Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

besteding voor Veenliuizen eenerzijds en de andere gestichten anderzijds, vooral op dezen grond, gebruikelijk, dat de ervaring heeft geleerd dat zich voor de levering aan gevangenissen andere

gegaaigaen voordoen dan voor de gestichten Veenliuizen. De oorzaak hiervan is gelegen in de kleinere hoeveelheden, welke telkens aan de gevangenissen moeten worden geleverd, waarmede niet alle handelaren zich willen belasten.

Wat de prijzen aangaat, de uitkomsten van de laatst gehouden aanbestedingen voor de gevangenissen en voor de Rijkswerkinrichtingen Veenhuiizen warem als volgit: Ingeschreven wetfd per H.L. voor de gort f 7.ló3/10 voor de gevangenissen, en f7.87 voor Veenliuizen.; voor de erwten f 10.24 voor de gevangenissen, en f9.48 voor Veenliuizen, en voor de boonen f9.67®/,0 voor de gevangenissen, en f9.60 voor Veenhuizen.

c Alvorens de vraag te beslissen, welke uitlegging behoort te worden gegeven aan de facultatieve bepaling van art. 14 der wet van 14 April 1886 (Stbl. n°. 62), dat de uitkeering van uitgaanskassen van ontslagen gevangenen en verpleegden ook in termijnen kan geschieden, wenscht ondergeteekende met de

Lebuien oer gevangenissen en aanverwante gestichten nog overleg te plegen. Na overweging hunner adviezen zal zoodra mogelijk eene beslissing worden genomen.

De Minister van Justitie, Co et v. d. Linden.

Het wetsontwerp tot vaststelling van Hoofdstuk IV der Begrooting is in de vergadering der Eerste Kamer van 29 Januari 1901 na korte discussie zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Kamer Tan Strafzaken.

Zitting van den 17 December 1900.

Voorzitter, Mr. J. J. van Meerbeke.

Raadsheeren, Mrs. : A. A. de Pinto, A. J. Clant van der Mijm., A. P. Th. Eyssell, B. H. M. Hanlo, Jhr. S. Laman Trip en Jhr. D. G. van Teymngen.

De m deze zaak uitgebrachte oorspronkelijke dagvaarding bevat de door art. 143 Strafvord. gevorderde opgaaf van het feit, bepaaldelijk ook als uitmakende strafbare verduistering.

De geldigheid der dagvaarding wordt dus door den requirant ten onrechte betwist.

Het bij het bestreden arrest als bewezen aangenomen feit, dat de requirant twee lammeren, wetende dat zij hem niet toebehoorden, nevens de overige 20 lammeren van den koppel heeft gemerkt en ze met die 20 als de zijne heeft verkocht, is terecht aangemerkt als eene daad van

beschikking als heer en meester over, alzoo als toeëigening van die lammeren.

R. S., volgen® zijne opgave oud 32 jaren, van beroep koopman, geboren te Steggerda, wonende te Finkega, is requirant van cassatie voor zoover hij daarbij is veroordeeld tegen een

aiiest van net uereclitsnol te J.eeuwarden van ló Sept. lauu, waarbij, met toepassing van art. 321 Strafrecht, de artt. 239, 214 en 247 Strafvord., behalve ten aanzien van de opgelegde straf, is bevestigd het vonnis, den 23sten Juli bevorens in deze zaak gewezen door de Arrond.-Rechtbank te Heerenveen, bij welk vonnis de mede-beklaagde van den req. is vrijgesproken en deze zelf, met vrijspraak van hetgeen hem meer of anders was telastgelegd, is schuldig verklaard aan verduistering en te dier zake met toepassing van art. 321 Strafrecht, is veroordeeld tot gevangenisstraf van zes maanden — terwijl bij dat arrest voorzegd vonnis is vernietigd ten aanzien van de daarbij opgelegde straf, en de req. is veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Eijssell, heeft de adv.-gen. Noyon de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Lieer en

Deze req. is veroordeeld wegens verduistering naar aanleiding van eene dagvaarding waarbij hem en zynen mede-beklaagde o. a. wordt te last gelegd opzettelijk zich wederrechtelijk te hebben toegeëigend twee aan anderen toebehoorende lammeren die onder aan hen beklaagden toebehoorende lammeren die zij te Wolvega ter markt brachten, geraakt waren en die zij dus anders

aan door misdrijf onder zien hadden.

