Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Veroordeelt de principaal appellanten, incidenteel geïntimeerden, in de kosten van het hooger beroep; ,x , ..

Bepaalt het bedrag dier kosten, voor zooveel zij, voor ae in spraak en niet door hen zelve zijn gemaakt, met inbegrip verschotten op f 190.25.

ARRONDISSEMENTS-REGHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE 's GRAVENHAGE.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 16 Octnber 1900.

Voorzitter, Mr. A. A. Weve.

Rechters, Mrs.: H. A. v.« Rees en Jhr. R. O. van Holthe tot Echten.

Waar in de dagvaarding ontbreekt elke vermelding omtrent de macht tot inbezitneming der nalatenschap en het bezit hebben daarvan door eischer, executeur-testamentairomvat de dagvaarding niet de rechtsfeilen, ivelke de 'vordering als gevolg daarvan zouden kunnen en moeten rechtvaardigen en moet eischer q.q. in die vovdering niet ontvankelijk worden verklaard.

C'. Bakker qq., wonende te 's Gravenhage, eischer, procureur

en advocaat Mr. J. Limburg,

tegen

J G Coucke, wonende te 's Gravenhage, gedaagde, procureur en 'advocaat Mr. L. V. van Rossem.

De Rechtbank;

Gehoord partijen;

Gezien do stukken;

Overwegende dat eischer stelt van gedaagde te vorderen, te hebben £624.65, wegens door J. W. Bakker op last en bestelling van of namens gedaagde te diens woonhuize van Januari

tot Mei 1899 verrichte werkzaamneaen en geieverae maieruueu, volgens aan gedaagde- verstrekte specifieke rekening aan het hoofd der dagvaarding in verzamelposten zamen getrokken, doch geen minnelijke betaling te bekomen is, ook niet na sommatie i.ij) grond' waarvan eischer qq. betaling van f 624.65 vordert met nevenvorderingen;

O. dat gedaagde antwoordde, dat eischer is niet-ontvankelijk in zijne vordering dewijl bij het exploit van sommatie en dagvaarding niet wordt gesteld zijn bevoegdheid tot liet instellen van deze vordering — dat gedaagde — nu testamentaire beschik, kingen van willen J. W. Bakker hem onbekend zijn, niet kan erkennen, mitsdien ontkent, de gestelde quahteit des ethers, als executeur-testamentair — dat eischer mets heeft gesteld omtrent de al of niet aanvaarding van het executeurschap, leve. rende de bloote vermelding zijner benoeming en het instellen van deze actie voor gedaagde geen voldoendeaanwijzing of waarborg dienaangaande op; dat eischer evenmin heeft gesteld dat hij het bezit van de nalatenschap van wijlen J. W. Bakker zou hebben; dat gedaagde ontkent, dat eischer iets van hem heeft te vorderen, ter zake als door eischer beweerd en gedaagde deswege ook geen rekening heeft ontvangen; dat geaaagde aan ook niet verkeert in verzuim en uitvoerbaarheid bij vooiraad niet door eischer's posita wordt gemotiveerd met conclusie als bij antwoord vervat; .

O dat eischer qq. voor repliek aanvoerde, dat gedaagde met ontkent, dat hij aan wijlen J. W. Bakker, ter zake in, de dag. vaarding omschreven, het daar genoemde bedrag schuldig is en

dit dus vaststaat ; .. ..

dat eischer niet meer behoeft te stellen, dan hij bij zijn >dag-

. '^fde executeur, die zijn ambt heeft aanvaard door het, fe*t dat hem de macht tot in bezitneming is gegeven ^vo6gd bij den wil, om beheer te voeren, inderdaad liet bezit dei nalatenschap heeft; dat eischer reeds door het instellen towwtae blijk geeft zijn ambt te hebben aanvaard en hier ij »

testament van wijlen J. W. Bakker, waarbij eischer o , euteur met macht tot inbezitneming is benoemd, alsmede ü inventaris van den boedel J. W. Bakker, door den no aris A. J. Verkoa-en opgemaakt, waaruit blijkt, dat eischer in net

l. 'i 1.. t;n V^rvrl<VK>rl,-. lïii '/Yin. n/VoHifll -O'^tUifiTen."

