Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijaldien dit door geïntimeerden mocht worden ontkend, wat werkelijk het geval is.

Met geintmeerden ben ik van oordeel, dat appellanten in deze verwering niet meer kunnen worden ontvangen, aangezien: 1°. lil' 1vt*rïreer\ d? gestelde overeenkomst, die de met-ontvankelijk-

i der gedntimeerden in hare ingestelde vordering tengevolge ^ou. llebben, voor het eerst in appel is aangevoerd; en 2°. dit positum moet geacht worden in strijd te zijn met het positum an appellanten in prima betrekkelijk de stilzwijgende onderwerping van A. ter Wisch aan minnelijke afwikkeling van den boedel.

Het sluiten van de thans gestolde overeenkomst wordt daarenoven door geïntimeerden, ontkend, en nu wordt wel is waar dooi appellanten daarvoor nader bewijs aangeboden, maar zonder vei dere preciseering noch ten aanzien van den aard der geposeerde overeenkomst, noch ten aanzien van der, aard der aan te wenden ewij smiddel en, zoodat uw College niet in staat is gesteld te beoor eelen. of dit bewijs toelaatbaar en concludent zal zijn; wesa/,e Bewijsaanbod m. e. zal behooren te worden gepasseerd. a , || ln Vlum : Met betrekking tot deze beide grieven der dier en meeri ik, onder verwijzing overigons naar hetgeeiv staa *n het vonnis a quo is overwogen, te kunnen vol-

aariv^ °pmerking, dat de bewering, als zoude beneficiaire

ten (,•1 ^en loop der rente van schuldvorderingen doen stuihu ' ^e0n steun in de wet vindt, en dat appellanten zielve door s e nalatigheid tegenover geïntimeerden het uitbrengen der ' , . a*"iën n°odzakelijk hebben gemaakt, weshalve die kosten

E ^ nunnen laste behooren te komen.

ver' .venilits geintimeerden na het beroep van appellanten op con 1 Van 0611 ^ee'^ S0V(>riderde renten, hare vordering bij de Van antwoord in appel alsnog hebben verminderd mes

geruimd^ renten, is dit bezwaar van appellanten uit den weg

gr°nd van al het hierboven aangevoerde, heb ik de eer te 1 11 eeren, dat het Gerechtshof het bewijsaanbod van appelwaarv ^asseere> het vonnis der Arrond.-Rechtbank te Assen, der' Cin F VOorzooveel daarvan appel, bevestige, onder verminlino- ^ e^nter van de veroordeeling der appellanten tot rentebetarlp i?-« ± V6rj aarde renten, en de appellanten veroordeele in e bosten van het hooger beroep.

Het Hof enz.;

Gre7ip(>1 conclllsiö van den proc. gen. strekkende enz;.; Uil- J» . s^nkken van het geding, voorzooveel noodig behoor-

njk geregistreerd;

^_at de daadzaken betreft:

cn refereerende aan de daartoe betrekkelijke overwegingen,

1 Romende in het vonnis der Arrond.-Rechtbank te Assen van en 2,2 Nov. 1898, waarvan het dictum luidt: enz.; óverwegende dat de gedaagden zich daarop bij voormelde akten egen die uitspraak in hooger beroep hebben voorzien, die hier°ven sub II vermeld met- uitzondering van datgene, wat aan de oorspronkelijke eischers is ontzegd, met dagvaarding tevens van de eischeressen tegen 's Hofs terechtzitting van den 28 Dec. 1898 ;

partijen daarna gemotiveerde conclusiën van eisoh en antwoord hebben genomen, waarvan de slotsom woordelijk zal worden opgenomen aan het hoofd der van dit arrest af te geven expe-

1 kil dat' geintimeerden bÜ conclusie van antwoord haren eisch hebben verminderd met de verjaarde renten, namelijk, dat. bij de hoofdsom ad f 1735 worden bijbetaald renten naar 5 pet. over /s3 Van dat bedrag van af den 18 April 1892 en over 3/20 van verzoeke ^°V' van w°ike wijziging en vermindering zij akte

Wat het recht betreft:

meere rf <?6 aPPe"a,rit®n tegen dit vonnis grieven aanvoeren, die den ind ^ m*ddelen van niet-ontvankelijkheid der geintimeerworn door haar ingestelde vordering in prima waren opge-

