Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 31 December 1900.

N°. 7525.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

TWEE - EN - ZESTIGSTE JAARGANG.

JUS ET YERITAS.

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang f 10 ; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der advertentiën, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers, Gebr. Belinfante, te 's-Gravenhage {Ie Wagenstraat 100).

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (StbL n°. 124).

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 12 November 1900.

Voorzitter, Mr. J. J. van Meerbeke.

Raadsheeren, Mrs. : A. A. de Pinto, A. J. Clant van der

Mijll, A. P. Th. Eyssell, B. H. M. Hanlo, Jhr. S. Laman

Trip en Jhr. D. G. van Teylingen.

De wet is de in haar tekst uitgedrukte wil des wetgevers.

Wel mag en moet, waar die tekst voor verschillende uitlegging vatbaar is, des wetgevers van elders gebleken bedoeling in aanmerking komen tol recht verstand der wet, maar zoodanige bedoeling kan nooit gelden als wet in strijd niet de woorden, waarvan de wetgever zich heeft bediend om zijn wil uit te drukken.

Deze beginselen, in de artt. 932 en 933 B. W. uitdrukkelijk gehuldigd voor ds uitlegging van uiterste wilsbeschikkingen en mede in de artt. 1378 en 1379 voor de uitlegging van overeenkomsten, die ingevolge art. 1374 partijen „tot wet" strekken, gelden uit den aard der zaak eveneens voor de uitlegging der wet en van alle wettelijke verordeningen.

Art. 16 van het Provinciaal Friesch Reglement op de keuring van dekhengsten laat slechts ééne uitlegging toe, nl. deze, dal het strafbaar stelt als ééne overtreding het bezigen van één of meer niet met goed gevolg gekeurde hengsten tot het dekken van merriën en het in het openbaar tot dekking aanbevelen van deze, zoodat waar alléén het eerste, niet het laatste bewezen is, het artikel niet is overtreden.

fHet laatste vraagnunt werd. in striid met de conclusie van den adv.-gen. Patijn, 8 t i 1 z w ij g e n d m anderen zin beslist bij 'sHoogen Kaads arrest van 5 Dec. Ib98, W. 7^10).

De Officier van Justitie bij de Arrond. -Rechtbank te Heerenveen is reauirant van cassatie tegen een vonnis van die Rechtbank recht doende in hooger beroep, van 28 Juni 1900, waarbij de t/ereauireerde M. A. G., 49 jaren oud, herbergier te Oldeholtwolde, geboren te Nijeholtwolde, met vernietiging ™uhet in ziine zaak in eersten aanleg gewezen vonnis van den kantonrechte- te Heerenveen van 11 Mei 1900 wegens gebrek xn den vorm, is ontslagen van alle rechtsvervolging.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer de Pinto, heeft de adv.-gen. Jhr. Rethaan Macaré de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Heeren!

In deze zaak geldt het gelyk U uit het verslag van den heer raadsheer rapporteur reeds is gebleken, den uitleg, die aan art, 16 van liet Reglement op de keuring van dekhengsten 111 de provincie Friesland te geven is.

Dat artikel luidt:

De eigenaar of houaer van een of meer hengsten, die deze tot' dekkino- van merriën bezigt e n in, het openbaar tot dekking aanbeveelt," tydens.... enz. enz. wordt gestraft met eene geldboete van ten hoogste f50. .

De vraa«\ die deze zaak beheerscht, is nu of aan het aanéén schakelend en verbindend voegwoord „en' in casu de beteekenis mag gegeven worden van het tegenstellend en schei-

deCVrnWWonrechter en de Rechtbank, die reeds in deze zaak gewezen hebben, beantwoord ik die vraag beslist ont-

k6Eened'dergelijke in de plaats stelling van het eene woord voor het andere overschrijdt m. i. de grenzen, die aan wetsuitlegging gesteld zijn en is niet meer uitlegging, doch wetsver-

^To^wetsverbetering acht ik den rechter noch geroepen, noch

g%yCiarmelijk hier, de woorden eener wetsbepaling een duideliiken'en verstaanbaren zin hebben, daar is de rechter aan dien zin gebonden en mag hij daarvan niet afwijken op grond van eene vermeende, min of meer waarschijnlijke bedoeling van den

wetgever ^ bedoeling van den wetgever door te dringen behoort men zich immers het eerst te wenden tot Me door hem gekozen woorden. Zijn deze duidelijk en ondubbelzinnig, dan is ervoor uitlegging geen plaats en gaat het met aan om uit overweging, dat de bepaling ons niet bevredigt, de duidelijk uitgedrukte bedoeling ter zijde te schuiven om daarvoor eene vermoedelijke bedoeling in de plaats te stellen.

