Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In welk opzicht art. 143 Strafvord. in oasu zou zijn geschonden, is mij voorts uit de memorie niet gebleken. De uitgebrachte dagvaarding voldoet volkomen aan, den eiscli der wet en m. i. bestond er voor den rechter niet de minste aanleiding, ze nietig te verklaren.

In de dagvaarding behoefde ook niet, gelijk requirante schijnt te meenen, te laste gelegd te zijn, dat ae requirante voor zich zelve winst beoogde. De verordening zegt alleen, dat door de beklaagde het bedrijf' moet zijn uitgeoefend en laat in liet midden voor wiens rekening die uitoefening plaats beeft. Of dus de beklaagde de behaalde winst al dan niet aan haren maai verantwoordt, is voor deze zaak geheel onverschillig.

Op deze gronden zou ik concludeeren tot verwerping dezer voorziening, ware het niet, dat bij de behandeling van deze zaak in hooger beroep een vorm is geschonden, waarvan de naleving op straffe van nietigheid is genoden.

Art. 161 der Grondwet bepaalt, dat behoudens de bij de wet te maken uitzonderingen de terechtzittingen in het openbaar moeten worden, gehouden, doch geeft tevens aan den rechter de bevoegdheid van dien regel af te wijken, mits die afwijking geschiedde in het belang der openbare orde en zedelijkheid. Met dit grondwettig voorschrift strookt de bepaling van art. 20 R. O., waarbij is voorgeschreven dat in strafzaken liet rechtsgeding op straffe van nietigheid in het openbaar zal worden gehouden, tenzij de rechter om gewichtige, bij het proces-verbaal der zitting te vermelden redenen mocht nevelen, dat het rechtsgeding geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren zal plaats hebben.

De wetgever stelt dus tweeërlei eisch voor de wettiging van eene terechtstelling met gesloten deuren: a. de redenen die daartoe geleid hebben moeten gewichtig zijn, en b. ze moeten in het proces-verbaal der terechtzitting uitdrukkelijk vermeld worden.

In casu nu is aan die eischen bij de behandeling in eersten aanleg voldaan, doch is het voorschrift van art. 20 R. O. bij de behandeling in hooger beroep nieit nageleefd.

In het proces-verbaal der terechtzitting in hooger beroep zult gij alleen vermeld vinden, dat de Rechtbank het sluiten der deuren heeft bevolen, doch niet, welke redenen hem daartoe hebben bewogen, de beslissing is van elk motief ontbloot en al ligt het motief in het onderhavige geval voor de hand, zoo meen ik toch, dat het giroote gewicht dat gelegen is bij de strikte handhaving van het in art. 161 der Grondwet nedergelegde beginsel vordert, dat voor de naleving van art. 20 R. O. met gestrengheid worde gewaakt. Art. 20 R. O. geeft een waarborg tegen lichtvaardige of ongerechtvaardigde buitem-werking-stelling van liet Grond¬

wettig voorschrift, dat de rechtsgedingen in het openbaar moeten gevoerd worden, een waarborg die niet gering mag geacht worden en in vele gevallen hooge beteekenis kan hebben.

Op deze gronden heb ik de eer te concludeeren, dat liet den Hoogen Raad moge behagen met toepassing van art. 106 R. O. het vonnis door de Arrond.-Rechtbank te Utrecht in deze zaak gewezen te vernietigen wegens verzuim in de vormen en de zaak te verwijzen naar het Gerechtshof te Amsterdam, om. op het bestaand hooger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Hooge Raad enz. ;

Gelet op liet middel van cassatie, door de requirante voorgeisteld bij memorie:

Schending door verkeerde toepassing van de artt. 1, 2, 3 en 4 van de Verordening tegen de openlijke buizen van ontucht te Utrecht en schending door niet-toepassing van de artt. 160 en 179 B. W. in verband met art. 143 Strafvord.