Ij'e " ,en saamgevat de volgende zijn:

rino- • g01nt,rmeerden zouden niet-ontvankelijk zijn in hare vorde-

harêr^ïn<^i> een voogdes ^ opgetreden, die de nalatenschap heeft piIP1'^en' wier rechten zij daaruit mede doet gelden zuiver eene iajlrivaa'rd, niet onder voorrecht van boedelbeschrijving, en clusiën 616 beneficiaire aanvaarding na de dagvaarding en de coninvloed k'!*1 a?^wo(>rd voor de gedaagden (appellanten) van geen

JL^mdat de eischeressen (geintimeerden) de gedaagden (appelffedaaid11^'et rauwelijks in rechten kunnen betrekken, daar de vin In]MQcy?6' m ver™™1 kwamen door eischeressen, sommatie rekennip- Mn vo™ a?n a?-r kinllen een door haar gestelden termijn plicht zfin rekenin wo mS te doen, omdat de erven slechts verdoen en alleen d-iif verantwoordirjg aan alle schuldeischers te geen' toen nieT b°6del .tot effenh6id is ««bracht, het-

schuldvorderingen £ den boedd Sd~rwT°

matie al mocht kunnen gelden als in m^astS!' „1 °l S°"ï' lanten zich van die mora hebben gezuiverd • appel-

III. Omdat op den 27 Febr. 1892 A ter'Wisch k

delend voor de erven .1 ter Wisch, op de onderhavige vorderinzon Tan het§een di® enr<ai TÜt den boedel Bakker

van H Bakke f0™®11' f 1000 van de beneficiaire erfgenamen komen?ntvmg' ^ to6n uitdrukkelijk werd overeengel-fr ' aangeboden, dat hij zich onderwierp erven; wikkeling van dien boedel door de beneficiaire

merkt: n°0 C'°°1 aPPeüanton in subsidium wordt opge-

b. en^^iede^gevaf 1°°ï>en ,dan tot den 9 Mei 1889 ;

geheel in subsidiumi een hft,.™JT:)aard zljn' waarop appellanten

e. en dat de kosten der sommatiö„' i gedaagden (appellanten); niefc komen ten laste van de

O. te dien aanzien:

ad I. dat daargelaten, welke het ,

Wm,/trij,d m6^ de Wet ?iet beneficiaire a^vaard W

--•»^uap aoor aen voogd, voor zijne puT>iliBT1 i,

™ & rrss

, ^ y tuci.1 Ulll^

1,.

•• —""«i uiiig eener iia>ict>-

-y"" pupillen, c

deze m dit opzicht door

«p acrdinrener rreene

-i. UtLir. Wfla.mn r A'/cmttch arMinffAva 1q« . _

° ,, Js-iacnt neeittot

lino. "; waarop aezeive is opengevallen, waartesren W».

slaat op ZLtl ■ W'- mf- ^ df W6g St^' daM' alleen kuimen doen 3UnS' 26 V geils art. 1075 B.W.

dat alzoo dit middel of deze grief is ongegrond;

de^k-' dat OI>^ dit middel is ongegrond, omdat de eedntimoBrzich ?f so™ma.t'e rekening en verantwoording vroegen, niet voor ot ■ « # en alleen voorzooveel hare schuldvorderingen

«P oen boedel t> m;iar ,n ,t a%eKieen yan hot be^d«™g®

Volkom*^ van de geheele beneficiaire nalatenschap, waartoe zii

iS/TC Ügd Waren' daar de ^eelbaarhSTd»

ver™ Wrdt§enS^ W ) tot het d06n van rekening

rino' .1 g leder schuldeischer het recht heeft de uitvoe-

Omdtrr ™ür h0t geheel te vorderen ; ®

e omstandigheid, dat tijdens de sommatie de boedel

niet tot effenheid was gebracht, alleen te wijten is aan appellanten die het voorschrift van. artt. 1079 en 1082 B. W. niet zijn nagekomen en, geen belemmering of overmacht voor hun verzuim stellen, veelmin bewijzen;

