Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heil ^ 6re •^raan een te geven; dat de hoeveel-

die 1 ^Taan' °P <üe wijze te veel ontving en de fooi,

. J daarvoor beloofde en betaalde, steeds grooter werd, tot* zulks fl.75 bedroeg, wanneer hij een mud teveel kreeg; dat J uit wroeging en vrees voor ontdekking hunnen patroon niet <m,ger op die wijze wilden benadeelen, doch bekl. hen heeft „ Ueid om er mee voort te1 gaan door te beloven in plaats van •'5 voor een extra-mud f2 te zullen geven; dat bekl. den eU Maart jl. met zijn wagen is gekomen aan het pakhuis der llna 5 dat liij volgens het kantoorbriefje 15 mud rogge moest ^Utvangen; dat bekl. hun vroeg, of hij er weer wat bij kreeg en Un beloofde, dat zij de fooi dan weer zouden krijgen; dat zij Jeui. daarop 16 in plaats van 15 mud hebben gegeven en wel de ode mud in een zak, dien bekl. zelf meegebracht had; dat zij len laatsten zak op beklaagde's wagen hebben gebracht en bekl. f* een paardendeken over gelegd heeft; dat zij daarop van, den ^' • f2 hebben ontvangen, die zij te zamen gedeeld hebben ; 11- van A. en H. H. H., ieder voor zich: dat door de firma • van A. Hzn. te Zwolle, waarin eerstgenoemde deelgenoot en baarbij laatstgenoemde kantoorbediende is, is ontvangen een jttionyme brief, waarin de lirma voor de handelingen van den. ^klaagde werd gewaarschuwd; dat daarop door dezen op 2 I art jl. 15 mud rogge aan het kantoor der firma is besteld en aarvoor een volgbriefje, waarop de pakhuisknechten die hoeVeelheid aan het pakhuis moesten afleveren, is afgegeven ; dat vervolgens den bekl. op die Vischpoortenbrug te Zwolle lieb>eu aangehouden, toen hij met zijn wagen kwam uit de richting yai1 liet pakhuis der firma; dat getuige van A. een praatje met l6ui maakte en get. H. middelerwijl de zakken, die op den wapu waren, telde, waarna get. H. aan get. van A. door een wenk e kennen gaf, dat hij 16 zakken geteld had; dat één zak onder eleu bok van den wagen was, min of meer onder een paardedeken y^rstopt; dat bekl. daar reeds erkende, dat hij oen mud rogge I veel had, die hij zou hebben ontvangen om te probeerem; dat '*ekl. daarop is doorgereden naar zijnien molen en, getuigen — I ■ voorop, van A. op eenigen afstand— hein gevolgd zijn,; dat. ekl. bij den molen tot get. van A., toen, deze begon, do zakken tellen, zeide : „och tel. ze maar niet, er zijn zestien";

getuige H. bovendien: dat Lij, voordat hij zich met zijn paboon van A. naar de Vischpoortenbrug begaf, eerst aan het pak'"is is geweest en daar den wagen van K. heeft zien staan, op ea bok waarvan één leege zak lag; dat er tusschen die brug 6,1 het pakhuis geen andere graanpakliuizen zijn en bekl. reeds sP<>edig daarna op de brug kwam,;

, '' dat, niettegenstaande beklaagde's ontkentenis, door deze ^rijsmiddelen wettig" en, overtuigend is bewezen hetgeen hem ''■I akte van dagvaarding is ten laste gelegd, alsmede zijne schuld

•uraan ;

'*■ dat beklaagde's raadsman ter terechtzitting heeft beweerd at de bekl. van alle rechtsvervolging te dezer zake zal behoote worden ontslagen, op grond dat, in, de dagvaarding niet .011 de zijn uitgedrukt dat het door den, bekl. opzettelijk uitgeste feit werkelijk is gepleegd, maar alleen dat dat feit opzeteHjk is uitgelokt ;

