Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 7538.

men niet bekleedt en zulks geheel afgezien vain het ondeiwerp van het onderzoek en van het geoorloofde of doeltreffende der gestelde vragen;

O. dat alzoo de als bewezen aangenomen feiten moeten worden gequalificeerd als: het opzettelijk verrichten van een. daad behoorende tot een ambt dat men niet bekleedt, strafbaar gesteld, bij art. 196 Strafrecht;

Gezien art. 214, 221 Strafvord. ;

Verklaart de beklaagden schuldig aan het hiervoren vermelde en gequalificeerde feit;

Veroordeelt hen te dier zake ieder tot eene gevangenisstraf van 14 dagen.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE AMSTERDAM.

Derde Kamer.

Zitting van den 9 Maart 1900.

Voorzitter, Mr. W. G. Loeit.

Rechters, Mrs.: Jhr. J. van Doorn en B. Simons.

Rekening en verantwoording. — Artt. 771 B. R. en 1839 B. W.

De door den lastgever in consignatie gegeven goederen maken geen ontvangpost uit van de af te leggen rekening, üoïdat met dergelijke ontvangst niet is bedoeld eene zoodanige als genoemd in art. 1839 B. W„ welke bepaling alleen ziet op ontvangsten door den lasthebber van derden.

•Naaml. Venn. Margarinefabriek ,,Holland", eischeres, procureur Mr. J. A. Koest, advocaat Mr. K. W. A. L. Hazelhofï Roelfzema.

tegen

j. van Heusde, gedaagde, procureur Mr. H. Verkouteken. tevens advocaat.

De Rechtbank;

Gehoord partijen;

Gezien de stukken;

Overwegende wat de feiten aangaat:

dat de eischeres stelt: dat zij, in Augustus 1896, met gedaagde eene overeenkomst heeft getroffen, krachtens welke zij dezen in consignatie gaf, zooals deze van haar in consignatie nam, kisten margarine boter, volgens de specificatie aan het hootd der dagvaarding voorkomende en wel met bestemming naar Johannesburg in Transvaal; t , , ,

dat zij aan deze overeenkomst gevolg heeft gegeven en dan ook volgens bericht van gedaagde zelf, de margarine boter tijdig en behoorlijk in Transvaal is aangekomen;

dat het daarna gedaagdes plicht was geweest om, als consig. nataris, goede zorg te dragen voor den verkoop van het gezondene, zoo mogelijk tegen hoogen prijs, maar als deze niet te verkrijgen bleek, alsdan tegen lageren, ten einde aan eischeres ' eeu zoo groot, mogelijk voordeel te verschaffen en haar in elk geval, zooveel mogelijk tegen schade te behoeden;

dat hij daartoe dan ook met eischeres geregeld in overleg had kunnen en moeten treden;

dat niet blijkt dat gedaagde het een of het ander ten behoeve van eischeres heeft gedaan en deze wel moet vreezen dat gedaagde haar belang slechts heeft behartigd, om niet te zeggen ten eenen male heeft verwaarloosd;

dat eischeres dan ook, reeds lang geleden, t. w. in Nov. 189? gedaagde heeft verzocht om de boter uit te leveren aan andere handelsvrienden van haar, nl. de HH. Meijer & Kahder te Bretoiia;

dat ged. evenmin blijkt aan dit verlangen te hebben voldaan; dat gedaagde gehouden is om aan eischeres volledige en uitvoerige rekening en verantwoording te doen van de volvoering zijner taak waartoe hij, het consignatie-contract sluitende, tegenover haar zich heeft verbonden ;

dat eischeres dan ook, bij exploit van den deurwaarder Menagé Challa dd. 30 Mei 1899, den gedaagde heeft gesommeerd om, binnen 14 dagen daarna, aan haar, betreffende voorschreven consignatie, volledige rekening en verantwoording te doen;

dat gedaagde, wel verre van daaraan te voldoen, bij contraexploit van den deurwaarder Draijer dd. 6 Juni 1899, heeft ont7cen,d bovenomschreven overeenkomst van consignatie met haar e hebben getroffen, bewerende slechts bij eene door eischeres +»nk in consignatie gegeven partij boter zijne bemiddeling

