Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid van het door den verweerder in zijne hoedanigheid geleverd bewijs, tegenbewijs uit te sluiten, de bepaling van, art. 1959 B. W. buiten hare grenzen heeft uitgebreid en alzoo verkeerd heeft toegepast en daardoor tevens ook de artt. 1932 en 1903 B. W. heeft geschonden, zoodat het arrest uit dien hoofde behoort te worden vernietigd;

O. dat, nu het eerste middel reeds tot cassatie moet leiden, het tweede middel niet behoeft te worden onderzocht;

Vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Arnhem op 26 April 1899 in deze zaak gewezen;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem', om met inachtneming van 's Hoogen Raads uitspraak op nieuw te worden behandeld en beslist;

Veroordeelt den verweerder in zijne hoedanigheid in de kosten in cassatie gevallen.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE 's GRAVENHAGE.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 30 April 1900.

Voorzitter, Mr. J. Spook.

Raadsheeren, Mrs.: J. J. van Geuns, J. C. J. Ridder van

Rappard, H. van Manen en A. van Laer.

Procureur-Generaal, Mr. E. Th. Biji.eveld.

Art. 665 B. R.

Waar de vordering „geen verschil over verzegeling", als bij art. 289 B. R. bedoeld in zich sluit, „waarin uit hoofde van onverwijlden spoed eene onmiddellijke voorziening vereischt wordt", doch veeleer als eene, door vermeend onrechtmatig gelegde en volvoerde verzegeling geboren, en dus uit verzegeling ontstane, vordering is aan te merken, is niet de president der Rechtbank, maar de gewone rechter bevoegd.

(Zie het vonnis a quo in W. 7445).

A. Zaalberg, weduwe J. Markusse te Goes, als moedervoogdesse

over hare dochter M. J. Markusse, appellante, procureur

Jhr. Mr. W. Th. C. van Doorn,

tegen

U. Markusse teKapelle, geintimeerde, procureur Mr. J. Limburg.

Het Hof;

Gehoord partijen, in hare oonclusiën ter rolle;

Gehoord den proc.-gen. in zijne conclusie, strekkende tot bevestiging van het vonnis;

Gezien de stukken;

Ten aanzien der daadzaken, alsmede van het gevoerde geding, zicli gedragende aan hetgeen dienaangaande voorkomt xn het vonnis door den president der Rechtbank te Middelburg den 8 Jan. 1900 ten deze gewezen, waarvan de beslissing luidt: enz. ;

Overwegende dat de toenmalige eischeres van dit vonnis is gekomen 'in hooger beroep, en dat partijen vervolgens ter rolle geconcludeerd hebben, zooals in hare wederzijdsche oonclusiën vermeld is;

Ten aanzien van het recht ■■

O. dat de app., in hare eerste conclusie in hooger beroep, de gronden van het vonnis bestrijdt, volgens welke in art. 289 B. R. slechts óio geschillen omtrent verzegeling bedoeld zijn, als in art. 665 B. R. zijn uitgedrukt, en daartegenover de stelling handhaaft, dat art. 289 alle zaken, welke spoed eischen, en verzegeling tot onderwerp hebben, derhalve ook de vraag, of het feitelijk gelegde zegel wel en wettig gelegd is, aan de kennisneming van den president der Rechtbank onderwerpt;

O. dat geint., nadruk leggende op de omstandigheid, dat verzegeling heeft plaats gehad, zonder dat vóór of tijdens deze verzegeling wettig verzet door app. gedaan is, terwijl ook de eed van art. 661 n°. 7 B. R. door app, afgelegd is, en van oordeel zijnde, dat de president der Rechtbank de vordering niet-ontvankelijk had moeten verklaren, tot het laatste' subsidiair incidenteel beroep voorzooveel noodig, ingesteld heeft, doch overigens in de eerste plaats tot bevestiging van het vonnis op dezelfde of andere gronden geconcludeerd heeft-;

