Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot kantonrechter-plaattsverv-anger in het kanton Schagen, H. Feisser, ontvanger der directe belastingen en accijnzen te Schagen.

CORRESPONDENTIE.

RECHT TOT VEREENIGING.

In W. n°. 7516 noodigt Mr. Eijssell mij uit, omtrent mijne opvatting van bovenstaand recht, mij nader te verklaren, ^an dit verzoek voldoe ik gaarne.

Vooreerst alzoo de Historische wording van het art. 9 (niet 10) eerste lid.

in ons geschreven Staatsrecht komt het vereenigingsrecht voor, sedert 1798. JJe staatsregeling van dat jaar beiieifc.de, in art. 18, onder de burgerlijke en staatkundige grondregels, de navolgende bepaling: „ieder burger heelt regt, om nieo zijne inede-ourgers te vergaderen, ter onderlinge voorlichting, Der opwekking van vaaenandsiiefde, en ter naauwer vcrb.ndtenis aan de Staatsregeling, zonder dat, nogthands die constitu. tioneele gezelschappen, ais zooaamgen, met eikanderen over staats-zaken briei wisseling houden, geschreven aanIviagten ontvangen, bij stemming besluiten, ot, bij wijze van corporatie, eenige openOaare daad zuilen verrigten '.

IVien merke wel «n. rhi.t, hier Ha hfiwAmriinirAni var» af

subjetiei zijn geiormuleerd. Ik maak de opmerking met omdat ik aan wets 1 n k 1 ee d i n g zoo bijster veei iiecut (ue historia interna weegt bij mij necl wat zwaarder), maar omdat Mr. Kijssell verwijst naar üe „geheel onpeisooniijk gesteide erkenning van hei vereenigingsrecht" xu onze bestaande Urondwec.

Ue beperking van het vereenigingsrecht werd door art. 71 fetaatsr. li9ó gegeven: , ,öeen genootschap, ot verzameling v.an afzonderlijke personen, van weiken aard ook, heelt of maakt reglementen, snijdig met deze grondbeginselen, 01 met de akte van staatsregeling . Daarmede was men gewapend tegen üe politieke clubs, die, in het revolutionaire tijdvak, eene zoo rumoerige rol speelden.

Ue staatsregelingen ten onzent, die min of meer den terugslag van het iranscne despotisme ondervonden, deden het veieem° gingsiecht verdwijnen. Natuurlijk, want de autocratie is niet gediend van het vrije woord des vrijen mans, niet gediend van openbare critiek op immers onaantastbare regeeringsdaden. Dat eenter, ook na het herstel van zaken ten onzentt toen onze eigen Oranje weer banierdrager werd, aan het vereenigingsrècht, als grondwettelijk voorschrift, niet werd gedacht, is°meer verwondermk. en vr«»ry.rHvvP:r ïir !iifV»<>«o r»o<v...n ^..4- —

0 , , ^ XV.IU1, lilt UUS-

ver onopgenelderd. Te vreemder is dit verzuim, naardien oi.ze eerste commissie van redactie voor het Burgerlijk Wetboek het vereenigingsrecht ais privaatrecht hal opgevat en ontworpen. Hec reit zelf echter dat het vereenigingsrecht civielrechtelijk werd gehanteerd, toont hoe, in he°t juridisch denken dier dagen, aan de subjectiviteit van dat recht, al tastte men mis in zijn publiekrechtelijk karakter, niet werd getwijleld.

^ Die laatste leemte weid, more solito, in 1848, door onzen Thorbecke aangevuld. In het ontwerp der commissie stond de subjectiviteit vooraan: ,,Het regt der ingezetenen, 0111 zich te veieenigen, wordt erkend en door de wet aan geene bepalingen, dan tot verzekering der publieke orde, onderworpen. . -Kien lette op het disjunctie^e en, dat de zinsnede in tweeën splitst. Het minsiteriëel ontwerp, bewust of niet, verbrak die splitsing door samenvoeging: „Het regt der ingezetenen tot vereeniging en vergadering wordt erkend, behoudens eene wet, de uitoeleuing daarvan regelende in het belang der openbare orde".

Juist daartegen richtte Thorbecke zijne critiek. Ik schrijf de bladzijde af, omdat zij boekdeelen spreekt: „Het regt tot vereeniging en vergadering", schoon in naam erkend, wordt door de toevoeging, „behoudens eene wet, de uitoefening daarvan regelende in het belang der openbare orde" werkeloos. Wat baat de erkenning van een regt in de Grondwet, welks uitoefening alhangt van de wet? Beter dan, eenvoudig te zeggen: het regt van vereeniging wordt door de wet geregeld. Ook eene Grondwet moet opregt zijn, en niet den schijn aannemen iets te jeve.i wat zij inderdaad onthoudt.

