Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

No. 7517.

oischer zelf gestelde feit omtrent den langzamen gang der machine, omdat dan immers, bij gewone oplettendheid en voorzichtigheid, van verrassing geen sprake had kunnen zijn en alle tijd was om uit den weg te gaan; dat men nimmer langer op een spoor moet blijven dan strikt noodig is, en dus als men het moet oversteken zulks steeds in loodrechte richting moet doen na eerst naar rechts en links te hebben gezien of do weg veilig is ; dat eischer ter zijde van het spoor evengoed in rechte lijn op de douaneloods zou hebben aangeloopen en dit dus bij de uiterst geringe 'winst van tijd geen excuus is om zich langer dan noodig is op een spoor op te houden; dat de onvoorzichtigheid evenmin gerechtvaardigd wordt door de omstandigheid, die trouwens wordt ontkend, dat aan de overzijde niet eerder een begaanbare weg aanwezig was, daar eischer dan aan deze zijde van het spoor had kunnen blijven, totdat hij het spoor loodrecht kon oversteken en bovendien een spoor gevaarlijker is dan een terrein zonder begaanbaren weg ; dat buitendien bij eventueele enquête zal blijken, dat eischer, na met den bestuurder der machine te hebben gesproken, in plaats van onmiddellijk loodrecht over de sporen zich naar de douaneloods te begeven, gelijk mogelijk was, zich eerst zonder eenige noodzaak in de richting van wissel 78 van de loods heeft verwijderd en daardoor er toe gekomen is om op het spoor naar de loods te gaan;

O. dat de eischer vervolgens nog onder persistit bij zijn bewijsaanbod in het geding heeft gebracht bij afschrift (ger. enz.) vier brieven waarvan de 1ste dd. 11 Oct. 1898 door gedaagde is gericht aan eischer, en de drie andere respectievelijk gedateerd 14 Nov., 2 Dec. 1898 en 5 Jan. 1899 door gedaagde aan 's eischers raadsman zijn gezonden;

O. dat gedaagde nog heeft doen zeggen, dat de door eischer in het geding gebrachte brieven volkomen van belang zijn ontbloot, en dat uit de door eischer ze!ven te bewijzen aangeboden feiten volgt, dat het ongeluk aan eischers onvoorzichtigheid is te wijten en die feiten derhalve niet zij n ter zake dienende; dat gedaagde subsidiair concludeert, voor het geval de Rechtbank van oordeel is, dat eischer tot 't bewijs' dier feiten moeit' warden toegelaten, dan ook aan gedaagde zal worden toegestaan de door haar gestelde feiten door getuigen te bewijzen;

I n, jure:

O. dat indien naar het oordeel der Rechtbank uit de door eischer zeiven gestelde en te bewijzen aangeboden feiten voortvloeit, dat het aan eischer overkomen ongeval aan zijn eigen onvoorzichtigheid is te wijten, daaruit noodwendig volgt, heit zij art. 1 der spoorwegwet hier van toepassing is of niet, dat die feiten de daarop gegronde vordering niet wettigen;

O. dat de eischer zelf stelt, dat hij het spoor schuins is overgestoken, dat de gang der machine zóó langzaam was, dat een persoon haar stapvoets kon bijhouden en dat de machine van voren van een lantaarn was voorzien ;

O. dat al had nu, wat gedaagde ontkent, eischer met Steinfert afgesproken, dat hij vóór aan 't rangeeren te gaan, naar de douaneloods en Steinfert. naar de spoorweghaven moest gaan, het niet is gebleken, dat tusschen hen ook is besproken, hoeveel tijd ieder van hen daarvoor noodig zoude hebben, en het in die onzekerheid van eischer, die als spoorwegbeambte wel met gevaar vertrouwd geraakt, maar dat als zoodanig ook te beter kent, zeer zeker onvoorzichtig was den spoorweg schuins over te steken zonder naar de machine, die dan toch verwacht werd, om te zien eni door rechts en links uit'te kijken, zich te overtuigen dat de weg veilig was en hij door het nemen van dien gemakkelijken en gebruike1 ij ken voorzorgsmaatregel zich zeker voor het hem voorgekomen ongeval zou hebben gevrijwaard;

