denken, dat hij het wederom samen wonen met haar voor zijn genoegen uitstelt, want dat hij het alleen nog niet doet, omdat het onmogelijk anders kan wegens financieele en andere beletselen, die hij niet bij machte is om aanstonds uit den weg te ruimen; — in een brief van 12 Sept. 1897 „Iedereen merkt, dat er geen scheiding volgt, spreekt men in mijn bijzijn over vrouwen en informeert men naar jouw, dan zeg ik, dat je voor herstel van gezondheid in 't buitenland ben en de rest merkt men van zelve", — en in zijn brief van 26 Sept. 1897 na daarin eerst zijne plannen te hebben medegedeeld, hoe hij denkt hunne huishouding in te richten, wanneer de app. weer met hem, zal samenwonen. ,,Ik twijfel niet meer of wij zullen wel zoo samen leven, dat alles wat er gebeurd is, eigenlijk nog ten goede zal komen aan onze onderlinge gezelligheid en tevreden-

lieid''; , ,

dat in deze gemoedsstemming van den gemt. jegens de app., ae bovenbesproken bijeenkomst te Antwerpen plaats vindt, waarna de geint. in zijne opvolgende brieven nog herhaaldelijk schrijft over zijn voornemen om haar te Uccle te komen bezoeken, welk bezoek hij echter telkens om financieele bezwaren moet uitstellen en waarvan hij eindelijk om dezelfde reden geheel moet afzien;

0 dat naar 's Hofs oordeel uit al het bovenstaande volgt, dat, vóór den aanvang van het jaar 1898, de door het overspel verstoorde echtelijke verhoudingen tusschen den. gemt. en de ged. wederom waren hersteld en bij den geint. het besluit vaststond om de echtelijke samenleving te hei-vatten zoodra de beletselen, die daarvoor toen nog bestonden, zouden zijn uit den weg ge^ ruimd en dat er dus tusschen hem en de app. verzoening liad

pl0*!dafdoor den geint. hiertegen nog is aangevoerd, dat geene verzoening in den zin der wet aanwezig is, zoolang de echtelijke samenleving niet is hersteld, doch ten onrechte, vermits de wet dit niet uitdrukkelijk als een vereischte voor verzoening verlangt en het tegendeel volgt uit den inhoud van art. 819, in verband met de artt. 820 en 821 B. R., waarin immers de mogelijkheid wordt voorzien, dat eene verzoening tusschen de echtgenooten tot stand komt bij hunne comparitie voorden president der Rechtbank, ofschoon toch uit de omstandigheden volgt dat de hervatting der echtelijke samenleving op dat oogenblik nog geen

voldongen feit kan zijn ; .

O dat de app. dus terecht heeft aangevoerd, dat de gemt, zich met haar heeft verzoend in het jaar 1897, terwijl eveneens terecht door haar is beweerd, dat deze eenmaal tot stand gekomen verzoening niet kon vervallen of krachteloos worden door de later door haar onderteekende verklaring van den 27 Jan. 1898, waa op de geint. zich heeft beroepen, wier inhoud ook me* bewijst dat de partijen te voren geen verzoening hebben gewild of dat die toen niet tusschen hen is tot stand gekomen;

O. dat door de verzoening van partijen geintimeerdes recht om echtscheiding te vorderen is vervallen en hij bijgevolg behoort te worden verklaard niet-ontvankelijk in zijne daartoe strekkende vordering;

Rechtdoende:

Vernietigt het vonnis, waarvan appel;

En opnieuw rechtdoende: .

"Verklaart den geint. niet-ontvankelijk m zijne vordering , Verwijst hem in de kosten van beide instantiën, begroot aan zijde van app. tot aan dit arrest in le instantie op f 130 en m hooger beroep op f 150.58jr.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM.

Tweede Kamer.

Zitting van den 16 December 1899.

Voorzitter, Mr. Bh. A. J. Bouvin.

Rechters, Mrs.: J. H. van Meurs en J. F. van der Lek de Clercq.

Wanneer de cognossementen over partijen graan de gewone clausule bevatten dat eventueel te kort of schade gelijkelijk moeten worden verdeeld, dan moet, wanneer de eene cognossement houder meer heeft ontvangen dan zijn evenredig aandeel en de verrekening in natura of in geld niet dadelijk na de lossing en constateering van ieders aandeel heeft plaats gevonden, de waarde van het te veel ontvangene worden verrekend naar den marktprijs van den dag der dagvaarding.

