Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet gedaan, en daar het betreft een vonnis op beide partijen gevraagd hebben, dat het H ■ behandeling, wijzen naar de Rechtbank te Maastricht, ter v ^ ^

hierdoor het Hof onbevoegd is om de zaak

te houden en dus verplicht om haar ter verdere behana H naar genoemde Rechtbank terug te wijzen ;

Recht doende: . _

Vernietigt het vonnis, waarvan appel; cretuiaen

Staat aZn den eischer, nu appellant toe om door getui0

bewijzen:

W,dat doet de uag n„« '> ««■■« »

xs?w *- -f ™"S rsrtfsssr*

een dag zal worden bepaald voor het dit in-

Veroordeelt den gedaagde, nu geint-, u» de kosten van dit

cident in beide instantiën.

gerkchtshof te 's gravenhage.

Burgerlijke Kauier.

(Raadkamer).

Beschikking van den 3 December 1900.

Voorzitter, Mr. J. Spoor.

Raa/Uheeren Mrs.: J. J. van Getjns, J. B. J. N. Ridder de van SchtjUen, W. J. Karsten en H. van Manen.

Art. 76 B. B. laat den rechter geheel vrij, indien hij van het gegronde der vordering vooralsnog niet door wettige bewijsmiddelen overtuigd is, naar bevind van zaken te handelen en, 100 noodig, getuigenverhoor te gelasten.

Aan het Gerechtshof te 's Gravenhage.

Geeft eerbiedig te kennen:

T:< ir T> ^.^V.fr..£vnr>/v*-,a Trein P V WATlÖndlft te "Rotterdam,

rj. m. x>., croii-u- • ■ • ? ■■— -

ten deze domicilie kiezende te 's Gravenhage, ten kantore van ae ondergeteekenden procureur, aan de Delistraat n°. 26;

dat requestrante, na presidiaal verlof, bij exploit van den deurwaarder S. P. Vink te Rotterdam dd. 13 Sept. 1900, haar echtgenoot P. V., gedomicilieerd te Rotterdam heeft doen dagvaarden tegen de terechtzitting van de Arrond.-Ree htbankJf ^oL" terdam van den 24sten Sept. 1900, ten em.de te hooren ontbonden door echtscheiding het tusschen partgea fivweliik met al de gevolgen, daaraami bij de wet verbonden, cum

3™»£ trtworrwp)* SHtafc s,—-'titsst' ezs&

pri l QOO vteeschelijke gemeenschap heeft gehad met andere vrouwen iSn requestrante, en zich alzoo jegens haar aan overspel

'"dat deUteef gedaagde ten dienende dage niet in rechte is verschenen waarna de toen eischeres, nu requestrante, heeft verzocht, dat tegen hem zou worden verleend verstek en, verder heeft geconcludeerd overeenkomstig de dagvaarding;

dat de Arrond.-Rechtbank voornoemd wel het gevraagde verstek verleend heeft, maar in plaats ten profijte daarvan den. eisch dadelijk toe te wijzen, alvorens bij eindvonnis te beslissen aan requestrante ambtshalve heeft opgedragen om door getuigen, het bewijs te leveren van de door haar gestelde en bovenvermelde feiten en zulks in strijd met art. 76 B. R. ;

dat requestrante derhalve door het interlocutoir vonnis der Arrond.-Rechtbank te Rotterdam dd. 8 Oct. 1900 rs bezwaard,

en daarvan wenscht te komen in hooger beroep,

en daarvan wea bijgaand bewijs van onver-mogen, af

a» burgemeester det "«

t-l "«"e « de top '•K'feS'oTOtSfl»;.», met 1-

Weshalve zij zich wendt tot U-üüei u-rum, kosteloos in

eerbiedig verzoek haar te vergunnen te dezer zake hooger beroep te mogen procedeereii.

Hetwelk doende enz.,

's Gravenhage, 12 Nov. 1900. (get.) F. W°~'ur_

ïl?t - bli "«-wrKhi Wng van geiosde ie g-t.lde lette,. A

S weersproken err dus als bewezm moeten worden aangemerkt

Tder de mits dat de voorgeschreven termijnen en formaliteiten S f in acïfgetmen, wat in casu het geval » en waarop, de

Rechtbank zich dan ook niet beroept.

TT At voorgenomen hooger beroep schijnt dus niet in ii D mate in strld te zijn met de bepalingen van de wet dan m de vele gevalleir, waarin het Hof gelijke interlocutoire vonnissen van, de Rechtbank te Rotterdam heeft vernietigd, en het is minst o-enomen eene te sterke uitdrukking om, het bovens aan verzoek „van allen grond ontbloot" te noemen.