dtteene " vferle6"d' weshalve hij niet verplicht zou zijn tot

tJ-1S°hereS van hem vordert;

deele hare^werïn^^ 1ii onJ'uist en eischeres dan ook in allen desgevorderd, te b^jzlnf ' juistheid ziJ aanbiedt,

oordeefd^tot hTTf£eischer6s vc!rdert dat gedaagde worde vertrent bedoelde ' ■ gg,®n van rekenin,g en verantwoording omdtóle^ tL nSlgna^ °P dG en met de accessoire vor-

schreven'• ^ dagvaarding en conclusie van eisch om-

m mi-of^ Sedaa£de bij conclusie van antwoord', hiertegen heeft 'ilit ^7:, eischeres niet-ontvankelijk is in hare vordering; if'•.i , Sedaagde aanspreekt als consignataris, welke hoedanigheid deze niet bezit;

ï» gö^iaagdö wel toegeeft, hoewel met beroep op de onsplitsnatiB tl zïner. bekentenis, dat in Augustus 1896, een consigplaats o-p! a V1Gr Se°oemde kisten boter naar Transvaal heeft den heer TT' Tr^t. die Soederen zelve direct door eischeres aan Transvaal i'n 7!" nerite Hamburg, die een filiaal had in. de leen als ^iiiiddeW?3 e^tZ^nt gegeV6n Bedaa§de daarbiJ al" dat eischeres dan ook oo 7^1 Dpfnn°0n is °Pgetreden 5 , , dat een consignatie van tlS il897 zelf aan gedaaSde scllr®ef den, door bemiddeling vrn Jf' /"''' ongeveer een jaar gelezonden ; gedaagde naar Transvaal was ge-

dat eischeres ook in rechte „ i

onmogelijk haar kan geven ; mag vragen' wat g«daa«de

"is.feres, reke?ing etl verantwoording in rechte vraagt, maar blijkens hare brieven afrekening bedoelt en gedaagde die met kan geven, zoolang hij die met zelf heeft ontvangen;

dat eischeres nooit tot gedaagde heeft gezegd dat hij tot eiken prijs moest reakseeren;

dat gedaagde wel verslag kan geven van wat er, voor zoover nij weet, met het geconsigneerde is voorgevallen maar geen rekening en verantwoording, voordat de transactie is afgeloopen, Wat nog niet het geval is ;

dat dus de ingestelde actie is praematuur;

dat eeine actie tot rekening en verantwoording alleen kan op. gaan indien er gelden ontvangen en uitgegeven zijn, maar eischeres dat bij dagvaarding zelfs niet stelt;

dat art. 774 B. R. echter zegt dat de rekening de werkelijke ontvangsten en uitgaven moet bevatten, maar die in casu niet

bestaan; .

dat eischeres zeer goed weet dat het goed in quaestie niet verkocht is, of ten minste niet door gedaagde, direct of indirect, en dat gedaagde geen koopsom heeft ontvangen, maar zij met hare actie blijkbaar bedoelt den koopprijs, bij wijze van schadevergoeding, door gedaagde te laten betalen;

dat eischeres dan echter niet krachtens art. 1839 B. W. rekening en verantwoording had moeten vragen-, maar krachtens art. 1838 gedaagde aansprakelijk had moeten stellen voor verzuim of kwaad opzet;

dat eischeres dus eene verkeerde actie heeft ingesteld en gedaagde in elk geval ontkent zijn last niet. behoorlijk volvoerd te hebben;

dat eischeres ook niet den gedaagde, maar den eigenleken consignataris, Kirchner, had moeten aanspreken, zoodat de actie niet tegen den juisten persoon is gericht;

dat eischeres ook niet in rechte mag vragen, wat zij reeds lang buiten rechte heeft ontvangen, daar gedaagde betreffende het" goed in quaestie niet meer mededealen kan, dan hij reeds heeft" medegedeeld, of nog nader bij deze conclusie mededeelen. zal en dat hij dat alles reeds vroeger geheel vrijwillig en tijdig, mondeling of schriftelijk aan eischores medegedeeld heeft en aan haar raadsman heeft herhaald;

dat eischeres ten slotte op 29 Sept, 1897 aan gedaagde heeft geschreven, dat zij aan eene bevriende firma in Transvaal geschreven had om de bewuste goederen in ontvangst te nemen;

