Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitzondering, een regeling afwijkende van het algemeene voorschrift van art. 1589 B. W.

(Zie het vonnis a quo in W. 7366).

1° P van Tienhoven, gepensionneerd majoor der Huzaren te Arnhem 2°. enz., appellanten, incidenteel gein timeerden, procureur en advocaat Mr. B. M. Vlielander Hein,

tegen

De Stoomboot-reederij Fop Smit & Co., gevestigd en kantoor houdende te Botterdam, geïntimeerde, incidenteel appellante, procureur Mr. W. A. Telders, advocaat Mr. J. Knottenbelt.

Het Hof; .

Gehoord partijen in hare conclusiën en pleidooien;

Gezien de stukken van het geding, voor zooveel noodig geregistreerd ;

vVat de feiten betreft:

Overwegende dat het Hof met overneming daarvan zich gedraagt

aan de daartoe betrekkelijke overwegingen, vervat in het vonnis, door de Arrond.-Rechtbank te Uorarecht den lsten Nov. 1899 tusschen partijen gewezen, waarvan het dictum luidt: enz.,

O dat de oorspronkelijk gedaagden en incidenteel ook de oorspronkelijk eisckeresse, van dit vonnis zijn gekomen. » hooier beroep, waarna partijen bij, wederzijdsche schriituren haie beweringen in hooger beroep hebben uiteengezet, concludeerende als in het slot ,daarvan vermeld;

in rechte:

Ten aanzien van het hoofd-appèl:

0. dat da appellanten tegen het aangevallen vonnis als e e r-

s t e grief aanvoeren:

dat de actie had moeten zijn afgewezen, omdat zij steunt op eene ontoelaatbare uitbreiding van art. 1589 B. W. ; dat toch dit artikel bedoelt een voor het geheel of voor een gedeelte lichamelijk te niet gaan van de verhuurde zaak, en met ook liet, ondanks oorporeele ongeschondenheid, te niet gaan of verminderen van de bruikbaarheid van datgene waarvoor het was verhuurd, neerkomende op een geheel of gedeeltelijk verlies van de voorgestelde opbrengst; dat de invloed op het contract van de omstandigheid, dat de huurder de zaak om eenige buiten zijn persoonlijken toestand gelegen reden niet of slechts schadelijker Kan gebruiken, afzonderlijk is geregeld in de artt. 1592 vlg. en 1628 vlg. B. W. ; . ,

dat ook, met het oog op de mogelijkheid, dat genotsderving kan voorkomen als een i ij dei ijk gemis, als een gemis van de opbrengst van een deel van het goed, of als een minder groot genot van het geheei of van een deel dan men zich had voorgesteld, en dat zich onderscheidene combinaties dezer gevallen L'iiimftn vrwrr dnfin. de bestreden leer in strijd is met de natuur

van het huur contract, en speciaal van het huurcontract met periodieke betalingen op overeengekomen termijnen;

dat eindelijk hetgeen in casu door den huurder wordt geajle. geerd ais zijn schadepost, en hetgeen dan zal zijn eene genotsvermindering van het geheel, niet alleen niet gebleken, maar zelfs niet beweerd is te zijn eene zulke genotsvermindering, die, laat staan in dezelfde mate, zal voortduren gedurende den verder nog te loopen tijd der huur;