"Wij maken ons niet warm over de vraag,_ of er voor' den rechter eene bijzondere reden bestond om juist in deze , nu de gedaagde verstek had laten gaan, ambtshalve getu g bewijs der door de eischeres gestelde feiten te bevellen5 wij nemen d«. 8.%.»»»' J»« ïï£I SI

dere aandacht onzer lezers re ve»u6^« . ,, vnt

mende hoofdartikels van het Weekbl. voor Privaatrecht, Nat.

ambt en Registratie (no. 1622-1624), ^

Hamaker, onder het opschrift „de Nedeilandsche jurispru dentie in zake echtscheiding", naar aanleiding van een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van «8 Juni 1900 ( V. h volgens den hoog geleerden schrijver eene „volkomen „quente aanvulling der opvatting van de echtscheidingspr „dure, die hier te lande vooral sedert het arrest van den . . „van 22 Juni 1883 (W. 4924) in zwang gekomen is , de gangbare leer der praktijk — waarmede de Rotterdamsohe rechtbank blijkens de mededeeling van den geachten inzen er geen volkomen vrede sohijnt te_ hebben — onderwerpt aan eene streng wetenschappelijke revisie, waarin zij gewogen en e licht bevonden wordt. Redactie.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM.

Eerste Kamer.

Zitting van den 5 November 1900.

Voorzitter, Mr. J. van Heukelom.

Rechters, Mrs.: C. O. Seoers en Jhr. J. L. W. C. von Weiler

Het enkele feit dat van een stelling om een in aanbouw ziinden toren een stuk hout op een voorbijganget valt, bewijst nog niet de onvoorzichtigheid of nalatigheid van de werklieden, die op de stelling aan het werk waren.

J. A. Tvssen, conducteur, wonende te Rotterdam, als "lijnende de vaderlijke macht over zijn minderjarig kind* ly sëni, eischer, advocaat en procureur Mr. Th. A. r rtjin,

tegen

H. W. Vrolijk, aannemer wonende te

advocaat èn procureur Mr. J. H. uHierop.

Het Hof;

Nader gezien vorenstaand verzoek met bijlagen;

Overwegende dat uit de overgelegde stukken blijkt, dat oïschoon, bij de inleidende verzoeken en bij de dagvaarding, alsmede bij het tegenwoordige verzoekschrift gesteld wordt, -diat de gedaagde woont te Rotterdam Verlaatstraat n°. 30 b, echter noch hij, noch een der huisgenooten, bij; één der exploiten aan deze woonplaats gedaan is aangetroffen, en de exploiten dien-s volgens aan het hoofd van het plaatselijk bestuur gericht zijn, zoodat ernstige twijfel mag rijzen, of de opgegeven woonplaats de ware is, en althans of de exploiten den gedaagde bereikt hebben;

O dat in deze omstandigheden het volkomen juist voorkomt, dat'de rechter zich door getuigenverhoor van het al of met gegronde der gestelde feiten vergewisse, vermits art. 76 li. li. den rechter geheel vrij laat, indien hij van het gegronde der vordering vooralsnog niet door wettige middelen ov ^ '

naar bevind van zaken te handelen en, zoo noodig, getuige v -

'"O. ltgtfvo;org«omen hooger beroep alzoo strijd met uitdrukkelijke wetsbepaling en het ^eiz kelijk van allen grond ontbloot is ;

Gezien art. 862 B. R.,

Wijst het verzoek af.

Tegen de motiveering van bovenstaande beschikking, valt het n , ° zuu

een en anaer aan re voeren. JJe D&aoeiae e.\i»LtitL.t.Lt .—— authentieke akten, welker inhoud waarheid bevat, zoolang zil riet van valschheid zijn beticht. Als waar moet dus worden aangenomen, dat de deurwaarder zich ter woonplaats vair den »erequireerde heeft vervoegd en daar noch dezen, noch een der huisgenooten heeft aangetroffen, terwijl art. 2 B. R- hem voorschrijft zich alsdan te begeven naar het hoofd van het plaatselijk bestuur. Datzelfde art. 2 B. R. houdt in, dat in rechte niet behoeft te blijken, dat het exploit den geinsinueerde in handen

^ Ui^de6 tweede overweging zou men kunnen, afleiden, dat de Rechtbank juist om de in, de eerste overweging opgenomen bezwaren getuigenverhoor heeft gelast; dit is echter geenszin® zoo. Het geldt hier het geval, dat de Rechtbank te Rotterdam steeds in cA van echtscheiding bij niet-verschijning van gedaagde in rechte getuigenverhoor beveelt, tenzij het exploit is gedaan aan

De Rechtbank enz. ; . ., • ,

Gehoord partijen in hare conclusiën en p eitt ,

Gehoord, den Officier van Justitie, condudeerende:^

dait de Rechtbank dön eischer zal toelaten tot ^ J_

de vier punten in de eerste plaats door hem ges e , m serve van kosten; ,, , ,

Overwegende dat de eischer feitelijk heeft g s ■ , minderjarige F. Tyssen, toen 8 jaar oud, op 16 Juni 1898,, hep langs de schutting die geplaatst was rond de oen aan zijnde kerk in de Oranjeboomstraat te Ro ter^^