uüz1u otjl ilcllctlcmouiictp io, a11jj —o? o_ o

bewijs van dit feit aan, tredende eischer qq. verder in eene mededeeling omtrent de bekendheid van gedaagde met de qualiteit van eischer en van diens bevoegdheid ten deze, onder toevoeging dat gedaagde op den 3den Maart 1900 in verzuim was en dus de actie den eischer qq. kan warden toegewezen;

O. dat gedaagde voor dupliek deed zeggen, dat van het hebben van het bezit der nalatenschap afhangt de bevoegdheid van eon executeur-testamentair om de schulden in te vorderen, dat dus aan een vordering van een executeur-testamentair bij welke niet blijkt, zelfs niet gesteld wordt, d'at hij. het bezit, heeft, door een aangesproken debiteur niet behoeft te worden voldaan;

dat de niet-ontvankelijklieid hieruit noodwendig volgt an, deze niet wijkt voor de mededeeling bij repliek (voor het eerst!) dat de eischende executeur is benoemd met de macht tot inbezitneming al ware het alleen, omdat, de ontvankelijkheid moet worden getoetst aan de dagvaarding; .

dat voorts liet bekleed zijn met de macht tot inbezitneming niet hetzelfde is als het bezit hebben en blijkens^ de «^Productie van eischer (de inventaris) op den 7den Maart 19UU huwelijksgemeenschap en de nalatenschap was in het ezi van da weduwe des erflaters en eerst op dien datum ten dee s is o\ gegaan in het bezit van eischer, nadat de sommatie en dagva< ding reeds den 3den Maart bevorens was uitgebracht, treaenae gedaagde nader in eene wederlegging van hetgeen eischer qq. bij repliek vorder heeft in het midden gebracht, onder bijvoeging dat hij de vordering zelve ook heeft ontkend; brengende ge^ daagde in het geding eenige bescheiden bij antwoord nader

aangeduid; . ,. , .

O. dat partijen daarna de zaak mondeling hebben toegelicht; O. in rechte:

wat betreft het middel van niet-ontvankelijkheid;

dat aan het hoofd der dagvaarding wordt gesteld: .,Ten verzoeke van den heer Ooenraad Bakker, wonende te 'sGravenhage, in hoedanigheid als bij testament den 29 Juni 1898 verleden voor don te 's Gravenhage rosideerenden notaris J. D. Dietz, bevestigd door den dood, benoemd tot executeur-testamentair in den boedel en nalatenschap van den heer J. W. Bakker, bouwkundige, gewoond hebbende te 's Gravenhage en aldaar overleden den 6den Jan. 1900 ; ^

dat eischer zich verdei' in de dagvaarding titelt ,,eischer qq. en derhalve geacht mag worden bij dagvaarding te stellen te

zijn executeur-testamentair in de nalatenschap van voornoemden J w Bakker en als zoodanig alsnu van gedaagde te vorderen betaling van een bedrag van f624.65, hetwelk gedaagde zou zijn verschuldigd' aan wijlen J. W. Bakker; .. 1 n ,

O. echter dat al moge nu eischer ook ten tijde der dagvaarding zijn geweest executeur-testamentair in de nalatenschap van J. W Bakker, deze hoedanigheid op zich zelve hem, eischer, executeur, naar de wet, nog niet geeft het recht of de bevoegdheid om eene schuld dier nalatenschap in te vorderen, m voege als

'l( dat'toch °als elementen voor die bevoegdheid naar da bepalingen der wet, wordt vereischt, dat door den erfla«ter, aan den exe. cuteur-testamentair, bij testament zij gegeven de macht tot inbezitneming van de goederen der nalatenschap (hetzij geheel, hetzij ten deele art. 1054 B.W.) en dat de executeur-testamentair inderdaad ook hebbe het bezit dier nalatenschap (art.