, ^ dat bij dit beweren blijkbaar uit het oog wordt verloren 'et onderscheid tusschen, de begrippen „uitlokken:" en „tot iets aanzetten"; dat toch bij laatstgenoemd begrip in het midden l'ljft of liet feit waartoe is aangezet, ,al of niet is gepleegd, maallat in jjet begrip „uitlokken", hetwelk synoniem is met „verj°kkem" en „overhalen, tot", noodzakelijk ligt opgesloten dat jet feit -waarop de uitlokking gericht was werkelijk is gepleegd; f'at ook de wetgever blijkbaar deze beteekenis aan het woord "Uitlokken" hecht, door in art. 47 sub 2c Strafrecht hem die door I aldaar genoemde middelen het feit opzettelijk uitlokt strafaa_ir te stellen als dader;

derhalve dat de steller der dagvaarding, door daarin liet *°ord „uitlokken" te gebruiken, ongetwijfeld heeft uitgedrukt pt de diefstal, waartoe de getuigen V. en aan, 't R., door den ^klaagde waren aangezet, ook werkelijk door die getuigen is k'epleegd, en dat mitsdien bovenbedoeld beweren van beklaagde's lisman is onjuist;

P- dat de bewezen verklaarde feiten, ofschoon elk op zich zelf "Hsdrijf opleverende, in zoodanig verband staan, dat zij moeten frorden beschouwd als ééne voortgezette handeling en derhalve ®hooren te worden gequalificeerd : „diefstal", op grond van art. 9 j°- art. 47 aanhef en sub 2°, 56 Strafrecht strafbaar;

'bezien artt. 310 j°. 47 aanhef en sub 2° en 56 Strafrecht, als^e art. 214 al. i Strafvord. ;

Rechtdoende:

verklaart den beklaagde schuldig aan- voormeld bewezen feit, 6 lualificeeren en strafbaar gelijk hiervoren. is gezegd;

veroordeelt den alzoo schuldig verklaarden H. K. tot gevan"e1isstraf voor den tijd van een jaar en zes maanden.

Bij arrest van liet Gerechtshof te Arnhem dd. 12 Juni 1900 is 't vonnis bevestigd.

^HONDISSEMENTS-KECHTBANK TE 'S GRAVENHAGE. Kamer van Vacantie.

Zitting van den 27 .Tuli 1900.

Voorzitter, Mr. Pu. W. van Heusde.

echters, Mrs.: Jhr. J. F. Schuurheque Boeije en H. A. van ^EES.

De verplichting lot onderhoud van kinderen, schoonzoons en schoondochters rust op de ouders en schoonouders, op ieder persoonlijk voorzoover en naargelang zij niet het oog op hun vermogen daartoe kunnen bijdragen, wet maakt daarbij geen onderscheid of de ouders zijn gehuwd onder huwelijksche voorwaarden dan wel in algeheele gemeenschap, terwijl bovendien de in algeheels genieenschap gehuwde vrouiv eigen vermogen bezit en buiten haar aandeel in de gemeenschap kan bezitten, zoodat de eischeres mitsdien terecht, ook haar in rechte heeft, geroepen omdat zij verplicht is allen, die lot liet geven van onderhoud gehouden zijn, te zamen voor den rechter te brengen ten einde onder hen het te verstrekken onderhoud te doen regelen.

" A. P„ weduwe W. M. S. G. B„ zonder beroep, wonende te ' eheveningen, gemeente 's Gravenhage, eischeresse, procureur 611 advocaat Mr. J. P. de Maak,

lo tegen

G. C. H., eehtgenoote van W. J. H. B., zonder beroep, 80 0Jjende te Sclieveningen. gemeente 's Gravenhage; ' " ■ J. H. B., restaurateur, wonende te Sclieveningen, gerente 's Gravenhage, voor zich als hoofd der echtvereeniging

' Staande tusschen. hem en zijne sub 1°. genoemde eehtgenoote

M. G.

C. H„ alsmede tot bijstand en machtiging zijnier even

genoemde eehtgenoote M. G. C. H., of wel tot vertegenwoordiging van deze laatstgenoemde in rechte, gedaagden, procureur Mr. D. van dek Goot,

en tegen

3°. A. E. S„ weduwe G. L. P.( zonder beroep, wonende te Sclieveningen, gemeente 's Gravenhage, gedaagde, procureur en advocaat Mr. J. P. de Maak.