O. dat het nu niet de vraag kan zijn of ook de machinist Steinfert het ongeval had kunnen voorkomen, maar naar het oordeel der Rechtbank uit de door eischer zeiven gestelde feiten de hoofdoorzaak van het hem overkomen ongeval aan eischer zeiven is te wijten ;

O. dat derhalve de door eischer zeiven gestelde en te bewijzen aangeboden feiten zijne vordering niet wettigen;

Gezien art. 56 B. R. ;

Gaat voorbij de bewijsaanbiedingen van partijen ;

Verklaart den eischer in zijne vordering niet ontvankelijk, en

Veroordeelt hem in de kosten van het geding.

HOOGE RAAD. — BULLETIN.

(Revisie).

Zitting van Maandag, 10 December.

Voorzitter, Mr. J. J. van Meerbeke.

Uitspraak gedaan in zake:

G. W. v. P., tegen een arrest van het Hof te Arnhem. Niet-ontvankelflk verklaard.

(Strafkamer).

T. Uitspraak gedaan in zake:

1°. Den Ambtenaar van het O. M. te Vianen, tegen een vonnis in zake C. v. E. Het bestreden vonnis vernietigd, en ten principale recht doende, de gerequireerde veroordeeld tot eene geldboete van f0.50.

2°. Tj. M., tegen een arrest van het Hof te Leeuwarden. V erworpen.

3°. B. H. S. v. L., tegen een arrest van het Hof te's Hertogenbosch. V erworpen.

4°. K. Th. H., tegen een arrest van het Hof te Leeuwarden. Verworpen.

5°. A. H., tegen een arrest van het Hof te Leeuwarden. Verworpen.

6°. S. L. G., tegen een arrest van het Hof te Arnhem. Verworpen.

7° A. d. V., tegen een arrest van het Hof te Leeuwarden. Verworpen.

II. Conclusie genomen in zake :

G. J. K. c. s., tegen een vonnis van het Kantongerecht te Gorinchem. Adv.-Gen. Jhr. Rethaan, Macaré concludeert tot verwerping. Uitspraak 7 Januari.

III. Behandeld het beroep van :

1°. Den Off. van Justitie te Dordrecht, tegen een vonnis in zake P. K. Rapp. raadsh. de Pinto. Adv.-Gen. Jhr. Rethaan Macaré concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis, en veroordeeling van den gerequireerde tot hechtenis van hoogstens twaalf dagen. Uitspraak 7 Januari.

2°. A. B., tegen een arrest van het Hof te 's Gravenhage.

Rapp. raadsh. Eijssell.

3°. P. 0. v. D., tegen een arrest van het Hof te 's Gravenhage. Rapp. raadsh. Jhr. Laman Trip.

4°. J. B., tegen een arrest van het Hof te Leeuwarden. Rsipp. raadsh. Jhr. van Teijlingen. Adv.-Gen. Jhr. Rethaan Ma¬

caré concludeert in. de drie laatste beroepen tot verwerping. "Uitspraak 17 December.

IV. Uitgesteld tot 24 December de behandeling der zaak van:

J. K., tegen een arrest van het Hof te 's Gravenhage.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Kon. Besluit van 6 December 1900, n°. 19, is: 1°. aan Mr. B. H. Carp, op zijn daartoe gedaan verzoek, eervol ontslag verleend als lid van het college van regenten over het huis van bewaring te Harderwijk, onder dankbetuiging voor de als zoodanig bewezen diensten;

2°. benoemd tot lid van het college van regenten over het huis van bewaring te Harderwijk, Mr. G. X. Manger G'ats, griffier bij het Kantongerecht aldaar.

BERICHTEN EN MEDEDEELINGEN.

„La première avocate'.