dat eischeres dus toen zelf erkende dat het goed nog niet verkocht was;

dat eischeres daarmede zelf den gedaagde van alle verantwoordelijkheid voor de goederen ontsloeg, indien gedaagde ooit verantwoordelijkheid gehad had, daar eischeres anders niet direct had moeten ingrijpen en direct, buiten gedaagde om, over de goederen beschikken;

dat eischeres toen tevens aan gedaagde schreef dat zij nader bericht zou zenden, wat zij nooit deed;

dat dus eischeres eerder rekening en verantwoording aan gedaagde, dan gedaagde aan haar schuldig is;

dat ook de boter in natura niet door de ingestelde rekening procedure kan worden teruggevorderd en niet de gedaagde, maar de heer Kircliner, als de eigenlijke consignataris, tot die teruggave verplicht is;

dat dus ook de eischeres niet-ontvankelijk is in hare vordering indien zij met hare actie bedoelt de boter in natura terug te krijgen;

dat eischeres dan ook niet zelf direct handelend had moeten optreden en gedaagde de beschikking over de boter ontnemen, voor zoover hij die had;

dat de vordering bovendien, ten principale, ongegrond is en eischeresse niet zal kunnen volgen, zooals reeds ten deele volgt uit hetgeen hierboven betreffende de niet-ontvankelijkheid is gezegd;

dat toch indien gedaagde consignataris was en op eigen risico het goed naar Transvaal had gezonden, eischeres niets te maken, zou hebben gehad met den naam van den heer E. Kirchner te Pretoria, den eigenlijken consignataris;

dat gedaagde herhaalde malen als tussehenpersoon bij den heer Kirchner op realisatie der goederen en later ook op teruggaaf heeft aangedrongen, maar die heer Kirchner nooit daaraan heeft voldaan;

dat die heer Kirchner ten slotte is failliet verklaard en gedaagde vermoedt dat hij de goederen ten eigen bate heeft verkocht ;

dat dus de geheele quaestie tussclien partijen daarop neerkomt wie de schade moet dragen door de onrechtmatige handelingen veroorzaakt, maar gedaagde zich niet voor die schade aansprakelijk acht en die ook nooit door de ingestelde actie op hem verhaald kan worden;

dat gedaagde ook na de opening van het faillissement door bemiddeling van den Nederlandschen consul te Hamburg, bij den curator moeite heeft gedaan om inlichtingen te verkrijgen, maar hij nooit antwoord heeft ontvangen;

dat eischeres thans in de specificatie aan het hoofd der dagvaarding in de eerste factuur noemt een bedrag van f 425, maar zij zelf dat bedrag weer heeft terug gebracht tot f 296.50, toen gedaagde haar opmerkzaam had gemaakt dat de prijs vami f 425 voor Transvaal te hoog was ;

dat de schade van eischeres dus nooit hooger zijn kan dan f296.50 en zij dus ook nooit meer dan voor dat bedrag beslag zal kunnen leggen;

dat het goed bij verscheping naar Transvaal, verzekerd is voor een som van f370, zijnde de factuurswaarde ad f296.50 plus een denkbeeldig cijfer voor mogelijke winst, welke winst even goed verlies had kunnen zijn ;

dat dus f 425 in elk geval te hoog is en. al wat eischeres vorderen kan nog moet worden verminderd met een bedrag van f18 53 voor door gedaagde gemaakte kosten, van welke kosten gedaagde bij brief van 11 Febr. 1897 door eischeres is gecredi-

t6dat;dus het bij dagvaarding genoemde cijfer van. f425 een fan-

t l dat ^gedaagde in het algemeen verklaart te betwisten al de

P°Opa grond'Vaa^T^d^gefondudeerd tot niet-ontvankelijk

verklaring der eischeres in hare vordering, immers on zegg ng .daarvan en reconventioneel tot veroordeeling der oorspronkc.ijke eischeres, als reconventioneel gedaagde tot betaling van voormeld bedrag van f 18.58 c. e.; w™WI • O. dat de eischeres, bij conclusie van repliek, heeft betoogrt. dat zij, op 22 Aug. 1896, door bemiddeling van den heer lx. £. Kroon te Amsterdam aan gedaagde heeft doen ter han eene nota, woordelijk luidende als volgt:

„Helmond/Amsterdam 21 Aug. 1896. riek

De HH. Plate & van Heusde Amsterdam Debet Betaalbaar na afrekening door onze traite.