De Rechtbank;

Gehoord partijen in hunne conclusiën. en pleidooien;

Gehoord de conclusie van, den üff. van Justitie daartoe strekkende dat de beide eerste gedaagden zullen, worden veroordeeld

aan eischeres niet, hare kinderen levensonderhoud te verschatten, en wel daarvoor aan heil, tegen kwijting te betalen de som van f600 per jaar, te voldoen, in. maandelijksche termijnen bij, vooruitbetaling en ingaande met den dag der dagvaarding, esn dat het vonnis, behalve de veroordeeling in. d'e proceskosten, zal worden verklaard uitvoerbaar bij voorraad met veroordeeling van de beide gedaagden in, de proceskosten,;

Ok'erwegende dat eischeres feitelijk stelt: dat zij1 is de wettige dochter uit het huwelijk van de derde gedaagde met nu wijlen Gabriel Louis I'. ;

dat zij sedert, 18 April 1894 is gehuwd geweest roet nu wijlen Wilhelmus Maria Sebastianus Gerardus B., dewelke op den 30en Maart 1900 te Sclieveningen is overleden ;

dat de: overleden, echtgenoot, voornoemd der eischeres wa,s de wettige zoon. uit het, huwelijk van de eerste met den tweeden gedaagde en zij, eischeres, mitsdien is de schoondochter der beide laatstgenoemde gedaagden;

dat uit haar huwelijk zijn geboren 5 kinderen, thans respectievelijk 1, 2, 3, 4 en 5 jaar oud;

dat eischeres zoowel als haar overleden echtgenoot reeds kort na hun huwelijk, als beiden zonder eenige inkomsten, vermogen, of middelen van bestaan, door de beide eerste gedaagden moesten worden onderhouden en, dan ook met hunne kinderen tot, aan den dood van den overleden echtgenoot voor liet grootst meerendeel, d. w. z. met eene bijdrage van, ongeveer f 1000 per jaar, door de beide eerste gedaagden zijn, onderhouden, geworden;

dat eischeres zoowel uit hoofde van hare opvoeding als om andere redenen niet in staat is of "ooit is geweest om op eenigerlei wijze in het levensonderhoud van zich en de haren te voorzien en geenerlei inkomsten, vermogen of middelen, van bestaan heeftof ooit heeft gehad:;

dat de beide eerste, gedaagden, sedert Maart jl. hunne gewone wekelijksche of maandelijksche uitkeering voor levensonderhoud hebben gestaakt, terwijl de derde gedaagde op grond van eigen onvermogen de eischeres voor tijdelijken onderstand heeft moeten verwijzen naar hare broeders en zusters, die niet in staat, noch verplicht zijn haar te blijven onderhouden;

dat zij mitsdien tot armoede zoude moeten vervallen en met algeheelen ondergang worden bedreigd, terwijl de beide eerste gedaagden alleszins in staat, zijn om in liaar onderhoud en dat der kinderen te voorzien;

dat het aan eischeres, bekend is, dat de derde gedaagde niet in staat is haar met hare kinderen geheel of gedeeltelijk te onderhouden,, zoodat deze in dit geval van elke, zoodanige verplichting behoort, te worden ontheven of vrijgesteld ;

aar schoonouders verplicht zijn, hunne schoonkinderen, wan neer deze behoeftig zijn, te onderhouden;

dat de eerste em tweede gedaagde ondanks herhaalde minnelijke verzoeken in gebreke blijven daarin, te voorzien;

