Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

, * r®° °'P betaling van de waarde, die hem, te min was „«rr1 Va^ j11 aanvang onveranderlijk vaststond, hetgeen , ,S zlJn de waarde op het tijdstip, waarop hem uitgele,.-,ï °?? worden, daar op dat oogenblik zijn recht op het goed

U en alle risico ten aanzien van dat goed verviel;

™l\"iWaar oorspronkelijk tusschen partijen het eenig punt in Sescnu was het bedrag van de marktwaarde tijdens de lossing,

dat P1-0?!8/11^ dat geschil moet worden uitgemaakt; stoM,»1"? • -j:{,6cbtbank nog bewijs omtrent het door ged. ge11(w ,.' eischer volgens haar implicite toegegeven, gebruik

ig^ achten, zij aanbiedt door getuigen te bewijzen:

verrl a 1 ■6en VaSt 6n ^gemeen handelsgebruik medebrengt, dat bij. 1,1 i,n^fiVan de schadevcrrekening, indien die in gold

de' ontlossing"eschiedt op den grondslag der marktwaarde tijdens

vordering^ eokt6r instemt met eisehers subsidiaire incidenteele

daf'eischei^in zfi gTOnd van- een en ander heeft geconcludeerd, keüjk worde verM^™^"1"® incidenteele vordering niet-ontvancum exDensk i , nnmers dat hein die zal worden ontzegd refereerend ,1 > °5ntrent de subsidiaire incidenteele vordering In rechte: s ^hters oordeel; g

eersted ovJ™^ feiten d*? tusschen partijen vaststaan en in de voorop gesteld wordt™ vonnis omschreven worden, alhier

rei:ht ii'.'i'l''1 ^,arll''eu. ieder afzonderlijk (met andere ontvangers), getieveliike ¥aren Ult gemeld stoomschip zekere in hunne respecteontvin Cogn°fsei}lentea omschreven hoeveelheden mixed mais ©n 2° i .y elkander zonder afscheiding verladen waren;

ment 5001 Kl die in verhouding tot eischer op haar cognosseenteo-en 0 i ^raTïl ma*s te veel ontvangen, en eischer daart.ft vil ? zÜne die hoeveelheid te weinig, verplicht was het

O daT1 \lI]^enei *n S^ld of in natura te verrekenen ;

in rntiiV 81?,c er Wel spreekt van eene verplichting van ged. om tevens erkent t^,leveren en Tan zijn recht daarop, doch dat hij vergoeding- ' i!' "wanneer bij of onmiddellijk na de lossing ter ontvangen heeft h te weiniS ontvangene door hem, die te veel medebrengt H f e veel uitgeleverd moet worden, het gebruik stoomschip' 1# S<>ms wor<it geleverd graan afkomstig uit het hij voort* Wff S?ms ook graan van &eliJke kwaliteit, terwijl maar r ■ ®fkend dat, indien als in casu niet bij de lossing

ontvano rui!llen tfld daarna van hem, die proportioneel te veel liii i e^> &raan waarde wordt gevorderd, deze, al is

re 1 f .j £eval tot betaling van de waarde verplicht, toch gec1 igd is graan te leveren of een aanbod daarvan te doen; . dat hieruit volgt dat eisehers stelling niet is, dat hij in casu mais als zyn eigendom kan opvorderen en de in verband daarmede door ged. bij' dupliek geleverde beschouwingen dus kunnen worden gepasseerd;

O. dat eischer alzoo beweert, dat hij ged. voor het te veel ontvangene aansprekende kan vorderen, gelijk hij bij dagvaarding heeft gesommeerd, graan of waarde, en dat ged. hetzij het eene, hetzij het andere moet praesteeren, doch te dien aanzien de keuze weeft en dat hij met de door ged. gedane keuze genoegen zoude hebben moeiten nemen, eene opvatting, die ook aangenomen moet worden die van ged. te zijn, waar zij het. te dien aanzien door eischer bij repliek opgemerkte (stellende dat ged. hein altoos nog

heeftaanb°d Vim miUS kunnen doe'n), niet tegengesproken

« °f daj- 'iet voornaamste tusschen partijen te beslissen geschil sin» i "t61!' wanneer meer of minder langen tijd, nadat de losvaii lS ^ . °Pen en ieders aandeel in zeker manco is vastgesteld, var ^ri| ^*e. Pr(>portioneel te veel ontvangen heeft, bij gebreke w • .Ultlevering van dit te veel aan hem, die proportioneel te doo °ntvanëei1 heeft, de waarde van het te veel ontvangene het > n gevorderd wordt, deze waarde is de marktwaarde van graan tijdens de lossing en verdeeling van het manco of die

tijdens de dagvaarding;