In alle instantiën heeft hij de nietigheid van deze dagvaarding beweerd op grond dat bij de telastlegging van verduistering vereischt wordt de positieve aanduiding van de wijze waarop beklaagde het aan een ander toebehoorend goed! zou hebben verkregen, welke wijze van verkrijging niet bepaald en ondubbelzinnig in de dagvaarding is omschreven.

jjij memorie is eeze griel geformuleerd in het eerste cassatiemiddel : Schending, althans verkeerde toepassing van de artt. 143 Strafvord., j°. art. 321 Strafrecht.

Tot toelichting wordt betoogd dat ieir.and's lammeren zeeir goed onder die van een ander kunnen komen door misdrijf, bv. doordat zij gestolen of door oplichting verkregen zijn en toen met die andere lammeren zijn vermengd.

Ik moet echter doen opmerken dat men om dit uit te drukken zeer zeker niet de in de dagvaarding voorkomende en hier bedoelde woorden zou bezigen, althans niet in verband: met hetgeen volgt: „alzoo anders dan door misdrijf", al moge dan ook m het algemeen volgens het in de memorie aangehaalde arrest van 15 Febr. 1897, W. 6931, de bijvoeging van deze laatste woorden het ontbreken van de feitelijke opgave van de wijze van verkrijging niet kunnen goed maken. Hier strekken zij niet tot vervanging van hetgeen ontbreekt maar tot verklaring van hetgeen voorafgaat.

Het Hof kent dan ook m. i. de juiste beteekenis aan de dagvaarding1 toe waar het uitmaakt dat zij niet anders kan bedoelen dan dat de lammeren buiten toedoen van de beklaagden en tijdens het vervoer van eenen onder hunne leiding staanden koppel daaronder waren geraakt en verder door hen naar Wolvega zijn gebracht, en tevens dat bij mogelijker) twijfel de gevolgtrekking dat de lammeren anders dan door middel van misdrijf in handen van de beklaagden zijn gekomen voor de uitlegging van de dagvaarding dienst mag doen.

Maar wat daarvan ook moge zijn, des requirants betoog is niet anders dan reageeren tegen de door het Hof aan de dagvaarding gegevene uitlegging welke de Hooge Raad steeds heeft beschouwd als uitsluitend behoorende tot het gebied van den rechter die over de feiten oordeelt.

Nietigverklaring van dagvaarding zou trouwens hier niet ter plaatse zijn, daar ten hoogste sprake kan wezen van telastlegging van een niet strafbaar feit.

Als tweede middel is subsidiair voorgesteld: Schending, in elk geval verkeerde toepassing van art. 321 Strafrecht, doordat liet Hof heeft aangenomen dat de bewezen aangenomene feiten kunnen worden gequalificeerd als opzettelijke wederrechtelijke

ecu. uw ciciuoiJLwi v ct/iij verduistering.

De req. beroept zich hierbij op 's Hoogen Raads arrest van 28 April 1890, W. 5871, volgens hetwelk een enkel te koop" aanbieden en over verkoop onderhandelen nog niet als eene daad van toeëigening beschouwd kan worden. Daargelaten dat bij arrest van 19 Juni 1893, W. 6364, het begrip van toeëigening is uitgebreid tot te koop aanbieden als zijnde eene daad van beschikking, is in casu meer voorgevallen dan in de zaken waarop beide arresten betrekking hadden; hier is toch bewezen, verklaard dat de req. de lammeren te eigenen bate heeft verkocht. Verkoop die verplicht tot levering (al is hier dan ook, -omdat de lamineren door de eigenaars werden weggehaald, de levering achterwege gebleven) is toch zeer zeker eene daad van toeëigening.

Beide middelen ongegrond achtende, concludeer ik tot verwer¬

ping van neu oeroep.

