Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 1 October 1900.

Pi". 7486

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

KECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

TWEE - EN - ZESTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VERITAS.

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. advertentiën, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers, Gebr. Beliinfante, te 's-Gravenhage (Ie Wagenstraat 100).

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

Prijs der

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Kamer Tau Yacantie.

Zitting van den 27 Augustus 1900.

Voorzitter, Mr. F. B. Coninck Lieesting. Raadsheeren, Mrs. : Pu. van Blom, A. P. Th. Eyssell, B. H. M. Hanlo, E. W. Guljé, A. Telders en Jhr. D. G. van Teylingen.

Art. 326 Strafrecht houdt geen beperking in omtrent den persoon, aan wien de afgifte geschiedt, en eischt allerminst, dat zij geschiede aan den persoon, die tot de afgifte bewoog.

De omstandigheid, dat de afgegeven postwissel is ingetrokken en niet is uitbetaald, kon die afgifte, die eenmaal had plaats gehad, niet ongedaan maken.

J. J. v. A., oud 43 jaren, geboren te Amsterdam, wonende te "Otterdam, reiziger, in verzekerde bewaring, is requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 'sGravenhage ^an 26 Juni 1900, waarbij, op zijn hooger beroep, is bevestigd het vonnis door de Arrond.-Rechtbank te Rotterdam op 26 April 1900 tegen hem gewezen, bij hetwelk hij, met toepassing- der artt. "26, 421 Strafrecht, 214 en 219 Strafvord., is schuldig verklaard oplichting, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verloopen sedert de schuldige eene tegen hem jegens oplichting uitgesprokene gevangenisstraf geheel heeft ontt®rgaan, en te dier zake is veroordeeld tot eene gevangenisstraf Voor den tijd van één jaar, met bevel tot teruggave der stukken Van overtuiging in voege: als in dat vonnis is omschreven.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Hanlo, en advocaat van den req., Jhr. Mr. W. M. de Bbauw, de voor^ening had toegelicht, heeft de adv.-gen. Jhr. Rethaan Macabé Ie volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtbare Heerenl

Door den rechter, die over de feiten had te oordeelen, is wettig en overtuigend bewezen verklaard, dat de req. met liet oogmerk 2leh wederrechtelijk te bevoordeelen door in de dagvaarding om. Schreven leugens en bedriegelijke handelingen den directeur eener Edam gevestigde handelsdrukkerij heeft bewogen, hem een Rotterdam betaalbaar gestelden postwissel ten bedrage van * 10 te zenden, welke som daartoe door genoemden directeur ten S°stkantore te Edam was gestort.

De Rechtbank te Rotterdam en het Hof te 's Gravenhage waren oordeel, dat op deze bewezen feiten de qualificatie van o p 1 o h t i n g volkomen past.

. Alle bestanddeelen van dit misdrijf, zooals het omschreven is 111 art. 326 Strafrecht, waren immers aanwezig: oogmerk bij den "jader, om zich wederrechtelijk te bevoordeelen; gebruik door dader van bedriegelijke middelen; en het door den dader gewilde effect, dat de bedrogene zich had laten bewegen tot Afgifte.

Niettemin hebben deze beslissingen den raadsman van den req. Seer verwonderd en meent hij, dat art. 326 Strafrecht daarbij ^rkeerd is toegepast, omdat naar zijn oordeel er in casu in wet'elijken zin geen afgifte heeft plaats gehad, zoodat het mis.''jf van oplichting niet voltooid is. Art. 326 kon dus *:1jn eraclitens geen toepassing vinden en req. had, daar er geene

"JSidiaare te laste legging van poging is gedaan, van aüe rechts*6rvolging ontslagen moeten worden.

, Tot recht verstand der zaak zij hier opgemerkt, dat in factis lijkt, dat nadat het geld voor den postwissel g&tort en de dissel verzonden was, doch vóórdat de wissel den req. had ei'6ikt, door den afzender werd ontdekt, dat hij bedrogen was & dat hij toen van de omstandigheid, dat er noodzakelijk eenige ':'d moest verloopen tussclien de afzending van den postwissel 'l,t Edam en de uitreiking daarvan aan den geadresseerde te Rot®*'dam, gebruik heeft gemaakt, om te vóórkomen, dat die uiteiking plaats had, waardoor de schade, die de bedrogene door ,® handelingen van req. heeft geleden teruggebracht zal zijn tot ® kosten gevallen op de verzending en op de intrekking van den ' 'gezonden wissel.

