Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

®en,en eed behoeft en kan uitlaten, nadat zij krachtens een interlocutoir vonnis den beslissenden eed inhoudende:, opgeroepen is 01 dien uit te zweren of terug t.e; wijzen;

dat ziji zich omtrent het al of niet beslissende van den opgadragen eed geheel aan het oordeel der Rechtbank refereert, doch Voor 't geval de Rechtbank die wel beslissend mocht verklaren, zij alsdan bereid is dien af te leggen;

dat echter de Rechtbank vermoedelijk niet eens naar het al of liet beslissende van dien eed een onderzoek zal instellen, omdat oöch uit het vonnis a quo, nóch uit eenig ander ten proceisse bekend stuk blijkt, dat de gemachtigde van den eischer speciaal gemachtigd was een dacisoirem, eed aan geint. op te dragen; Ten aanzien van het recht:

O. dat uit de in het geding gebrachte: grosse van het vonnis des eersten rechters blijkt, dat de eischer eerst bij gemachtigd», doch later in persoon is verschenen voor den heer kantonrechter en ook dat de eischer — en niet diens gemachtigde — dien eed heeft opgedragen;

dat alzoo die eedsopdracht naar eisch van rechten is geschied ; O. wat betreft de vraag of de opgedragen eed is beslissend; dat art. 1968 B. W. inhoudende dat de eed, alleen kan worden opgedragen omtrent een daadzaak, die 2>ersoonlijk zou zijn verricht door dengene aan wiens eed de beslissing wordt overgelaten, overgenomen is van art. 1359 C. C., terwijl uit da geschiedenis van art. 1968 niet blijkt, dat de wetgever van voornoemd artikel heeft willen afwijken;

dat nu uit de geschiedenis van art. 1359 duidelijk blijkt, dat de Franscha wetgever daarmede beoogd heeft, dat niet alleen de persoonlijk verrichte daden het onderwerp van den eed kunnen uitmaken, doeh ook de wetenschap omtrent eenig feit, welke wetenschap is personnel a la partie, gelijk dan ook de tribun Favard in zijn rapport daaromtrent zeide: ,,ils seraient tenus d'accepter Ie serment sur ce qui peut être provenu a leur connaissanoa" ;

dat nu de niet-wetenschap van gedaagde met de niet-verschuldigdheid moet worden gelijk gesteld en de haar opgedragen eed alzoo voor beslissend nroet worden gehouden ;

O. dat de gedaagde in eerste instantie de haar opgedragen eed niet heeft .aangenomen, doch dit voor haar geene verhindering is om daarop terug te komen;

dat toch blijkens hare houding in appel de gedaagde dien haar in eersten aanleg opgedragen eed niet beslissend oordeelde en zij dus toen alle recht had dien eed, alvorens daaromtrent een uitspraak had plaats gehad, voor alsnog te weigeren, terwijl zij later, nadat de rechter dien eed beslissend had verklaard, zich over het al of niet aannemen daarvan kon uitlaten;

dat zij alzoo dien eed thans nog aannemende in de gelegenheid nioet worden gesteld die thans af te leggen;

Verleent aan partijen akte waarvan akte is gevraagd;

Boet te niet het appel;

Vernietigt het vonnis van den kantonrechter te Zevenbergen, dd. 26 Oct. 1899 tusschen partijen gewezen;

En op nieuw recht doende:

Verklaart den door den oorspronkelijken eischer, thans app., aan de oorspronkelijke gedaagde, thans geint., opgedragen eed beslissend;

Beveelt de geint. om na oproeping van de meest gareede partij ter civiele terechtzitting dezer Rechtbank af te leggen den naVolgenden eed:

Ik zweer, enz. ;

Reserveert de kosten.

ARRONBISSEMENTS-RECHTBANK TE HAARLEM.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van dien 19 December 1899.

Voorzitter, Jhr. Mr. J. W. Quintus.

Rechters, Mrs.: J. \y. Losecaat Vekmeek en C. g. vo,\ Reeken.

De bij dagvaarding gestelde overeenkomst is niet strijdig met de wetten, de goede zeden of de openbare orde.