O. dat het Hof de beslissing van het vonnis juist acht;

O. immers, dat de vordering strekt niet tot het vóórkomen of doen ophouden eener verzegeling, of het doen bepalen, op welke wijze deze zal ten uitvoer gelegd worden, maar tot het hooren verklaren, dat eene (buiten het geval van art. 665, tweede lid B. R.) volbrachte verzegeling is onrechtmatig, nietig en van onwaarde, zoo noodig met buiten efïectstelling van het hiertoe door den president der Rechtbank gegeven verlof, en tot onmiddellijke opheffing der verzegeling, welke bereids is tot stand gekomen ;

O. dat alzoo, zonder dat blijkt van eenig verzet tegen de ver zegeling of van beletselen of zwarigheden, die zich aangaande de verzegeling voorgedaan hebben, de tusschenkomst van den voorzitter5 der Rechtbank door de tegenwoordige vordering ingeroepen wordt, om eene gedane verzegeling te niet te doen, zulks hoezeer de wet het middel van ontzegeling aanwijst, om uit den toestand van verzegeling te geraken, en mocht de reden voor verzegeling blijken vervallen te zijn, eer of terwijl ontzegeling plaats heeft — art. 677 B. R. voorschrijft, dat de zegels alsdan ineens opgeheven worden, terwijl in een tegenovergesteld geval volgens de voorafgaande artikelen gehandeld wordt;

O. dat eene zoodanige vordering, als thans ingesteld is geen ,,verschil over verzegeling1', als bij art. 289 B. R. bedoeld, in zich sluit, „waarin uit hoofde van onverwijlden spoed eene onmiddellijke voorziening vereischt wordt", doch veeleer als eene, door vermeend onrechtmatig gelegde en volvoerde verzegeling geboren, en dus uit verzegeling ontstane, vordering is aan te merken, van welke de kennisneming uit haren aard bij den gewonen rechter behoort; .

O. dat de app. nu wel in hare dagvaarding voor den president en in hare eerste conclusie in hooger beroep aanbiedt door getuigen te bewijzen, dat zij zich tijdens de verzegeling hiertegen voortdurend verzet heeft, doch dat zoodanig getuigenverhoor, aangenomen, dat het in kort geding in het algemeen kon worden toegelaten, niet is geoorloofd, vermits deze gestelde daadzaak zou" zijn in strijd met liet proces-verbaal der verzegeling, hetwelk alleen behelst, dat app. zich niet bereid verklaarde tot de verzegeling mede te werken, doch daarna evenwel aan P. J. Simons,

meesterknecht-schrijnwerker, opgedragen heeft, de noodige aanwijzing te doen, en ten slotte den eed van art. 661, n°. 7 B. R. afgelegd heeft;

O. dat de app. in hare conclusie van antwoord op heit incidenteel hooger beroep nog heeft trachten te betoogen, dat, al zou hier geen verzet naar art. 665 B. R. zijn, toch een verzet, als opkomen tegen de verzegeling, den grondslag der vordering uitmaakt,, maar dat zoodanig beweren geen gevolg heeft,_ omdat alleen aan het opkomen tegen verzegeling in den vorm en op de wijze, die de wet aanduidt, rechtspraak van den voorzitter der Rechtbank kan worden verbonden;

O. dat mitsdien, met afwijzing zoo van het beroep der app., als van het incidenteel beroep, het vonnis behoort te worden bevestigd;

Gezien art. 56 B. R. ;

Rechtdoende op het hooger beroep en op het subsidiair ingestelde incidenteel beroep;

Gaat voorbij het aanbod van app. tot getuigenverhoor;

Bevestigt het vonnis, door den president der Rechtbank te Middelburg op 8 Jan. 1900 tusschen partijen gewezen;

Verstaat dat wegens de betrekking van aanhuwelijking, tusschen partijen bestaande, iedere partij hare eigen kosten in hooger beroep zal dragen.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS RECHTBANK TE AMSTERDAM. Tweede Kamer.

Zitting van den 3 Mei 1900.

Voorzitter, Mr. A. Wichers Hoeth.

Rechters, Mrs. : J. Déking Dura en F. N. L. Aberson.