." . vaststaat dat op de cognossementen, waarop partijen gi an uit gemeld stoomschip destijds ontvangen hebben, de clau-

q "'erboven gemeld voorkwam;

uit 'd-1 PivrtÖ®n» krachtens hun cognossement, gerechtigd waren hoev "li j00"180 !? mais en wel iedör de voor hem bestemde mak'66 6 "ntvangen, doch dat zij door aannemingen gebruikepnsrT^i van cognossement, waarop gezegde clausule stond, ?ich 'JS®0™ den schipper, die dit beding zoo voor

ten-enovAv In, j°eve van e^k hunner gemaakt had, anderdeels dat beHino* „tf er ,V6rb°nden hadden om tegenover elkander aan alzoo tusschen te 86ven' zijnde er door die handelingen

stand gekomen f ^ "** OVereenkomst daartoe strekkende tot

cognosstmenthfud>e"P z^n proport^er^nXl^T1' dat ieder de uitgeleverde hoeveelheid mais ontvange• ei^H^* l*" cognossement of in gemelde clausule niet'geregeld is^ we^ke Wijze bij de lossing gehandeld moet worden, de clausule in he? . algemeen zoo moet worden nagekomen en toegepast, dat aan die rinff t ^ g Van • geZegd ontstane overeenkomst uitvoefgeven' lmmers dat bij manco ieder in de eerste

de mais zeWe Hlpg?>miaiS!n welJ zlJn proportioneel aandeel in j uitgeleverd wordt, zoodat wanneer, door om-

heeft °dile verrek66" ^ V6el' dö ander te weiaig mais ontvangen 1 mee'st dW' Tf™St Lt

O- dat dit door eischer mTndtr LT ? geschiedt;

wordt, daar hij, «an wien uit^i J. „teruggeven genoemd onder zich heeft gehad, doch sWht wordt het goed zelf nooit krachtens cognossement; S een recbt op de hoeveelheid

O. dat, wanneer bij de ontlossino- ,i u .

voordoen, met gemelde hoofdstrekking Praktische moeilijkheden ning gehouden moet worden en dat het in M °ve^eenkomst rekevoerde, door ged. ingeroepen, gebruik dailrmede ™Se"

eischer, onder de door hem opgegeven W T , T

^staan, dan ook moet geacht worden ingevoerd t«B'" ,.6

kn t ®»eil«kheden op te lossen, doch^^ T TK

^n hebben om aan het voornaamste reclft uh "' strekklng

ciausule voortvloeiende afbreuk te doen; * ^^«nent en

wanneer" dTÏ dl> J?f>ofdstr6kking zeer zeker overeenstemt, dat

zooals tusTchen ^ fT * 0P^em^kt, hetgeen, ,

schiedt "<;h®n Partijen vaststaat, bij of na de ontlossing gein natura lï geval de uitlevering van het te veel ontvangene 'narktpriis tiiH !ge bll',ft' een® verrek(®lng ln geld naar den dan ook werkehil a ontlossi"F P^ats vindt, mits die verrekening ( "waarde van l!! - dan g0Schiede, omdat die marktprijs dan de weiniLr niet uitgeleverde vertegenwoordigt en hem die te

O. echt- an£en heeft tot remplaceering in staat stelt;

digheden 6I' ,,hieruit geenszins volgt, dat wanneer door omstananderdeel öjnsdeels de uitlevering in natura achterwege blijft, a,s in casu , verrekerüng in geld vertraagd wordt, bijvoorbeeld Prijs» de mV^=ens..gemis aan eenstemmigheid omtrent denmarkt- h ning kan y--r tijdens de ontlossing maatstaf van verreke- d

(> , en > l.