De Hooge Raad enz.;

Gelet op do middelen van cassatie rl n.nr» rlon -nar» TrnrvnYvaci-l-i-»! /I

. - ruvivcauoiU

bij memorie:

I. Schending, althans verkeerde toepassing van art. 143 Strafvord., in verband met art. 321 Strafrecht en subsidiair: II. Schending, in elk geval verkoerde toepassing van art. 321 Strafrecht ;

Overwegende dat bliikens het bestralen JVrrPSt. li 0+TI7 üll.' r-lirv

beslissing van het bevestigde deel van het vonnis 'heeft overgenomen, ten laste van den req. bewezen is verklaard dat hij °in

„ o n at • i nr\r\ • ttt , . n • „ J ' '

«cu nauiiL »tuil o up ^ iVAd im wesTsteumgwerl opzettelijk een lam, toebehoorende aan J. J. M. en een lam, toebehoorende aanP. M. S., welke lammeren onder aan hem, beklaagde, en zijn broeder M. toebehoorende lammeren, welke zij te Wolvega ter markt brachten, waren gekomen, en die hij alzoo anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toege. eigend en te Wolvega ter. eigen bate verkocht", terwijl uit het arrest blijkt, dat voormelde aanduidingen omtrent de twee vreemde lammeren overeenkomen met hetgeen de dagvaarding dienaangaande bevat;

O. dat de nietigheid der dagvaarding, die bij het eerste middel wordt beweerd, daarop wordt gegrond, dat deze aanduidingen, in strijd met art. 143 Strafvord., niet bepaald en ondubbelzinnig zouden bevatten de bij eene aanklacht van verduistering vereischte positieve aanduiding der wijze, waarop de beklaagde het aan een ander toebehoorend goed zoude hebben verkregen; dat tot ondersteuning van dit beweren de memorie van cassatie eene critiek bevat van s Hofs overweging, dat de voormelde tot dit punt betrekkelijke woorden niets anders kunnen beteekenen

utui Utti uie y twee; lammeren Duiten toedoen van de beklaagden en tijdens het vervoer van eenen onder hunne lAi.rlino- stanndpn

koppel daaronder waren gekomen en verder door hen naar de

marlet te Wolvega zijn gebracht, hetgeen het begrip van onder zich hebben in den zin van art. 321 Strafrecht p-eheel omvat t«

meer nu de gewraakte bijvoeging „en die zij alzoo anders dan door misdrijf onder zich hadden" we] eene qualificatie bevat, doch tevens mag gelden als uitlegging der dagvaarding bij eenigen twijfel"; dat de critiek dezer redactie hierop nederkomt, dat de dagvaarding evenzoo had kunnen luiden, indien de beklaagde lammeren van iemand anders uit diens land had gedreven onder zijne eigen lammeren, ofwel indien hij iemand met lammeren op zijnen weg naar de markt had ontmoet en dezen door listige kunstgrepen had bewogen om die lammeren aan beklaagde's zorg toe t-e vertrouwen, waarom onjuist is te achten 's Hofs uitspraak, dat de bedoelde woorden geene andere beteekenis kunnen hebben dan die aangenomen bij het arrest;

O. ten opzichte van het middel dat omtrent de twee niet aan den req. toebehoorende lammeren, welker wederrechtelijke toeëigening en verkoop te Wolvega ten eigen bate hem is telastgelegd, in de dagvaarding ondubbelzinnig- het volgende is gesteld: 1°. aan welke personen die lammeren toebehoorden • 2°. dat de req. op het oogenblik van toeëigening en verkoop die dieren onder zich, dat is in zijne feitelijke macht had;

3°. dat deze feitelijke macht was voortgekomen niet uit eenig misdrijf, maar hieruit, dat die twee waren gekomen onder de aan req. en zijnen broeder toebehoorende lammeren, welke door hen te Wolvega ter markt werden gebracht;

u. dat nierm, ai komt daarpij niet nog bovendien voor op welke wijze de twee lammeren onder de kudde van den. req. en diens broeder waren gekomen, is vervat de bepaalde aanwijzing van alle bestanddeelen van verduistering volgens art. 321 Strafrecht, daaronder ook die van den n (vrsnrr>n o- rlpir feite.

lijke macht over de twee lammeren, vermits naast de negatieve op zich zelf onvoldoende opgaaf, dat die macht niet was pon

gevolg van misdrijf, staat de positieve opgaaf, dat de beide dieren als het ware vermengd geraakt waren met de eigen lammeren, die req. naar de markt te Wolvega bracht en zij daardoor feitelijk een deel uitmaakten vaTi de door hem gedreven wordende kudde;

dat dientengevolge in de dagvaarding alles voorkomt, noodig om den req. niet in. liet onzekere te laten omtrent hetgeen hem telast werd gelegd en om hem in staat te stellen zich behoorlijk tegen die telastlegging te verdedigen, zooals ten overvloede nog is bevestigd, door hetgeen req. in het geding tegen de gestelde feiten heeft ingebracht;