Omdat de verplichting, bij art. 1082 B. W. opgelegd, niet tot opeischbare schulden is beperkt;

en eindelijk omdat van zuivering der aangenomen mora geen sprake is, daar aan de sommatie hoegenaamd geen g*evolg is gegeven, zelfs niet door een begin van uitvoering, als hoedanig niet, gelden kan het, op den 20 Jan. 1898, na opzegging op den, 15 en 17 Jan,. 1898 en een lialf jaar na sommatie en dus tardief ingediend request aan de Rechtbank tot bepaling van een termijn voor oproeping der schuldeischers;

ad III. dat dit middel evenmin den Hove gegrond voorkomt, omdat aanneming van gedeeltelijke afbetaling eener schuld op afkorting geen afstand is van rechten of onderwerping aan minnelijke afwikkeling van den boedel, waarvan niets blijkt en die niet mogen worden verondersteld, terwijl liet beroep op een gesloten overeenkomst tot minnelijke afwikkeling is een volgens art. 348 B. R. ongeoorloofd novum in appel — als niet betreffende eene verdediging ten principale waarvoor bewijsaanbod, al ware dit in den door appellanten gedanen vorm, namelijk, zonder zelfs het bewijsmiddel te noemen, toelaatbaar, moet worden voorbijgegaan;

O. ten opzichte der verder subsidiair aangevoerde opmerkingen :

a. (dat de renten niet verder zouden loopen, dan tot den 9 Mei 1889);

dat het Hof zich vereenigt met de beslissing des eersten rechters te dien aanzien en met de daarvoor aangevoerde gronden;

b. (dat in ieder geval de renten zijn verjaard);

dat geintimeerden bijl conclusie van antwoord in appel alsnog hare vordering hebben verminderd, zoodat, aangezien appellanten daartegen niefc verder zijn opgekomen, maar daarover hebben gezwegen, hun bezwaar uit den weg is geruimd;

c. (dat de kosten der sommatiën niet komen ten laste van de appellanten,);

dat deze door hunne nalatigheid tegenover geïntimeerden heit uitbrengen dier sommatiën noodzakelijk hebben gemaakt, zoodat die kosten ook te hunnen laste behooren te komen, zoodat dia opmerkingen niet tot vernietiging van het vonnis a quo kunnen leiden;

Gezien art. 56 B. R.;

Rechtdoende:

Verleent akte aan geintimeerden van hare vermindering van

eisen;

Gaat voorbij het bewijsaanbod door appellanten gedaan ;

Bevestigt het vonnis waarvan en voorzoover daarvan is geappelleerd, met deze wijziging, dat bij de veroordeeling tot betaling van interest naar 5 pet. deze wordt berekend over 20/23 van, het bedrag van f 1735 van af den 18 April 1892 en over de overige 3/23 (zijnde blijkbaar bij de vermindering van eisch door geintimeerden in hare conclusie eene schrijffout ingeslopen door te schrijven 3/20) van af den 1 Nov. 1892;

Veroordeelt appellanten in, de kosten van het geding in hooger beroep, voorzooveel de geintimeerden aangaat tot hedem begroot op f 125.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE ARNHEM.

Burgeerlijke Kamer.

(Raadkamer).

Beschikking van den 22 Maart 1900.

Voorzitter, Mr. A. N. Baron dk Vos van Steenwijk. Rechters, Mrs.: P. Gratama en H. J- van der Poel IIiddingh.

Officier van Justitie, Mr. W. C. J. Alpherts.

Volgens art. 1122 B. W. is bij massaliteit, waarin een krankzinnige is betrokken, diens provisioneele bewindvoerder bevoegd zich mede tot de Rechtbank te wenden teneinde bevel tot openbaren verkoop van onroerend goed te verkrijgen, en is in dat geval"de machtiging van den kantonrechter (art. 33 al. 4 der Wet van 27 April 1884 (Stbl. 96) niet noodig. — O. v. J.: anders.

Aan de Arrond.-Rechtbank te Arnhem.

