Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezige goederen niet gedetailleerd genoeg was, waarom hij werd Verzocht eene meer specifieke lijst in te zenden; dat hij, eischer, aan dat verzoek toen. heeft voldaan en eene zoodanige nieuwe specifieke lijst van voor den brand aanwezige goederen, mot taxatie, heeft samengesteld en eenige dagen later aan de gedaagde ingezonden welke tweede lijst 0, waarvan het origineel in debet is geregistreerd enz., door den eischer onder overgave van afschrift wordt in het geding gebracht, onder opmerking, dat die tweede lijst C, als gevolg van. die meerdere specificatie, sluit met een hooger bedrag dan de eerste lijst A;

dat de eischer toen eenigen tijd op de uitbetaling heeft gewacht, doch te vergeefs, niettegenstaande hij daartoe herhaaldelijk het verzoek heeft gedaan;

dat hij, eischer, bij de samenstelling der dagvaarding, als grondslag heeft genomen de bovengemelde lijst C, sluitende meï het bedrag van f 2584.70, waarvan hij heeft afgetrokken het bedrag der lijst B ad f205.90, zoodat te vergoeden overblijft f 2378.80, als bij de dagvaarding wordt gevorderd;

dat ongegrond is de bewering van de gedaagde, dat hij, eischer, heeft nagelaten de voorschriften na te leven hem bij art. 13 der verzekeringsvoorwaarden betreffende waren en koopmansgoederen opgelegd ;

dat immers op de lijst C voorkomen, met schatting, de waren en koopmansgoederen, terwijl deze niet konden voorkomen op de door hein ingezonden lijst, omdat alle waren en, koopmansgoederen verbrand zijn;

dat hy, eischer, des verlangd gaarne bereid is uit de lijst C riog een afzonderlijk uittreksel te maken, wat de waren en, koopmansgoederen betreft;

dat hij, eischer, onmogelijk kan voldoen aan het voorschrift van art. 13 voormeld om over te leggen boeken, lijsten, of andere geloofwaardige stukken ter bevestiging der door hem gedane opgaven, omdat alles van dien aard is verbrand;

dat hij, eischer, beslist ontkent de door de gedaagde gedane aantijging, dat hij het beloop der schade heeft overdreven of verzwaard, voorwerpen als verbrand heeft opgegeven, die op het oogenblik van den brand niet bestonden en dat hij moedwillig het ongeval heeft veroorzaakt;

O. dat de gedaagde daarna bij conclusie van dnpliek nog heeft aangevoerd:

dat de grondslag van des eischers vordering, verzekering van zijnen inboedel voor f 2590 eene onwaarheid blijft;

dat aanvulling of wijziging van dien grondslag bij repliek den eischer niet kan baten, al doet hij daartoe -ook eene poging;

dat juist de splitsing van de polis in, tal van onderdeelen, eene toewijzing der vordering ten eenenmale in den, weg staat, wijl uit de dagvaarding blijken moest, hoeveel .aan inboedel, hoeveel aan kruidenierswaren, hoeveel aan andere rubrieken van artikelen beweerd werd schade te zijn geleden, en dan in verband met de thans erkende splitsing van 't verzekerd object in de polis, moest worden uitgemaakt voor hoeveel op ieder der gesplitste posten, de eischer zijn eigen verzekeraar was ;

dat de geproduceerde lijsten die leemte in de dagvaarding niet kunnen aanvullen, terwijl bovendien die lijsten duidelijk aantoonen, dat zelfs de hoogst opgevoerde niet klopt met die, welke zij van den eischer ontvangen heeft;

dat uit die lijsten in elk geval de ongegrondheid der ingestelde vordering blijkt, waar krachtens des eischers eigen erkentenis, hij bij voorbeeld voor f1090 aan inboedel verzekerd was en te dier zake eene vergoeding vordert van ongeveer f 1400, zooals blijkt uit productie C;

dat de eisclier zijn verzuim niet kan goedmaken. met de bewering, dat zijne polis was verbrand, omdat het voor de hand lag dat de eischer terstond eene nieuwe polis had kunnen; aanvragen ;

dat het praatje van den eischer, dat al zijne boeken en aan teekeningen verbrand zijn, hem niet kan ontslaan van de hem bij art. 13 der verzekeringsvoorwaarden opgelegde verplichting om zijne aangifte waar te maken bv. door overlegging van duplicaat facturen en verklaringen van derden;

dat de gedaagde ten slotte, geheel subsidiair, door getuigen te bewijzen heeft aangeboden een viertal door haar bij conclusie geformuleerde daadzaken;

