Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

^/Woensdag, 15 Augustus 1900. jy> 7400

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

TWEE - EN - ZESTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VERITAS.

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang f<20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der

advertentiën, 20 cent* per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers, Gebr. Belinfante, te 's-Gravenliage (2e Wagenstraat 100). Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 15 Juni 1900.

Voorzitter, Mr. F. B. Coninck Liefstino.

Raadsheeren, Mrs. : P. R. Feith, Jhr. B. C. de Jonge, Ph. van Blom, S. m. S. de Ranitz, E. W. Guljé en a. M. van Stipriaan Luïscius.

Al wordt aangenomen, dat de wetgever bij het vaststellen van het voorschrift van art. 2008 B. W. is geleid door het vermoeden, dat de schuld na verloop van hel bepaald getal jaren is betaald, 2oude de vastgestelde verjaring zelve daardoor niet worden een wettelijk vermoeden van betaling.

Nu de aanwending van het in voormeld artikel bedoelde middel van verjaring door de ivet zelve slechts aan ééne voorwaarde is gebonden, het afleggen van den in art. 2010 B. W. omschreven eed als dat wordt gevorderd, kan het wettelijk verweermiddel niet op andere wijze worden ter zijde gesteld.

Art. 2010 B. XV. onderscheidt niet of zij, die zich van de verjaring bedienen, de vordering al o f niet hebben erkend en of deze al of niet door den eischer is bewezen.

B. Brune, metselaar en stucadoor, wonende, te Purmerend, eischer, advocaat Mr. H. de Ranitz,

tegen

r'e gezamenlijke erfgenamen van wijlen S. Bruijning, in leven grof- en hoefsmid, gewoond hebbende te Purmerend, verweerders, advocaat Mr. J. Addink.

De proc.-gen. Mr. C. Polis heeft in deze zaak de volgende con. ■«Site geuoiiKJu .

Edel Hoog Achtbare, Heer en!

De eischer in cassatie heeft de gezamenlijke erfgenamen van ' ■ Bruijning gedagvaard tot betaling van een hem pretenselijk Per saldo toekomend bedrag voor metselaars-werkzaamheden ea leverantien, door liiemi verricht in opdracht en voor rekenm» ^an, genoemden Bruijning met van waarde verklaring van het I °°r hem gelegde conservatoir derde arrest. De verweerders liebei1 daarop geantwoord, dat zij niets weten van eenige sehuldl'bchtigheid van hunnen pradeeosserar wegens hetgeen in de aan ej' beteekende rekening voorkomt, en die schuldplichtigheid niet wenschen te erkennen, zich volgens art. 2008 B. W. eroepende op verjaring dier schuld voor alles wat in rekening S Slacht tot eni met December 1895.

te S®nover die defensie heeft dei eischer verzocht de gedaagden Wogen hooren op vraagpunten, ten einde te doen blijken dat ;6 beweerde schnld is aangegaan en aan de verweerders bekend dat, zij niet is afgedaan.

!■', nu is de beslissing van de Rechtbank, waardoor volgens w, eischer, de artt. 237 en 236 B. R. in verband met de artt. 008, 2010, 1902 en 1958 B. W. zouden geschonden zijn dat tegen het beroep door de gedaagden gedaan op de verjaring be°eld in art. 2008 B. W. den eischer niets anders overblijft dan aan hem op te dragen het zweren van den eed bedoeld in het lid van art. 2010, en dus des eischers versoek tot verhoor op vraagpunten niet ontvankelijk is.