Gijzeling van vreemdelingen. — Artt. 768 769, 604 B.R

Onder de in art. 768 2® B. R. aangeduide formaliteiten behoort ook het bij art. 604 B. R. bedoeld verzet.

E. A. R. C. von Schwartz, eischer, procureur Mr. J. Vijn, tegen

de Naamlooze Vennootschap Maatschappij tot Exploitatie, van het gebouw „Mercurius", gedaagde, procureur L. Boas.

De Rechtbank;

Gehoord partyen;

Gehoord del conclusie van het O- M. tot niet-ontvankelijkverklaring van den eischer in zijne vordering en zijne veroordeeling in de proceskosten;

Gezien de stukken;

Overwegende ten aanzien der feiten :

dat de eischer heeft gesteld, dat liij zonder dat er een vonnis te zijnen laste bestond en bij voorraad blijkens proces-verbaal van den deurwaarder G. D. Dammers dd. 13 Maart 1899 ten verzoeke van ged. door dien deurwaarder ter zake eener door ged. gepretendeerde schuld is gegijzeld geworden op grond, dat eischer vreemdeling (Duitscher) zou zijn, geen vast verblijf binnen het Koninkrijk hebben, en toen op het punt gestaan hebben met medeneming van zijne bagage van Amsterdam naar het buitenland te vertrekken, welke gijzeling door of van wege ged, in den laten namiddag van den volgenden dag werd opgeheven, tengevolge van de betaling dezer gepretendeerde schuld door een derde;

dat echter eischer, van geboorte Duitscher, in het laatst van 1897 naar Amsterdam is gekomen en verder aldaar als handelsbediende is werkzaam geweest, voortdurend te Amsterdam: met' zijne goederen heeft gewoond, alzoo binnen het Koninkrijk vast verblijf had en heeft;

dat hij zelfs onafgebroken, gedurende een tijdsverloop, van af 15 Jan. 1898 tot 30 April 1899, alzoo ten tijde dier gijzeling gedurende bijna 14 maanden, had bewoond kamers van het perceel Prins Hendrikkade nos. 20—-21 te Amsterdam door ged. aan eischer verhuurd, en ook sedert 30 April 1899 te Amsterdam is blijven wonen, thans aan de Albert Cuypstraat n°. 264;

dat eischer van af zijn komst in Amsterdam slechts een paar malen afwezig is geweest om voor korten tijd zijn ouders in Duitschland te bezoeken, maar dan ook altijd zijne woning te Amsterdam heeft aangehouden en daarin, zijne goederen gelaten en mede_ ten tijde zijner gijzeling geenszins voornemens was naar het buitenland te vertrekken met medeneming zijner bagage veel min op het punt stond zulks te doen;

dat eindelijk de schuld ter zake waarvan eischer werd, gegijzeld ten tijde hiervan, niet was vervallen en opeischbaar, althans niet tot het bedrag als bij request gesteld ;

dat alzoo' eischer ten onrechte is gegijzeld en ged. daardoor een onrechtmatige daad heeft gepleegd, waardoor eischer zoo door benadeeling in goeden naam en crediet als anderszins schade is toegebracht;

dat hij mitsdien vordert, dat die gijzeling zal worden verklaard onwettig en onrechtmatig en de ged. zal worden veroordeeld tot vergoeding der hierdoor aan den eischer veroorzaakte schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, cuin expensis ;

O. dat de ged. heeft geantwoord:

dat de eischer bij zijne gijzeling op 13 Maart 1899 noch zich tegen de wettigheid der gijzeling heeft verzet, noch eene akte tot nietigverklaring daarvan heeft ingesteld, maar, zonder eenig protest de vordering der ged. met alle kosten tot een bedrag van f 159 door zijnen vertegenwoordiger Mr. J. Vijn op 14 Maart 1899 heeft doen betalen;

dat eischer dus de rechtsmiddelen door de wet in de artt. 604 en 611 B. R. den gegijzelde gegeven niet heeft gebruikt en het niet aangaat zes maanden later de ged. lastig te vallen wegens een beweerde onrechtmatige daad, waarvan dei rechtmatigheid door eischer zoowel door het niet gebruiken van de hem gegeven middelen als door de betaling is erkend;