-Met dien stand van zaken voor oogen beweert nu de raadsman req., dat er in casu geen afgifte als bedoeld bij art.

Strafrecht heeft plaats gehad, omdat die afgifte veronderJ (jat; er ietM uit het vermogen van den bedrogene is overge8aan in het bezit van den bedrieger.

b ?.er nu> hij. is niets overgegaan in het bezit van den

i'-'jrieger en is ook niets uitgegaan uit bet vermogen van den ®dr°gene.

, Pat er in casu niets is overgegaan in het bezit van den berger, is waar en volkomen verklaarbaar is dat van de zijde v beklaagde beweerd wordt, dat het misdrijf daarom nog niet °'tooid is. Hem toch was het te doen zich meester te maken (j 11 het geld. Onder de heerschappij van den C. P. kon het inder^rt twijfelachtig zijn of er in zóódanig geval recht was, om 'Ir i Code Pénal toe te passen, daar deze wetsbepaling uitv llkkelijk vorderde, dat de dader zich langs den vooraf beschre)f| 11 bedriegelijken weg had meester gemaakt of had trachten ;,„ester te maken van eens anders goed, doch ons tegenwoordig w.' 326 Strafrecht heeft juist ten einde aan de strafbepaling in »6 <?er kring werking te verzekeren op dit punt andere eischen b steld en het zwaartepunt van het misdrijf gelegd in het een

ander door bedriegelijke middelen en met het oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeeling- bewegian tot de afgifte van eenig goed. Cf. Smidt II bl. 514.

De wetgever vordert dus thans.: „dat er zij : oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeeling', bedriegelijk middel en als résultante van deze een intern door den benadeelde genomen besluit tot afgifte gevolgd door, en blijkende u i t de afgifte.

In dit door den wetgever gevolgde systeem heeft de afgifte dus slechts beteekenis als uitwendig blijk van het door het gepleegde bedrog bij den bedrogene verkregen resultaat. Of de bedrogene ten slotte door het bedrog al dan niet schade heeft geleden is eene zaak, waarmede onze wet zich niet bemoeit en die geen element meer vormt van het misdrijf.

De wet straft het bedrog, onafhankelijk van de daarmede verkregen resultaten, zij vraagt alleen of de bedrieger het oogmerk had te benadeelen, niet of hij dit doelwit ook bereikt heeft. Dit blijkt mede voldingend uit de verder in den 25sten titel opgenomen artikelen, waarvan meerdere het bedrog strafbaar stellen onafhankelijk van de vraag, of er al dan niet schade is toegebracht.

dat de beklaagde geen voordeel heeft genoten, kan dus geen reden zijn, om art. 326 Strafrecht niet toe te passen, waar vaststaat dat de beklaagde wel degelijk wederrechtelijk bevoordeeling tot oogmerk had.

Maar, zegt de raadsman, in het onderhavige geval is er ook door den bedrogene geen schade geleden en bij een vermogensdelict moet er toch altijd nadeel geleden zijn. Ook dit kan ik in zoo algemeenen zin niet toegeven. Oplichting behoort tot de vermogensdelicten, omdat de toeleg van den dader, daarbij altijd gericht is op benadeeling van eens anders vermogen, terwijl de omstandigheid, dat in eenig geval die toeleg niet gelukt is, geen wijziging kan brengen in het karakter van het delict

Maar buitendien is het feitelijk onjuist, dat ier in casu geen schade is geleden. Dank zij de omstandigheid, dat de afzender de uitbetaling nog tijdig heeft kunnen vóórkomen, is de schade, wel is waar, tot zeer kleine proportiën teruggebracht, doch te ontkennen is het niet, dat er schade is geleden, doordat het recht, bedoeld bij art. 18 der wet op de Brievenposterij1 door den afzender betaald is geworden en doordat hij zich het ongerief en de kosten heeft moeten getroosten gevallen op en verbonden aan de middelen door hem aangewend, om de uitbetaling te vóórkomen.

Van het standpunt van den bedrogene en van dat van den wetgever gezien, is liet misdrijf in casu geheel voltooid, want de directeur der Edamsche drukkerij was het slachtoffer geworden van de bedriegelijke praktijken van den requirant en was daardoor er toe gebracht zijn, geld ten postkantore te Edam af te geven.