10(lat evenwel van die elementen in de dagvaarding niets voorkomt of wordt gesteld;

O. dat eischer qq. nu wel bij repliek stelt dat hem de macht van inbezitneming der nalatenschap is gegeven en luj, ook het bezit daarvan heeft, doch dat zulks eischer qq. ten deze niet kan baten; . .... j i.„„

dat toch — daargelaten nog of eischer qq. geaogu. ^ ten tijde der dagvaarding, 3 Maart 1900 reeds het bezit der nalatenschap te hebben gehad — niet uit het, oog mag worden verloren, dat de dagvaarding is de grondslag voor de voideii .1 o. AVtxr* v/*rfWi,n.o' .alleen naar de dagvaarding

moet worden beoordeeld of daaraan kan worden getoetst;

O', dat — waar nu in de dagvaarding ontbreekt, elke vermelding omtrent de macht tot inbezitneming der nalatenschap en het bezit hebben daarvan door eischer, executeur-testament,air, en waar die dagvaarding alzoo niet omvat de rechtsfeiten, welke de vordering als gevolg daarvan, zouden kunnen en moeten rechtvaardigen, eischer qq. in die vordering ook niet-ontvankelijk moet worden verklaard;

O. dat hiermede vervalt een onderzoek naar hetgeen partijen verder in de dingtalen, hebben in liet midden gebracht;

Recht doende:

Verklaart eischer qq. niet-ontvankelijk in zijne vordering en veroordeelt hem in de proceskosten aan zijde van gedaagde tot deze uitspraak begroot op f 125.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE HAARLEMBurgerlijke Kamer.

Zitting van den 20 November 1900.

Voorzitter, Mr. W. A. 't Hooit.

Rechters, Mrs.: J. de Clercq van Weel en Jhr. J. W. QüintUS.

De verkooper van een onroerend goed kan het bij den verkoop getroffen beding, dat de koopsters en haar rechtverkrijgenden op hel gekochte nimmer zullen mogen bouwen, niet doen gelden tegen een opvolger der koopsters titulo singulari. ,

Dit volgt uit art. 1376 en is niet in strijd met art. IdM

11. W.

De Burgemeester van Zaandam, als zoodanig deze gemeerde rech-

tens vertegenwoordigende, eischer qi-> I' '

advocaat Mr. J. Kappeijne van de Copfe tegen

1>. Donker Pz., slager, wonende te Zaantam, gedaagde, procu reur Mr. F. A. Bijvoet.

De Rechtbank enz. ;

Gehoord de conclusie van het Openb. Min. bij monde van den subst.-off. van justitie Kr. J. de Vries van Does]burgh daartoe strekkende het behage der Rechtbank den eisch t J ■

met veroordeelinig van den gedaagde in de kosten,

Wat de feiten betreft: , ,

Overwegende dat de eischer bij ^gvaarding en^™ «j

stsassTK s "si#*?» V *3- m

heeft verkocht aan M. Spiers en C. Spiers, meerderjarig, g huwd van beroep modisten, wonende te Zaandam, die kochten

Het ten noorden van haar perceel, kadastraal j^din «Rptie F n° 266, liggend gedeelte ter grootte van 39 60 viei-

S2 is» f w-w KÖ S&frSSrR

en het Kuikenpad te z-aanaam, ^.

,o 09/17 nndpr meer op de navolgende vooiwaarae.

' De koonsters en haar rechtverkrijgenden mogen op het ge-

::.3Lïrr-dot

gemeente te geven voorschnften ; v h,r6ven ten kantore

dat de aangehaalde koopakte is oveig w , o„_t

van den bewaarder der hypotheken te Haarlem den 22sten feept.

18dat^gedaagde'in'den eigendom van voormeld stuk grond * opgevolgd, en in strijd met bovenomschreven vei m n heeft gesticht een groot houten hok, to ei ging va

bedatmde gemeente Zaandam mitsdien gerechtigd is de amotie

van bovengenoemd houten liok te vorderen;

if „„„„nnliirlecrd • dat 1)11 VOliniS,

up weiKe gronden mi neen ;

uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde zal worden veroor e > binnen een daarbij te bepalen termijn aan te vangen en geregeld voort te gaan met de amotie van voormeld hou >

met machtiging op den eischer q<l-> °™> voor bet 8"eva ■> , daagde nalatig blijven mocht, aan de primair gevorderde oonüem , ? i-; J , .. +fvrmün t« voldoen, oeze

natie uiuubii uen daarvoor gcsi.»»*' -j— -- • ■ ,,iiAV

zelf, doch ten koste van den gedaagde, te doen uitvoer , , met verwijzing van den gedaagde in de kosten van he

