Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Dale's Groot Woordenboek der Nederlandsche Taal, het Fransche Woordenboek van Kramers & Bonte, Kramers' Algem. Kunstwoordentolk enz.);

dat onze wetgever, die niet, als zoo vele buitenlandsche, patenten of octrooien voor uitvindingen kent, blijkens de artikelen, die de requirante in cassatie verkeerd toegepast of geschonden

acnt, aiieen Descnerming wil veneend zien aan ingeschreven merken tegen nabootsing, waardoor het publiek in den waan zou kunnen worden gebracht de waren van een anderen fabrikant te koopen, welk geval echter volgens de feitelijke beslissing van de Rechtbank in casu onmogelijk is ;

dat de Rechtbank de aangehaalde artikelen derhalve noch verkeerd toegepast, noch geschonden heeft;

dat bovendien de aangevallen beslissing, .als van geheel feitelijken aard, voor onderzoek in cassatie niet vatbaar is ;

Redenen, waarom verzoekster zich wendt tot den Hoogen Raad der Nederlanden, met eerbiedig verzoek het door de naamlooze vennootschap The National Starch Manufacturing Company in¬

gestelde oeroep in cassatie te verwerpen.

's Gravenhage, 30 Juli 1900.

't Welk doende enz.,

(get.) J. Addink,

advocaat.

De Procureur-Generaal,

Gezien voorenstaand request met bijlagen en het daartegen ingediende antidotaal;

Overwegende dat het merk, waarop requestrante recht heeft, en dat hetwelk de gerequestreerde heeft doen inschrijven volgens de beslissing der Rechtbank in de 6de ien 7de overweging, niet enkel bestaat uit het woord Maizena, maar uit al datgene wat in die overwegingen is vermeld; dat a.1 ware die beslissing onjuist, zij toch niets anders zou zijn dan eene dwaling omtrent feiten, waardoor de in het middel genoemde wetsbepalingen niet zouden kunnen zijn geschonden of verkeerd, toegepast, en dat de Rechtbank in de 8ste overweging oordeelende, dat er van eene overeenstemming geheel of in hoofdzaak van het merk van de gerequestreerde met dat van de requestrante inderdaad geen sprake is en er dan ook bij het gebruik dier merken in den handel tegenover het groote publiek van eene verwarring van die merken eveneens geen gevaar te duchten is, als zijnde zij voldoende van elkander onderscheiden door hunne voorstelling, eene feitelijke beslissing heeft gegeven die in cassatie moet. worden geëerbiedigd ;

O. dat dus het cassatiemiddel is onaannemelijk:

Concludeert tot verwerping van het beroep.

Parket, 31 Juli 1900.

(get.) C. Polis.

De Hooge Raad enz. ;

Gezien het vorenstaande verzoekschrift, het daartegen ingediende antidotaal en de verder overgelegde stukken;

Gezien de conclusie van den proc.-gen. op dit verzoekschrift gesteld en strekkende tot verwerping van liet beroep;

Zich vereenigende met die conclusie, en alhier overnemende de daarin vervatte motieven;

Verwerpt het beroep in cassatie.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE 'a GRAVENHAGE. Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 18 Juni 1900.

Voorzitter, Mr. J. Spook,

Raadsheren, Mrs.: J. C. J. Ridder van Rappard, J. B. J. N. Ridder de van der ScHtrEREN, H. van Manen en A. van Laer.

Het verweer dat met het oog op de tusschen partijen gesloten overeenkomst waardoor de tusschen haar bestaande rechtsverhouding wordt beheerscht, de eischer zijne vordering niet kan baseeren op den door hem daarvoor gestelden grondslag, had wel kunnen leiden tot metontvankelijkheid der vordering doch niet tot ontzegging derzelve.

Het middel van niet-ontvankelijklieid kan voor het eerst in hooger beroep worden aangevoerd, daar het hier geldt een nieuwe weer van rechten, eene verdediging ten principale opleverende, terwijl niet blijkt dat zij ter eerster instantie is gedekt.