Overwegende dat blijkens het opschrift en den aanhef van het proces-verbaal der terechtzitting van de Arrond.-Rechtbank te Utrecht, die heeft plaats gehad den 19den Maart 1900, deze terechtzitting is gehouden „met gesloten deuren", terwijl bat proces-verbaal verder te dien aanzien alléén inhoudt: „de Rechtbank heeft de behandeling der zaak gelast met gesloten deuren en de zaal door den deurwaarder voor het publiek doen ontruimen" ;

dat het proces-verbaal der zitting dus niet vermeldt de reden waarom liet rechtsgeding met gesloten deuren heeft plaats gehad, gelijk art. 20 R. O. op straffe van nietigheid voorschrijft;

dat hierdoor is geschonden genoemd art. 161 der Grondwet, en dat, vermits deswege het bestreden vonnis ambtshalve moet worden vernietigd, het door de requirante aangevoerde middel

van cassatie buiten onderzoek kan blijven;

Vernietigt het vonnis, door de Arrond.-Rechtbank te Utrecht den 26en Maart 1900 in deze zaak gewezen;

Rechtdoende uit kracht van art. 106 R. O. :

Verwijst, de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam, om op het bestaande hooger beroep opnieuw te worden berecht, en af-

Kanier van Vacantie.

Zitting van den 28 Juli 1900.

V oorzitter,

Raadsheeren, Mrs.: P. R. Feith, Jhr. B. C. nu Jonge, B. H. M. IIanlo, S. M. S. ne Ranitz, A. Tenders en Jhr. S. Laman Trip.

Mr. J. .T. van Miof.rbeke.

P. R. Feith, Jhr. B. C.

Op de uitlegging der dagvaarding, die in hel onderwerpelijk geval den grondslag uitmaakte van ''s rechters onderzoek, kan in cassatie niet worden teruggekomen.

J. M. A. M., geboren te Leiden, oud 39 jaren, horlogemaker, wonende te 's Gravenhage en aldaar gedetineerd, is requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's Gravenhage van, 17 Mei 1900, waarbij rechtdoende in hooger beroep is bevestigd liet vonnis van de Arrond.-Rechtbank te 's Gravenhage van 5 April 1900, bij hetwelk de req. is verklaard schuldig aan verduistering, gepleegd door hem, die het, goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, terwijl nog geen 5 jaren zijn verloopen, sedert de schuldige gevangenisstraf hem ter zake van verduistering opgelegd, heeft ondergaan en, met toepassing van de artt. 321, 322 en 421 Strafrecht, is veroordeeld tot gevangenisstraf van 6 maanden.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Telders, heeft de adv.-gen. Noyon de volgende conclusie genomen:

Fjdel Hoog Achtbare Heeren I

De req. is wegens verduistering veroordeeld op eene dagvaarding waarin hem wordt te last gelegd dat hij een aan een ander toebehoorend horloge opzettelijk wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Bij memorie stelt hij als middel van cassatie: Verkeerde toe-

toepassing van artt. 321 en 322 Strafwetboek j°. art. 216 lid 2 Strafvord.

Het middel is hierop gegrond, dat voor het misdrijf van verduistering de wetenschap aanwezig moet zijn dat het, toegeëigende voorwerp van een ander is, wat in de dagvaarding niet is uitgedrukt nu liet, woord „opzettelijk" volgt na de vermelding van den eigenaar in stede van daaraan vooraf te1 gaan en dus in overeenstemming met, de erkende beteekenis van de plaatsing van dart, woord aan het hoofd der omschrijving van het misdrijf ook het toebehooren aan een ander te beheerschen.

Intusschen heeft het Hof beslist dat in de dagvaarding zooals

zij gesteld is ligt opgesloten de telastlegging van de wetenschap bij beklaagde dat het goed dat van een ander was, zoolang de Hooge Raad van oordeel blijft dat de uitlegging van de dagvaarding uitsluitend het werk is van den rechter die over de feiten oordeelt, is ook deze beslissing in cassatie onaantastbaar.

Ik concludeer mitsdien tot verwerping van het beroep.