dat derhalve eischer niet-ontvankelijk is in zijne vordering; dat ged. verder geheel subsidiair het door eischer gestelde als geheel bezijden de waarheid ontkent;

dat eischer hetgeen hij omtrent zijn vast verblijf alhier stelt, heeft te bewijzen, doch ged. reeds dadelijk het bewijs wenscht te leveren, dat eischer niet sinds 1897 alhier heeft gewoond en daartoe met overgifte van afschrift en aanbod van visie van het oorspronkelijke in het geding bremgt een verklaring van den E.A. Heer Burgemeester van Amsterdam, waaruit blijkt, dao eischer voor het eerst op 26 April 1899 in liet bevolkingsregister dezer gemeente, als komende van zijne geboorteplaats Rimmerods, is ingeschreven, daarin vroeger niet voorkomende, terwijl hij >:ich op 15 Maart 1899 eveneens voor de eerste maal bij de Amstt rdam-

sche politie, als vreemdeling, heeft aangegeven, welk feit de ged., in, geval van, ontkentenis aanbiedt te bewijzen;

dat het evenzeer onwaar is, dat eischer te Amsterdam met zijne goederen heeft gewoond, daar op de door hem gehuurde kamers zich geen enkel hem toebehoorend meubel ooit heeft bevonden, maar slechts een paar gedeeltelijk gepakte koffers en deze niet als zetel van zijn vermogen, kunnen worden beschouwd;

dat ged. ten stelligste ontkent, dat eischer van af 15 Jan. 1898 tot 30 April 1899 onafgebroken de door hem, gehuurde kamers heeft bewoond, integendeel de eischer zich herhaaldelijk geruimen tijd heeft verwijderd met medeneming van al het hem toebehoorende;

dat eischer omstreeks den tijd zijner gijzeling herhaaldelijk zijn voornemen te kennen heeft gegeven, om zich naar Brussel te begeven, teneinde daar in eene soortgelijke onderneming als de te Amsterdam bestaande Kannenbier-Maatschappij werkzaam te zijn ;

dat eischer ten tijde zijner gijzeling aan ged. schuldig was eene som van f 95 wegens 3 maanden huur, verschenen primo Febr. 1899, en hij zelf erkent het van hem gevorderde bedrag schuldig te zijn geweest, nu hij niet stelt, dat onverschuldigd door hem is betaald;

dat eischers bewering, dat niet hij, maar een derde zijne schuld heeft voldaan liem niet kan baten, nu door zijnen raadsman Mr. J. Vijn het verschuldigde aan den deurwaarder is- voldaan tegen aanneming eener kwitantie van den inhoud, als woordelijk in de conclusie is opgenomen;

dat ged., indien de door haar gestelde daadzaken mochten worden ontkend voorzoover noodig en dus subsidiair aanbiedt die daadzaken door alle middelen rechtens, speciaal door getuigen te bewijzen;

dat eischer niet ten onrechte is gegijzeld noch door ged. eenige onrechtmatige daad is verricht, weshalve door den eischer geenerlei schade uit hoofde als door hem wordt gesteld, kan zijn geleden ;

dat ged. mitsdien concludeert tot niet-ontvankelijkheid, immers ontzegging der ingestelde vordering cum expensis ;

O. dat eischer bij repliek zijne sustenuen nog in den breede heeft uiteengezet en die van de ged. bestreden o. m. met overlegging der door den deurwaarder Dammers afgegeven quitantie, dat die quitantie zou luiden, zooals door de ged. bij antwoord is opgegeven;

O. dat de ged. slechts toegevende, dat de inhoud der quitantie door haar onjuist is opgegeven en moet luiden zooals door eischer is gerelateerd, overigens ook hare sustenuen nader heeft uiteengezet en bij hare conclusiën volhard ;