,,Un avocat" schreef in de Figaro van 6 Dec. jl. de volgende aardige mededeeling over de beëediging der eerste „avocate" te Parijs :

Vingt-quatre heures après la promulgation a 1'Officiel de la loi „ayant pour objet de permettre aux femmes munies des diplómes de licencié en droit de piêter le serment d'avocat et d'exercer cette profession", Mme Petit — distangant de quelques jours Mlle Chauvin — prêtait, a l'audienee de la lre Chambre de la Cour d'appel de Paris, présidée par M. Emile Forichon, le serment exigé par la loi pour êtïe admis a se faire inscrire a un barreau.

Cette solennité avait mis, hier, le Palais en révolution. Vers midi, le vide s'était fait aux différentes Chambres de la Cour et du Tribunal, et avocats et avoués avaient en hate gagné la salie d'audience de la lre Chambre, archioomble déja.

Arrivés, vers onze heures et demie, au Palais, en compagnie de son mari, membre du barreau parisien, Mms Petit était assise sur le premier banc des avocats, a droite de la Cour, au milieu des seize licenciés en droit admis a la prestation de serment. Mignonne, gracieuss, la chevelure un peu ébouriliée la jeune femme, tout en tenant entre ses mains sa toque qui paraissait 1 embarrasser fort, conversait avec Me Maurice Bernard. De toutes parts, dans la salie d'audience, on se haussait sur le bout des pieds pour voir 1' „avocate", que sa petite taille garantissait, dans une certaine mesure, contre Findiscrétion géi.érale.

A midi vingt minutes, la Cour entre en séance. Trois magistrats, récemment nommés, prêtent serment au milieu d'une compléte mdifférence. Enfin, Me Léon Devin, qui se tenait debout a la barre, prend la parole en ces termes :

J'ai 1'honneur de prier la Cour d'admettra au serment d'avocat les licenciés en droit dont voici les noms.

Lé batonnier donne lecture de dix-sept noms. Le nom de Mme Petit occupe le quatorzième rang.

Sur les réquisitions de M. 1'avocat général Jacomy, M. Ie greffier Piogey lit la formule du serment: „Je jure de ne rien dire ou publier, comme défenseur ou conseil, de contraire aux lois, aux règlements, aux bonnes moeurs, a la süreté de 1'Etat et a la paix publique, et de ne jamais m'écarter du respect dü aux Tribunaux et aux autorités publiques". Treize licenciés défilemt a la barre pronongant un: ,,Je le jure!" la plupart du temps énergique. Puis c'est le tour de Mme Petit. La jeune femme léve la main droite, aux doigts de laquelle on apergoit plusieurs bagues, et dit: „Je le jure!" d'une voix légèrement étranglés par 1'émotion.

Quand le dernier licencié a prêté serment, M. le premier président Forichon donne acte de toutes les prestations de serment et, selon 1'usage, engage les nouveaux avocats a prendre place ü la barre. Mme Petit met le conseil a profit et aftand, assise au premier banc des avocats, a cöté de son mari, que le flot des curieux se soit écoulé.

Lorsque la salie est aux trois quarts vide, 1'avocate, tenant toujours son embarrassante toque entre ses mains, sort de l'audienee et traverse une haie de curieux. On peut alors constater que la robe d'avocat de Mme Petit — robe qu'elle aurait oonfectionnée elle-même — est infiniment plus élégante que les robes de> Messieurs ses confrères. Rourquoi la coquetterie féminine désarmerait-elle sous la toque?

Mme Petit se rend ensuite au vestiaire Walty oü elle enlève sa robe d'avocat. Elle sort bientöt du vestiaire en toilette de villa, une toilette élégante contre laquelle aucune robe d'avocat ne prévaudra jamais....

Et pendant Faprès-midi, dans la grande salie des pas perdus, la prestation de serment de la nouvelle avocate a été 1'objet de toutes les conversations.

Aan onze hoogescholen zijn reeds enkele dames als studentin de rechtswetenschap ingeschreven, en vele vrouwelijke leerlingen bezoeken, als wij wel zijn ingelicht, onze gymnasia met het doel om zich later aan de rechtsstudie te wijden. De tijd is dus niet ver meer verwijderd, dat ook wij onze dames-advocaten zullen hebben. Bij ons is daartoe, zoo wij wel zien geen wetsen zelfs geen reglementswijziging noodig.