O. dat de eischer vervolgens bij nadere conclusie nog heeft doen voordragen:

dat hij bij conclusie van repliek zijn eisch alleen heeft verduidelij'kt, hetgeen hem volkomen vrijstond;

dat hij echter wel iets gevoelt voor het door de gedaagde geopperde bezwaar, dat de schaderekening, zooals eischer die a!s één geheel maakt, moet worden gesplitst naar de verschillende onderdeelen der polis en hij wel mag lijden, dat de schadevergoeding wordt berekend voor ieder onderdeel der verzekering afzonderlijk; dat de eischer diensvolgens de gevraagde schadevergoeding in 9 verschillende onderdeelen heeft gesplitst en volgens die berekening de te vergoeden schade bedraagt eene som van f 1886.02, tot welk bedrag de eischer zijne vordering heeft verminderd;

dat de eischer voorts de door de gedaagde geopperde bezwaren omtrent het niet voldoen aan art. 13 der verzekeringsvoorwaarden betreffende de koopmansgoederen nader heeft weerlegd, het subsidiair bewijsaanbod als niet ter zake dienende heeft bestreden en zijnerzijds door getuigen, te bewijzen heeft aangeboden, dat de goederen, vermeld in de vierde door de gedaagde te bewijzen aangeboden daadzaak tijdens den brand in zijn huis waren, zulks echter alleen voor het geval, dat de Rechtbank van oordeel mocht zijn, dat dit bewijs op hem rust ;

O. dat de eischer ten slotte bij procureursakte. heeft in het geding gebracht een afschrift van de polis, de onderwerpelijke verzekering betreffende, zijnde het origineel in debet geregistreerd enz. ; waarna de partijen de zaak over en weer hebben bepleit, de eischer bij monde van zijn procureur en de gedaagde bij monde van Mr. E. van den Bogaert, advocaat te Amsterdam ; In rechte:

O. dat naar aanleiding van het geschil, hetwelk de partijen verdeeld houdt, in de eerste plaats behoort te worden beslist of de door den eischer bij dagvaarding en conclusie van eisch aan zijne vordering ten grondslag gelegde rechtsfeiten wel dezelfde zijn, welke de eischer bij conclusie van repliek heeft gesteld en zoo neen, of in dat geval aan eene verandering van eisch te denken valt;

O. daaromtrent:

dat partijen het eens zijn dat tusschen haar is gesloten eene verzekering als omschreven in de polis, welke in forma probandi in het geding is gebracht;

dat, naar het oordeel der Rechtbank, uit de omschrijving van de verzekerde objecten in die polis blijkt, dat niet is verzekerd eene algemeenheid van goederen, voor een rond cijfer van f2590, maar integendeel dat zijn verzekerd verschillende rubrieken van goederen voor de cijfers, welke bij elke rubriek afzonderlijk worden opgegeven en te zamen vormende voormelde verzekerde som,, dat deze meening o. a. hierin steun vindt, dat eene splitsing in afzonderlijke rubrieken zou zijn zonder zin, indien slechts aan ééne verzekering voor ééne som te denken viel;

dat bovendien, blijkens de polis, niet voor alle rubrieken de. zelfde percentsgewijze premie wordt betaald en volgens art. 13 der verzekeringsvoorwaarden, de verzekerde, naar gelang van den aard' der verzekerde goederen, tot verschillende verplichtingen gehouden is ;

dat blijkens de dagvaarding de eischer de gesloten overeenkomst als ééne verzekering heeft opgevat, terwijl de door hem bij, conclusie van repliek gestelde feiten, welke hij als eene n adere specificatie qualificeert, metterdaad medebrengen; dat hij zijn oorspronkelijk positum laat varen en daarvoor in de plaats stelt de verschillende verzekeringen, waarvan de pt>lis melding maakt;

dat uit des eischers nadere conclusie deze veranderde houding nog duidelijker in het licht treedt:

dat de door den eischer aan de gedaagde Maatschappij gedane inzending van lijsten, inhoudende eene specificatie, waarvan, ter dagvaarding wordt melding gemaakt, in de bovengemelde zienswijze der Rechtbank geene verandering kan brengen, omdat juist uit die ingezonden lijsten blijkt, dat zij werden opgemaakt in overeenstemming met den grondslag der vordering zooals die aanvankelijk in de dagvaarding werd omschreven,;

dat derhalve de eischer in zijne geheel van onderwerp veranderde, bij nadere conclusie verminderde, vordering moet worden verklaard niet-ontvankelijk e-ra bij deze beschouwing een verder onderzoek der zaak overbodig is;