O. naar aanleiding van deze grief :

dat de geintimeerde bij inleidende dagvaarding van 23 Mei 1898 als feitelijken grondslag voor hare aan art. 1589 B. W. ontleende vordering in hoofdzaak heeft gesteld: dat de Rijkswaterstaat, op een afstand van 14-5 nieter boven eni 83 nieter beneden de haar door de appellanten verhuurde aanlegplaats te Werkendam, in de rivier lieett aangelegd twee kribben; dat door die twee kribben, op zoo korten afstand van de aanlegplaats, op zich zelve het aanleggen voor de stoombooten xeeds zeer bezwaarlijk werd gemaakt; dat echter sedert die kribben daar ter plaatse gelegd zijn, de rivier, tusschen die twee kribben, voor de aanlegplaats, zoozeer verondiept is, dat de stoombooten der o-eintiineende het grootste gedeelte van den dag de aanlegplaats volstrekt niet meer konden bereiken; dat de geintimeerde, nadat hare booten in de maand Sept. 1895 niet geregeld! meer aan de aanlegplaats hadden kunnen aanleggen, op 28 Sept. 1895 aan de erven van den heer A. B. van Tienhoven heeft kennis gegeven, dat de exploitatie ider aanlegplaats met 1 Oct. 1895 moest worden gestaakt, en in Oct. 1895 aan den vertegenwoordiger dier gerechtigden heeft verzocht tot de overneming over te gaan van het bestaande hoofd met zijn palen en van het veerpad, hetgeen echter is geweigerd;

O. dat de Rechtbank uit deze feiten lieeft afgeleid', dat de vordering werd gegrond op liet, ten gevolge van voorschreven kribben-aanleg, ophouden van een gedeelte van het genot der verhuurde zaak vóór October 1895;

O. dat het Hof deze opvatting niet deelt;

dat toch de stelling, dat door dien kribbenaanleg de stoombooten van geint. het grootste gedeelte van den dag* de aanlegplaats „volstrekt niet meer konden bereiken", niet ziet op een in het verleden gelegen, bepaaldelijk aangewezen, tijd stip, maar op een tijd vak, zich minstens uitstrekkende tot den dag der dagvaarding, toen de stelling werd geuit, en alzoo tot lang 1 Plet.. 1 RQfS:

dat hieraan niet in den weg staat het verder gestelde, dat de geint., nadat hare booten in Sept. 1895 niet geregeld meer aan de aanlegplaats hadden kunnen aanleggen op 28 Sept. en in Oct. 1895 aan de erven van Tienhoven de kennisgeving en het verzoek hebbeu gedaan als hierboven omschreven; vermits toch hieruit in geenen deele volgt, dat hare booten na 1 Oct. voormeld de aanlegplaats wel hebben kunnen bereiken ;

O. dat de appellanten ter ondersteuning der door hen gedeelde zienswijze der Rechtbank, zich beroepen op de conclusie van antwoord, door de geintimeerde als gedaagde uitgebracht in het door de appellanten als eiscliers bij dagvaarding van 28 Maart 1896 aanhangig gemaakte geding betreffende deze zelfde aanlegplaats ; edoch ton onrechte; dat daarbij toch door de geintimeerde onder meer werd gesteld, dat door de kribben de aanlegplaats voor hare stoombooten „sedert 1 Oct. 1895 niet m eer te gebruiken, was en ook niet meer gebiuikt is", en die booten ,,het grootste gedeelte van den dag de aanlegplaats volstrekt niet meer kunnen bereiken" ; zoodat ook daarbij, in overeenstemming met 's Hofs opvatting der onderwerpelijke dagvaarding, werd gesteld eene genotsderving, loopende n a 1 Oct. 1895 tot minstens den dienenden dag der conclusie, zijnde 4 Mei 1896;

O. dat dan ook de appellanten zelve in eersten aanleg bij hunne conclusie van antwoord blijkbaar diezelfde opvatting hul. digden ; dat zij daarbij immers verklaarden, dat zij „niet weten en" dus niet erkennen, dat de rivier tusschen de beide kribben op eenig tijdstip tusschen het maken van de kribben koit ■vAAr 1 rw. 1 «fffi «n, den a.anvan» van dit proces zoozeer

verondiept is geweest, dat de stoombooten der eischeresse het grootste gedeelte van den dag de aanlegplaats niet meer konden

bereiken,; dat de gedaagden zoowel in 18 9 7 als in 18 98 de rivier tusschen de Kribben hebben doen oppeilen, en hun toen steeds is gebleken, dat er van eene verondieping, die de stoombooten dei- eischeresse in het, aanleggen belemmerde, geen sprake was, en gedaagden uitdrukkelijk o n t k e n, n e n, dat een zoodanige toestand op den dag der dagvaarding, zijnde 23 Mei 18 9 8, aanwezig was";