,,De uitoefening van liet regt tot vereeniging en vergadering" is, zoo ik mij niet bedrieg, het zich vereenigen, het vergaderen zeli, gelijk de uitoefening van het regt om te eten of te koopen eten en koopen is. Art. 10 zegt dus aan de ingezetenen: gij hebt het regt om u te vereenigen en te vergaderen; maar or gij u zult mogen vereenigen, of gij zult mogen vergaderen, zal de

wet beo al en. Wil Sfïhp.Tllvftn li can r-arr+ • TTrJ-i »ul>nn l..i„

* v * ~ «y u lausr zeg-

gen, m hoeverre gij er gebruik van moogt maken; dit is eene grootmoedigheid, d,e niet veel kost; op deze wijze maakt eene Grondwet rijk m regten, en blijft de begiftigde zoo arm als te voren.

„De gewone wetgever kan, naar art, 10, tem aanzien van het regt van vereeniging doen hetgeen hij ook zonder dat artikel zou kunnen. Art. 291 van het Fransche strafwetboek is met art. 10, des noods, zeer wel bestaanbaar" (1).

Straalt in deze woorden niet duidelijk door de bedoeling om en het toegekende recht tot eene waarheid te maken èn den wetgever slechts tusschen beide te doen treden tot handhaving der openbare orde? Thorbecke won zijn pleit. De Grondwet van 48 en de onze hebben in twee van elkander gescheiden alinea's zijne gedachte belichaamd.

Inmiddels had de doctrine van het staatsrecht niet gerust Werpen wij, ten tweede, een blik op haar.

Hoe zii van karakter vp.randprd nn i-mn .. ■ . ■ i._- i

« . , wyögccii", 11/(iui.seu

geworden is, heb ik elders aangetoond (2). In die wending werd de rij geopend door Gerber. Hij staat nog op het standpunt, dat de „volksrechten" eene concessie zijn. „Men pleegt deze stellingen wel als „volksrechten" aan te duiden., om daarmede te kennen te geven, dat ieder lid des volks aan de weldaad der thans verruimde en gewaarborgde vrijheid van beweging deel neemt; maar in geen geval mag deze uitdrukking verleiden tot de opvatting, dat daarbij van rechten in subjectieven zin sprake is daar zij veeleer doorgaans als rechtsvoorschriften d w z' als voorschriften van het objectieve recht verschijnen" (3)

Juist tegen die stelling komt Jellinek op, in zijn baanbre-

bk1)l^ijdrag8 t0t d6 herzi6ning der Grondwet (Leiden 1848)

(2) Een keerpunt in de beoefening van het Staatsrecht in Bijdr. v. Rechtsg. en Wetg. 3880.

(3) Grundzüge eines Systems des deutschen Staatsrechts von O. 1. von Gerber (Leipzig 1869) blz. 32.

kend werk (4). Hij bestrijdt „den schijn, als ware liet subjectieve publiekrechtelijke recht in den grond der zaak eene misleiding, als bestond slechts objectief recht daar, waar men subjectief recht meent te zien; hetgeen in dier voege wordt aangeduid, verklaart men voor niets anders dan het reflex van liet objectieve recht. Dit standpunt heeft met betrekking tot de vrijheidsrechten gelijk tot de aanspraak op rechtsbescherming von Gerber het eerst ingenomen. Daarop plaatsen zich allen, die hst subjectieve publiekrechtelijke recht in grooteren of kleineien omvang beperken of zells ten eenenmale loochenen". (5)

'Irouwens, het ligt voor de hand, dat wij hier niet een constitutioneel vraagstuk van den eersten rang te doen hebben. Laat ons thans, ten slotte de zaak van die constitutioneele zijde bezien.

Contractvrijheid beteekent vrijheid aangaande het contract, objectief gesproken. Maar nooit, nooit, au grand ia-

innie Iran i, j _ , J

. vj.jjxie.uj. aangaande den pei s O O n, subjectief gesproken, ik vraag de volle aandacht voor deze onderscheiding niet slechts, neen, ik maak aanspraak op hare erkenning m den rang van beginsel. Hier toch is de grens tusschen contractvrijheid en 1 ij fei genschap.