Gezien art. 56 B. R.;

Verklaart den eischer niet-ontvankelijk in zijne verminderde vordering;

Veroordeelt hem in de kosten van het geding.

MENGELWERK.

NULLUM JUS PUBLICUM SINE PRAEVIA LEGE PUBLIOA EN1 ARTIKEL 2 DER WET OP DE RECHTERLIJKE ORGANISATIE (1).

Een justiciabele. Mijne onverschuldigd betaalde belasting vorder ik terug ex art. 1395 B. W., naar luid waarvan het onverschuldigd betaalde moet worden teruggegeven.

De rechter. Volgens art. 2 R. O. ben ik verplicht uw geschil met de administratie over deze publiekrechtelijke schuldvordering te beslissen. Ten onrechte evenwel beroept gij u op eene bepaling van het Burgerlijk Wetboek, welke voor privaatrechtelijke verhoudingen is geschreven. Ik verklaar u niet-ontvankelijk.

De justiciabele. Welaan, wil dan mijne vordering aan het publiekrecht toetsen. De regel, dat het onverschuldigd betaalde moet worden teruggegeven, vindt ook daarin eene plaats.

De rechter. De belastingwet bepaalt enkel wat gij hebt te voldoen, doch zwijgt van het geval, dat men meer vani u eischte. Bij gebreke eener uitdrukkelijke wetsbepaling tot staving uwer vordering zijt gij daarin andermaal niet-ontvankelijk.

Publicisten. Heil den. rechter: het geschil is beslist.

De justiciabele. De stelling: „Buiten de wet geen publiekrecht" geldt alleen in het strafrecht.

Een publicist. Ik heb geen publiekrechtsgevoel buiten de wet.

De .ius tic ia bel e. Ik benijd u zeer.

Een publicist. Het publie(c belang is van liooger wijding, en overheerscht het private; daarom kan het door geen wet beschermd privaatbelang tegenover dei gemeenschap geen recht geven.

De justiciabele. Bij conflict tusschen het belang van één lid der gemeenschap en het belang van de andere leden derzelve mag het eerste door het orgaan dier gemeenschap niet verder worden teruggedrongen dan, voor het laatste inderdaad noodzakelijk is; overschrijding van die grens is steeds onrechtmatig, hare constante eerbiediging het belang van alle leden der gemeenschap.

D e administratie. Wij minnen de vrijheid, maar dragen onze wettelijke ketenen welgemoed. Immers vrij zijn wij binnen de grenzen der wet, want dat is des wetgevers bedoeling, getuige bijvoorbeeld art. 54 der Grondwet, dat den Koning de uitvoerende macht verleent ; en vrij zijn wij buiten die grenzen, want daar bestaat geen publiekrecht.

Hare satellieten. Buiten, ja in strijd met de wet, kan wel een weiniig publiekrecht ontkiemen, waar het verlangen der administratie om zich rechten te scheppen daartoe de humus verschaft, ook al kunnen verplichtingen voor haai' niet op die wijze ontstaan. Zoo is dan ook ondanks het ontbreken, eener Algemeene Politiewet de biji geene wet bepaalde en daardoor zelfs met art. 157 Grondwet strijdige bevoegdheid der politie tot ,,in verzekerde bewaring neming' voor ons boven bedenking.

Een stilist. De rechter kan niet plaats nemen op den zetel, voor de administratie bestemd.

011 o Bahr. Enkel in het privaatrecht zit de rechter op eens anders zetel, met narna op dien van den kooper, eigenaar of echtgenoot.

Een ander. De rechter kan toch bezwaarlijk het al of niet doelmatige of noodzakelijke beoordeelen van ta veel belasting heffen, als de wet hem daartoe niet tot voorlichting strekt. Hoe lichtelijk zoude hij in casu voorbijzien, dat het ta veel betaalde toch der gemeenschap tem goede komt, zoodat het voor liaar ondoelmatig ware dat te restitueeren.