O. dat alzoo als feitelijke grondslag dor vordering moet worden aangenomen, dat door den aanleg der kribben door den Rijkswaterstaat en de daardoor veroorzaakte verondieping der rivier vóór de aanlegplaats, de stoombooten van geïntimeerde het grootste gedeelte van den dag de aanlegplaats volstrekt niet meer* konden bereiken, van het maken dier kribben, kort vóór 1 Oct. 1895, af, tot "aan den dag der dagvaarding, 23 Mei 1898;

O. dat, naar 's Hofs oordeel, deze feiten opleveren een ten deele vergaan van het verhuurde goed, als geregeld bij art. 1589 B. W.;

dat toch onder „vergaan" in dit artikel, hetwelk in verband moet worden beschouwd met de in art. 1584 B. W. omschreven verbintenis des verhuurders, om den huurder het genot eerier zaak te doen hebben, niet alleen is te verstaan het lichamelijk te niet gaan, en alzoo de geheeie ondergang der zaak als zoodanig, maar ook haar zich bevinden in zoodanig een toestand, dat de huurder van haar het bij, de overeenkomst beoogde gebruik of genot niet meer kan heboen; en bij gevolg onaer „ten deele vergaan" ook het verkeeren der zaak in zoodanig een toestand, dat de huurder dat gebruik of genot daarvan niet meer ten volle kan hebben;

O. dat de door de appellanten —- die toeval als oorzaak der beweerde genotsderving in hooger beroep niet betwisten — tegen bovenstaande opvatting aangevoerde, hiervoren medegedeelde, bezwaren den Bove ongegrond voorkomen;

dat toch daargelaten, of ten deze, niettegenstaande de gestelde verondieping der rivier vóór de aanlegplaats, hare „cor. poreele ongesciiondenheid" nog wel kan worden aangenomen —• liet te niet gaan of verminderen van de bruikbaarheid van het verhuurde, in geen geval neerkomt, op het, bij volkomen bruikbaarheid der zaak alleszins bestaanbare, geheeie of gedeeltelijke verlies van hare voorgestelde opbrengst;

dat, wat de artt. 1592 vlg. B. W. betreft, indien al de daarbij voorziene belemmeringen ot stoornissen in het genot kunnen worden aangemerkt als een door toeval veroorzaakt geheel of gedeeltelijk vergaan in den boven vermeiden zin, deze artikelen, alsdan, voor de daarin behandelde bijzondere gevallen, bij wijze van uitzondering, een regeling behelzen, afwijkende van het algemeene voorschrift van art. 1589 B. W. ;

° dat in art. 1628 B. W. — trouwens alleen betrekkelijk tot huur van landerijen — geen sprake is van het te niet gaan of verminderen van de bruikbaarheid van het verhuurde, . zimde toch het land bezaaid of bepoot geworden, zoodat de

. J , . , 1- -11 1-1. 4- u;; lQ^Q.r*on

verhuurder den nuuraer ge.evera neeiu wat mji ucm iv.vwu moest, — maar alleen van een, met geheeie of gedeeltelijke o nbruikbaarheid der zaak, volgens het boven oveiwogene, niet te vereenzelvigen geheel of gedeeltelijk verlies der opbrengst;

dat het bezwaar, ontleend aan de mogelijkheid van onderscheidene combinaties van genotsderving, in verband met de natuur van het. huurcontract met, periodieke betalingen op over¬

eengekomen termijnen, hierop neerkomt, dat zoodanige periodiek te betalen huursom niet vertegenwoordigt de waarde van het genot, in het betaalde jaar of de betaalde maand genoten, doch slechts de geraamde niiddenwaardo van die genotspeiiode met betrekking tot liet geheel, zoodat het met den aard van zulk een huurcontract zou in strijd zijn, wanneer men den huurder het recht gaf om, 'onverschillig hoeveel de huur hem reeds heeft doen cenieten en hem misschien later nog zal afwerpen, louter wegens eene gedurende den loop der huur toevallende opbrengstderving maar dadelijk en indistincte te vragen vernietiging der huur;