Neen, zegt de raadsman van req,, ook dat is niet juist. In het gegeven geval heeft er geen afgifte in den zin der wet plaats gehad. De posterij immers is slechts de lasthebster van den afzender het bij de posterij gestorte geld blijft deel uitmaken van

diens vermogen en aïgitte m den zin der wet is er alleen daar, waar iets uit het vermogen van den afgever in eens anders vermogen overgaat.

Geen van deze stellingen kan, dunkt mij, den toets van een nader onderzoek doorstaan.

Dat het woord afgifte in art. 326 eene andere dan de gewone en eene speciaal juridieke beteekenis zou hebben, is eene gratuite assertie, die door niets wordt gestaafd.

Dat hij die bij de posterijen gelden stort ten einde te verkrijgen, dat de postadministratie op eene andere plaats een gelijk bedrag aan den geadresseerde betale, geen recht behoudt op de door hem aan de postadministratie afgegeven penningen, is duidelijk. Zoodra de administratie die penningen in ontvangst heeft genomen, vermengt deze ze met hare overige kasgelden en heeft de afzender daarop geen recht hoegenaamd meer, wel ontvangt deze in de plaats van het geld een bewijs, waaruit blijkt, dat de postadministratie de verplichting op zich heeft genomen elders een gelijk bedrag uit te betalen, maar het gestorte geld houdt op een deel van zijn vermogen te zijn en hij verkrijgt daarvoor in de plaats slechts eene vordering tegen de Dosterii. Of die

vordering nu bij de bestaande wet op de brievenposterij van privaatrechtelijke, dan wel van publiekrechtelijke natuur zal zijn, heb ik hier niet te onderhoeken en evenmin of ze, gesteld ze ware van privaatrechtelijken aard, eene zuivere actio mandati zou opleveren. Alleen waag ik het op te merken, dat de artt. 1850 en vlg'. B. W. voorkomende in de 4de afdeeling van den titel van lastgeving daarop toch bezwaarlijk zonder voorbehoud zouden kunnen worden toegepast.

Wat hiervan intusschen zij, zoo meen ik, dat door het aangevoerde voldoende is aangetoond dat de stelling van des requirants raadsman: dat het woord „afgifte" in art. 326 Strafrecht alleen mag opgevat worden in den zin van afgifte aan den dader of aan diens gemachtigde, noch in de woorden, noch in de geschiedenis der wet steun vindt:

dat integendeel uit de geschiedenis der wet blijkt, dat afgifte alleen gevorderd wordt als het daadwerkelijk bewijs, dat het gepleegde bedrog doel heeft getroffen en liet slachtoffer van dat bedrog gebracht heeft tot eene handeling, die hij anders niet zou hebben verricht, onverschillig aan wien wordt afgegeven en onverschillig of door die afgifte door den bedrogene ten slotte al dan niet schade wordt beloopen, genoeg dat schade door den dader werd beoogd.

Op deze gronden meen ik, dat art. 326 Strafrecht wel en te recht door Rechtbank en Hof op de bewezen feiten is toegepast en acht ik het bij pleidooi voorgestelde middel van cassatie niet aannemelijk, waarom ik de eer heb te concludeeren tot verwerping dezer voorziening.

De Hooge Raad enz. :

Gelet op het middel van cassatie, namens den req. voorgesteld bij pleidooi:

Schending of verkeerde toepassing van art. 326 Strafrecht, doordien het bij het arrest bevestigde vonnis:

öf aanneemt, dat het misdrijf van oplichting voltooid is, voordat de in dat artikel bedoelde afgifte van eenig goed, of het aangaan van eene schuld of het te niet doen van eene inschuld heeft plaats gehad;

öf aanneemt, dat de afgifte, in dat artikel bedoeld, heeft plaats gehad, wanneer hij, die tot de afgifte zou bewogen zijn, het goed aan een door hem onherroepelijk tot de afgifte gemachtigde heeft ter hand gesteld, en het na intrekking dier volmacht weer door dien gemachtigde is teruggegeven;

Overwegende dat den req. bij dagvaarding is ten laste gelegd : dat hij op 1 Dec. 1899 of omstreeks dien tijd1 te Rotterdam of te Edam. met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordeelen, A. B., wonende te Edam, heeft bewogen hem toe te zenden, als salaris, een postwissel groot f 10 door, na vooraf onder den valschen naam van T'. de K. bij genoemden B. als colporteur of reiziger in dienst te zijn getreden, aan dien B. meerdere malen in strijd met de waarheid listiglijk te schrijven, dat hij voor B. verschillende orders bij onderscheidene afnemers had afgesloten, dien B. daardoor in den waan brengende, dat hij werkelijk als colporteur of reiziger voor hem werkzaam was, en zulks, na bereids van af den 7den Febr. 1897 eene gevangenisstraf van één jaar, hem ter zake van oplichting', bij arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 Febr. 1897 opgelegd, geheel te hebben ondergaan ;