Op welke gronden zij bij dagvaarding en conclusie van eisch vordert, dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande hoogere voorziening met ontheffing of vrijstelling van de derde gedaagde de beide eerste gedaagden zullen worden veroordeeld om aan eischeres met derzelver kinderen te verschaffen levensonderhoud en wel daarvoor aan haar tegen kwijting te betalen f 1500 per jaar of wiel zoodanige andere som als de Rechtbank zal vermeenen te behaoren en in. ieder geval te voldoen in maandeilijksche termijnen bij vooruitbetaling en ingaande met den dag der dagvaarding, alles met veroordeeling van, diegenen der gedaagden, welke deze vordering mochten tegenspreken, in de proceskosten ;

O. dat de derde gedaagde daarop heeft geantwoord: dat zij volledig erkent hetgeen door de eischeres bij dagvaarding en conclusie van eisch is gesteld;

dat zij evenwel niet in staat is om iets hoegenaamd in het levensonderhoud van eischeres bij te dragen, daar zij zelve geheel onvermogend is, geene inkomsten of middelen van bestaan heeft en daarom ook zelve onderhouden, wordt door hare 4 andere kinderen, zulks te hunnen huize te Sclieveningen; op deze gronden concludeerende: dat het der Rechtbank behage haar van elke verplichting tot onderhoud van de eischeres en dezer kinderen te ontheffen of vrij te stellen, alsmede haar akte te verleenen dat zij zich met opzicht tot <le verdere conclusiën der eischeres refereert aan 's rechters oordeel, kosten rechtens; O. dat de beide eerste gedaagden» hebben geantwoord'.

dat de echtgenooten B. zijn gehuwd in algeheele wettelijke gemeenschap van goederen en dus, waar het hier geldt eene vermogens-rechtelijke aangelegenheid, uitsluitend de tweede gedaagde als hoofd der echtvereeniging en beheerder der huwelijksgemeenschap kan worden gedagvaard, en derhalve de vordering, zooals die is ingesteld tegen vrouwe H., is niet-ontvankelijk;

dat de tweede gedaagde betwist, dat hiji ongenegen zou zijn geweest, om bij te dragen voor het onderhoud zijner kleinkinderen en van de eischeres, maar integendeel zich bereid heeft verklaard en ook thans nog bereid is een maandelijkscli bedrag van f 35 beschikbaar te stellen, van welke bereidverklaring hij akte verzoekt, terwijl in, ieder geval het- gevraagde bedrag door niets wordt gejustificeerd;

dat tot nu toe ook bij het leven van haar echtgenoot eischeres nimmer meer heeft ontvangen dan f 16 per week, welk bedrag zoo lioog was omdat deze gedaagde wenschte dat het zijn aan tering lijdenden zoon aan niets zou ontbreken;

dat eischeres bij het leven van haren, man voor onderhoud ontving, van half Juni 1895 tot 1 Januari 1896, f297.50 en vooi levensmiddelen nog afzonderlijk f24.40, te zamen f321.90; in

1896 voor onderhoud te Amsterdam, f700; in 1897 f819; in 1898 f917 en in 1899 tot October f742;

dat bovendien deze gedaagde niet in staat is meer te betalen dan het door hem aangeboden bedrag, want dat zijn vermogen blijkens het billet der vermogensbelasting slechts bedraagt f 19000; dat hij wel is waar woont in een vrij aanzienlijk huis, doch dit zwaar verhypotheceerd is, tengevolge daarvan dat hij voor zijn kinderen groote uitgaven heeft gehad, alleen wat den echtgenoot der eischeres betreft over 1895—1899 bedragende: f 22700;

dat deze gedaagde ook uit zijne confiserie in de galeries te Scheveningen geen groote winsten, behaalt, gelijk (zoude volgen) uit de in liet geding gebrachte verklaring van den heer B. J., commissaris der Commanditaire Vennootschap W. .J. H. B, (geregistreerd) lil. over 1895 f3733.44; over 1896 f2969.50; over