O. dat in dezen stand van zaken requirant's critiek op 's Hofs uitspraak, dat zijne opvatting der subsidiaire telastlegging de eenig mogelijke beteekenis daarvan is, de gegrondheid van zijn middel niet aantoont, vermits uit het voren overwogene volgt, dat de dagvaarding bevat de door art. 143 Strafvord. gevorderde opgaaf van het feit, bepaaldelijk ook als uitmakende strafbare verduistering, zoodat dit artikel noch op zich zelf, noch in verband met art. 321 Strafrecht geschonden, is ;

O. dat bij het subsidiair voorgestelde middel wordt beweerd, dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen, dat. de als bewezen aangenomen feiten zouden opleveren de voor het misdrijf van verduistering noodige opzettelijke wederrechtelijke toeëigening der lammeren, als hoedanig het Hof die feiten qualificeert' daar toch de koopprijs der lammeren niet aan, req. is betaald en ook de levering niet heeft plaats gehad, omdat vóór deze de eigenaars die dieren hadden teruggekregen; . "

O. dienaangaande: dat het Hof, als bewezen aannemende, dat req., wetende dat de twee lammeren hem niet toebehoorden,'deze met de overige 20 lammeren van den koppel met zijn merk gemerkt en met die 20 als de zijne heeft verkocht, te recht heeft beslist, dat dit feit oplevert eene beschikking als heer en meester over die lammeren, alzoo toeëigening daarvan;

O. dat dus de beide cassatiemiddelen zijn ongegrond ; Verwerpt het beroep.

ARRONDISSEMENTS -RECHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE 's GRAVENHAGE. Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 11 April 1900.

Voorzitter, Mr. Ch. Krabbe.

Rechters, Mrs.: Jhr. W. H. de Savornin Lohman en Jhr. R. O. van Holthe tot Echten.

De lastgeving aan den architect om naar aanleiding van het door hem gemaakte schriftelijk bestek mondeling inlichtingen te geven en aanwijzing te doen, sluit niet in zijne bevoegdheid om bij dit laatste de aanbesteding, die volgens dat bestek plaats heeft, te wijzigen.

P. Woestenburg, loodgieter, wonende te Deiden, eischer, procureur Mr. H. G-. Gordon,

tegen

1°. J. Zitman, timmerman, wonende te Leiden;

2°. C. van Brakel, timmerman, wonende te Leiden, gedaagden, procureur Mr. P. Droogleever Fortuyn.

De Rechtbank;

Gehoord enz.;

In rechte:

Overwegende dat de eischer schadeloosstellino- vm.CTAnrlPi -wA-

gens onrechtmatige daad door gedaagden gepleegd, die onrecht matige daad vindt in de inbreuk op zijn eigendomsrecht van eenig zink en lood, en dit eigendomsrecht afleidt uit de bepaling door den architect belast met het regelen van de uitbesteding van het afbreken van het perceel, waartoe dit lood en zink behoorde, en het opbouwen van een nieuw huis, bij de aanwijzing gedaan, dat de aannemer van ieder vak (zijnde hij geworden aannemer van liet lood en zinkwerk) eigenaar werd van de afbraak tot zijn vak behoorende;

O dat eischer door bij repliek te stellen, dat die architect de bepaling alleen heeft gemaakt ten aanzien van de tot het perceel behoorende looden pomp met ondergrondsche pijp en het daklood, niet zooals gedaagden beweerden, het onderwerp van zyn eisch heeft veranderd, maar alleen zijn eisch heeft gewijzigd in dien zin dat de onrechtmatige daad beperkt zou worden tot de toeëigening dezer voorwerpen;