„ De eerste stelling van het middel is, dat de verjaring van art. 0U8 berust op het vermoeden van betaling, waartegen ook ander genbewijs dan door eedsopdracht mag geleverd worden. Ik ge°t niet dat dit juist is. De verjaring van art. 2008 moge be6n op het vermoeden, dat de schuld betaald is, of, ar gevorderd wordt van de weduwe of erfgenamen van den° 116 die gezegd wordt de schuld te hebben aangegaan, dat de vorderde zaak niet verschuldigd is, daarom is • l- het beroep op die verjaring toch nog niet het aanvoe11 van vermoeden-bewijs, maar het opwerpen van Ue?°K P^e'^ptoke exceptie. En al ware dat wel zoo, dan zou rnn , °ep °P de vijfjarige verjaring zijn een beroep op een ver„ cn °p grond, waarvan de wet den recht sinte w e i g e r t, en telgen zoodanig vermoeden is het tegenniet verder toegelaten dan de wet het vrijlaat (art. 1958 B. eed .in cas van berooP °P de verjaring van art. 2008, de ^ > en niets dan de eed van art. 2010. .,11 s'agit ici, en ni ot» d'une présomption légale sur le fondee t 11 t a laquellelaloidénie 1'action enjustice, 1 u » 'V' par c ° n s é 1 u e n t, me peut ê tre c om ba 11 u e anf . na la mesure et par lemoyen que laloi medB° ri-Se'" Zo° Aubry 'en Rau VIII pag. 44 (noot 85) en daarno ? ln overeenstemming Baudby-Lacantinekie III pag. 964, Sé • "J*0' voorzeker terecht opmerkt, „c'est en ré al i té... ttier 1'action que d'accorder au débiteur une

ai. f ?P ^ i0 n peremptoire pour repousser cette *-tion".

'luider! theorie kan buiten beschouwing blijven, daar de wet Hncr i jS' die aangesproken wordt met eene rechtsvordejario . bed.oelcl ia art. 2008, heeft het recht zich op de vijftege|f v^j'aring te beroepen,; en nu kan wel is waar degene, roept ;\1Gri yerjar^n» wordt ingeroepen, van hem, die ze inMiddel ee(^ vari a,r^- 2010 vorderen, maar dat is bet eenige dat hem ten dienste staat om het beroep op de verja¬

ring te verijdelen, vermits het is het eenige dat de wet hem aan de hand doet. En art, 10 van de ordonnantie van 1673 moge, naast den eed, het verhoor op vraagpunten hebben toegelaten, die bepaling is in art, 2275 C. O., waarvan ons art-. 2010 de vertaling is, niet' overgenomen, en dat naar de ordonnantie in het algemeen tegenbewijs tegen de ingeroepen verjaring openstond, kan niet met grond beweerd worden, want dan ware het onnoodig geweest van het verhoor op vraagpunten melding te maken en zou van verj aring niet wel meer sprake hebben kunnen zijn.

Maar, zegt men, hoe zal het dan gaan als een schuldenjaar, die bekent dat niet betaald is, toch de verjaring inroept? Het geval zal zich niet licht voordoen, omdat een zoodanige schuldenaar weet dat zijn beroep op verjaring, wegens den; eed die hem, zal kunnen worden opgedragen, en dien hij niet zal kunnen doen, hem niet zal baten; maar beroept hij; zich toch op de verjaring, dan zal zijn crediteur hem' de keuze moeten laten tusschen een valschen eed en de betaling van het gevorderde, want art, 2010 laat geen ruimte voor iets anders.

Wat in de tweede plaats tot- staving van het middel is aangevoerd is, dat in elk geval de eedsopdracht eerst te pas komt wanneer de vordering zelve door den gedaagde isi erkend, of wel door dien eischer bewezen, hetgeen in deze niet het geval is. Ook dat komt mij' onjuist voor.

Is de vordering ingesteld tegen den oorspronkelijken debiteur en beroept deze zich op de vijfjarige verjaring, dan betwist hij niet dat de overeenkomst, waaruit tegen hem wordt geageerd, is tot stand gekomen, maar betwist hij alleen des leischers recht om alsnog op grond van die overeenkomst, betaling van hem te vorderen, en zal hiji moeten betalen indien hij, desgevorderd, mocht weigeren te zweren, dat de schuld betaald is, juist omdat hij dan de schuld niet betwist, en zijn beroep op de verjaring is vervallen.

En is, zooals in deze zaak, de tot betaling aangesprokene niet de oorspronkelijke debiteur, maar zijn het diens erfgenamen, en beroepen deze zich op de verjaring van art. 2008, dan kan hun de eed van het 2de lid van art, 2010, de eed nl. dat z ij niet weten dat de gevorderde zaak verschuldigd is, opgedragen worden, ook al is de vordering zelve door hen niet erkend, en dooi- den eischer niet gewezen. Want, wordt die eed door de erfgenamen afgelegd, dan zal de vordering moeten worden afgewezen, omdat zij alsdan ook al ware zijl bewezen, toch zou zijn verjaard; en wordt de eed door de erfgenamen geweigerd, dan zullen zij tot betaling moeten worden ver oord eedld, omdat dan zal vaststaan, dat hun bekend is, dat de gevorderde zaak verschuldigd is en zij dus ook die hun bekende en dus bewezen schuld, nu hun beroep op de verjaring daarvan vervallen j is, zullen moeten betalen.