X, eischeres, procureur Mr. F. W. Mac Donald,

tegen

Y, gedaagde, procureur Mr. Th. de Haan Hugenholtz.

Be Rechtbank;

Wat het recht betreft:

Overwegende dat naar aanleiding der gevoerde litis contestatie zijn te beantwoorden de navolgende vragen:

1°. Heeft de bij dagvaarding gestelde overeenkomst eene onge°orloofde oorzaak als zijnde strijdig met de wetten, de goede zaden of de openbare orde?

2°. enz. ;

O. ad Ium en wel ten aanzien van de vraag of de bij dagvaarding gestelde overeenkomst strijdt tegen de goede zeden?

dat de zaak volgens de eischeres hierop neerkomt, dat zij, aischeres, die overspel met den gedaagde heeft gepleegd — welk overspel ook door den advocaat van den gedaagde, voor zoover den gedaagde betreft, bij plaidooi gaaf is erkend —■ zich door dezen heeft laten bewegen, om tegen betaling van eene jaarlijksche uitkeering van f 1000, zich niet te verzetten tegen een door haren Echtgenoot tegen haar op grond van dat overspel ingestelden eisch tot echtscheiding;

O. dat de verbintenis van eischeres om zich niet te verzetten tegen een door haren man rechtmatig ingestelden eisch tot echtscheiding, gegrond op door haar gepleegd overspel, niet is strijdig met de goede zeden, vermits het berusten in zoodanigen edsch Veeleer als plichtmatig is aan te merken tegenover den bedrogen ^Schenden echtgenoot;

O. dat de door den gedaagde gedane belofte aan de eischeres ',ri1 haar eena jaarlijksche uitkeering van f 1000 te, geven, onder ^oorwaarde, dat zij zou berusten in den eisch tot echtscheiding ~°or haren man tegen haar ingesteld, al evenmin is strijdig met de goede zeden, vermits het strijdige met de goede zeden ligt in ?et over en weer gepleegde overspel, en elke handeling die, zooals 111 casu, ten doel heeft om aan die daad geen ruchtbaarheid te geyen, veeleer is aan te merken als te zijn geboden door de goede *6den, die niet kunnen zijn gediend met ruchtbaarheid te geven de onzedelijke daden van twee overspelige echtgenooten; dat eindelijk hierbij niet uit het oog mag worden verloren het Sroote belang — zoowel zedelijk als maatschappelijk — hetwelk °or den gedaagde bestond tegenover eigen vrouw en kind, dat an het ook door hem gepleegde overspel geen ruchtbaarheid werd ®6geven door een in het openbaar uitgesproken vonnis tot echt°heiding;

(>- dat gevolgelijk de bij dagvaarding gestelde overeenkomst, le geene met de goede zeden strijdige handelingen (doen of laten)

in het leven heeft geroepen, niet is strijdig met de goede zeden en evenmin met de openbare orde;

O. dat de gedaagde de gestelde overeenkomst strijdig met de wet acht, omdat de wet echtscheiding met onderling goedvinden niet toelaat;

dat echter van echtscheiding door onderlinge toestemming in casu geen sprake is geweest, vermits niet een van de beide echtgenooten, den ander door beloften heeft bewogen, om: zich niet tegen, den eisch te verzetten, — doch een derde de eene echtgenoot door beloften heeft bewogen om in een volmaakt gegronden eisch te berusten,;

dat uit het overwogane volgt dat de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord;

O. ad Ilum enz.

ARRONBISSEMENTS-RECHTBANK TE ALMELO.

Rechtdoende in Burgerlijke Zaken.

Zitting van den 6 Juni 1900.

Voorzitter, .Mr. J. van Wulfften Paithi.

Rechters, Mrs.: Z. W. Straatman en A. Croockewit.

De door de eischeresse tot ondersteuning harer vordering aangevoerde gronden zijn niet zoodanige als de wet vordert om scheiding van goederen te kunnen uitspreken.