N°. 7445.

cognossement of in cmmAlrU „• , 6 ' ,.

wijze bij de lossing gehandeld moet worden^^fe clausu^ in^h^t algemeen zoo moet worden nagekomen en toegepast, dat aan die hoofdstrekking van de als gezegd ontstane overeenkomst uitvoePla!ts 7T1 gegeven' lmmers dat bij manco ieder in de eerste de mais zel've Hie^f'8 welJ z«n proportioneel aandeel in stm^i a j uitgeleverd wordt, zoodat wanneer, door om-

heeft ® dl ve^66" te V6el' d6 ander te weinië '«ais ontvangen

overeenkomst let

O. dat dit door eischer nSder hiist ? §eSchled^

wordt, daar hij, aan wien uit^i j „teruggeven' genoemd onder zich heeft gehad, doch sWht wordt het goed zelf nooit krachtens cognossement; S een recht op de hoeveelheid

O. dat, wanneer bij de ontlossino- i, .

voordoen, met gemelde hoofdstrekking Praktische moeilijkheden ninff mn»t ,unvJ» , g. der overeenkomst reke-

voerde Hnnr o-aH in»™™ ^'n verband daarmede inge-

eischer, onder de door hem 'opgegeven^fn ,dof ^staan, dan ook moet geacht worden ingevoerd

, --"^u uiiL aaji iiei- vuuriictainsce reent uit clausule vor^t„i™;„„^„ f. . Ult cognossement en

ontvanweno i Partijen het eens, dat

bene definitief tot zich genomen heeft,

hij, die het te veel

als hem door den

s schipper op zijn cognossement uitgeleverd, niet genoodzaakt kan n worden ingevolge het gebruik, voorzoover het tusschen hen vaststaat, in natura te verrekenen, hij toch steeds zelfs bij dalende d markt, zooals ged. niet heeft betwist tot uitlevering in natura gerechtigd blijft, waarvan, als het in de vorige overweging omti schrevene moest aangenomen worden, het gevolg zoude zijn, dat , hij, die ontvangen moet, bij stijgende markt zich tevreden zoude moeten stellen met den. marktprijs tijdens de lossing en., bij dalende, dien niet zou ontvangen maar zooveel minder waardin £ goed;

O. dat deze onbillijkheid in verband met hetgeen als gezegd j het meest met het beloop der overeènkomst strookt, namelijk dat 1 men mais in natura ontvange, allerminst kan worden aangenomen 3 als noodzakelijk in de bedoeling van partijen te hebban gelegen;

O. alzoo dat toen partijen, d« .verdeeling ontworpen zijnde, over 3 den toenmaligen marktprijs geene eenstemmigheid verkregen' hadden en uitlevering van mais in natura niet plaats greep, aan de , eene zijde bestond het alternatieve recht van eischer, die te weinig mais ontvangen had, op verrekening in natura of in geld en aan 1 de andere zijde de alternatieve verplichting van ged. die te veel ; ontvangen had om mais in natura uit te leveren of de waarde op te leggen;

O,, dat wie onder die omstandigheden de risico van dalende of s stijgende markt niet verder beloopen wil, dit kan doen eindigen; ' hij die ontvangen moet door te dagvaarden, hij die verrekenen moest door aanbod van betaling gevolgd door consignatie;

O. dat ged. alzoo ten onrechte meent, dat door de verdeeling het recht van eischer op het goed in natura verviel, daar wel ' aangenomen mag worden, dat als die verdeeling zelve niet betwist werd, als in casu, ged. alternatief verplicht werd tot uitlevering van de vastgestelde hoeveelheid in natura of betaling van de waarde, en in verband daarmede eischer alternatief daartoe gerechtigd, doch geenszins dat zoolang partijen over en weer geene verdere maatregelen riemen de waarde tijdens de lossing blijvende maatstaf van verrekening zoude zijn;

O. voorts dat het argument van ged., dat zij, na ontvangst, de risico van het te veel ontvangene gedragen heeft, ten deze zonder belang is, omdat een schuldeischer van goederen alleen de risico van eene individueel bepaalde zaak draagt;

O. dat alzoo uit het gebruik, voorzoover partijen daaromtrent eenstemmig zijn, niet voortvloeit, dat de marktprijs tijdens de ontlossing en verdeeling, wanneer de verrekening later gebeurt, maatstaf van verrekening blijft; en dat het alsnu de vraag is of ged. tot het door haar bij dupliek aangeboden bewijs door getuigen kan worden toegelaten ;