Prof. B u ij s. Beter eene rechtspraak met gebreken dan rechteloosheid.

De justiciabele. Ik hadde de niet-noodzakelijkheid zoo noodig door deskundigen bewezen.

Publicisten. Odi profanum vulgus et, arceo. Hoe zeer zijt gij nog met privaatrechtelijken zuurdeesém doortrokken: in. het publiekrecht bestaan geen deskundigen.

Een justiciabele. (Nadat afzonderlijke administratieve rechtspraak nog langen tijd tot de pia vota is blijven behoo-ren, en dienovereenkomstig' art. 2 R. O, ongewijzigd is gebleven). De heer Burgemeester heeft mijne koe als hoornwoest doen afmaken. Het is gebleken dat dezelve niet hoornwoest was, en dus „zonder noodzaak" is gedood. Wegens die onrechtmatige daad vorder ik van de gemeente schadevergoeding.

D a rechter. Overwegende dat mij door art. 2 R. O. ook publiekrechtelijke geschillen over eigendom en schuldvorderingen ter beslissing zijn, opgedragen;

(1) Mocht in bijgaande — duidelijkheidshalve in dezen vorm behandelde — beschouwing door anderen- aanleiding kunnen gevonden worden hunne meening over dit onderwerp te doen kennen, zal zulks inzender dezes eene voldoening zijn, puisque par le clioc des. opinions !

dat ik, aannemende dat het Burgerlijk Wetboek enkel privaatrecht behelst, de onderwerpelijke vordering aan het buiten dat Wetboek staande publiekrecht zal moeten toetsen;

„Overwegende voorts „dat de- politie verplicht is en dientengevolge de algemeene (formeele) bevoegdheid heeft door doeltreffende middelen dreigende inbreuken op de veiligheid van personen te keeren" ;

dat echter de onderhavige daad niet noodzakelijk, dus materieel onrechtmatig is- geweest;

dat mijne rechtsovertuiging mij zegt, dat de publiekrechtelijk-onrechtmatige daad tot schadevergoeding verplicht, zooals ook a fortiori uit het. leerstuk der onteigening volgt;

dat het ontbreken eener uitdrukkelijke wetsbepaling buiten en behalve art, 2 R. O. hiertegen niet afdoet;

dat toch gemeld art, 2 R. O. niét mag worden beperkt tot wettelijke schuldvorderingen ;

dat ook de algemeen geldende regel van art, 13 der wet- houdende Alg. Bepalingen, volgens welken- de rechter zich niet op onvolledigheid der wet kan beroepen, teneinde zich van rechtspraak te onthouden, de erkenning van ongeschreven, -recht impliceert, hetgeen voor publiek, en privaatrecht gelijkelijk geldt;

dat zelfs in het nog ong-ecodificee-rde, aan wetenschap en -rechtsgevoel overgelaten publiekrecht het jus non scriptam uitteraard eene belangrijker plaats inneemt dan in het gecodificeerd privaatrecht;

Overwegende eindelijk, dat ik als strafrechter meermalen eene regeeringsdaad aan critiek heb onderworpen, en art. 2 R. O. ten aanzien van het vermogensrecht van eene zoogenaamde trias politica juist de aperte negatie behelst;

Veroordeel ik de gedaagde tot het geven van schadevergoeding. F. C. voo Savigny ian Montesquieu. Das Recht ist und wird mit dem Volke.

Amsterdam, 15 December 1900.

Mr. C. A. J. Habtzfbld.

ACADEMISCHE LITERATUUR.

De vereisehten der averij-grosse-handeling, proefschrift door R. R. W. Janssen (Amsterdam 1899) 324 blz.

Mr. D. Josephüs Jitta schreef in een artikel naar aanleiding van Mr. MoLENGRAAFF's proefschrift in het tijdschrift Themis, jaargang 1882, p. 113 : „Neen, avarij-grosse is niet rijp voor internationale regeling; wetenschappelijke navorschingen, nationale wetsherzieningen zullen den weg daartoe moeten voorbereiden". Het hierboven vermelde proefschrift van den heer Janssen kan met alle recht worden aangemerkt als een degelijke voorbereiding in dien zin.