M. J. J. H. v. d. H., wonende te Stad Almelo, eclitgenoote

van den heer C. A. L. A., eischeres, procureur Mr. G. Kor-

tenbout van der sutijs,

tegen

C. A. L. A., wonende te Stad Almelo, gedaagde en defaillant.

Be Rechtbank;

Gehoord de eischeresse;

Gezien de stukken;

Gelet op de conclusie van het Openb. Min. strekkende tot toewijzing der vordering van eischeresse met veroordeeling van den gedaagde in de proceskosten ;

Wat de daadzaken aangaat:

Overwegende- dat de eischeresse voorop stellende dat zij den 12 Juni 1897 te Stad Almelo met den gedaagde is gehuwd, na vooraf bij akte den 5den Juni 1897 verleden door den notaris J. H. Wildervanck de Blécourt te Almelo, huwelijksvoorwaarden te hebben vastgesteld, krachtens welke o. a. tusschen hen alléén bestaat eene gemeenschap van vruchten en inkomsten en waarbij aan eischeresse toestemming werd gegeven haar bedrijf als openbare koopvrouw te blijven uitoefenen, dat da gedaagde, na op ultimo Becember des vorigen jaars, zonder dat daartoe gegronde redenen bestonden, te zijn getreden uit de firma A. & Co. gevestigd te Stad Almelo, waarvan hij lid was en, waarin hij een goed bestaan had, eenige dagen later de eischeresse an zijn woonplaats heeft verlaten, zonder order op zijn zaken te stellen of adres achter te laten; dat de gedaagde daarop ton verzoeke van de firma Gebrs. G. te Zutphen, bij arrest van het Hof te Arnhem dd. 14 Febr. 1900, rechtdoende in hooger beroep, is verklaard in staat van faillissement; dat de gedaagde na eenige waken in Amerika te hebben doorgebracht, weder in de echtelijke woning is teruggekeerd; dat de eischeresse, ten einde met het oog op het bepaalde bij art. 63 der Faillissementswet niet te worden bemoeilijkt in haar bedrijf van openbare koopvrouw aan de geverifieerde schuldeischers het volle bedrag hunner vorderingen heeft moeten uitkeeren tengevolge waarvan het faillissement een einde heeft genomen; dat de eischeresse alzoo overeenkomstig het bepaalde bij art. 241 B. W. gerechtigd is scheiding van goederen te vorderen en zij tot het instellen dier vordering is gemachtigd door den Edel Achtbaren Heer President van gemelde Rechtbank, bij: beschikking van den 21sten Maart 1900; dat gedaagde niet is verschenen en verstek tegen hem is verleend;

Op grond daarvan bij dagvaarding en opgevolgde conclusie heeft gevorderd dat het aan de Rechtbank moge behagen, partijen te verklaren gescheiden van goederen, met veroordeeling van den gedaagde om, indien hij in gebreke blijft, vrijwillig tot die scheiding en verdeeling mede te werken, binnen 14 dagen nadat het in deze te wijzen vonnis openbaar zal zijn aangekondigd, met eischeresse over ta gaan tot de verdeeling der ontbonden gemeenschap van vruchten en inkomsten, met benoeming van een notaris voor wien, zoo partijen niet anders overeenkomen, de werkzaamheden dier verdeelmg zullen plaats hebben en met bepaling van plaats dag en uur, waar en waarop partijen zullen gehouden zijn ten fine als gemeld, voor dien gekozen of benoemden notaris te verschijnen en met benoeming van een onzijdig persoon, ten einde diegene van partijen te vertegenwoordigen, die mocht weigeren of nalaten tot de scheiding en deeling mede te werken; voorts den gedaagde bij verstek te veroordeelen om aan eischeresse tegen kwijting af te geven, de haar in privé toebehooreinde roerende goederen met veroordeeling tevens van den gedaagde in de proceskosten ;

Wat het recht betreft:

O. dat de gronden, waarop eischeresse da scheiding van goederen vraagt, zijn tweeërlei feiten, nl. 1°. dat gedaagde zonder op zijn zaken order te stellen, van eischeresse is vertrokken an na eenige weken verblijf in Amerika, bij eischeres is teruggekomen ; 2°. dat hij in dien tusschentijd op verzoek van een zijner crediteuren, in staat van faillissement is verklaard, welk faillissement weder is geëindigd doordat eischeresse alle schulden, heeft betaald;