dat echter ten opzichte van dit bezwaar in de eerste plaats geldt het reeds herhaaldelijk overwogene, dat niet elke gemotsof opbrengst-derving, maar alleen de door toeval veroorzaakte onmogelijkheid om van het, gehuurde het beoogde genot te hebben, tot toepassing van art. 1589 B. W. kan leiden; maar dat bovendien die beweerde ongerechtvaardigde bevoordeeling van den huurder bij vernietiging van een contract als^ het onderstelde, zich evenzeer kan voordoen bij verval of vernietiging wegens het, bij gezegd artikel in elk geval voorziene, lichame. 1 ij k te niet gaan der zaak; en alzoo minder pleit tegen de hier voorgestane opvatting van dat artikel, dan wel tegen het artikel zelf, ook in zijne meest beperkte beteekenis;

dat, wat aangaat het bezwaar, dat .niet is gesteld genotsderving ook gedurende den nog te loopen tijd. dar huur, uit de hierboven als feitelijke grondslag der vordering aangenomen gedeeltelijke „onbruikbaarheid der aanlegplaats vani vóór 1 Oc. 1895 tot aan den dag der dagvaarding, ü3 Mei 1898, naar sllols oordeel volgt zoodanig eene onbruikbaarheid: ook voor de oekomst, en alzoo ook voor de nog loopende huur, tenzij, — wat dan evenwel beweerd en aannemelijk gemaakt zou moeten worden, — gedurende dien tijd herstel in den vorigen toestand mogelijk mocht zijn ;

dat ten slotte nog tegen de toepasselijkheid! van art. ib89 15. W. op de onderwerpelijke vordering: bij pleidooi is aangevoerd, dat lichamelijk teniet gaan, zoo al niet voor het geheel en al vergaan, dan toch in ieder geval voor het ten deele ver. gaan, ten opzichte van een deel der zaak zou vereischt worden • doch dat eensdeels het niet aannemelijk is, dat het woord „vergaan" in hetzelfde artikel in tweederlei zin zou zijn gebezigd; en anderdeels ook het verband met art. 1584 B. W. voor de hier gehuldigde, boven omschreven opvatting van het ten deele vergaan" pleit;

O. dat op bovenstaande gronden de eerste grief den Hove ongegrond voorkomt;

O. dat bij de tweede grief de toewijsbaa-rheid der vordering hnt.wist OD mond. dat de huurovereenkomst, blijkens art.

3 omvat èn huur èn monopolie-verleening, zoodat in den prijs

de vergoeding ligt van beide praesiaweu, uau uu ae nuutaer, door eenvoudig te vragen vernietiging van het contract, ten onrechte eischt ontlast te worden van datgene, wat in de pachtsom ligt tot vergoeding der monopolie-praestatie, die doorgaat ook al is de aanlegplaats onhruikbaar;

O. echter dat, de gegrondheid van bovenbedoelde splitsing der tusschen partijen bestaande overeenkomst in, het midden gelaten, de vordering, blijkens de dingtalen in eersten aanleg, strekt tot vernietiging dier geheeie overeenkomst, met inbegrip van art, 3 betreffende het zoogenaamd monopolie; weshalve, bij hare toewijzing, van een doorgaan der monopolie-praestatie, en dus ook van eene daarvoor te derven vergoeding, geen sprake kan zijn;

O. dat de derde grief gericht is, togen de beslissing der Rechtbank, waarbij wordt voorbij gegaan het aanbod der appellanten, om door getuigen te bewijzen1, ,,dat het na 1884 en

vóór de kribben gelegd werden, veelvuldig is voorgekomen, dat de aanlegplaats door zandbanken niet te bereiken was" ; in welke omstandigheid, gepaard aan de ongestoorde voortzetting der con. tractueele huurverhoudingen, volgens appellanten een gewichtig moment zou gelegen zijn ter waardeermg van de bedoeling der partijen wat bet,relt de bedoelde risico-dracht van: zulke stoornissen in het genot;