1897 f2288.52; over 1898 f 1951.76 en over 1899 f2389.88;

dat deze gedaagde bovendien nog 4 eigen kinderen te zijnien laste heeft;

dat ook met het oog op den stand waartoe de eischeres behoort een maandelijksche uitkeering van f 35 als voldoende» mag worden beschouwd ;

dat het voor het geval de Rechtbank onvermoedelijk den eisch tegen de eerste gedaagde ontvankelijk mocht achten, des neen, de verweringen door den. tweeden, gedaagde geschied, ook geacht moeten worden door haar te zijn gevoerd, op welke gronden zij concludeeren dat liet der Rechtbank behage:

a. de eischeres niet-ontvankelijk te verklaren in de door haar tegen de eerste gedaagde ingestelde vordering, immers haar die te ontzeggen;

b. eischeres niet-ontvankelijk te verklaren in hare vordering tegen den tweeden, gedaagde, immers haar die te ontzeo-own

akte vragende dat hij als hoofd der huwelijksgemeenschap met de aangeboden uitkeering van f 35 per maand voor levensonderhoud van de eischeresse en hare kinderen zal kunnen volstaan, alles met veroordeeling van eischeres in de kosten ;

O, dat eischeres bij repliek persisteerende bij hare genomen conclusiën nog heeft aangevoerd :

dat hare vordering tegen de eerste gedaagde zeer zeker is ontvankelijk ; dat eischeres' aanspraken wel zijn. van vermogensrechtelijken aard, doch uitsluitend wortelen in de familiebetrekking tusschen haar en de drie gedaagden bestaande en de verplichting van de eerste gedaagde is van geheel persoonlijken aard en zij heeft bij te dragen naar haar eigen vermogen, d. i. zoowel naar hetgeen haar krachtens dei algeheele wettelijke, gemeenschap van goederen toebehoort, als naar hetgeen haar daarnevens of daarbuiten mocht blijken toe te behooren;

dat dan ook de, opgeworpen, exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen de eerste gedaagde moet worden, verworpen;

dat eischeres voor haar behoeften een bedrag van minstens f 1500 per jaar broodnoodig heeft, waarvan zij eene justificatie heeft trachten te geven als :

a. huishuur f3.50 per week, f182;

b. belasting, vuur en, licht, f 100;

c. voedsel, f2, per dag, f730;

d. kleeding, f 250 ;

e. schoolgeld, loon dienstbode, bewassching, enz., f250, te zamen f 1512; o. ,a. opmerkende:

1°. dat zij 5 nog zeer jeugdige kinderen heeft, die hare zorgen gedurende een aantal jaren nog in geen enkel opzicht kunnen missen;

2°. dat de zorg voor die 5 kinderen haren, ganschen dag in beslag neemt;

3°. dat zij, door die onverpoosde zorg, alleen, en op zich zelf reeds buiten staat is, door eene haar passende betrekking m het onderhoud van zich en hare kinderen te voorzien ;

4°. dat liare 5 kinderen gestadig opgroeien, en uit den aard der zaak haar telkens meer aan onderhoud gaan kosten ;

dat, waar de behoeftigheid der eischeres en kinderen ook ten tijde der dagvaarding vaststaat en wel tot een bedrag van minstens f 1500 per jaar, waar het gevorderd bedrag is gejustificeerd, en de beide eerste gedaagden, alleszins in staat zijn het gevorderde op te brengen, de vordering der eischeres mitsdien voor dadelijke toewijzing vatbaar is ;

dat op de beide eerste gedaagden de bewij,slast drukt, dat zij niet in staat zijn het gevorderde op te brengen, en eischeres ontkent en betwist al hetgeen die gedaagden te dien aanzien hebben bijgebracht en wel speciaal: dat het vermogen dezer gedaagden niet meer dan f 19000 bedraagt;

dat 't onwaar is, dat het huis dezer gedaagden is belast met f 10000 hypotheek, dooli slechte mei, f 8000, terwijl een tweede hypotheek van f 5000 in April 1895 is afgelost en doorgehaald;

dat zij verder ontkent, en betwist dat de confiserie, patisserie en chocolaterie te Scheveningen, niet meer dan de opgegeven bedragen zouden opbrengen, terwijl haar van eene commanditaire vennootschap niets bekend is;

dat zij verder ontkent en betwist, dat deze gedaagden nog 4 kinderen te hunnien, laste hebben;