Margarine.

Melange, Deensche boter.

K.H. Poft nirt*!, j M XM blikt m f 030 f «4.40

» " " ! " " 50 X 2 " 100 0.70 70.— » " " t " " 100 x i l 100 0.75 75.-

D r> N

f425.—

„Verzonden in consignatie met bestemming voor Johannesburtr, Transvaal, aan de HH. Kuiper, van Dam en Smeer Rotterdam tér dispositie van de HH. de Vries & Co., Amsterdam ; (hit gedaagde bovenstaande nota heeft in ontvangst genomen,

zonder tegen dan inhoud daarvan ooit eenig bezwaar te opperen;

dat- gedaagde aan eischeres o. m. heeft geschreven de brieven van 12 Febr., 27 Maart, 7 Aug. en 18 Aug., alle van 1897, hierbij door eischeres in het geding gebracht;

dat eischeres reeds op 13 Aug. 1896 van de» heer J. H. Ki'oon had ontvangen een schrijven, luidende als volgt: ,,M. M., gelieve de consignatie aan de H.H. Plate en van Heusde, voor Johannesburg met de hierbij gaande etiketten te voorzien. De kisten moeten tegen 23 dezer te Rotterdam aan het adres der HH. Kuiper, van Dam en Smeer geleverd worden, ter dispositie van de HH. de Vries en Co. alhier. Hoogachtend, get. J. H. Kroon. Hierbij 175 etiketten";

dat eischeres gedaagde sommeert om te verklaren of het al dan niet waar is, a dat zij bovenstaande factuur heeft ontvangen, zonder daarop eenige aanmerking te hebben gemaakt; b dat zij hierboven bedoeld door eischeres in het geding gebrachte brieven aan eischeres heeft gericht; c dat zij aan den heer G. H. Kroon voor eischeres heeft ter hand gesteld 175 etiketten, als in zijn hierboven aangehaald schrijven bedoeld;

dat de gedaagde de hierboven staande feiten wel niet zal ontkennen ;

dat daaruit voortvloeit dat gedaagde zelf en niet een ander is de consignataris, hoewel hij dan op zijn beurt in de Transvaal een zaakgelastige moge hebben gesteld, die deze consignatie voor hem behartigde, t. w. de heer E. Kirchner;

dat de naam van dien heer dan ook slechts — X. B. drie jaren na de verzending in consignatie — voor hot eerst aan eischeres is medegedeeld;

dat alzoo onjuist is, dat eischeres niet aan, gedaagde, maar aan genoemden heer Kirchner de goederen in consignatie zou hebben gegeven;

dat eischeresses brief van 7 Aug. 1897 hierin niet de minste verandering brengt;

dat eischeres met hare actie bedoelt, wat duidelijk is uitgedrukt met de woorden, waarin zij is vervat, en niet. datgene, wat gedaagde daarvoor in de plaats wil schuiven, t. w. een eisch tot afrekening, in meer beperkten zin;

dat eischeres haar processueele maatregelen dan ook is begonnen met een exploit. van 30 Mei 1899, houdende sommatie aan gedaagde om betreffende hierboven omschreven consignatie ,,volledige rekening en verantwoording te doen", welk exploit zijnerzijds is beantwoord met een tegenexploit van 6 Juni 1899, waarbij gedaagde zijne verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording geheel en onvoorwaardelijk ontkent;

dat de bewering dat de ingestelde actie is praematuur door niets wordt gestaafd ;

dat vitieus is de leer dat eene actie tot rekening en verantwoording alleen kan opgaan, indien gelden ontvangen en uitgegeven zijn, een leer in casu te zonderlinger toegepast, waar gedaagde zelf eene uitgave van f 18.55 naar aanleiding dezer consignatie poseert, ja reconventioneel veroordeeling van eischeres vordert tot dat bedrag;

dat eischeres in rechte mag vragen wat zij vraagt en gedaagde die zelf beweert dat de consignatie nog niet is afgeloopen, ter afwering van dien eisch, zich niet mag beroepen op vroegere inlichtingen, voorheen door hem verstrekt;