J. C. Warnitz, graanfactor, wonende te Rotterdam, eischer, procureur Mr. H. J. Knottenbelt,

tegen

de handelsvennootschap onder de firma J. v. Rede en Zonen, gevestigd te Rotterdam, gedaagde, procureur Mr. C. E. Have-

De Rechtbank enz. ;

Gehoord partijen in hare conclusiën en pleidooien;

Gezien de stukken van het geding, alle voor zooveel noodig geregistreerd en daaronder meer bepaald:

1°. een cognossement de dato 14 Juni 1898, n°. 202, geregistreerd te Rotterdam enz., ter zijde waarvan voorkomen deze clausules „Each bill lading to bear ito own proportion of shortage and of damage if any" en „More Grain in same Bin, each Receiver to bear proportion of shortage or Damage, if any" ;

2°. copiedijk een brief gedagteekend Rotterdam 14 Juli 1898 van eisehers raadsman aan ged. ;

Overwegende dat blijkens de dingtalen tusschen partijen is onbetwist gelijk door eischer bij dagvaarding en dien overeenkomstg genomen conclusie van eiscli feitelijk is gesteld :

dat het stoomschip Strathesk in Juli 1898 te Rotterdam, van Philadelphia heeft aangebracht verschillende partijen mais, welke bij elkander zonder afscheiding verladen waren;

dat de geconsigneerden van die partijen waren :

Borleffs en Co. voor 221.828 Kilogram.

de eischer ,, 221.828 ,,

J. Schutter Hz. „ 221.828 , ,,

dezelfde ,, 228.375 ,,

A. C. van Geffen ,, 228.375 „

de gedaagde ,, 685.125 ,,

dat bij de bevrachtingsovereenkomst tusschen den kapitein van het genoemde stoomschip en de geconsigneerden der gemelde partijen was bepaald, wat mitsdien ook tusschen die geconsigneerden onderling geldt,. dat zoo er mais beschadigd te Rotterdam, werd gelost of wel er manco bleek die beschadigde mais en dat tekort door alle cognossementhouders zouden moeten worden gedragen in evenredigheid;

dat gemelde stoomboot in het geheel heeft uitgelost in gezonden toestand 1.794.179 Kilogram mais, waarvan in gemelde evenredigheid alzoo had behooren te zijn ontvangen door eischer 220.213 Kilogram, door ged. 680.124 Kilogram;

dat echter is ontvangen: door eischer 213.525 Kilogram, door ged. 685.125 Kilogram; alzoo door eischer te weinig 6688 Kilogram, door ged. te veel 5001 Kilogram;

dat verder te weinig is ontvangen door Schutter 665 Kilogram en te veel door Borleffs en Co. 1060 Kilogram, door A. C. van Geffen 1292 Kilogram;

dat Borleffs en Co., A. O. van Geffen en ged. aan Schutter en eischer de door hen te veel, door dezen te weinig ontvangen 7353 Kilogram hadden terug te geven;

dat Borleffs en Co. en A. O. van Geffen zich van die verplichting ten opzichte van Schutter en van eischer voor wat betreft 1687 Kilogram hebben gekweten, maar de ged. in gebreke is gebleven om die 5001 Kilogram mais aan eischer, aan wien deze toekomen, uit te leveren niettegenstaande herhaalde aanmaning in der minnei en zelfs niettegenstaande sommatie bij deurwaardersexploit;

dat ged. alzoo aan eischer de waarde is schuldig geworden va,n gemelde niet uitgeleverde 5001 Kilogram; en dat dezei zaak is eene zaak van koophandel, terwijl de ged. is eene vennootschap van koophandel;

O. dat de eischer voorts stellende, dat de waardei der niet uitgeleverde 5001 Kilogram bovengemeld op den dag der dagvaarding (22 Juli 1898) bedroeg f90 per 2000 Kilogram alzoo f 225.044 en dat ged. dit bedrag niettegenstaande sommatie weigert te betalen, bij dagvaarding en conclusie van eisch, met eenige nevenvorderingen, betaling van dat bedrag heeft gevorderd met renten en kosten volgens de wet, doch bij repliek nadat ged. bij antwoord er op gewezen had, dat deze vordering in elk geval moet worden verminderd met de door ged. voor die 5001 Kilogram, betaalde vracht ad f 51.92 dié vordering met dat bedrag heeft verminderd en alzoo teruggebracht heeft op f 173.124;

O. dat de ged. daarop bij antwoord wel erkend heeft gemelde 5001 Kilogram met eischer te moeten verrekenen doch beweerd, dat de waarde der mais slechts op f 87 per 2000 Kilo en niet hooger mag worden gesteld, zijnde dit volgens ged. de marktwaarde tijdens de ontlossing uit het zeeschip, zoodat ged. naar dien maatstaf slechts zoude hebben te betalen f 217.54 en vermrnrlftrfl mpit, rlp. rlrvrvr haa,r ten bedrage van f51.92 betaalde vracht

f 165.62, welke som zij den eischer — zooals deze niet heeft betwist — op 3 Sept. 1898 heeft aangeboden te betalen, welk aanbod ingevolge overeenkomst van partijen — zijnde dit door eischer mede niet betwist — geacht wordt gelijk te staan met een gerechtelijk aanbod gevolgd door consignatie;