(Zie het vonnis a quo in W. 7414).

M. L. Wiltson, leeraar, wonende te 's Gravenhage, appellant,

procureur Mr. J. Limburg,

tegen

W. J. Eckhardt, bouwkundige, wonende te 's Gravenhage, gein-

timeerde, procureur Mr. D. van der Goot.

Het Hof;

Gehoord partijen;

Gezien de stukken, voor zooveel noodig geregistreerd;

Ten aanzien der daadzaken en in eersten aanleg gevoerde pro.cedure;

Overwegende dat het Hof zich gedraagt aan en overneemt de daartoe betrekkelijke overwegingen, voorkomende in het vonnis, den 23 Jan. 1900 door de Arrond.-Rechtbank te 's Gravenhage tusschen partijen gewezen, waarvan het dictum, luidt, enz. ;

O. dat de oorspronkelijk gedaagde, nu app., van dat vonnis is gekomen in hooger beroep eri dat partijen na bij hare schrifturen in hooger beroep hare wederzijdsclie sustenuen te hebben, uiteengezet, hebben geconcludeerd gelijk aan het slot daarvan vermeld staat;

In rechten: i

O. dat de Rechtbank terecht heeft overwogen dat het- verweer van den gedaagde, nu app., kennelijk hierop neerkomt, dat, waar naar de overeenkomst eischer, nu geint., de bouwmaterialen zou hebben te leveren voor den kostenden prijs en het huis zou afleveren voor hetgeen het hem kostte, waar prijscouranten, en loonlijsten steeds ter inzage zouden worden verstrekt en waar de maximum-prijs der bouwsom voor het perceel, alles te samen genomen, in geen. geval hooger zou zijn dan f 5800, eischer, nu aan die voorwaarde niet of nog niet is voldaan,'«Met het recht heeft blootelijk een willekeurig bedrag van gedaagde op te vorderen of een greep slechts te doen, doch dat eischer integendeel evengemelde omstandigheden had moeten in acht nemen en

P

dus had aan te geven of de som van f5800 niet was overschreden, hoewel daarvan reeds was besteld en of met dat bestelde

die som niet was te boven gegaan;

O. dat de Rechtbank van oordeel was dat dat verweer buiten verdere overweging kan blijven, wijl het wel had kui-nen leiden tot niet-ontvankelijklieid doch niet tot ontzegging der vordering waartoe gedaagde, nu app., uitsluitend heeft geconcludeerd;

O. dat tegen die opvatting des appellants eerste grief is gericht, daar liij vermeent terecht ontzegging te hebben gevraagd;

O. dat die grief den Hove ongegrond voorkomt, daar toch het

verweer öerust op do stelling dat, met het oog op dei tusschen partijen den 20en April gesloten overeenkomst, waardoor de tusschen haar bestaande rechtsverhouding wordt beheerscht, dei geint. zijne vordering niet kon baseeren, op den door heini daarvoor gestelden grondslag, met andere woorden, dat hij van app. geene betaling kan vorderen in voege als hij heeft gedaan;

O. dat de app. in hooger beroieip subsidiair op grond van het door hem gevoerd verweer tot niet-ontvankelijk verklaring van geint. in zijne vordering heeft geconcludeerd;

O. dat de geint. heeft beweerd, dat door app. het middel van niet-ontvankelijkheid niet voor het eerst in hooger beroep kan worden aangevoerd, doch ten onrechte, daar het hier toch geldt

een nieuwe weer van rechten, eene verdediging ten principale opleverende, terwijl niet blijkt dat, zij ter eerster instantie is gedekt, daar van een uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand doen van dat middel niet is gebleken;

O. dat het, Hof dus alsnog de al of niet juistheid van het verweer heeft te onderzoeken, welk onderzoek door den eersten

rechter niet heeit plaats gehad, en met het oog dat niet tot nietontvankelijkheid was geconcludeerd, niet behoefde te geschieden, hebbende de app. ten onrechte beweerd, dat de Rechtbank omtrent het verweer zelf reeds zou hebben beslist;