O. dat de gedaagden den eisch hebben bestreden, behalve door te ontkennen dat de door eischer geposeerde bepaling door den architect bij de aanwijzing is gemaakt hetgeen eerst, nadat over de, beweerde met-ontvankelijkheid ten voordeele van den eischer is beslist, ter sprake komen kan, door de bewering te voeren dat die bepaling bij de aanwijzing door den architect gemaakt geen recht voor den eischer od de trelibelleerde afbraak V™,,

vestigen, omdat bij de aanwijzing volgens § 446 van de algemeene voorschriften van het Ministerie van Waterstaat, welke toepasselijk zouden zijn, alleen dan de inlicht in ffin fin aa.n wii '/in irftn

bindende zijn, als ze zijn opgenomen of vermeld in een daarvan op te maken proces-verbaal, terwijl geen proces-verbaal is opgemaakt en zelfs niet door eischer is gesteld, dat zulks is geschied ; 2°. omdat bovendien door de bepalingen van het bestek en de voorwaarden, die in dezen toepasselijk zijn op de staftbegte-

ding wordt vastgesteld dat zij, gedaagden, als aannemers-timmerlieden zijn de hoofdaannemer bij vaksgewijze aanbesteding, dat zij als zoodanig waren de aannemer die recht had krachtens art. 4 van dat bestek en die voorwaarden op de afbraak, daar zij ook de in dat artikel omschreven schutting hebben geplaatst en het oude perceel hebben algebroken, dat nu, de architect die de aanwijzing deed niet gerechtigd was dat bestek en die voorwaarden te wijzigen zonder een daartoe strekkend procesverbaal op te maken, terwijl zij daaromtrent bij pleidooi voormeld bewijsaanbod hebben gedaan;

O. dat alzoo de Rechtbank da op die twee gronden voorgestelde niet-ontvankelijkheid in de eerste plaat® moet beoordeelen • O. wat den eerst vermelden grond betreft:

dat bij het in het geding gebrachte ongeteekende exemplaar van het bestek en de voorwaarden, waarvan niet is betwist dat het met het origineel overeenkomt, terwijl tusschen partijen vaststaat dat dit op de aanbesteding toepasselijk is wordt, ge constateerd, blijkens art, 1, dat van toepassing zijn op deze aanbesteding de algemeene regelen en bepalingen vastgesteld bij, beschikking van den Minister van Waterstaat van 12 Sept, 1882, dat nu de bepaling waarop gedaagden een beroep doen,, gelijk tusschen partijen is buiten geschil in die algemeene voorschrif. ten van 1882 niet voorkomen, maar wel in die van het Ministerie van Waterstaat van 12 Dec. 1898;

dat nu waar die laatste alsremeene voorschriften niet, viin +„»

passelijk verklaard, maar wel die van 1882, eene bepaling uit die algemeene voorschriften van 1898 niet van toepassing kan zijn op deze aanbesteding, terwijl waar de bewoordingen van de overeenkomst duidelijk zijn, men niet door uitlegging daarvan mag afwijken;

dat alzoo deze grond' is onjuist;

O. wat den tweeden grond aangaat:

dat hieromtrent bij het tusschen partijen als toepasselijk vaststaande bestek en voorwaarden der onderwerpelijke aanbesteding wordt bepaald in art. 4. dat de aannemer alvorens met het afbreken van den voorgevel van het gebouw aan te vangen moet plaatsen een schutting ter afscheiding, die het eigendom blijft van den aannemer, dat van de afbraak sommige voorwerpen voor den nieuwen bouw mogen worden gebruikt en de overschietende afbraak komt ten voordeele van den aannemer en terstond moet worden verwijderd ;

dat de vraag nu is of de gedaagden de aannemers zijn ten wiens voordeele deze afbraak komt •

O. hieromtrent dat tusschen partijen is onbetwist, dat het hier geldt eene aanbesteding van het afbreken van het perceel 29 koordeinde te Leiden, tot welk perceel die afbraak behoorde, en het opbouwen daar ter plaatse van een nieuw huis;

dat deze aanbesteding alzoo was tweeledig ;

dat nu bij het bestek en de voorwaarden bij de slotbepaling omtrent de wijze van aanbesteding is bepaald, dat de timmerman als hoofdaannemer wordt beschouwd en de andere vakkeu worden beschouwd als ondergeschikte vakken ;

dat deze bepaling geen anderen zin kan hebben dan dat, wanneer de aanbesteding gegund, wordt vaksgewijze, zooals tusschen partijen is onbetwist, dat is geschied, de aannemer van het timmerwerk hetgeen de gedaagden zijn, zooals tusschen partijen is onbetwist hoofdaannemer was, zonder dat daaruit voortvloeit dat de andere aannemers waren onderaannemers;

Sluiten