O. dat dit bewijs in zijne algemeenheid het geschilpunt niet voldoende treft, vermits eischer erkent, dat bij verrekening bij of onmiddellijk na de lossing de dan geldende marktprijs maatstaf van verrekening is, zoodat ged. te bewijzen had moeten aanbieden, dat verrekening naar de marktwaarde tijdens de lossing ook gebeurt wanneer om welke reden dan ook de uitlevering van het te veel ontvangene of betaling van het equivalent in geld niet bij of onmiddellijk na de lossing maar meer of minder geruimea tijd daarna geschiedt;

O. dat de Rechtbank echter geen termen vindt te dien aanzien ambtshalve bewijs op te leggen, vermits zooals eischer, bij pleidooi terecht heeft opgemerkt, het niet dan bijl uitzondering zal voorkomen, dat de verrekening meer of minder geruimen tijd na de lossing geschiedt, en daaruit dus niet tot het bestaan van een vast en algemeen handelsgebruik zal kunnen worden besloten, terwijl het gebruik, zooals het tusschen partijen vaststaat, in verband met het- beloop der gesloten overeenkomst slechts leiden kau tot de door de Rechtbank aangenomen gevolgtrekking ;

O. dat eischer alzoo terecht de waarde van de door ged. met hem te verrekenen hoeveelheid mais vraagt naar den maatstaf van den marktprijs ten tijde der dagvaarding en dat waar partijen ook te dien aanzien verschillen de Rechtbank termen vindt voor het door eischer primair verlangde onderzoek door deskundigen ;

Gezien de artt. 1308, 1309, 1384 B. W., artt. 56 en 222 B. R.; Passeert het door ged. aangeboden getuigenbewijs en de subsidiaire conclusie van eischer tot voorlichting door deskundigen; Alvorens uitspraak te doen ten principale:

Beveelt dat een, onderzoek door deskundigen zal worden bewerkstelligd en zulks omtrent den marktprijs te.Rotterdam op 22 Juli 1898 van mixed mais per 2000 Kilogram ;

Beveelt partijen binnen 8 dagen na heden den deskundige of de deskundigen te noemen en dat bij gebreke van dien tot de be- j volen verrichting zal worden overgegaan door de bij deze ambtshalve tot deskundigen benoemde lieeren J. C. Smalt, H. van Randwijk en H. W. Verbrugge, makelaars in granen te Rotterdam ;

Bepaalt hunne eedsaflegging ter terechtzitting dezer Rechtbank en kamer te houden op Woensdag 3 Jan. 1900 des voormiddags j te 11 uren ; ,

Veroordeelt ged. in de kosten op deze uitspraak gevallen tot hiertoe aan zijde van eischer begrorft op f 150; '

Reserveert overigens de uitspraak over de kosten tot het eindvonnis. ^

(Gepleit voor den eischer door Mr. Th. A. Fruin e>n voor de ^ ged. door Mr. C. E. Havelaar).

, F

o

ARRONDISSEMENTS RECHTBANK TE MIDDELBURG. 6

g

(Kort geding). ^

Zitting van den 8 Januari 1900. v

Voorzitter, Jhr. Mr. A. van Reigersberg Verslttijs.

Art. 665 li. 11. geeft den president niet de bevoegdheid om d — ingeval eene verzegeling heeft plaats gehad — op grond van beweerde zwarigheden tijdens die verzegeling, h kennis te nemen van eene vordering ingesteld tot ophef- n fing of vernietiging dier verzegeling.

A. Z., weduwe J. M., winkelierster te Goes in privé en qq., ri eischeres, procureur Mr. F. X. van der. Bilt, :i'

d

tegen y

C. M., zonder beroep, wonende te Kapelle (Zuid-Beveland), ge- d daagde, procureur Mr. J. de Witt Hamer .J.Gz. aj

Wij President enz.; d.