O. alsnu dat het verweer den Hove gegrond voorkomt, daar toch, met het oog op de tusschen partijen den, 20en April 1898 geslotene in confesso zijnde overeenkomst, waarbij was bepaald dat geint. voor app. een huis zou bouwen, waarbij hij de materialen zou leveren voor den kostenden prijis en het huis zou opleveren voor hetgeen het hem kostte, terwijl de prijs de som, van f 5800 niet mocht te bovengaan en het mede onbetwiste feit —• dat app. reeds met betrekking tot dat huis verschillende bedragen heeft betaald — de geint., zonder op te geven wat hij als kostenden prijs voor bouwmaterialen had besteed en nog had

te betalen en. hoeveel daarop reeds door app. was afgedaan, niiett rauwelijks van app. kon vorderen een bedrag van f 1120.10 wegens hout dat- hij aaji van Stolk had te betalen;

O. toch dat de app. recht, had zich tegen zoodanige vordering te verzetten, nu tot staving daarvan zelfs niet gesteld was, dat bij voldoening van het gevorderd bedrag, het maximum dat hem voor het huis in rekening kon worden gebracht, niet zou worden overschreden;

O. dat de geint. tot weerlegging van het door app. ingebracht verweer en tot staving zijner vordering, een beroep lieeft gedaan op eene door app. den 10 Juli 1898 aangegane verbintenis om 6

maanüen na net Deiginnen van (ten houw bij ricntige uitvoering de kosten der bouwmaterialen ten, bedrage van ongeveer f 1500 te betalen en verder heeft beweerd dat de f 5800 in het contract van 20 April 1898 slechts zou zijn aan te merken als eene door hem, geint., ter goeder trouw gemaakte raming, zonder dat hij, geint., voor het meerdere dat het huis zal kosten, aansprakelijk kan worden gesteld;

O. daaromtrent dat wat het laatste betreft, die bewering is in

strijd niet ue auiaeiijKe oewooraingen van de gesloten overeen komst, waarbij de som van f 5800 als maximum-prijs der bouwsom is bepaald en wel als limiet, die niet mocht worden overschreden, terwijl ten aanzien der verplichting voor den app. voortvloeiende uit hetgeen waartoe hij zich den lOen Juli 1898 verbond deze in verband moet worden beschouwd met de den 20en April 1898 tusschen partijen geslotene overeenkomst, waaraan de app. het recht ontleende om voor het huis niet meer te behoeven te betalen dan hoogstens f5800;

O. dat het Hof op vorenstaande gronden van oordeel is dat de app. bij het aangevalleni vonnis is bezwaard, dat dit mitsdien moet worden vernietigd en de geint. alsnog in ziine ingestelde

vordering moet worden verklaard met-ontvankelijk, waaruit tevens volgt dat het onnoodig is in een onderzoek der overige tusschen partijen gevoerde beweringen te treden,;

Gezien art. 56 B. R.;

Rechtdoende op liet ingestelde hooger beroep:

Vernietigt het vonnis door den Arrond.-Rechtbank te 's Gra¬

venhage den 23en Jan. 1900 tusschen partijen gewezen, en opnieuw rechtdoende:

Verklaart den oorspronkelijk eischer, nu geint., in zijne ingestelde vordering niet-ontvankelijk, en

Veroordeelt hem in, de kosten van beide instanti.n aan zijde van den app., begroot met. inbegrip der verschotten in eersten aanleg op f 132.37 en in hooger beroep op f172.75.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS RECHTBANK TE MAASTRICHT.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 10 Mei 1900.

Voorzitter, Mr. C. M. A. J. Bergers.

Rechters, Mrs.: J. J. de Wit en Th. J. A. Duynstee.