Geven eerbiedig te kennen:

1°. F. B. A. van Apeldoorn, sergeant-majoor-titulair, wonende te Arnhemi ;

2°. J. H. J. H. van Apeldoorn, kantoorbediende, wonende ts. Arnhem, zoo voor zich als in hoedanigheid van provisioneelen bewindvoerder om te voorzien in het geheel of gedeeltelijk beheer der goederen of in de waarneming der belangen in welk opzicht ook van, B. J. H. van Apeldoorn, verpleegd in het krankzinnigengesticht te Vught, waartoe deze requirant benoemd is bijl beschikking der Arrond. -Rechtbank te Arnhem, van 12 Maart 1900 ;

3°. H. Dysselhof, koppman, wonende te Zwolle, als in huwelijk hebbende E. H. A. van Apeldoorn miet wie hij in algeheel© gemeenschap van goederen gehuwd is;

welke requiranten allen domicilie kiezen te Arnhem aan de Marktstraat n°. 1 ten kantore van Mr. O. de Kempenaer, procureur, wonende aldaar;

dat op 21 Jan. 1900 te Arnhem overleden is B. J. van Apeldoorn, oud hoofd eener school, gewoond hebbende te Arnliem tot zijne eenige en algeheele erfgenamen nalatende de bovenvermelde requiranten;

dat tot den boedel van den overledene behoort een huis en erf staande in Assendorp, gemeente Zwolle en aldaar kadastraal bekend in Sectie G, n°. 4698, groot 91 centiaren;

dat om eene verdeeling van den boedel mogelijk te maken,, de verkoop van bedoeld onroerend goed noodzakelijk is;

Redenen waarom, requestranten zich wenden tot uw Rechtbank met eerbiedig verzoek dat het haar moge behagen bevel te verleenen onn het bovenomschreven onroerend goed ten overstaan van den te Zwolle resideerenden notaris G. P. Vroom, met inachtneming der wettelijke voorschriften en plaatselijke gebruiken,, in het openbaar te doen verkoopen.

't Welk doende enz.,

Arnhem, 20 Maart 1900. (w. g.) O. de Rempenaer,

procureur.

He officier van justitie enz. ;

Gezien vorenstaand request;

Overwegende dat de tweede requestrant J. H. J. H. van Apeldoorn in deze optreedt zoo voor zich als in hoedanigheid van pro¬

visioneelen bewindvoerder voor B. J. H. van Apeldoorn, thans verpleegd wordende in het krankzinnigengesticht te Vught;

O. dat art. 33 alinea 4, der Wet van, 27 April 1884 (Stbl. 96) bepaalt, dat de bewindvoerder geene andere daden dan van zuiver beheer kan verrichten, tenzij op machtiging des kantonrechters, en dat die machtiging alleen wordt verleend om, gewichtige redenen en na verhoor of behoorlijke oproeping der vier naaste bloedverwanten of aangehuwden en van deai echtgenoot, zoo zij er zijn;

O. dat het verzoek daartoe strekt dat de Rechtbank den openbaren verkoop bevele van onroerend goed, bestaande in een huis en erf, zoodat hier niet van zuiver beheeren maar van beschikken de rede is;

O. mitsdien, dat de genoemde verzoeker, in zijne liiervoren vermelde hoedanigheid, zonder verkregen machtiging des kantonrechters niet bevoegd is tot een verkoop mede te werken;

Concludeert dat dei Rechtbank het verzoek, niet-ontvankelijk verklare, althans dat afwijze.

Arnhem,, 2,1 Maart 1900. (w. g.) Alpherts.

l)e Rechtbank enz. ;

Gehoord heit rapport van den recht er-commissaris;

Overwegende, dat requestranten onder wie een provisioneele bewindvoerder over B. J. H. van Apeldoorn, thans verpleegd wordende in het krankzinnigengesticht te Vught, ter verkrijging van een, behoorlijke verdeeling der tusschen hen bestaande massaliteit, der Rechtbank verzoeken bevel te verleenen tot den openbaren verkoop van het laartoe behoorend onroerend goed ten, requeste nader omschreven ;

O. dat wel is waar art. 33, alinea 4 .der Wet van 27 April 1884 (Stbl. 96) bepaalt, dat dergelijke bewindvoerder geene anlere daden dan van zuiver beheer kan verrichten, tenzij op machtiging des kantonrechters, doch dat die bepaling alleen det op het geval, dat een krankzinnige voor het geheel eigenaar is van een onroerend goed en niet, zooals in casu, betrokken is in eene massaliteit;

O. dat biji massaliteit volgens art, 1122 B. W. de Rechtbank bevoegd is het bevel tot verkoop te verleenen, en wordt dit verleend, de bewindvoerder over een krankzinnige daardoor bohoorijk gemachtigd is tot den betrekkelijken verkoop mede te werken;

0<- dat mitsdien, het verzoek, als in de wet gegrond, behoort te worden toegewezen;

Gelet op art. 1122 B. W. en art. 692 B. R. ;

Beveelt den openbaren verkoop van het ten request® omschreven vast goed;

Benoemt tot notaris, te wiens overstaan die verkoop zal plaats lebben, den heer G. P. Vroom, resideerende te Zwolle;

Verstaat dat die verkoop zal worden gehouden op tijd en plaats loor dien notaris te bepalen esn door hem minstens acht dagen róór den inzet door middel van aangeteekonde brieven aan. de jolanghebbenden mede te deelen, alles voorzooverre deza niet inders zijn overeengekomen.