O. dat deze feiten bij het bevestigde vonnis zijn bewezen verklaard, meb dien verstande, dat het bewuste bedrag van f 10 door den getuige B. niet aan den beklaagde werd toegezonden als salaris, terwijl naar het oordeel der Rechtbank de als bewezen aangenomen omstandigheid, dat beklaagde onder den valschen naam van a. K. bij genoemden getuige B. was in dienst getreden, bij dagvaarding niet is ten laste gelegd als een middel, waardoor die getuige tot de toezending van het geld is betwogen, en met dien verstande, dat het als bewezen aangenomen feit gepleegd is te Rotterdam;

O. ten aanzien van het voorgestelde middel en hetgeen tot staving daarvan bij pleidooi is aangevoerd:

dat de Rechtbank bij, het bevestigde vonnis door bewezen te verklaren wat bij de dagvaarding is ten laste gelegd, bewezen heeft verklaard, dat req. den getuige B. heeft bewogen hem den postwissel toe te zenden dien deze ten bedrage van f 10 van uit Edam aan hei adres van T. de K. te Rotterdam heeft toegezonden en kort daarna, onmiddellijk op een bekomen bericht omtrent ï. de K., heeft doen intrekken;

dat blijkens door den rechter is aangenomen, dat die toezending is geschied op de gewone wijze, overeenkomstig art. 18 deiwet van 15 April 1891 (Stbl. n°. 87), doordat die getuige ten postkantore te Edam liet over te maken bedrag van f 10 met liet verschuldigde recht heeft betaald en het ingevuld postwisselformulier heeft ingeleverd, ter verzending naar Rotterdam ;

dat derhalve dat geld en dat formulier ten postkantore te Edam zijn afgegeven, in den gewonen zin des woord, waarvan niet blijkt, dat de wetgever in art. 326 het woord afgifte bezigende is afgeweken;

dat dit artikel geen beperking inhoudt omtrent den persoon aan wien de a f g i f t. e geschiedt en allerminst eischt, dat die geschiede aan den persoon, die tot de afgifte bewoog;

dat de omstandigheid, dat de postwissel is ingetrokken en niet is uitbetaald, de afgifte nu die eenmaal had plaats gehad, niet ongedaan kan maken;

O. dat mitsdien het bij het arrest bevestigde vonnis op de bewezen verklaarde feiten te recht art. 326 Strafrecht heeft toegepast en niet heeft aangenomen wat bij het middel beweerd wordt daarin aangenomen te zijn en het middel mitsdien zijn feitelijken grondslag mist:

Verwerpt het beroep in cassatie.

Kamer yan Vacautie.

Zitting van den 27 Augustus 1900.

Voorzitter, Mr. F. B. Coninck Liefsting. Raadsheeren, Mrs. : Ph. van Blom, A. P. Th. Eyssell, B. H.

M. Hanlo, E. W. Guljé, A. Telders en Jhr. D. G. vak

Teylingen.

Waar bij de schuldigverklaring aan twee misdrijven van zware mishandeling ten aanzien van elk dezer misdrijven duidelijk blijkt, door welke bewijsmiddelen het is beivezen verklaard, wordt eene nadere aanduiding daarvan niet vereischt, en is aan het voorschrift der wet, dat de uitspraak met redenen moet zijn omkleed, voldaan.

D. P. v. d. M., volgens zijne opgave oud 28 jaren, ai-beider, geboren en wonende te Bergumerheide, gemeente Tietjerksteradeel, in hechtenis, is requirant van cassatie, voor zoover hij daarbij is veroordeeld tegen een arrest van liet Gerechtshof te Leeu. warden van 9 Juni 1900, waarbij, met vernietiging van een vonnis van de Arrond.-Rechtbank te Leeuwarden van 18 April 1900 wat betreft liet opzet om te dooden, de qualificatie, de toegepaste wetsartikelen en de opgelegde straf, doch met bevestiging van dat vonnis voor zoover betreft het bevel tot teruggaaf der stukken van overtuiging en tot vernietiging van het in beslag genomen

Sluiten