Gehoord de conclusiën van partijen en haar toelichting; pi

Gezien de stukken ; pi

Overwegende dat de eischeres den ged. voor ons in kort gading d< heeft gedagvaard en bij de dagvaarding heeft aangevoerd, dat

den 30 Dec. 1899, ten huize van de eischeres, een verzegeling te

heeft plaats gehad, zooals aan haar is te kennen gegeven, wegens v<

het overlijden van haar echtgenoot op vordering van den ged., er

haar schoonvader, die schuldeischer zoude zijn in de nalatenschap oi

*n van haar echtgenoot en met verlof van den President der Recht t- bank voornoemd;

le dat de eischeres, de ware bedoelingen van den tot deze verzea geling, onbevoegden crediteur maar al te goed kennende van het i- begin tot het einde der verzegeling aan den kantonrechter heeft -t verklaard die verzegeling niet te kunnen toelaten, daartoe niet te e kunnen medewerken, zich daartegen voortdurend heeft verzet lj daartegen heeft gemeend beletselen te moeten opwerpen en zwag ngheden daartegen heeft gemaakt, alles evenwel met geen ander gevolg dan dat de kantonrechter de eischeres het zwijgen heeft 7 °Pg"<?6gd> dreigende de politie te zullen laten halen, in plaats van t geujk de wet wil de verzegeling te staken en daarover den Prea sident der Rechtbank in kort geding te laten beslissen, volgens ' ^ j -1,1' ' dat een en ander geschiedde o. a. in tegenwoorr digheid van haar buurman en den meesterknecht en de eischeres beieia is en aanbiedt het vorenstaande door getuigen te bewijzen* e dat bij die verzegeling gezegd is te zijn verzegeld en daarin té ; zijn begrepen alle meubelen en magazijngoederen, hout en ander ï gereedschap van de werkplaats, terwijl de boeken zijn ontnomen 1 aan de eischeres en den zegelbewaarder ter hand gesteld waar? door de geheele zaak der eischeres stil staat en verloopt •' dat de eischeres haar protest ten overvloede nog bij het exploit van dagf vaarding heeft herhaald; dat de eischeres onbekend is met de ; vordering, volgens welke de ged. beweerd heeft gerechtigd te 1 zijn de verzegeling te kunnen vorderen, die vordering dan ook rechtens ontkent, alsmede het belang, de bevoegdheid of gerech! tigheid van den ged. om de verzegeling te vorderen; dat derhalve en om deze reden èn wegens het niet op volgen van dei voorschrif ten der wet, betreffende de verzegeling, ten deze de veTzegèline ; is onrechtmatig en nietig en de eischeres bevoegd en verplicht is

> de nietigverklaring met alle gevolgen te vragen, terwijl zij zich uitdrukkelijk reserveert alle actiën en rechten tot vergoedin.r van alle kosten, schaden en interessen, reeds geleden en nog te lhden

! op welke gronden zij heeft gevorderd, dat wij bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elke voorziening, zullen \ ei klaren onrechtmatig, nietig en van onwaarde de voormelde -verzegeling, zoo noodig met buiteneffectstelling van het door ons

> gegeven verlof tot verzegeling, alles met bepaling dat op vertoon van de minuut van het te wijzen vonnis en vóór de registratie,

' door den betrokken rechterlijken ambtenaar, onmiddellijk zai ' worden overgegaan tot de opheffing der verzegeling en het ontslaan van den bewaarder, alles met veroordeeling van den ged in de kosten;