Ik concludeer tot verwerping van liet beroep met veroordeeling van den eischer in de kosten.

De Hooge Raad enz.;

Partijen gehoord;

Gezien de stukken;

Overwegende dat tegen het vonnis door de Arrond.-Rechtbank te Haarlem den 19 December 1899 tusschen partijien gewezen als middel van cassatie is aangevoerd: schending van de artt. 237 en 238 Rechtsvord., in verband met de artt, 2008, 2010, 1902 en 1958 B. W., door zonder onderzoek naar het ter zake dienende der door eischer gestelde vraagpunten dezen in diens incidenteele conclusie tot het hooren van partij niet-ontvankelijk te verklaren op grond dat tegenover het door cenen gedaagde gedaan beroep op dei verjaring van art. 2008 B. W. den eischer niets overblijft dan den eed van art. 2010 van dat Wetboek op te dragen, ofschoon:

a. de verjaring van eeirstgemeld artikel berust op een vermoeden van betaling, waartegen ook ander tegenbewijs, dan door eedsopdracht mag geleverd worden;

b. in elk geval de cedsopdracht eerst te pas komt, wanneer de vordering zelve door den gedaagde is erkend of wel door den eischer bewezen, hetgeen in deze niet is beslist het geval te zijn en facto ook niet het geval was;

O. dat de eischer in cassatie — oorspronkelijk eischer — bij het bestreden vonnis in zijne incidenteele conclusie om zijne weder partij op vraagpunten te doen hooien niet-ontvankelijk is verklaard op grond, dat de verdediging van de verweerders — oorspronkelijk gedaagden— voor zoover zij den tegen hen ingestelden eisch hebben bestreden, hierin bestaat, dat zij een beroep hebben gedaan op de verjaring bedoeld in art. 2008 B. W., tegen welk beroep den eischer niets anders overblijft, dan om aan hen op te dragen liet zweren van den eed bedoeld in het tweede lid van art, 2010 B. W.;

O. dat liet voor de juistheid dezer beschouwing zonder belang is, of de wetgever bij' het vaststellen, van het voorschrift van art. 2008 is geleid door het vermoeden, dat de schuld na verloop van het bepaalde getal jaren zou zijn betaald, omdat daardoor de vastgestelde verjaring zelve niet zou worden een wettelijk vermoeden van betaling;

dat ook uit dia plaats waar het voorschrift in het Wetboek wordt aangetroffen, namelijk in de derde afdeel in g van den zevenden titel van het vierde boek, die tot opschrift voert: Van de verjaring beschouwd, als een middel om van eene verplichting bevrijd te worden, volgt dat de verjaring van art. 2008 is een middel bij de wet toegekend om. vorderingen van, eene bepaalde soort na verloop van zeker aantal jaren te kunnen bestrijden, en dat, nu de wet liet aanwenden van dat middel slechts aan ééne voorwaarde heeft gebonden, het afleggen van den in art. 2010 bedoelden, eed als dat wordt gevorderd, ook alleen het voldoen daaraan kan worden geëischt en het wettelijk verweermiddel niet op andere wijze kan worden ter zijdie gesteld;

O. dat dus littera a van het middel ongegrond is, terwijl lit-

tera b afstuit op art. 2010, volgens welk artikel de eed kan worden g-evorderd van hen, die zich van de verjaring bedienen, waarbij niet wordt onderscheiden of zij, ide vordering al of niet hebben erkend en of de vordering al of niet door den edsclier is bewezen;

Verwerpt het beroep en veroordeelt den eischer in de kosten in cassatie gevallen.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE ARNHEM.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 14 Maart 1900.

Voorzitter, Mr. L. U. de Sitter.

Raadsheeren, Mrs.: E. H. Karsten, Ph. W. Scholten, Jhr. G. A. jNahuijs en G. Wttewaall.