De Hooge Raad enz. ;

Gelet op liet middel van cassatie, namens den req. voorgesteld bij memorie :

Verkeerde toepassing van de artt. 321 en 322 Strafwetboek in verband met art. 216 lid 2 Strafvord. ;

Overwegende dat bij het door het bestreden arrest bevestigde vonnis wettig en overtuigend bewezen is verklaard hetgeen aan den req. bij dagvaarding was ten laste gelegd, luidende voor zooveel het in deze van belang is : „dat hij horlogemaker zijnde, den 2den Maart 1900 te 's Gravenhage een zilveren heeren remontoir-horloge, toebehoorende aan C. J. H. M., althans aan

een ander dan liem, beklaagde, en dat M. liem, liad ter hand gesteld, met de opdracht dat horloge voor dezen tegen eene vergoeding van 50 cents te repareeren en vervolgens aan M. terug te geven, opzettelijk wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, immers bedoeld horloge, ten tijde en ter plaatse, voormeld ten eigen bate heeft verkocht" ;

O. dat aan deze bewezen verklaarde feiten de qualificatie gegeven en ter zake daarvan de veroordeeling uitgesproken is, zooals een en ander in liet hoofd van dit arrest is vermeld;

O. dat hiertegen bij het middel van cassatie wordt aangevoerd, dat voor het misdrijf van verduistering de wetenschap aanwezig moet zijn dat het toegeëigende voorwerp van een ander is en dat in de dagvaarding niet is uitgedrukt nu liet woord „opzettelijk" volgt, na vermelding van den eigenaar in plaats van daaraan vooraf te gaan;

O. hieromtrent, dat blijkens liet, arrest door het Hof is over-

vooraf te gaan;

wogen : „dat de raadsman van beklaagde heeft aangevoerd, dat, door de plaatsing van liet woord opzettelijk in de omschrijving

van het bij dagvaarding telast gelegde feit, de telastlegging niet, inhoudt dat het, opzet ook omvat beklaagde'» wetenschap, dat, het door hem toegeëigende horloge zou toebehooren aan een ander dan beklaagde, zoodat gezegd feit niet zou zijn strafbaar ; doch dat in de bij dagvaarding gedane telastlegging, dat, de wederrechtelijke toeëigening opzettelijk geschiedde, dia betreffende beklaagde's bedoelde wetenschap, naar 's Hofs oordeel ligt opgesloten" ;

O. dat uit deze beslissing blijkt, dat liet Hof de dagvaarding in dezen zin heeft verstaan, dat daarin o. m. werd ten laste gelegd, dat de req. de wetenschap had, dat het, horloge, hetwelk hij zich toeeigende, aan een ander toebehoorde;

O. dat deze uitlegging door den rechter aan de dagvaardinggegeven als grondslag van zijn onderzoek, behoort tot. het gebied van den rechter, die over de feiten heeft te ocfrdeelen en geen onderwerp van onderzoek in cassatie kan uitmaken ;

O. dat alzoo liet namens den req. voorgedragen© niet kan

leiden tot cassatie: Verwerpt het beroep.

Zij de behandeling van dit verzoek bepaald op Woensdag $ I April 1900, 's voormiddags ten 9^ ure.

Arnhem, 17 April 1900.

De President van het Gerechtshof te Arnhem, I (get.) L. U. de Siïtbb.

Het Hof enz.;

Gezien vorenstaand verzoekschrift van B. D. Nusink, winke'; lier te Arnhem, ingekomen ter griffie van, den Hove den 1' April 1900, strekkende tot vernietiging van een vonnis der Rechtbank te Arnhem, dd. 9 April 1900, waarbij hij, na door de Recht' j

uank gehoord te zijn, is verklaard m staat van. faillissement J I Gehoord requestrants procureur Mr. J. Houwink, tevens o#-: rator in het uitgesproken faillissement, zoomede Jhr. Mr. H. ^ van Aseh van W ijck, procureur van den schuldeischer-aanvrage1'' aanvoerende, dat meerdere crediteuren, waaronder de aanvrager tot faillietverklaring, de vernietiging! van het faillissement wenschen en namens req. daarenboven, dat hij thans in staat is de vordering, waarvoor zij" | faillissement is uitgesproken, met de kosten te betalen;