Stel, een werkman vergt eerbiediging van den (niet in wet of gebruik geradiceerden) „normalen" arbeidsdag. Hij zal niet wor. den gehoord. Met volle recht zal de patroon hem toevoegen: Met over een hersenschiminigen „normalen", maar over een feitelij ken werkdag hebben wij gecontracteerd. Gedraagt gij u niet daarnaar, dan ontsla ik u.

btel echter dat een werkgever zegt: ik wil, dat gij, arbeider, niet petitioneert, niet publiceert, niet met anderen vergadert, niet kiest; verder dat uwe woning scliendbaar zij, — zoodanig

„ «« /.ljue aanmatiging getronen zien door de radicale

nietigheid van are. 14 A. B. Heelt eene we.haast honderdjarige Constitutioneels opvoeding ons het zwaarwichtige dier orens en dier onderscheiding nog niet leeren inzien?

Toch leidt daarheen de bestreden leer. Waar is zweem, waar is schijn of schaduw van bewijs, dat men het vereenl>'ingsiecht in anderen geest heeft willen regelen dan het door°Tiiorbecke werd ingeleid ? W eike hermeneutiek, welke kunst van wetsvertoikmg rechtigt u het klare en duidelijke eerste lid van art. 10 . recht de it ingezetenen", tegen '1 üorbecke's critiek in, op nieuw, eigendunkelijk en eigenmachtig, vast te koppelen aan hei, tweede lid, ten einde te bewerken, dat het daarmede samensmelt en ineen vloeit ?

Ja, wanneer geschied ware, wat niet geschied is — wanneer art. 10 luidde, gelijk Thorbecke het verwierp bv. De wet regelt en beperkt de uitoefening van het vereenigings- en vergaderingsrecht in het beiang aer openbare orde; — wanneer in art. j.0 vm het recht der ingezetenen niet sprake ware, dan, maar ook alleen dan, zou eene uitieggingskunst, die aan de letter zich vastklampt, kunnen gewagen van wetsreversbreidal. I)a>rtn» tar, _ __

0 ..... ...... wnmciuui» HOVOll ueue ÏOI'-

muleermg als bv. die van art. 176 Grondwet. In ons geval daarentegen is het zonneklaar, dat wij te doen hebben met een attributief, d„ w. a. subjectiei publiekrechtelijk reent, lekst en geschiedenis laten daaromtrent niet den minsten twijfel

Ik meen hiermede aan het verzoek van Mr. Eijssell te nebben voldaan. Dat hij over economische en maatschappe.iike vraagstukken niet eenstemmig met mij denkt, weet ik, tot mijn leedwezen. Ware het anders, zijne belangstelling in de openbare zaak, zijn talent en werkkracht zouden ons hervormingsgezniden zoo goed te stade komen. Maar ik dóe een beroep op de onkreukbare trouw, op den hooggestemden zin voor gerechtigheid van dien magistraat, om de rechten en vrijheden van ons volk te nei]jen ontzien.

Dat die rechten en vrijheden, bij deze regeering veiliu- ziin daarvan ben ik heilig overtuigd. Doch hiervan, tevens, dat" hadden de zwaarwichtige gevolgen dezen Minister — door béslonimeringen van allerlei aard onophoudelijk in beslag genomen — onmiddellijk voor den geest gestaan, hij de onheilvolle stellinoniet zou hebben neergeschreven.

Bureau voor Boekhouding

EN

Administratieve Controle

onder leiding van K. M. DE JON&, Accountant

Lid le klasse van het Nederl. Instituut van Accountants en Leeraar M. 0. in Boekhouden, te 's Gravenhage, Prinsegracht 46, In tere. Telephoon 139.

BÜ GE BK. BELINFANTE, te 's Gravenhage,

zijn verschenen :

Rechtstoestand van onechte kinderen.

Vaderschap. — Afstamming. Wetsontwerp met verslag der Tweede Kamer, Begeeringsantwoord en nader gewijzigd wetsontwerp, 2 deelen f 1.30

Mr. J. P. Moltzer. Welke aanspraken behoort het onechte kind op grond zijner afstamming

van rechtswege te kunnen doen gelden? . 0.50 Ouderlijk gezag en voogdij. Wetsontwerp

en Memorie van Toelichting 1897 . . 0.50 Idem. Tweede Wetsontwerp en Memorie van

Toelichting 1898 o.75

Idem. II. Verslag der Tweede Kamer en Begeeringsantwoord met nader gewijzigd Wetsontwerp __

Ontwerp Burgerlijk Wetboek le boek, "2 dn geb. 7.'— Idem. 2e boek 2 dln geb. .... 4.80 Opzoomer's Burgerlijk Wetboek. Deel I—XII

en Alg. Bepalingen go

Oudeman-Lipman. Burgerlijk Wetboek, 5e herziene en vermeerderde druk, opnieuw bewerkt door Mr. P. Bauduin, geb. . . 1,75 Lëon's Rechtspraak op het Burgerlijk Wetboek, -2e druk door Mr. G. Asser, met 6 vervolgen door Mr. J. Bombach . . . 44.60

Amsterdam, 9 Dec. 1900.