O. dat ged. op die gronden heeft geconcludeerd, dat de Rechtbank zal verstaan, dat zij met haar aanbod kan volstaan, en dat aan eischer het meergevorderde zal worden ontzegd, cum expensis ;

O. dat ged., onder erkenning van hare verplichting om. wegens aandeel in manco en schade van de lading mais uit gemeld stoomschip 5001 Kilo met eischer te verrekenen, en onder opmerking dat partijen destijds ook verdeeld waren over de marktwaarde tijdens dé ontlossing, daar eischer beweerde dat die was f 88.50, ged. f 87 per 2000 Kilo, den door haar voorgestanen maatstaf bij geldelijke verrekening aldus heeft toegelicht;

dat de verrekening moet geschieden in natura, wanneer het woed tijdens de verdeeling zich nog op de plaats der overlading bevindt en in geld, wanneer het, zooals in casu, reeds is doorgezonden, toen de verrekening moest plaats vinden, doch dan naar de marktwaarde tijdens de ontlossing;

dat ged. do mais tot zich nemende en doorzendende geene onrechtmatige handeling heeft gepleegd, waarvoor zij schade te vergoeden heeft, maar heeft gehandeld volgens algemeen gebruik en volgens haar recht, mits zij do waarde van het te veel ontvangene verrekende;

dat zij alleen terug heeft te geven de waarde, die zij te veel en die eischer te weinig ontving, dat is de waarde van de mais ten tijde dat zij die tot zich nam en die eischer op het hem uitgeleverde te kort kwam, met andore woorden, de waarde tijdens de ontlossing;

dat zoo en nooit anders wordt afgerekend;

dat do waarde tijdens de dagvaarding een onjuiste maatstaf van afrekening is, omdat die bij dalende markt hem, die restitutie moet ontvangen, niet in de positie terugbrengt alsof hij de volle hoeveelheid ontvangen had, en bij stijgende markt hem de gelegenheid verschaft alleen door het beteekenen der dagvaarding te vertragen, zijne vordering to doen stijgen, zooals, volgens ged., eischer thans feitelijk doet, daar hij op 14 Juli afrekening vragende op den voet van f 88.50 op 22 Juli f 90 per 2000 Kilo vordert;

O. dat de eischer daarop bij repliek heeft overgelegd het cognossement, van de door hem uit gemeld stoomschip ontvangen partij mais (aan den hoofde dezes sub 1 gemeld) en ondor aanhaling van de daarin voorkomende clausule „more grain in same Bin, each receiver to bear proportion of shortage and damage if any", eene clausule die zooals ged. bij' dupliek heeft erkend, ook voorkomt in het cognossement waarvan zij hondster was en betrekkelijk was op de haar uit genoemd stoomschip uitgeleverde partij, heeft betoogd ;

dat de woorden der clausule volkomen duidelijk zeggen, dat elk ontvanger proportioneel in het manco moet dragen;

dat de overeenkomst ged. dus bepaaldelijk verplichtte niet meer mais dan zijn proportioneel aandeel te ontvangen, en zoo zij meer dan dat aandeel mocht ontvangen hebben, dat meerdere, zijnde in casu 5001 Kilogram mais, uit te leveren aan den ontvanger die minder ontvangen mocht hebben dan hem toekwam zijnde in casu de eischer;

dat die overeenkomst dus niet eene verplichting inhoudt tot verrekenen van een manco, maar stellig tot teruggeven van mais ;

dat die overeenkomst van het door ged. ingeroepen gebruik opzichtens de uitvoering van zulk eene overeenkomst niets zegt, doch dat wanneer ingevolge een bestendig gebruikelijk beding, eene overeenkomst in den regel zoo mocht worden uitgevoerd, dat een dor partijen het hem daarbij toegekende recht niet uitoefent, de bevoegdheid om dat recht uit te oefenen door het gebruik niet te niét gaat, zoodat waar de overeenkomst eischer recht geeft op mais, heb gebruik dat recht niet kan vernietigen en vervangen door een recht op geld;

dat eischer omtrent dat gebruik alleen erkent, dat indien, bij de ontlossing van een stoomschip manco of schade blijkt, dadelijk eene veTdeeling daarvan wordt gemaakt en onmiddellijk na di3 opmaking de verschillen meestal in geld, naar den marktprijs tijdens de lossing, worden verrekend, terwijl ook wel, doch minder vaak graan wordt uitgeleverd, soms afkomstig uit het stoomschip zelf, soms van gelijke qualiteit;