Een keurig wetenschappelijk werk, overal de sporen dragende van des schrijvers belezenheid en juridischen geest; ziedaar de hoofdindruk die mij na lezing bijbleef. De indeeling der stof getuigt ook van het groote onderscheidingsvermogen van den schrijver, dat eerste kenmerk van den echten jurist.

Ter verduidelijking van zijn systematische rangschikking geeft Schr. naast den tekst aan de marge de belangrijke punten en onderdeelen beknopt weer. Deze wijze van bewerking, welke o. a. ten onzent wordt aangetroffen in de werken van Mr. P. van Bemmelen, vergemakkelijkt het overzicht.

Het eigenlijke onderwerp, de vereisehten der averij-grossehandeling, wordt voorafgegaan door een hoofdstuk, handelende over den rechtsgrond der averij-grosse-verplichting. Schr. wilde, alvorens tot de vereisehten over te gaan, tot de basis van het instituut zelf afdalen, of zooals hij het zeer bescheiden uitdrukt „een poging wagen om den rechtsgrond van het averij-grosseinstituut aan te wgzen".

Achtereenvolgens passeeren voor onze oogen de verschillende meeningen en theorieën omtrent den rechtsgrond; maar geen enkele kan den schrijver voldoen. Ze lijken hem meest te vaag en gewoonlijk terug te brengen tot den aan alle recht ten grondslag liggenden meer verwijderden rechtsgrond, de billijkheid. Na alzoo negen theorieën besproken en bestreden te hebben, ontvouwt Schr. ons op p. 16 vlg. zijn eigen denkbeelden aangaande dezen rechtsgrond. Daar hier de basis geleverd wordt voor het gansche verdere betoog — immers de vereisehten (Hfdst. II) worden teruggebracht tot den rechtsgrond, en de bepalingen der Nederlandsche wetgeving (Hfdst. III) worden getoetst aan die vereisehten — acht ik het mijn plicht hierbij iets langer stil te staan.

Welke is dan de redeneering van den schrijver? Hij begint het begrip nood en noodhandeling te ontleden en vindt hierin het vereischte van botsing tusschen twee belangen, zoodanig dat het behartigen van het eene slechts mogelijk is ten koste van het andere. Hoe is het nu in zoo een geval gesteld met de verplichting tot schadevergoeding ? Bijna omnium consensu wordt deze verplichting hier uitgesloten geacht, daar de schuld ontbreekt.

Verplichting tot schadevergoeding en schuld worden en worden toch algemeen als onafscheidelijk met elkaar verbonden geacht. Ons art. 1401 B. W. en vlg. luidt in denzelfden zin.

Schr. wijkt nu echter van deze algemeen verbreide meening af en is van oordeel, dat er ook een sohadevergoedingsverplichting moet bestaan, wanneer er niet sprake is van schuld.

In geval van een noodhandeling, waarbij het minderwaardige aan het meerwaardige belang moet worden opgeofferd, welke dus is aan te merken als eene rechtmatige handeling, bij welke het element-schuld totaal ontbreekt, moet dus volgens Schr. verplichting tot schadevergoeding bestaan.

Waarop steunt nu echter deze verplichting in dit geval wat is haar rechtvaardiging? De schrijver vindt de beantwoording dezer vraag aan de hand van Dr. R. Merkel, „Die Kollision rechtmassiger Interessen und die Schadensersatzpflicht bei rechtmassigen Handlungen" in hetgeen deze schrijver zou willen noemen „dasPrinzip des activen Interesses". Waar er toch sprake is van botsing tusschen twee rechtmatige belangen, gaat het niet aan de schade te laten lijden door dengeen, wiens belang geschaad is, daar moet veeleer de schade vergoed worden door hem, die zijn eigen belang behartigde ten koste van dat des anderen. En zoo omschrijft dan Schr. den rechtsgrond van het averij-grosseinstituut in dezer voege als: „de uit de behartiging van het „actieve" belang voortvloeiende verplichting tot schadevergoeding bij botsing van rechtmatige belangen".

Naar mijn bescheiden meening vereenzelvigt hier Schr. ten onrechte hem, die actief in eens anders belang ingrijpt met liem, wiens belang dooi- die ingrijping gebaat wordt. Het be-

Sluiten