O. dat art. 241 B. W. scheiding van goederen toelaat in twee gevallen :

1°. waimeer de man, door een kennelijk wangedrag de goederen der gemeenschap verspilt en het huisgezin aan, ondergang bloot stelt;

2°. wanneer, door de wanorde en het slecht beheer zijner zaken, de waarborg voor het huwelijksgoed der vrouw, en voor hetgeen haar naar rechten toekomt zoude verloren, gaan, of door grof verzuim in het beheer van het huwelijksgoed hetzelve zoude worden in gevaar gebracht;

O. dat, daar hier noch wangedrag noch verspilling wordt ten laste gelegd en de geinputeerde feiten, op zich zelve beschouwd, daaronder niet kunnen vallen de vordering kennelijk niet is ingesteld op grond der eerste alinea van art. 241 B. W. ;

O. dat het er derhalve voor moet worden gehouden, dat de vordering is ingesteld op grond der 2de alinea en wel dat gedeelte dat redenen tot scheiding aanwezig acht, indien door de wanorde en het slecht beheer zijner zaken, de waarborg voor het huwelijksgoed der vrouw en voor hetgeen haar in rechten toekomt, zoude verloren, gaan;

O. dat in deze in het oog gehouden moet worden, dat blijkens de voorgelegde huwelijksvoorwaarden partijen alleen zijn, gehuwd in gemeenschap van vruchten en inkomsten en de vrouw zich het beheer harer eigene goederen heeft bedongen;

O. dat het in deze omstandigheden moeilijk denkbaar is, (gesteld zelfs dat de man zijne zaken in wanorde heeft en slecht beheert) dat de vrouw haar huwelijksgoed of hetgeen haar persoonlijk toekomt in gevaar zoude komen, daar de eigendom haar verblijft en haar door geen enkele daad des mans kan worden ontnomen en het beheer daarvan eveneens bij haar blijft, zoodat de man op geen enkele wijze zich met het goed zijner vrouw bemoeit of mag bemoeien;

O. dat echter bovendien de aangevoerde feiten op zichzelve en ook in verband met elkander beschouwd, nog niet van zelve wanorde en slecht beheer (althans in, ernstige mate) aantoonen, daar de afwezigheid in casu slechts kort heeft geduurd en, de faillietverklaring wel in het algemeen aantoont dat iemand op een zeker oogenblik niet in staat is zijne schulden te betalen,: doch nog niet, dat dit altijd is veroorzaakt door wanorde in zaken of slecht beheer, zoodat het geheel van nadere omstandigheden zoude hebben afgehangen of uit de door eischeresse aangevoerde feiten, wanorde of slecht beheer zoude voortvloeien ;

O. dat wel is waar het faillissement van den man aan de met hem in gemeenschap van vruchten en inkomsten gehuwde vrouw groot nadeel kan veroorzaken, omdat zij daardoor hare inkomsten uit hare goederen zal verliezen, daar deze in den faillieten boedel zullen vallen, doch dat deze inkomsten behooren tot de goederen der gemeenschap, en niet tot liet huwelijksgoed der vrouw ;

O. dat ook wel hierdoor, bij langeren duur van het faillissement, niettegenstaande de vrouw den eigendom van een betrekkelijk groot vermogen in veiligheid kan behouden, het huisgezin aan finantieelen ondergang kan worden blootgesteld', doch dat het ter toewijzing der rechtsvordering in casu, niet voldoende is, dat een zeker gevolg is ontstaan of dreigt, doch dat liet noodig is, dat dit ontstaan zij uit bepaalde oorzaken nl. uit kennelijk wangedrag en verspilling van den man;

O. dat echter, zooals boven reeds is vermeld, eischeresse dit niet heeft gesteld;

O. dat derhalve de door eischeresse tot ondersteuning harer vordering, aangevoerde gronden geene zoodanige zijn, als de wet vordert om scheiding van goederen ta kunnen uitspreken, zoodat eischeresse in hare vordering moet worden verklaart niet-ontvankelijk ;

Gezien art. 241 B. W. en art. 56 B. R.;

Rechtdoende:

Verklaart eischeresse niet-ontvankelijk in hare vordering;

Veroordeelt haar in de kosten dezer procedure.