O. evenwel dat uit dit feit, hetwelk slechts zou opleveren eene v o orb ijgaan d e belemmering in het genot, in geen geval kam volgen de bedoeling bij geintimeerde om m de toekomst nooit beroep te doen op eene eventueel later ontstaande blijvende onbruikbaarheid van het gehuurde;

O. dat, naar luid van de vierde grief, de Rechtbank, terecht aannemende, dat de geintimeerde niet in 1898, op grond van art. 1589 B. W., vernietiging van huur kan vragen met, ingang van 1896, den eisch had moeten afwijzen of niet-ontvankelijK. verklaren, omdat geintimeerde nocli primair, noch subsidiair hare vordering verminderd of gewijzigd had;

dat deze grief in zoover haren feitelijken grondslag mist, dat de Rechtbank over dén ingang eener eventueeie vernietiging ïicli wel in eene overweging heeft uitgelaten, maar daaromtrent nog niets lieeft beslist, doch dat bovendien de wet den .rechter nergens verbiedt, minder toe te wijzen dan gevraagd is;

O. dat bij de v rj f d e grief, die tweeledig is, wordt aangevoerd: eensdeels, dat het, niet beweerd zijn van aanwezigheid, der aanlegobstructie ook nog tijdens de dagvaarding, op zich zelf een reden had moeten zijn tot afwijzing der vordering;

anderdeels, dat de Rechtbank niet had moeten voorbijgaan het vrijwillig gedane aanbod van appellanten om te bewijzen : „dat in 189Y en 1898 alsmede ten dage der dagvaardingde diepte van het water tusschen de kribben geenerlei beletsel opleverde, om met booten van de door eischeresse gestelde diepgangen de aanlegplaats te bereiken" ; vermits dit teit, bewezen zijnde, reeds op zich zelf tot afwijzing der vordering had moeten leiden;

O. dat deze grief, wat het 1ste lid betreft,, blijkens het bij de behandeling der' eerste grief nopens den inhoud der dagvaarding overwogene, haren feitelijken grondslag mist;

dat, wat het 2de lid betreft, de appellanten gezegd bewijsaanbod in hooger beroep niet hebben herhaald noch daartoe geconcludeerd, maar dat bovendien uit laatstbedoelde overwegingen volgt, dat het door de geintimeerde te leveren bewijs zal moeten omvatten het tijdvak van September 1895 tot op 23 Mei 1898, dag der dagvaarding, zoodat de appellanten tot het bewijzen van het door hen gestelde feit alle gelegenheid zuilen hebben bij gebruikmaking van het liun alsdan toekomende recht tot liet leveren van tegenbewijs ;

O. dat bij de zesde grief, welke de vordering in reconventie raakt, wordt betoogd, dat de Rechtbank, nu zij van oordeel was, dat de vordering in geen geval kon worden toegewezen dan van de dagvaarding, 23 Mei 1898, af, wat zij ook verder omtrent den eisch m conventie besliste, in elk geval den eisch in reconventie, strekkende tot betaling der sedert 1 Maart 1896 tot 1 Mei 1898 verschenen huurtermijnen met de wettelijke renten, had moeten toewijden;

O. d!at deze grief, als gericht tegen de door de Rechtbank bevolen aanhouding der reconventioneele vordering, en alzoo tegen eene praeparatoire uitspraak, waartegen het ingestelde beroep, indien het al geacht zou moeten worden ook bedoelde beslissing te betreffen, als vóór het eindvonnis ingesteld, zou niet ontvankelijk zijn, buiten beschouwing kan blijven;

O. dat alzoo ook de grieven, door de appellanten onder II tot en met VI aangevoeld., Tien Hove evenzeer ongegrond voorkomen ;

Ten aanzien, van het incidenteel appel:

O. dat daarbij de appellante tegen het gewezen vonnis slechts opkomt, voor zoover daarbij door de Rechtbank is aangenomen, dat hare oorspronkelijke vordering enkel en alleen zou zijn gegrond op het tengevolge van den kribbenaanleg ophouden van een gedeelte van het genot der verhuurde zaak vóór Oct. 1895, en in verband daarmede de bewijslevering is beperkt tot het tijdvak, loopende sedert dien kribbenaanleg tot op 1 Oct. 1895 en bepaaldelijk over Sept., van dat jaar; moetende naar appellante de bewijslevering, overeenkomstig een juiste opvatting der dagvaarding loopen over den tijd van Sept. 1895 tot op 23 Mei 1898, dag der inleidende dagvaarding;

O. dat uit hetgeen naar aanleiding der 1ste grief over den feitelijken grondslag der dagvaarding is overwogen, volgt, dat het incidenteel appel is gegrond, en alzoo het door de incidenteel appellante te leveren bewijs behoort te omvatten laatstgemeld tijdvak;

O. ambtshalve, dat het door de Rechtbank aan. de principaal geintimeerde, incidenteel appellante, opgedragen bewijs, naar 's Hofs oordeel, niet uitsluitend omvat feiten, voor waarneming door getuigen vatbaar, maar ook oordeelvellingen, waaromtrent wellicht later voorlichting door deskundigen kan wenschelijk zijn ;

dat derhalve het vonnis, behalve op het in de vorige ovei weging vermelde punt, ook in dit opzicht behoort te worden verbeterd in voege hierna te melden ;

O. dst het overigens — zij het ook gedeeltelijk op andere gronden — moet worden bevestigd, met wijziging alleen wat de tijds. bepaling voor liet daarbij bevolen getuigenverhoor betreft;

O. dat de principaal appellanten, incidenteel geïntimeerden, als in alle opzichten in het ongelijk gesteld, ook in de kosten van het hooger beroep zullen moeten worden verwezen;

Gezien art. 56 B. R.;

Bevestigt het vonnis door de Arrond.-Rechtbank te Dordrecht den lsten Nov. 1899 tusschen partijen gewezen, met dien verstande, dat het daarbij bevolen getuigenverhoor zal plaats hebben ter terechtzitting dier Rechtbank, op dag en uur, door haar ten verzoeke der meest gereede partij nader te bepalen; alsmede, dat in de plaats der feiten, bij dat vonnis aan die principaal geintimeerde, incidenteel appellante, te bewijzen opgedragen, de volgende worden gesteld:

-1°. dat de stoombooten, waarmede de principaal geintimeerde haren dienst tusschen Rotterdam en Gorinchem en omgekeerd onderhoudt hebben de volgende afmetingen en diepgang in meters :

de „Merwede I" is lang 61.— breed 6.10 diep 3.10 diepg. 1.70

,, „Merwede II ,, ,, öz. ,, b.— ,, z.at ,, i.<to

,, „Quakernaat" ,, „ 52.— ,, 5.65 ,, 2.85 ,, 1.50 ,, ,,Johann deWitt" ,, ,, 49.75 ,, 5.55 ,, 3.— ,, 1.45 „ „OornelisdeWitt",, „ 48.10 „ 5.70 „ 2.88 „ 1-42 2°. dat de „Merwede I en II" reeds in den dienst der principaal geintimeerde gebezigd werden in 1879;

3°. dat sedert den aanleg der bij dagvaarding bedoelde, twee kribben in Sept. 1895 tot op 25 Mei 1898, de diepte tusschen de kribben vóór de door den auteur der principaal appellanten aan de principaal geintimeerde verhuurde aanlegplaats te Werkendam, bij laag water, slechts bedroeg 80 a 90 centimeters, behoudens buitengewonen hoogen waterstand gedurende enkele dagen;

Verwijst de zaak naar voornoemde Rechtbank, ter beslissing met inachtneming van 's Hofs arrest, op de hoofdzaak;

Sluiten