0. dat de gedaagde op dien eisch heeft geantwoord:

dat de gedaagde de geposeerde feiten erkent dat zij, op het bewuste perceel zou hebben gesticht een hok; dat inden titel van aankomst van gedaagde, dien tojI », bi) in, het geding brengt, van de verbintenis waarop eiscner u roep doet, geen melding is gemaakt en die. verbrn^tenr_.eid gedaagde bij den aankoop van het perceel, bij welke g ^ B hij er ook geheel onkundig van was, niet is_ opge eg , ^

gingen persoonlijke verbintenissen ten aanzien van goed ipso jure over op hen, die in den eigendom van dat goea

titulo singulari opvolgen (des neen) dit toch geenszins zoude medebrengen dat, op de wijze als in art. 1354 B. W. bedoeld, rechten kunnen verleend worden, die om bestaanbaar te wezen, ia den vorm van een zakelijk recht, gevestigd zouden moeten zijn; dat nu, indien elk opvolger titulo singulari in den eigendom van het litigieusen perceel, het recht dat eischer beweert te hebben moest eerbiedigen, zonder dat de verplichting daartoe hem bij speciaal beding in den titel van aankomst was opgelegd; dit recht in den grond zoude neerkomen op een zakelijk recht, nl. op eene servitus quae in non faciendo consistit, ten laste van dat perceel, maar dan ook om rechtsgeldig te bestaan had gevestigd behooren te zijn ten behoeve van een heerschend perceel, wat echter niet is geschied; dat hetgeen gedaagde gedaan heeft trouwens niet eens valt onder de met zijne voorgangers getroffen verbodsbepaling, vermits hij niets anders heeft gedaan dan een geheel losstaand hok kant en klaar op het perceel neerzetten, wat geheel iets anders is dan op het perceel iets „bouwen" of „oprichten", dat van stichten in de verbodsbepaling niet wordt gesproken; dat niemand eenigen last of hinder van dat hok ondervindt en de geheeie actie noodelooze plagerij is; op welke gronden hij heeft geconcludeerd dat het der Rechtbank moge behagen den eischer zijnen eisch te ontzeggen, als ongegrond, hem daarin te verklaren in alle gevallen niet ontvankelijk, met zijne veroordeeling in de kosten;

O. dat de eischer in hoofdzaak bij repliek lieeft, aangevoerd: dat gedaagde terecht ontkent dat alle persoonlijke verbinte-

• i ,ro n rvre.vrvavon.rl (vr»Arl ir»sr* ilirft (WfircraATl OV>

nissen icu v«m — j— .. ® 1

hen, die titulo singulari den eigendom daarvan verkrijgen; dat dit evenwel het geval is, wanneer — gelijk in casu — de overeenkomst, die de verbintenis deed geboren worden werd gesloten met den eigenaar als zoodanig en onmiddellijk betreft de zaak, in den eigendom waarvan de nieuwe verkrijger is opgevolgd ; dat den gedaagde kan worden toegegeven, dat bij' de akte, .dd. 17 Sept, 1873 geen erfdienstbaarheid werd gevestigd; dat 'toch daarbij de koopsters voor zich en volgens art. 1354 B. W liare rechtverkrijgenden — dus ook ten laste van dein gedaagde — aangingen de persoonlijke verbintenis ter dagvaarding

omschreven; i

dat daarenboven de gedaagde bij zijne mm duidelijke jundieke onderscheidingen uit het oog verliest, dat de aangehaalde akte is overgeschreven in de openbare registers; .