HOOGE RAAB. — BULLETIN".

(Strafkamer).

Zitting van Maandag, 29 October.

Voorzitter, Mr. J. J. van Meerbeke.

I. Uitspraak gedaan in zake:

1°. H. A. W. v. B., tegen een arrest van het Hof te 's Hertogenbosch'. Verworpen.

2°. H. A. W. v. B., tegen, een arrest van het Hof te 's Hertogenbosch. Het bestreden arrest vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof te Arnhem.

3°. Ben Ambt. van het O. M. bij: het Kantongerecht te Gouda, tegen een vonnis in zake M. J., wed. O. N. Het bastreden vonnis vernietigd, en tem principale recht doende, de gerequirearde veroordeeld in eena geldboete van f 1.

4°. A. V., tegen een, vonnis van het Kantongerecht te Zierikzee. Het bestreden vonnis vernietigd en de zaak verwezen naar de Rechtbank ta Zierikzee.

5°. L. M., tegen een vonnis der Rechtbank te 's Hertogen, bosch. Verworpen.

6°. J. J. ju.., tegen een vonnis der Rechtbank te 's Hertogenbosch. Verworpen.

7°. S. S. v. d. L., tegen een vonnis van het Kantongerecht te Heerenveen. Verworpen.

8°. A. J. J. B., tegen een arrest van het Hof te 's Gravenhage. Verworpen.

9°. A. J. S., tegen een arrest van het Hof te 's Gravenhage. Verworpen.

10°. A. B., tegen een arrest van het Hof te Amsterdam. Verworpen.

II. Conclusie genomen in zake:

A. v. T., tegen een vonnis der Rechtbank ta Amsterdam. Adv. Gen. Jhr. Reitliaan Macaré concludeert tot verwerping. Uitspraak 26 November.

III. Behandeld het beroep van :

1°. Ben Proc. -Gen. bij het Hof te Amsterdam, tegen een arrest in zake J. v. O. Rapp. raadsh. de Pinto. Adv.-Gen, Jhr. Rethaan Macaré concludeert tot vernietiging van het bestreden arrest, en dat de burgerlijke rechter zal worden bevoegd verklaard om van deze zaak kennis tei namen, met terugwijzing der zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam. Uitspraak 26 November.

2°. M. J. v. E., tegen een vonnis der Rechtbank tie Utrecht. Rapp. raadsh. Clant van der Mijll.

3°. G. P., tegen een vonnis der Rechtbank te 's Gravenhage. Rapp. raadsh. Hanlo.

4°. W. v. H., tegen een arrest van het Hof te Arnhem. Rapp. raadsh. Jhr. van Teylingen.

Adv.-Gen. Jhr. Rethaan Macaré concludeert in de drie laatste beroepen tot verwerping. Uitspraak 5 November.

IV. Uitgesteld tot 5 Nov. de behandeling der zaak van:

J. v. G., tegen een vonnis der Rechtbank ta 's Hertogenbosch.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Kon. Besluit van 25 October 1900, n°. 61 is benoemd tot griffier der Arrond.-Rcchtbank te 's Gravenhage Mr. J. S. B. van Boorn, thans substituut-griffier bij gemeld college.

— Bij Kon. Besluit van 26 October 1900, n°. 25 is benoemd tot griffier bij liet Kantongerecht te Harderwijk, Mr. G. N. Manger Cats, thans griffier bij het Kantongerecht te Ommen.

BERICHTEN EN MEDEDEELINGEN.

Uit de Breyfus-beweging.

Men herinnert zich uit de dagen, dal deze beweging op haar felst was, de publicatie van een photogram eener quasi ontmoeting van kolonel Picquart met kolonel Schwartzkoppen te Carlsruhe. Beze publicatie gaf aanleiding tot eene vervol-

Sluiten