MENGELWERK.

ART. 122 FAILLISSEMENTSWET.

Een enkel woord ter verdediging van mijn opinie, dat bij royement der verificatie-procedure wegens niet-verschijning van beide partijen de crediteur niet op de lijst der erkende schuldeischers komt to staan.

Er zijn twee wegen waarlangs een vordering deze lijst kan bereiken: 1°. wanneer zij, ter verificatie-vergadering niet wordt betwist, wordt zij overgebracht op eene in het proces-verbaal deivergadering op te nemen lijst van erkende schuldeischers (art. 121); 2°. wanneer de rechter de schuldvordering erkent, beveelt hij in het vonnis hare opname op die lijst (art. 122). Tertium non datur, quod sciam!. Wanneer dus, de crediteur na 't royement de zaak verder laat zooals ze was, is er volgens mijn bescheiden meening geen quaestie meer van plaatsing op de lijst.

Maar hij kan de zaak opnieuw op de rol brengen. Nu vindt Mr. Belinfante dat er een termijn moest bepaald zijn, voor welken dat kan geschieden. Is deze tijd niet practisch beperkt tot den duur van 't faillissement? Immers zoolang de laatste uitdeelingslijst niet verbindend is geworden, kan de niet-erkende crediteur tegen die lijst in verzet komen, op grond van het feit, dat er in zijn weder op de rol gebracht verificatiegeschil nog geen vonnis is gewezen.

Ik kan intusschen niet ontkennen, dat een kwaadwillig schuldeischer door eerst te laten royeeren en daarna op 't laatste, oogenblik de zaak opnieuw te doen inschrijven de afwikkeling van het faillissement zeer zou kunnen vertragen en dat dus het bepalen van een termijn, als Mr. Belinfante noemde, inderdaad w ens ch e 1 ijk mag heeten.

Voorschoten, 30 Juni 1900. J. van Drooge.

HOOGE BAAD. — BULLETIN.

(VacantiÈkamer).

Zitting van Maandag, 2 Juli.

Voorzitter, Mr. J. J. van Meerbeke.

I. Gepleit inzakei:

(cassatie) K. Pendraat, eischer, advocaat Mr. R. T. de Wijs, tegen den Officier van Justitie bij dè Rechtbank te Amsterdam, verweerder. Uitspraak bepaald op 28 Juli.

II. Behandeld het beroep van:

1°. A. J. P. de G., tegen een arrest van het Hof te 's Hertogenbosch. Rapp.-raadsh. Feith, ter vervanging van Mr. Guljé. Gepleit door Mr. M. H. Hartog, advocaat te Bergen-op-Zoom. Conclusie bepaald op 13 Juli.

2°. A. H. v. Z., tegen een vonnis der Rechtbank te 's Hertogenbosch. Rapp.-raadsh. Jhr. de Jonge, ter vervanging van Mr. Eijssell.

3°. A. K., tegen een arrest van het Hof te 's Gravenhage. Rapp.-raadsh. Hanlo.

4°. B. J. P., tegen een arrest van het Hof te Amsterdam. Rapp.-raadsh. de Ranitz.

5°. J. de W., tegen een arrest van het Hof te 's Hertogen bosch. Rapp.-raadsh. Telders.

6°. B. N., tegen een arrest van het Hof te Leeuwarden. Rapp.-raadsh. Jhr. Laman Trip, ter vervanging van Jhr. van Teylingen.

Adv.-gen. ÏToyon concludeert in de sub 2°., 3°., 4°., 5°. en 6°. vermelde beroepen tot verwerping. Uitspraak in sub 2°., 3°., 4°. en 5U. vermelde beroep 13 Juli en in sub 6°., 28 Juli.

Sluiten