M i is het aangevallen vonnis, waarbij de gerequireerde van alle 'rechtsvervolging is ontslagen dus volkomen juist gewezen en is het daartegen gerichte middel van cassatie met aannemelijk.

Waarom ik de eer heb te concludeeren tot verwerping der ingestelde voorziening.

De Hooge Raad enz.;

Gelet op het middel van cassatie, door den req. voorgesteld

bij memorie: . ,, . , , ,

Schending door ■ niet-toepassing van art. 16 in verband met art. 1 van het Reglement op de keuring van dekhengsten m

de provincie Friesland van 14 Juli 1897, goedgekeurd bij K. B. van 3 Sept. 1897 (Prov. Blad van friesland van 1897, n°. 97) ;

Overwegende dat bij het bestrede?, vonnis naar aanleiding van de oorspronkelijke dagvaarding en het onderzoek ter terechtzitting bewezen is verklaard: ,,dat de beklaagde (gereq.) in den morgen van 10 Maart 1900 in Weststellingwerf onder Oldeholtwolde, als eigenaar, tevens houder van den hengst ,,Frans", dien hengst tot dekking van eene merrie, toebehoo rende aan A. H., heeft gebezigd, terwijl genoemde hengst alstoen niet overeenkomstig de bepalingen van het Reglement op de keuring van dekhengsten in de provincie Friesland tot het dekken van merriën was toegelaten, alsmede zijne schuld daaraan" ;

0\. dat de req., van oordeel, dat door dit feit was overtreden art. 16 van het hierboven vermeld Reglement, heeft gevorderd dat de Rechtbank den gerequireerde te dier zake zoude veroordeelen tot de in hetzelfde artikel op die overtreding gestelde straf;

O. dat, terwijl art. 1 van het Regiment in zijn eerste lid verbiedt: ,,in de provincie Friesland andere hengsten tot het dekken van merriën te bezigen,, dan die, welke, met inachtne> ming van de voorschriften van dit Reglement zijn toegelaten", en in zijn tweede lid dit verbod niet van toepassing verklaart: ,,indien de hengst en de merrie aan denzelfden eigenaar toebehoor en", art. 16 woordelijk luidt als volgt:

,,De eigenaar of houder van één of meer hengsten, die deze tot dekking van merriën bezigt en in het openbaar tot dekking aanbeveelt, tijdens dat zij niet overeenkomstig de bepalingen van het Reglement daartoe zijn toegelaten, anders dan in de gevallen, bedoeld bij art. 1, 2de lid, wordt gestraft met eene geldboete van ten hoogste f50";

O. dat het door de Rechtbank uitgesproken ontslag van rechtsvervolging berust op de volgende gronden :

„dat volgens de duidelijke woorden van dat artikel (16) een eigenaar of houder van één of meer dekhengsten slechts dan strafschuldig is, wanneer hij die hengsten tot dekking van. merriën bezigt en in het openbaar tot dekking aanbeveelt, wanneer dus die beide feiten samengaan;

,,dat toch, al moge de bedoeling van den provincialen wetgever, blijkens lier vei iiantferae in ae zomerzitting van de staten van Friesland van 1897 (zie de notulen bi. 120 e. v. en bijlage Y) ook geweest zijn beide feiten afzonderlijk strafbaar te stellen, de redactie van art. 16 ondubbelzinnig eischt, dat beide feiten samen moeten, gaan, willen zij onder de strafbepaling van dat artikel vallen, en het wel niet aangaat een wetsartikel naar de bedoeling van den wetgever, maar in strijd met de woorden van dat artikel te interpreteeren, vooral niet waar zooals in casu die interpretatie zou geschieden in het nadeel van den beklaagde-geappeileerde;