O. dat de gedaagde nog bij dupliek heeft gezegd dat lil] volhardt bij zijne meening, dat het beding waarop eischer zich beroept, hem niet bindt;

Wat het recht betreft:

O. dat de eischer uit de bij dagvaarding gestelde en aldaar breeder omschreven feiten de gevolgtrekking maakt, dat hij het recht heeft om van den gedaagde te vorderen de amotie van liet ter dagvaarding genoemde houten hok;

O. dat de Rechtbank van oordeel is, dat de gestelde feiten die conclusie niet wettigen;

dat immers de ter dagvaarding genoemde koopovereenkomst dd. 17 Sept. 1873 alleen van kracht is tusschen de handelende partijen en dus de persoonlijke veibintenis daarbij door M. en C. Spiers tegenover eischer op zich genomen, den gedaagde, die bij die overeenkomst geen partij, was, niet bindt; dat derhalve die overeenkomst aan den eischer geen recht van vorderen tegenover den gedaagde geeft;

O. dat de eischer dat bij repliek in. het algemeen toegeeft, doch hij van oordeel is dat dit wèl het geval is, wanneer, gelijk in casu — de overeenkomst, die de verbintenis deed geboren worden, werd gesloten met den eigenaar als zoodanig en onmiddellijk betreft de zaak in den eigendom waarvan de nieuwe eigenaar is opgevolgd; dat evenwel deze onderscheiding op niets berust en niet alleen geen steun vindt in de wet, doch zelfs in strijd is met, eene uitdrukkelijke wetsbepaling, art. 1376 B. W. ;

dat al evenmin opgaat het, beroep van eischer op liet bepaalde bij art. 1354 B. W. vermits uit dat artikel wèl volgt, dat hij eischer liet meergenoemde beding in, de akte van, 17 Sept, 1873 mede heeft gemaakt ten behoeve van zijne rechtveikrijgen-

1 i - liii rrrvliiLr <711 fVifl.tTS wa! rlnfvn rln.f.

den, aocn geenszin» uw

beding tegenover de rechtverkrijgenden van zijne wederpartij bij die akte en dus tegenover elk en een iegelijk vermag te handhaven ;

O. dat de eischer ten slotte zich beroept op het feit dat de aangehaalde akte is overgeschreven in de openbare registers, doch dit feit het karakter van de verbintenis tusschen eischer en M. en C. Spiers aangegaan niet wijzigt of verandert;

dat uit het overwogene volgt dat aan den eischer zijn eisch teo-en den gedaagde als ongegrond zal moeten worden ontzegd;

Rechtdoende:

Ontzegt aan den eischer qq. zijn eisch en veroordeelt hem qq. in de kosten des gedings.

NAAR AANLEIDING VAN ART. 1917 B. W.

Mag het bewijs van een zekere dagteekening van onderhandsche akten behalve op de vier in art. 1917 B. W. met name genoemde manieren, nog op andere wijze geleverd worden? Deze vraag wordt door Mr. J. A. Levy in zijn Voortzetting op Opzoomer's verklaring van het Burgerlijk Wetboek (deel XIII ad art. 1917) bevestigend beantwoord.

Nog door andere middelen kan volgens dezen schrij ver de dagteekening waar gemaakt worden, zoodat derden zich daaraan moeten houden en anti-dateering wordt buitengesloten.

Tegen het bezigen van een der door Mr. L. op p. 7 t. a. p. opgenoemde middelen als bewijs van een zekere dagteekening, nl. den poststempel, treden de bezwaren zoo duidelijk aan het licht, dat het mij voorkwam vooral hiertegen met bescheidenheid doch nadrukkelijk te moeten opkomen.

Is een poststempel op een brief een zeker voorbehoedmiddel tegen anti-dateering en dus te beschouwen als veilig bewijsmiddel van de dagteekening eener onderhandsche akte tegenover derden ?

Men kan twee gevallen onderscheiden: öf de onderhandsche akte, de brief, bevindt zich in een enveloppe, waarop de poststempel voorkomt, öf de akte is zelf gestempeld.

In het eerste geval kunnen zij, die willen antidateeren, en zich voor de waarheid van den datum der onderhandsche akte willen beroepen op den poststempel, elkaar van tijd tot tijd leege enveloppen sturen, waarin zij naderhand, wanneer zij een vroegere dagteekening noodig hebben voor hun onderhandsche akten, die akten insluiten; of wel de enveloppen voorzien van onbeschreven vellen papier, waarop dan naderhand, met gebruikmaking wederom van den op de enveloppe afgestempelden datum, een onderhandsch contract kan worden gesohreven. Ook zou kunnen worden gebruik gemaakt van oude brieven, die niet opzettelijk met het oogmerk om te

Sluiten