O. dat den eischer vervolgens bij pleidooi aktei is verleend, dat hij door getuigen behoudens alle middelen rechtens te bewijzen aanbiedt:

1°. dat- hij van af 15 Jan. 1898 gedurende omstreeks 14 maanden voortdurend heeft bewoond met- zijne goederen de kamers nos. 42/43 van het perceel Prins Hendrikkade 20—21 te Amsterdam en in dezen tijd slechts afwezig is geiweest drie malen in voege als dezerzijds bij conclusie is gesteld ;

-2°. dat ook dan van zijne goederen aldaar bleven;

3°. dat hij als handelsbediende te Amsterdam voortdurend werkzaam was;

4°. dat hij aldaar op genoemde kamers brieven, ook aangeteekende, ontving en verzond;

5°. wat de Rechtbank ten deze verder noodig zal oordeelen ; O. in rechte:

dat alinea 2 van art. 768 B R He. formaliteiten by den lijfsdwang a-ls executoiren maatregel voorgeschreven, toepasselijk verklaart op de conservatoire gijzeling tegen vreemdelingen, die geen vast verblijf in het Koninkrijk hebben ;

dat tegenover deze uitdrukkelijke wetsbepaling niets afdoet, de bepaling van art. 779 B. R., waardoor ook op andere wijze dan bij de executoire, namelijk door het stellen van zekerheid, de opheffing der conservatoire gijzeling kan worden verkregen, omdat het geenszins vreemd kan geacht worden, dat de wetgever, bij de toelating van een voorzeker harden maatregel, als de vrijheidsberooving voor een nog niet vaststaande schuld, nog een bijzonder rechtsmiddel heeft gegeven, waardoor de toepassing van de conservatoire gijzeling onnoodig wordt zonder eenig gevaar voor de rechten van den schuldeischer, die nog slechts bewaard moeten worden, in tegenstelling met de gijzeling als dwangmiddel ter executie;

dat onder de boven aangeduide formaliteiten in de eerste plaats behoort, dat de schuldenaar volgens art. 604 B. R. zich tegen de wettigheid dier gijzeling kan verzetten en vorderen, dat hij dadelijk, alvorens te worden gebracht naar het- huis van bewaring, zal worden geleid voor den voorzitter der Rechtbank, die onverwijld en bij voorraad uitspraak zal doen ;

dat ten. processe vaststaat, dat- de eischer, hoewel bewerende, dat hij ten tijde der gijzeling niet behoorde onder de vreemdelingen zonder vast verblijf in hot Koninkrijk, niet heeft gebruik gemaakt- van het hem bij de wet toegekende middel van verzet;

dat welke schade eischer ook tengevolge zijner gijzeling mocht hebben geleiden, hij die aan zich zelf te wijten heeft, nu hij in gebreke is gebleven óm gebruik te ma-ken van het middel, waardoor hij, zoo- zijn bezwaar gegrond werd bevonden, aan die gijzeling en aan de daaruit voortgevloeide schade had kunnen ontkomen, welke gijzeling immers krachtens art. 605 B. R. formeel terecht is geschied, nu hij daartegen niet in verzet kwam, in voege als is gezegd; j

dat hij op dezen grond niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijne vordering;

Rechtdoende:

Passeert alle bewijsaanbod;

Verklaart den eischer niet-ontvankelijk in zijne vordering en veroordeelt hem in de kosten van het rechtsgeding aan, de zijde van ged. tot deze uitspraak begroot op f 125.

ADMINISTRATIEVE RECHTSPRAAK.

RAAD VAN BEROEP VOOR DE PERSONEELE BELASTING TE 'S GRAVENHAGE.

Beschikking van den 30 April 1900.

Voorzitter, J. D. Evers.

Leden : Mr. C. Stemberg, Mr. S. M. S. de Ranitz, Jhr. GK. van den Santheuvel.

aanslag van r. k. pastoriën.

Gezien het ingediende bezwaarschrift van den Heer M. v. d. ^ te 's Gravenhage, houdende bezwaren tegen zijn aanslag in personeele belasting, dienst 1899;

Sluiten