„dat toch beklaag d e- geappelleerd 6 alleen is ten laste gelegd het bezigen of doen bezigen van zijn hengst ,,Frans" tot het dekken van merriën, en niet tevens het in het openbaar aanbevelen tot dekking, zoodat de beklaagde-geappelleerde voor het plegen van het hem ten laste gelegde en als bewezen aangenomen feit niet strafschuldig is volgens de bepaling van art. 16 van genoemd Reglement, terwijl op dat feit volgens eene andere bepaling van dat reglement of van eene andere wet of reglement geene straf van toepassing is" ;

O. dat deze beschouwingen zijn, juist, en daartegen ter ondersteuning van het middel van cassatie ! e vergeefs een beroep wordt gedaan op de bedoeling van den provincialen wetgever, die ook door de Rechtbank blijkens het bovenstaande niet uit het oog is verloren, maar waaraan ziji te recht geen overwegende kracht heeft toegekend tegenover den ondubbelzinnigen inhoud van art. 16 van het Reglement;

dat toch de wet is de in haar tekst uitgedrukte wil des wetgevers ;

dat nu wel, waar die tekst voor verschillende uitlegging vatbaar is, des wetgevers van elders gebleken bedoeling in aanmerking mag en moet komen tot recht verstand der wet, maar dat zoodanige bedoeling nooit kan gelden als wet in strijd met de woorden, waarvan de wetgever zich heeft bediend om zijn wil uit te drukken ;

dat deze beginselen, in de artt. 932 en 933 B. W. uitdrukkelijk gehuldigd voor de uitlegging' van uiterste wilsbeschikkingen en mede in de artt. 1378 en 1379 voor de uitlegging van overeenkomsten, die ingevolge art. 1374 partijen „tot wet" strekken, uit den aard der zaak eveneens oelden bij de toepassing der wet en van alle wettelijke verordeningen;

O. voorts, dat de Rechtbank op goede gronden, waarmede de Hooge Raad zich vereenigt, heeft beslist, dat art. 16 van het Reglement slechts ééne uitlegging toelaat, nl. deze, dat het strafbaar stelt als ééne overtreding het bezigen van één of meer niet met goed gevolg gekeurde hengsten tot het dekken van merriën en het in het openbaar tot dekking aanbeve'en van deze, zoodat, waar alleen het eerste, niet het laatste bewezen is, het artikel niet is overtreden;

dat de req. ten onrechte beweert, dat deze uitlegging alleen juist zoude zijn, indien in het artikel naast het woord „en" ware gevoegd het woord ,,tevens", daar laatstgemeld woord in het hier aanwezige zinverband overbodig zoude zijn geweest en bovendien in den wetstijl ongebruikelijk is ;

O. eindelijk, dat de bij het middel verdedigde uitlegging van art. 16 ook niet volgt, zooals de req. beweert, uit het verband van dit artikel met art. 1 van het Reglement, omdat art. 1 alleen uitspreekt het verbod om niet met inachtneming der reglementaire voorschriften toegelaten hengsten tot dekking van aan anderen toebehoorende merriën te bezigen, maar de vraag onder welke voorwaarden de overtreding van dit verbod strafbaar is, uitsluitend haar antwoord vindt in art. 16;

O. mitsdien, dat het middel van cassatie is onaannemelijk; Verwerpt het beroep.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM. Eerste Kamer.

Zitting van den 1 October 1900.

Voorzitter, Mr. J. van Heukelom.

Rechters, Mrs.: J. W. Mulder en Jhr. J. L. W. C. von Wei lek.

De wanpraestatie des verhuurders, daarin bestaande dat het verhuurde huis, gedurende den huurtijd, niet behoorlijk geverfd was, levert niet op eene op geld waardeerbare schade.

J. Ulrich Jr., ondernemer van verkoopingen en practizijn, wonende te Rotterdam, eischer en declarant, advocaat en procureur Ml'. A. 0. van Blommenstein,

tegen

1°. D. Baksteen, wonende te Rotterdam,

2°. A. C. Kusters, wonende te Rotterdam, gedaagden en gedeclareerden, advocaat en procureur Mr. J. G. L. Nolst Trenité.