Geluigenbewijs van eene overeenkomst, de f 300 te boven gaande, is niet toelaatbaar, wanneer de dagvaarding niet reeds aantoont dat de eischer eene zaak van koophandel op het oog heeft: hij kan dus niet door getuigen bewijzen dat de gedaagde het rijtuig en de paarden voor zijn beroep van rijtuigverhuurder gekocht heeft omdat zulks uit het geheel zamenstel der dagvaarding moest kunnen opgemaakt worden.

F. Ohliger, koffiehuishouder, wonende te Maastricht, eischer, procureur Mr. R. von Geldern,

tegen

Cli. Ruwet, slachter, wonende te Maastricht, gedaagde, procureur Mr. P. Seydlitz.

De Rechtbank enz. ;

Gehoord de conclusiën van party en e,nz. ;

Gehoord de pleidooien;

Overwegende ten aanzien van, de daadzaken enz. ; Ten aanzien van het recht:

O. dat de eischer veroordeeling heeft gevorderd van

den gedaagde tot betaling der som van 1300' marken niet. de" teressen er van sedert den dag der dagvaarding, op grond c hij eischer op 2 Juli 1899 te Aken aan den gedaagde heeft v: kocht en geleverd een span, bestaande uit een rijtuig en 2 p8®; den met bijbelioorend paardentuig en gedaagde op den koopp®1.' per saldo, voormeld bedrag is schuldig gebleven;

O. dat de gedaagde alle schuldplichtigheid ter zake van beweerden koop en verkoop ontkend, alsmede dat, hiï on 2 J®

1899 te Aken van den eischer voormeld span gekocht heeft;

O. dat vervolgens de eischer heeft gevorderd te worden t|V gelaten tot het bewijs door getuigen van een tal van daadza&(( de strekking hebbende om, aan te toonen, dat de door hem $ stelde overeenkomst, werkelijk met den gedaagde is aangegan" O. dat de toelaatbaarheid van het aangeboden bewijs door y tuigen door den gedaagde is bestreden op grond dat het ten & heeft, om het aanwezig zijn aan te toonen van eene overeenkou1* welke eene verbintenis bevat, waarvan de waarde de som tl. 300 te boven gaat en zulks bij de wet. niet is toegelaten, te»' het zaken van koophandel geldt;

_ O. dat de gedaagde dit laatste heeft betwist op grond dat eischer als koffiehuishouder den gedaagde als slachter heeft do® dagvaarden, en de dagvaarding blijkens haren geheelen inlio1" middelen en conclusiën eene gewone civiele vordering behel?®" dat de eischer wel is waar vervolgens ten einde aan de vordert* een commercieel karakter te geven beweerd heeft, dat hij do * de vordering bedoelde voorwerpen aan den gedaagde heeft ^ kocht voor zijn bedrijf als huurkoetsier, doch deze bewering ee* bij de conclusie van dupliek voorgebracht, eene ongeoorkx# vermeerdering, althans verandering van het onderwerp van & eisch is;

O. dat de Rechtbank de bestrijding van de incidenteele vord® ring tot getukrenhfiwiis o-firftcht.va.a.rd icrrl n.pTit, rlüit immAr-e rvD^1'

— in een zaak van koophandel — de dagvaarding kunne gea^ worden te voldoen aan het, vereischte om te behelzen het mi<$ en het onderwerp van den eisch met eene duidelijke en bepaal" conclusie, zoo .al niet met zoovele woorden er in, moet uitf!® drukt zijn, dat de vordering eene handelszaak betreft, deze a0f der vordering althans uit het geheel zamenstel van de. dao>vaa®

ding moet kunnen opgemaakt worden en hieraan, onder andere'; wanneer de voor handelszaken korten termijn van dagvaardt mocht zijn betracht en niet bloot aan dezen, wellicht bij ve! gissing gekozen termijn, de. rechter bij niet-verschijning van $ gedaagde, de gronden zijner beslissing omtrent het verleenen ^ verstek, zou moeten ontleenen;