O. dat de eischeres op dezelfde gronden heeft geconcludeerd overeenkomstig de vordering bij de dagvaarding gedaan;

O. dat de ged. bij conclusie van antwoord, schriftelijk genomen en overgelegd, heeft te kennen gegeven, dat het onjuist is dat de eischeres, bij de, te haren huize, op 30 Dec. 1899 plaats gehad hebbende verzegeling, zich van het begin tot het einde der verzegeling tegen die verzegeling heeft verzet, daar wel is waar vóór den aanvang deir verzegeling door haar bezwaren geopperd werden, maar dat zij, toen de kantonrechter zeide, in het, geval zij zich tegen de verzegeling verzette, een. bewaarder te zullen aanstellen en daartoe droeg hij den griffier o-p den majoor der rijksveldwacht te ontbieden, en krachtens art. 665 B. R. de verzegeling te zullen doen plaats hebben, eindelijk besloot, ook op raad van den in de dagvaarding niet bij name genoemden buurman, de verzegeling toe te laten en zij, den kantonrechter opmerkte 'wegens haar zwangeren toestand niet zelf de goederen te kunnen aanwijzen, maar daarvoor haar meesterknecht aanstelde om da goederen aan te wijzen; dat de eischeres bovendien ook, nadat de aangewezen goederen opgeschreven waren, na de vraag Van den kantonrechter of zij bereid was de eed af te leggen, wel is waar na eenige aarzeling, weder vrijwillig de eed heelt afgelegd; dat aldus van een verzet, gelijk dit door de wet wordt bedoeld ' wil gehjk hier, de eischeres in haar ingestelden eisch ontvankelijk worden verklaard, geen sprake is; dat, gesteld de feiten in de dagvaarding genoemd waren juist — des neen — de eischeres toch geen belang heeft met het opheffen. der verzegeling daar terstond weder opnieuw verzegeling zoude worden aangevraagd door den ged., die in het bezit van een schuldbekentenis van den overleden echtgenoot van eischeres daartoe gerechtigd is krachtens art. 659 2°. B. R. en op vertoon van welke schuldbekentenis de president dan ook verlof tot verzegelen heeft gegeven; dat de bewering van de eischeres, dat zij met de vordering, ' volgens welke ged. heet gerechtigd te zijn, de verzegeling te vragen onbekend is en die ontkent, eveneens onjuist is, (en de onbekendheid of het ontkennen daarvan doet het. bestaan daarvan, krachtens welke de ged. zijn recht om te doen verzegelen uitoefent volstrekt niet te niet) daar zij wel degelijk weet dat de ged. haar overleden echtgenoot f 7500 geleend heeft om: hem mede in staat te stellen in 1897 de zaak, waarin zij nu nog woont, van haar voorganger te koopen; dat de rente van deze schuld altijd door haar overleden echtgenoot is betaald en zij persoonlijk den 22 Dec. 11. in haar woning aan den ged. de 2e halfjaarlijksche rente over 1899 ten bedrage van f 131.25 betaald heeft en wel in den vorm van een kwijting ad f 124.40 voor door den ged. van haar gekochte winkelgoederen en de restant ad f 6.85 in contanten ■ dat ook de klacht van de eischeres dat zijl nadeel lijdt door dé verzegeling, niet opgaat daar zij, die krachtens art. 671 B. R. gerechtigd is na 3 dagen de ontzegeling te vorderen, dat nagelaten heeft en de veel omslachtiger en kostbaarder wijze blijkt te prefereeren door tegen de verzegeling, die rechtmatig gelegd is, op te komen,; dat er dus geen wettig verzet heeft plaats gehad en er geen deugdelijke grond aan te wijzen is, noch minder aangewezen is, om tegen de verzegeling op te komen, waarna hij heeft geconcludeerd, dat wij de eischeres niet-ontvankelijk zullen verklaren in haar eisch, immers haar dien als ongegrond en onbewezen zullen ontzeggen met haar veroordeeling in de kosten van het geding ;

In rechte:

O. dat art. 289 B. R. aan den president in kort geding opdraagt o. a. verschillen over verzegeling of ontzegeling;

dat, wat verzegeling betreft, de wetgever blijkbaar op 'het oog heeft de twee gevallen voorzien bij art. 665 van dat Wetboek n.1. 1°. het geval dat iemand zich tegen de verzegeling verzet, of dat men bij de verzegeling beletselen ontmoet, of er zich vóór of gedurende de verzegeling zwarigheden opdoen en de kantonrechter, na de verzegeling gestaakt te hebben, de zaak onmiddellijk aan de beslissing van den president onderwerpt, en 2°. het geval dat de kantonrechter, wanneer zich de voormelde moeielijkheden voordoen, doch de zaak geen uitstel gedoogt, bij voorraad omtrent de verzegeling beschikt en naderhand de beslissing, omtrent het al of niet verzegelen, aan den president onderwerpt;

O. dat namens de eischeres is erkend en dus rechtens vaststaat, dat op 30 Dec. 1899 door den kantonrechter verzegeling heeft plaats gehad van de goederen, behoorende tot den gemeenschappelijken boedel van de eischeres en haar man, en dat zij na boedelbeschrijving den gevorderden eed heeft afgelegd;

O. dat, wat er zij van bezwaren of protesten, die de eischeres tegen de verzegeling zou hebben doen liooren, in elk geval de verzegeling door den kantonrechter geheel is ten einde gebracht en er dus thans geen sprake meer van kan zijn om te beslissen omtrent al of niet verzegeling, daar die is geschied;

Sluiten