De Rechtbank;

Gehoord partijen in hare conclusiën en pleidooien;

Gezien de stukken van het geding allen zooveel noodig geregistreerd en daaronder:

1°. de eerste grosse van een vonnis door deze Rechtbank tusschen partijen op 20 Juni 1898 gewezen, waarbij de gedaagden zijn veroordeeld onder andere om aan den eischer te vergoeden de kosten, schaden en interessen door hunne in dat vonnis omschreven wanpraestatie veroorzaakt en nog te veroorzaken, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, naar welk vonnis Lcu dezen wordt verwezen;

2°. een staat van kosten, schaden en interessen van wege den eischer opgemaakt (gereg. enz.) ;

3°. een exploit van den deurwaarder P. M. van der Put te Rotterdam, dd. 27 Dec. 1898 waarbij gemelden staat van kosten aan de gedaagden wordt beteekend;

Overwegende dat op den staat van kosten, schaden en interessen door den eischer-declarant zijn gebracht drie posten:

I. van af 1 Mei 1896 tot 13 Juli 1898 het hebben van een slecht geverfd in stede van een behoorlijk op nieuw geverfd huis (bovenhuis) betaald voor huur, den vollen huurprijs f600 per jaar is f 1323.32;

voor te veel betaald (f van den vollen huurprijs was meer dan voldoende) een kwart of f330.83

II. van af 13 Juli—22 Aug. 1898, het ontruimen der vertrekken, versjouwen en weder plaatsen van meubelen en huisraad, het opnemen en weder bevestigen van vloerkleeden, ondermatten, vloerzeilen, loopers, traproede oogen, het afnemen van gordijnen, ornementen tochtlatten weder aanbrengen etc. en het gemis van het gebruik der vertrekken en meubelen, den last van het

verven enz 5q ,

III. voor interessen 20.-~

f400.83

O. dat de gedaagden-gedeclareerden bij exploit van den deurwaarder W. H. Driessen de dato 10 Febr. 1899 aan den eischer declarant hebben aangeboden, ter voldoening van de kosten, schaden en intressen, waartoe zij veroordeeld zijn te betalen eene som van f 25 met de renten daarvan sedert 1 Juli 1898;

O. dat de declarant dit aanbod verwerpende heeft geconcludeerd dat het aanbod van gedeclareerden zal worden verklaard niet voldoende en zij zullen worden veroordeeld om de door < clarant geëischte som van f400.80 (later bij pleidooi weder vi minderd met f 3) of zooveel minder als de Rechtbank zal vi ï meenen te beliooren te betalen, cum expensis;

O. dat de gedeclareerden daarop hebben geconcludeerd (Jat. hun aanbod worde verklaard voldoende en dat zij verklaa : worden te kunnen volstaan met aan declarant voor vergoedii-' van kosten, schaden en interessen te betalen f 25 met de renten daarvan sedert 1 Juli 1898 met ontzegging van het meergevorderde en met declarants veroordeeling in de kosten;

O. wat betreft den eersten post op den schadestaat: dat declarant tot dit bedrag komt door aan te voeren dat dit bedrag als schade door hem is geleden doordien hij, een huis van de gedaagden gehuurd hebbende voor den huurprijs van f 600 's jaars en, hun dien huurprijs over drie jaren hebbende betaald, zonder daarvoor geheel of vol te krygen datgene waartoe gedeclareerden zich hadden verbonden, namelijk een behoorlijk en op nieuw geverfd bovenhuis, de daardoor geleden schade wil stellen op een een vierde van den vollen huurprijs;

O. dat de gedeclareerden daartegen hebben opgemerkt :

dat de declarant hier niet beweert ten gevolge van de wanpraestatie uitgaven te hebben gehad, die hij. zonder die wanpraestatie niet zou gehad hebben, of geldelijke baten te hebben gemist, die hij anders zou hebben genoten', zoodat hier inderdaad gevraagd wordt vergoeding van schade aan declarants aesthetisch gevoel, welke schade niet op geld waardeerbaar is • O. dat dit verweer van gedeclareerden der Rechtbank juist is voorgekomen, en zij zich daarmede vereenigt,;

0. dat des declarants opmerking, dat het krijgen van ecu minder waardig huis dan door de verhuurders was aangenomen te leveren, toch schade is, in have algemeenheid is onjuist, vooc

Sluiten