J. A. Levy.

's Gravenhage, 10 December 1900.

Geachte Redacteur,

Mag ik naar aanleiding van hetgeen in het laatste overzicht van Ihemxs over mijn opstel „Kerkbouw" gezegd wordt, mijne lijken aanzlen een enkel punt een weinig verduide-

De vraag of het verlof voor de oprichting van een kerkgebouw geweigerd kan worden wegens den hinder die van het kerkgelui te duchten is, beantwoord ik in beginsel bevestigend. Toch i n e p i a k t ij k het verlof daarom zelden of nooit dienen

Tfi \17A.ri I nn "ITT ..

;; ,;v waarom.' umciat men aanneemt, m. i.

tereent, dat aan het verlof voorwaarden kunnen verbonden worden. De wet op de kerkgenootschappen bevat daaromtrent geener. iei bepaling. Men meent echter, in dezen liet stelsel van de -Hinderwet, te moeten toepassen. Volgens dat stelsel mag de vergunning met worden geweigerd, als men door het stelten van voorwaarden aan de bezwaren kan tegemoet komen. Die voorwaarden zullen natuurlijk niet van dien aard mogen zijn dat. zii het gebruik van het kerkgebouw overeenkomstig zijne'bestem mmg onmogelijk maken. Maar het klokluiden vormt naar mij voorkomt, geen onafscheidelijk deel van den eoredien'st, en nu het is haast, ondenkbaar, dat een verlof wordt geweigerd op grond van iets dat zonder eenig bezwaar door het stellen van eene voorwaarde kan worden uitgesloten.

Mr. C. Bake.

Bij GEBB. BELINFANTE, te 's Gravenhage, ziet het licht :

Léon's Rechtspraak, 3e Druk.

DEEL III AFL. 6.

DE RECHTSPRAAK

EN DE

Administratieve beslissingen

UJr UK

Wet op de Vermogensbelasting

met ophelderingen en geschiedkundige toelichtingen enz.

J. M. VAN WALSEM,

Inspecteur der Registratie en Domeinen te 's Gravenhage. vel 6 -10 Prijs f 1.25.

De omvang van deze aflevering wordt geraamd op 25 vel druks.

Voor niet-inteekenaren op Léon's Bechtspraak is dit werk verkrijgbaar onder den titel van De Wet op de Vermogensbelasting, door J. M. van Walsem.

Van den 3en druk zijn thans verschenen:

Deel I.

leafl. Mr. J. A. Levy, De Grondwet . f 3.25

2e » Mr. H. Vos, De Gemeentewet . . 10.

3e » Mr. N. Cramkr, De Fabriekwet . i*_

4e De B 'graafwet en Ziektenwet 1.25

5e » De Armwet. . . . ^'50

6e » Mr. J. Limburg, De Drankwet . 1.

7e » De Onteigeningswet . . 2

8e » Mr. N. Cramer, Jacht en Visscherij! L50 9e De veeziekten- en Hondsdolheid-wet o.75

10e « De Onderwijswetten en uitvoeringsbesluiten. . . . _ , g

Deel II.

7e » Mr. J. w. Belinfante, Wetboek van

Strafrecht. . . . _ 4 ^

Deel III.

4eafl. N. Koomans, De Wet op het Zegel . 1.75 5e » Mr. L. A. Micheels, De Wet op het

Notaris-Ambt enz. . . _ 3

6e « J. M. van Walsem, De Wet op dé

Vermogensbelasting, vel 1—10 . 2.50

linek (FreXrg'lsS^^™ öffentlichen ™n G. Jel-

(5) Xbid. blz. 63.

AI) VERTE NTIEN.

Bij W'. J. VAN HENGEL, te Botterdam, is verschenen ■

C0NSTANTIJN PALAE0L0G0S

een. treurspel

door

Mr. P. VAN DER MAESE.

169 blz. gr. 8°. prijs f 150_

3e 4e 5e 6e 7e 8e 9e

10e

Gedrukt bij F. J. BELINFANTE, Toorh. : A. D. SCHINKEL.

Sluiten