CORRESPONDENTIE.

Het uitvoerig antwoord van Mr. J. A. Levy aan Mr. A. P. Th. Eijssell, te laat ontvangen voor dit nommer, Vrijdag.

AD VERTENTIEN.

Weekblad van het Recht.

Bij de uitgevers dezes zijn nog verschillende jaargangen en losse nummers ter completeering voorhanden.

Een compleet ex. 1839—1899 niet registers is voor den meestbiedende te koop.

OUDEMAN-LIPMAN Nederlandsche Wetboeken

VIJFDE DRUK door

Mr. P. BAUDUIU.

De vergelijkende overzichten, door Mr. S. P. Lipman, met medewerking van Mr. J. W. Tydeman, voor eiken titel der Wetboeken geschreven, zijn, voor zoover nog toepasselijk en voor zooveel noodig aangevuld, in deze uitgave opgenomen.

Elk Wetboek is afzonderlijk verkrijgbaar af 1.75 in rood linnen band.

Prijs van het compleete werk in één deel gebonden f 4.90.

Bij GEBB. BELINFANTE te 's Gravenhage, ziet compleet het licht :

JOAN VAN DEN IIONERT Thz.

FORMULIERBOEK

der

onderscheidene Aeten behoorende tot de

Burgerlijke Rechtsvordering,

(lierzieii en vermeerflerd ioor Mrs. J. Heemskerk Az. en &. Belinfante)

VIERDE DRUK Omgewerkt, met inachtneming van de jongste wijzigingen in het Wetboek gebracht,

door

Mr. J. A. F0EST, Advocaat en Procureur te Amsterdam, Mr. D. E. LIONI, Advocaat en Procureur en Privaat-Docent aan de Universiteit te Amsterdam en Mr. Lod. S. B0AS, Advocaat en Procureur te Amsterdam.

Prjjs: gebonden f 11.

Bij GEBB. BELINFANTE, te 's Gravenhage,

ziet het licht :

Léon's Rechtspraak, 3' Druk.

DEEL III AFL. 6.

DE RECHTSPRAAK

en de

Administratieve beslissingen

01» de

Wet op de Vermogensbelasting

met ophelderingen en geschiedkundige toelichtingen enz.

J. M. VAN WALSEM,

Inspecteur der Registratie en Domeinen te 's Gravenhage. vel 6 —10 Prijs f 1/25.

De omvang van deze aflevering wordt geraamd op 25. vel druks.

Voor niet-inteekenaren op Léon's Bechtspraak is dit werk verkrijgbaar onder den titel van De Wet op de Vermogensbelasting, door J. M. van Walsem.

Van den 3en druk zijn thans verschenen:

Deel I.

leafl. Mr. J. A. Levy, De Grondwet . f 3.25

2e » Mr. H. Vcs, De Gemeentewet . . 10.

3e » Mr. N. Cramer, De Fabriekwet . 1.

4e » De Begraafwet en Ziekten wet 1.25

5e » De Arinwet. . . . 1.50

6e » Mr. J. Limrurg, De Drankwet . . 1.

7e » — De Onteigeningswet . . 5.—

8e » Mr. N. Cramer, Jacht en Visschery. 1.50 9e De Veeziekten- en Hondsdolheid-wet ..... o.75 10e « De Onderwijswetten en uitvoeringsbesluiten. . . . . . 3.

Deel II.

7e » Mr. J. W. Belinfante, Wetboek van

Strafrecht 4.go

Deel III.

4.eafl. N. Koomans, De Wet op het Zegel . 1.75 5e » Mr. L. A. Micheels, De Wet op het

Notaris-Ambt enz. . . , 3.

6e » J. M. van Walsem, De Wet op de

Vermogensbelasting, vel 1—10 . 2.50

Gedrukt b(j F. J. BELINFANTE, voorh. : A. D. SCHINKEL.

Sluiten