Gehoord den heer Procureur-Generaal, mondeling concludeerende tot handhaving van het vonnis, waarvan beroepi I Overwegende dat, bij zijn verhoor voor de Rechtbank, req. liee" | erkend, (van welke erkentenis ook thans niet door hem. word' beweerd, dat zij zou zijn onjuist of onwaar), de vordering, wegens de niet-betaling waarvan zijn faillissement werd aangevraagd, schuldig te zijn, die op dat oogenblik niet te kunne"11 betalen, zoomede meerdere schulden ten zijnen laste 'e hebben;

O. dat volgens art. 6 der Faillissemfcntswet de Rechtbank dus 'le gevraagde faillietverklaring moest uitspreken, daar bleek, da' : req. had opgehouden te betalen en van het vorderingsrecht va® j hem, die de aanvrage tot faillietverklaring deed;

O. dat indien er sedert in requestrants finantieelen, toesta»*'

zoodanige verandering is gekomen, dat men zou moeten aannemen dat hij thans in staat zou zijn, al zijne schulden te voldoe»! hierin wellicht eene aanleiding zou kunnen bestaan, om van de Rechtbank opheffing van het uitgesproken faillissement te vragen, maar zeker niet om van den hoogeren rechter vernietiging j te vragen van een op het tijdstip, toen, het gegeven werd, volkomen juist en overeenkomstig de wet gewezen vonnis, omdat ui' bovenvermelde omstandigheden niet. volgt, dat dat vonnis teji onrechte werd gewezen;

O. dat in de omstandigheid dat de aanvrager tot faillietverklaring zijne aanvrage als niet geschied, wenseht beschouwd te ziem, evenmin eene rede kan, gelegen, zijn, om eene overeenkomstig de wet uitgesproken faillietverklaring te vernietigen, daa* j deze niet in het belang van den aanvrager alleen, maar in dat van alle schuldeischers, wordt uitgesproken, en daarom op verzoek van enkelen hunner niet kan worden te niet gedaan, waardoor trouwens de par conditio creditorum groot gevaar zou kunnen loopen geschonden te worden ;

Gezien de artt. 9, 4 en 6 der Faillissementswet:

Wijst requestrants verzoek vaal de hand;

Handhaaft het vonnis, waarvan beroep, van de Rechtbank te | Arnhem dd. 9 April 1900, waarbij req. is failliet verklaard.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANKEN.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE ARNHEM.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 25 April 1900.

Voorzitter, Mr. L. U. de Sitter.

Raadsheeren, Mrs.: E. H. K a rsten, Ph. W. Scholten, J. R.

H. van Schaiic en G. Wttewaall.

Faillissementswet.

Indien door de Rechtbank terecht wegens ophouden van betaling eene gevraagde faillietverklaring werd uitgesproken, doch er sedert in den finantieelen toestand van den gefailleerde zoodanige verandering is gekomen dal men zou moeten aannemen dat hij thans in slaat zou zijn al zijn crediteuren te betalen, kan wellicht de

Rechtbank opheffing van het faillissement verleenen, maar kon niet met vrucht van den hoogeren rechter vernietiging (in appel) gevraagd ivorden van een op het tijdstip dat 't gegeven werd volkomen juist vonnis.

Het faillissement betreft niet alleen 't belang van den aanvrager maar ivordt uitgesproken in 'l belang van alle schuldeischers...

Aan het Gerechtshof te Arnhem. Geeft eerbiedig te kennen:

B. D. Nusink, winkelier, wonende te Arnhem, ten deze domicilie kiezende ten kantore van den procureur Mr. J. Houwink, aan de Turfstraat n°. 22 te Arnhem ;

dat requestrant bij vonnis der Arrond.-Rechtbank te Arnhem van den 9den April 1900 op het daartoe door de firma J. van Eijderveld en Zoon te Utrecht ingediend request is verklaard in staat van faillissement; dat req. van dat vonnis bij Uw Hof in hooger beroep komt; dat req. bereid is, om, ingeval het faillissement mocht worden vernietigd, da vordering van den schuldeischer, die de faillietverklaring heeft aangevraagd, alsmede de tot dusver gevallen kosten te voldoen, daartoe in staat gesteld door andere personen, die het daartoe benoodigde geld in handen van den ohdergeteekenden, procureur hebben gestort;

dat meerdere crediteuren de vernietiging van het faillissement wenschen; dat req. dus niet in den toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen;

Redenen, waarom req. zich wendt tot Uw Hof met eerbiedig verzoek, dat het Uw Hof moge behagen voormeld vonnis en de daarbij uitgesproken faillietverklaring te vernietigen,

't Welk doende enz.,

Arnhem, 17 April 1900. (get.) J. Houwink,

procureur.