dat het accepteeren van geld, waar recht op graan bestaat, eenvoudigheidshalve geschiedt, omdat het voor hen die graan te, ontvangen hebben weinig verschil maakt of zij bij de verdeeling, die altijd binnon eenige dagen na de lossing wordt gemaakt, graa» in na tura ontvangen, dan wel de waarde er van in geld ;

dat mitsdien de ratio der afrekening in geld vervalt, indien niet eènige dagen na de lossing betaald wordt, omdat-bij- stijgende graanprijzen de waarde tijdens de aankomst niet meer representeert het graan, dat moest uitgeleverd worden en de ontvanger niet meer ih staat is tijdens de aankomst het te weinig uitgeleverde graan in te koopen;

dat da Strathesk in begin Juli is aangekomen, de verdeeling op 12 Juli is opgemaakt en de prijs der mais toen was f 88.50 per 2000 Kilogram, naar welken maatstaf toen door verschillende geconsigneerden is afgerekend, en eischer ook verlangde af te

rekenen; .. _

dat ged. echter beweerde dat de marktprijs f 86.50 was; dat er dus geschil was over den marktprijs in de dagen der lossing, zijnde de dagen dat afgerekend liad behooren te worden, en dat daardoor een proces noodzakelijk werd;

dat in die dagen de graanprijzen stijgende waren, en dat wie mais heeft uit te leveren en ook met de betaling der waarde kan volstaan, maar niet uitlevert en niet betaalt, de risico van waardevermeerdering der mais loopt en hij, indien hem meer gevraagd wordt dan hij behoeft te praesteeren, zich op de bij de wet bepaalde wijze, ook zonder medewerking van zijne tegenpartij kaO kwijten van de praestatie, waartoe hij zich verplicht acht;

dat er eenige dagen moesten verloopen tusschen het schrijven van eisehers raadslieden aan ged. de dato 14 Juli 1898, aan den hoofde dezes sub 2°. gemeld en de dagvaarding en de markt 1# die dagen evenzeer had kunnen terugloopen. als vooruitgaan;

dat eischer do ged. allereerst moest sommeeren tot uitleveren van mais, daar dëzé zoo de marktprijs hem te hoog scheen i» plaats van te betalen mais kon leveren, en eischer dan ook, had hij alleen betaling gevraagd zeer zeker zoo na de dagvaarding da markt ware teruggeloopen een aanbod van mais zon hebben ge-

0. dat eischer voorts met het oog op gedaagdes ontkentepis dat de marktprijs tijdens de dagvaarding was f 90 per 2000 Kil" grammen, en wegens het tusschen partijen bestaande geschil over den prijs der mais tijdens de lossing heeft geconcludeerd:

primair: dat de Rechtbank z-al benoemen 3 deskundige» teneinde haar voor te lichten over den marktprijs van mixed mais per 2000 Kilogram op 22 Juli 1898; J

Subsidiair: dat de necnroauii. zien ojj "J™ r.

,1,.^ ,-r.r.rllr-V.ten over dien nriis in de eerste dagen van Juli

persisteerende eischer bij zijne genomen conclusie',

O. dat de ged. daarop bij dupliek tegenover eisehers bewermge» heeft ingebracht, dat er tusschen eischer en ged. geene overeenkomst is aangegaan, bepaaldelijk niet dat ged. aan eischer 50UA Kilogram zoude uitleveren, doch dat beide partijen krachtens hunne cognossementen, waarin gezegde clausule voorkomt, i®<le voor een deel gerechtigd waren tot eene onverdeelde hoeveelheid

m'dat' door den gezagvoerder aan ged., zonder dat men dit wete» kon en buiten iemands schuld, meer is uitgeleverd dan zijn eve» redig deel, en aan eischer te weinig is uitgeleverd, en dat in zondanig geval overeenkomstig het door ged. medegedeelde gebm» wordt gehandeld en verrekend ; .

dat zonder dit gebruik eischer die 5001 Kilogram mais te weinis heeft ontvangen, geene uitlevering van graan kan vorderen, m» slechts de waarde van het hem te mm uitgeleverde, vermi eischer nooit eigenaar is geweest van de door ged. te veel o ^ vangen mais, die van gedaagdes partij nooit afgescheiden

ïweest: , .. .. . , , r,;cu

n . i ov* 1-.Q+ rvrvfYOTiKKlr dat, zn die mais tot Z* ,

aat> gea. uun wjv th»u uvv — .j . _ „..re1

genomen heeft, eigenaar daarvan geworden is en alle risico zo o{ 'van beschadiging en verlies als van de kansen van stijgende dalende markt liep, en tot betaling verplicht bleef, waarteger.o

Sluiten