Zelfs in geval een legataris behoort onder hen, die eenig recht tot de nalatenschap hebben, en die bevoegd zijn volgens de artt. 659 al. 1 en 679 B. R. een vordering in te stellen tot inventarisatie door den erfgenaam en den executeur-testamentair, is hij in ieder geval niet gerechtigd bij die inventarisatie mede handelend op te treden.

Volgens de artt. 673 j° 672 B. R. kan de tegenwoordigheid van den legataris bij de inventarisatie zelfs worden geweerd.

Indien dus bij de vordering tot inventarisatie wordt gevoegd de eisch „dat zal gelast worden, dat de erfgenaam en de executeur-testamentair met hem, legataris tot de inventarisatie zal overgaan", is hij daarin niet ontvankelijk.

(Zie het vonnis a quo in W. 7358).

W. S. P. van der Vijver, zonder beroep, wonende te Beek, gem. Ubbergen, appellant, procureur Mr. A. v. j>. Goes,

tegen

1°. C. J. van der Vijver, weduwe van wijlen Mr. C. M. van

Hees, zonder beroep, wonende te Arnhem,

2°. Mr. H. E. van Hees, advocaat en procureur, wonende ie Arnhem, geintimeerden, procureur Mr. L. J. van Gelein Vitringa.

Het Hof enz. ;

Gehoord partijen in hare conclusiën en pleidooien;

Gezien de stukken voor zooveel vereischt geregistreerd; Ten aanzien der daadzaken en procedure:

Overwegende dat het Hof zich vereenigt met en alzoo overneemt hetgeen daaromtrent is overwogen in het vonnis a quo, gewezen door de Rechtbank te Arnhem den 30sten October 1899 tusschen appellant als eischer ein geintimeerden als gedaagden, bij welk vonnis eischer is verklaard niet-ontvankelijk in zijn vordering, met zijne veroordeeling in de kosten;

O. dat appellant zich met dat vonnis bezwaard achtende, daarvan in hooger beroep is gekomen met dagvaarding van geintimeerden voor dit Hof, vervolgens bij ter rolle genomen conclusie zijne bezwaren tegen dat vonnis heeft aangevoerd en ontwikkeld en verder heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en dadelijke toewijzing van zijn in prima ingestelde eisch en conclusies, met veroordeeling van geintimeerden in de kosten van beide instantiën;

O. dat de geintimeerden bij conclusie van antwoord de bezwaren van appellant hebben bestreden, alsmede liet vonnis a quo hebben verdedigd en verder hebben geconcludeerd tot bevestiging daarvan. met veroordeeling van app. in de kosten;

Wat het recht betreft:

O. dat bij het vonnis a quo is beslist dat — daargelaten of een legataris kan gezegd worden eenig recht tot de nalatenschap te hebben en of hij alzoo op grond van art. 659 sub 1°. jeto. art. 679 B. R., de verzegeling eener nalatenschap en later de ontzegeling er van met inventarisatie kan vorderen — hij in ieder geval geen zelfstandig recht op inventarisatie heeft, afgescheiden van ont zegeling;

O. dat app. — wiens vordering als legataris tot inventarisatie der nalatenschap van zijne 24 Oct. 1898 overleden zuster, welke nalatenschap indertijd niet verzegeld is geworden, op dien grond niet-ontvankelijk is verklaard — hiertegen als grieven heeft aangevoerd : 1°. dat deze beperkte uitlegging van art. 679 B. R. noch door de bewoordingen, noch door de geschiedenis der wetsartikelen, noch door liet systeem; der wet gerechtvaardigd wordt, en 2°. dat de Rechtbank heeft voorbijgezien dat de eisch ook gericht was tegen den executeur testamentair (den 2den geint.), aan wien de verplichting tot inventarisatie juist in het belang der legatarissen bij art. 1057 B. W. uitdrukkelijk is opgelegd;

O. dat — al neemt men met app. aan: 1°. dat de legataris eenig recht heeft tot de nalatenschap, zoodat hij de verzegeling er van volgens art. 659 sub 1°. B. R, kan vorderen, alsmede 2°. dat de woorden ,, bij ontzegeling" in, art. 679 B. R. slechts duiden op het meest voorkomend geval, zoodat een legataris ook zonder dat de verzegeling heeft plaats gehad gerechtigd is de inventarisatie te vorderen, — dan nog appellants vordering hem

Sluiten