ARRONDISSEMENTS-RECIITBANK TE ZWOLLE.

Kamer Tan Strafzaken.

Zitting van den 10 Mei 1900.

Voorzitter, Mr. P. J. G. van Diggelen.

Rechters, Mrs.: W. H. Roijer en E. R. E. Brants. Subst.-Officier van Justitie, Mr. Th. C. van Eijk Bijlevelp.

Verdediger, Mr. J. van Setten.

Onderscheid tusschen de begrippen „uitlokken" en „tot iets aanzetten

In het begrip „uitlokken" hetwelk synoniem is met verlokken" en „overhalen tot" ligt noodzakelijk opgesloten dat het feit waarop de uitlokking gericht was werkelijk is gepleegd,, terwijl bij het begrip „lot iets aanzetten" tn het midden blijft of het feit waartoe is aangezet al of niet is gepleegd.

De Officier van Justitie bij deze Rechtbank r. o., eischer,

tegen

H. K oud 59 jaran, molenaar, geboren te Stad-Almelo, wonende

te Zwolle, thans gedetineerd aldaar.

De Rechtbank eniz.;

Gehoord de voorlezing van liet bevelschrift van verwijzing naar de terechtzitting dd. 7 April 1900, door deze Rechtbank gewezen;

Gehoord de verklaringen van de getuigen ;

Gehoord het requisitoir van den ambtenaar van het OpenbMin., strekkende daartoe dat de bekl. zal worden, schuldig verklaard aan diefstal en te dier zake op grond van art. 310, 47 pi'en sub 2° Strafrecht, veroordeeld tot één jaar en. zes maande» gevangenisstraf;

Gehoord den bekl. in zijne verdediging, mede bij monde va» zijnen gekozen raadsman, Mr. J. van Setten, advocaat te Zwolle;

Overwegende dat bekl. is gedagvaard ter zake dat hij in de» loop van. de jaren 1899 en 1900, op verschillende tijdstippen e»> o. a. op Vrijdag den 2dan Maart 1900, te Zwolle J. V. en J. aa» 't R., door hen te beloven daar „wel wat" („een fooi") „voor te zullen geven", opzettelijk heeft uitgelokt uit liet pakhuis va» hun, patroon, de firma I. y. A. Hzn. te Zwolle, telkens een aan dezen, althans aan een ander dan aan lien (V. en aan 't R.), toebehoorende hoeveelheid graan (rogge) weg te nemen met lie' oogmerk om zich dat graan wederrechtelijk toe te eigenen e» vervolgens dat gestolen graan in beklaagde's bezit te stellen;

O. dat na te noemen personen als getuigen ter terechtzitting onder.eede en op grond van eigen waarneming hebben, verklaard : J. V. en J. aan 't R. ieder voor zich: dat ziji geruimen, tijd al» knechten in dienst zijn geweest van de firma I. v. A. Hzn. Zwolle; dat zij, wanneer zij in het graanpakliuisi van die fiitn» werkzaam waren, belast waren om aan de klanten, die zich aa» het pakhuis vervoegden, da op aan het kantoor dar firma afgegeven briefjes uitgedrukte hoeveelheden graan af te leveren ; dat zij zulks dan ook meermalen aan den bekl. hebben gedaan; dat zij beiden gezamenlijk op verschillend© tijdstippen in 1899 eJ1 1900 aan den bekl. meer graan hebben afgeleverd dan hem volgens het briefje toekwam, nadat hij hun had beloofd hun vo»r

Sluiten