O. dat ten deze de eischer, als koffiehuishouder, van den ê® daagde als slachter, vorderde het saldo van den koopprijs van geleverd span, zonder eenige nadere bijvoeging, zonder zelfs ^ voerbaarverklaring van het te wijzen vonnis te vragen bij: vo°!, raad, noch bij lijfsdwang, onmiskenbaar eene burgerlijke zs^ bedoeld heeft, doch later, na ontkenning van de overeenkom van koop en verkoop, om deze te kunnen bewijzen, het. gerad^ geoordeeld heeft om aan de zaak een, commercieel karakter '' geven en zoo doende gedaagde's bedrijf van slachter in dat ^ huurkoetsier veranderd en tevens gesteld heeft dat gedaagde t' span gekocht had om bet voor zijn bedrijf als huurkoetsier *' gebruiken en daarmede dat beroep uit te oefenen;

O. dat hieruit volgt dat getuigenbewiis niet toelaatbaar *

diensvolgens den eischer zijne incidenteele vordering tot getuige' bewijs moet worden ontzegd;

Rechtdoende:

Ontzegt den eischer zijne incidenteele vordering;

\ eroordeelt den eischer in de daardoor veroorzaakte k°* ten enz.;

Stelt de zaak ter verdere behandeling ter terechtzitting van de' 14den Juni 1900.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE AMSTERDAM.

Eerste Kamer.

Zitting van den 6 Februari 1900.

Voorzitter, Mr. J. A. de Bas.

Rechters, Mrs. : P. Coninck Westenberg en Th. J. Hoppe-

Artt. 678 B. W. en 230 Gemeentewet.

Art. 678 B. IV, handelende „van de rechten en verplid1' tingen van naburige erven" kan geen toepassing vind^ waar een der eigendommen is een openbare weg, ''' deze behoorende aan eene gemeente.

Het ivoord „erven" in zijn ruimste beteekenis genoin^" omvat niet meer dan alle gebouwde en ongebouwd eigendommen, waaronder niet kunnen vallen de »«"' eene gemeente behoorende openbare wegen en slrate'Jj voor den openbaren dienst bestemd, welke in art. $ \ der Gemeentewet worden bedoeld.

J. C. Giilcher, burgemeester der Gemeente Hilversum, als die meente in rechten vertegenwoordigende, eischer procureur ^1' F. A. Molster,

tegen

E. Nieuwenhuijzen, wonende te Hilversum, gedaagde procuref'' Mr. P. G. van Anrooij.

De Rechtbank ;

Gehoord partijen;

Gehoord de conclusie van het, Openb. Min., dat het der Red1'' bank behage den eischer niet-ontvankelijk te verklaren in zijn^ eisch en hem. te veroordeelen in de kosten van het geding; Gezien de stukken;

Overwegende ten aanzien der feiten :

dat de eischer bij dagvaarding op verkorten termijn uitf bracht, en daarmede overeenstemmende conclusie van eisch, stel®' dat de Raad der Gemeente Hilversum besloten heeft den op®1' baren weg binnen die gemeente, genaamd het Melkpad, welke ^ die gemeente behoort en bij het Kadaster ongenummerd is, 1 verbreeden en te bestraten;

dat dit eigendom der gemeente grenst aan het perceel bij 1'5, kadaster dier gemeente bekend als sectie E n°. 3787, zooals °' staat aangegeven op een den 16 Juni 1899 .afgegeven uittrekt uit het kadastrale plan dier gemeente, welk perceel eigendoW' van gedaagde;

dat voor de westelijke grens van dat perceel af over eenle^'f van ongeveer 11 meter, een heg de afscheiding vormt tusscK dat perceel en hot aan, de gemeente behoorende Melkpad, d'jf, dat van waar die heg ophoudt, zoover als genoemde perceel^ aan elkaar grenzen en dus tot het oostelijke eindpunt van n°- 3|

tA J AT J e T A • L , llr-ttfy

\yx. i. wacw uü iuuuurwBg oi jjie-peweg- op net

uitkomt) ter lengte van ongeveer 26i meter geen afscheiding tu

Sluiten