dat geen gewicht in de schaal legt zijne mededeeling, naar welke eischeres op 29 Sept. 1897 hem heeft verklaard dat zij aan eene bevriende firma in Transvaal had geschreven om de goederen in ontvangst te nemen, te meer nu gedaagde zelfs niet beweert, dat dit ooit eenig gevolg heeft gehad, maar integendeel beweert, dat die afgifte hem niet mogelijk is geweest, omdat zijn vriend en correspondent, de heer Kirchner, inmiddels de boter zou hebben verduisterd;

dat zeer zeker, onder bovenstaande omstandigheden, praematuur is de vraag, wie de schade moet dragen, door onrechtmatige handelingen van den heer Kirchner veroorzaakt, zullende hierover eerst in het rekening-debat met vrucht kunnen worden getwist;

dat overigens reeds bij voorbaat blijkt, dat gedaagde, in èn buiten het faillissement van dien heer, zich bemoeiingen heeft opgelegd, welke duidelijk erkenning bevatten zijner verantwoordelijkheid in deze als consignataris;

dat het bedrag der verzekering ad f370 — eeaie verzekering door gedaagde op eigen gezag gedaan en, zander dat hij eischeres daarin ooit gemoeid heeft — aanwijst dat eischeres belang in deze minstens dat cijfer beloopt, maar zelfs f425 niet overdreven is, met welke omstandigheden bij het beslag rekening moest worden gehouden;

dat het eischeres een raadsel is hoe gedaagde komt aan het door hem opgegeven cijfer van f 296.50;

dat eischeres, waar zij aanspraak heeft op eene rekening-procedure tussclien haar als consignatiegever en gedaagde als° consignataris, niet gehouden is rauwelijks te betalen de door deze laatsten in rekening gebrachte som van f 18.58 ;

dat gedaagde overigens tot nog toe nooit betaling dier som heeft gevraagd neen, volgens zijn eigen zeggen, zich daarmede heeft tevreden gesteld, dat eischeres hem voor dit bedrag crediteerde, bewijs te meer dat zij in deze te doen had met° hem, en niet met den heer Kirchner;

dat eischeres intusschen — mits onverminderd hare rechten, zooals zij die hierboven heeft uiteengezet -—• gedaagde gaarne onverschuldigd met die f 18.50 tegemoet wil komen, in dezer voege, dat hij die a contant en tegen kwijting van. haar ontvangen kan, op voorwaarde dat zij voor de betaling hem debiteere;

op grond waarvan zij bij1 hare in conventie genomen, conclusiën is blijven persisteeren, met referte £ian 's rechters oordeel, voor zooveel betreft de reconventie;

O. dat de gedaagde nog voor dupliek heeft in het midden gebracht: dat hij erkent de bij de repliek genoemde factuur van zekeren heer Kroon, bij schrijven van 22 Aug. 1896 te hebben ontvangen, maar niet dat hij daartegen nooit eenig bezwaar heeft geopperd;

dat de heer Kroon die bezwaren mondeling heeft ontvangen en dan ook naderhand die factuur weer heeft ingetrokken, bii brief van 1 Sept. 1896;

dat die factuur ook slechts pro forma was afgegeven, zooals bij consignaties altijd gebruikelijk is ;

dat in die brieven wel wordt gezegd dat het- goed in consignatie gegeven is aan gedaagde, maar er bij staat „voor rekening van eischeres" en eischeres zelf, bij brief . van 7 Aug 1897° spreekt van eene consignatie door bemiddeling van gedaagde •' dat dus eischeres moet geacht worden beter dan haar vertegenwoordiger, Kroon, geweten, te hebben wat de afspraak was en de brieven van den heer Kroon zeer goed met de hare overeen te brengen zijn ;

dat, volgens eischeres zelf, op de oorspronkelijke nota slechts stond „verzonden in consignatie met bestemming „aar Johannesburg en daaruit volgt dat het de eischeres zelf was, die consigneerde;

dat gedaagde de brieven erkent door eischeres, als van hem i'onS geproduceerd, maar in een dier brieven, dd 7 Au" sproken0worftf 66116 consiSnati* van eischeres) ge'.

Sluiten