O. dat daarop de derde gedaagde heeft gepersisteerd bij hare conclusiën, onder opmerking dat het hotel Paulez tegenwoordig en sedert enkele jaren toebehoort en gedreven wordt door hare 4 kinderen,, bij wie zij inwoont ;

O. dat, vervolgens de beide eerste gedaagden, hunne sustenuen, nog nader bij dupliek hebben uiteengezet, persisteerende bij de genomen conclusiën., incidenteel concludeerende tot overlegging van stukken met sommatie tot erkenning of ontkenning van bij de conclusie gestelde feiten, waarna eischeres bij procureurs-acte overlegging der stukken heeft gedaan en zich over de gestelde feiten heeft uitgelaten ;

O', in rechte:

omtrent het middel van niet-ontvajikelijkheid;

dat de verplichting tot onderhoud van kinderen, schoonzoons, en schoondochters rust op de ouders en schoonouders, op ieder persoonlijk, voorzoover en naar gelang zij met het oog op hun vermogen daartoe kunnen bijdragen;

dat de wet daarbij geen onderscheid, maakt of de ouders zijn gehuwd onder huwelijksche voorwaarden dan wel in algeheele gemeenschap en bovendien de in algeheele gemeenschap gehuwde vrouw eigen vermogen bezit en buiten haar aandeel in de gemeenschap kan bezitten, zoodat de eischeres terecht ook haar in rechte heeft opgeroepen, omdat hij verplicht is allen, die tot het geven van onderhoud gehouden zijn, te zamen voor den rechter te brengen, ten einde ondea' hen het te verstrekken, onderhoud te doen regelen;

O. dat mitsdien eischeres is ontvankelijk in hare vordering tegen de eerste gedaagde;

O. alsnu :

dat ten processe vaststaat, dat eischeres is de dochter van da derde gedaagde en nu. wijlen G. L. Paulez;

dat zij is gehuwd met den zoon van de beide eerste gedaagden, op 30 Maart 1900 te Scheveningen overleden, uit welk, huwelijk zijn geboren 5 kinderen, alsmede dat zij en hare kinderen, zijn behoeftig;

dat derhalve de 3 gedaagden tot onderhoud van liaar en hare kinderen verplicht zijn;

O. dat de derde gedaagde uitdrukkelijk stelt, dat zij is onvermogend, bij hare 4 andere kinderen inwoont en, door deze wordt onderhouden en zulks noch door eischeres, noch door de beide eerste gedaagden is weersproken, zoodat de conclusie van deze gedaagde om haar te ontheffen en vrij te stellen van elke verplichting tot onderhoud van, de eischeres en dezer kinderen haar kan, volgen;

O. ten aanzien der beide eerste gedaagden:

dat het onderhoud wordt geregeld naar evenredigheid der behoeften van demgene die hetzelve vordert en het vermogen van dengene die daartoe verplicht is;

O. dat eischeres, vorderende een onderhoud van f 1500 'sjaars voor zich en hare kinderen, moet aantoonen, dat zij dit bedrag noodig heeft om te voorzien in de eerste levensbehoeften, ten einde verval tot armoede en geheelem ondergang te voorkomen;

O dat eischeres wel aanvoert, dat de 5 nog jeugdige kinderen hare zorg niet kunnen, missen ien al haar tijd in, beslag nemen, doch de Rechtbank van, oordeel is, dat zulks haar niet behoeft, te beletten zelf eenig werk te verrichten of op eenigerlei wijze

Sluiten