Ö Stijgt, tigZa^^r^bouw zijnde toren van

hadden of nog moesten gebruiken, "P dien S hebben, gezet ; dat toen de wmd dat stu bovenvermelde

ea het van den steiger is gewaaid » ^ ^ knaap hevig heeft schutting is neerge o op . ^ middenvinger van

verwond; dat tengevolge dier et moeten worden,

de linkerhand van den minderjarige, ig. dat voorts

terwrjl de ringvinger d rzelfde h ^ verwonding ver-

K"?S'£»*«-« M<i~'»>-

tw*-—ss sttitass

is verminderd waardoor belangrij k he6ft door ondervonden

terwijl hij ook nog belangrijke s ^ vailen van het gepijn en verminderd levensgeluk, 0irzichtigheid em' gebrek

melde stuk hout het gevolg was vai ^ steiger, waarvan

aani voorzorg! van de werklieden, a 1 , oveT

het hout is afgevallen, we» ^n^bouw wer-

dezen toezicht hadden; dat immer yan den ^ger

ken, dienen te zorgen dat geen t■ ^ ^ ^

™F Zy',^erken' afVl !L L onvoorzichtigheid of nalatigheid schiedt, zulk een ongeval aan de o s ^ toezicht

van hen die daar werkzaam ziJ11 0 , tenzii deze

over dezen belast zijn, moet worden toegeschrev®, tenzij üe het tegendeel mochten, kunnen bewijzen, wat in dit geval ^g niet mogelijk is; dat al ware heb anders m dez > de «voorzien tigheid en nalatigheid dier werklieden blijkt toren een

stevigen windi werkzaam op een steiger, boog maken, en

stuk hout uit de hand zetten, zonder het vas maai'het

nog wel het niet eens plat op d»n. steiger leg dienst

schuins tegen den toren zetten; ^ heden

waren bij den gedaagde die hen gebruikte toot .

1., 6 , aarurmomm bouw dier Keriv,

ten oeiioeve van aen, aoor »»• -o . , „ ^oor

dat de gedaagde alzoo aansprakelijk is voor d _ sen

zijne werklieden als gemeld aan den, minderjarige veroorzaakt; vorderende eischer op die gronden gei g oordeeling om aan den eischer in zijne gemelde' h°e, ° vergoeden alle kosten, schaden en interessen door den^ mmde jarigen F. Tyssen te zake voorschreven geleden en nog^te lijdm, nader op te maken bij staat en te vereffenen vedgens de^wet, met veroordeeling tevens van den gedaagde in

Tdat gedaagde zijne onbekendheid met het, ^

op 16 Juni 1898 voorgevallene bewerende, en de onw<< . J

lijkheid van die feiten aanvoerende, de in de dagvaarding gestelde feiten heeft ontkend, en wijders heeft aangevoerd: dat, aangenomen al dat een stuk hout van den steiger was gevallen, buiten de schutting was neergekomen, en eischers zoon had verwond, hetgeen gedaagde ontkent, dit toch geenszins de schuld is van gedaagde, zijne werklieden of opzichters, of aan hunne onvoorzichtigheid of gebrek aan. voorzorg is te wijten; dat eischers stelling dat, zoo een voorwerp van een steiger valt, dit te wijten is aan, onvoorzichtigheid of nalatigheid van hen die daarop werken of toezicht houden, niet opgaat;

Concludeerende gedaagde tot niet ontvankelijk verklaring, althans ontzegging van de vordering, cum- expensis ;

O. dat eischer daarop bij repliek in hoofdzaak heeft betoogd, dat juist de door gedaagde beweerde onwaarschijnlijkheid van het vallen van het stuk hout buiten de schutting pleit vóór eischers stelling dat, zoolang niet het tegendeel blijkt, mag worden aangenomen dat dit veroorzaakt is door de schuld of nalatigheid van dè werklieden; dat indien het zoo sterk waait, dat een recht opstaand stuk hout van den torensteiger waaien kan, het een gebiedende eisch der meest elementaire voorzichtigheid is op een hoogen toren geen stukken hout, los en rechtop staande uir de hand te zetten en de eisch dat onder zulke omstandigheden de stukken hout zullen worden vastgemaakt of neergelegd waarHik in het belang der veiligheid van het pubhek met overdreven ,J Ar* {udiniApilA hondinc; van den gedaasde den

te noemen is, u.o,u —— o ^ ,

eischer dwingt bewijs door getuigen aan te bieden en hij alzoo

aanbiedt door getuigen te bewijzen:

1° dat-F Tyssen op 16 Juni 1898 liep langs de schutting die aeplaatst was rond de toen in aanbouw zijnde kerk in de Oranjeboomstraat te Rotterdam; 2°. dat er toen een stuk hout van den steiger om den toren dier kerk is gevallen op F Tyssen, en dezen knaap hevig heeft verwond; 3° dat tengevolge van die verwonding de middenvinger van de linkerhand van den minder iario-e is afgezet moeten worden en de ringvinger aerzelfde hand verkromd is; 4°. dat voorts het schouderblad van den minderjarige door die verwonding verkromd en dik geworden is en zijn zenuwgestel blijvend is geschokt;

dat voor bet geval de Rechtbank oordeelen mocht, dat boven, gemeld bewijsaanbod) niet afdoende is, eischer aanbiedt — alzoo subsidiair om door getuigen te bewijzen, m plaats van het sub 2 genoermie feit, de.volgende feiten: werklie(len werk-

a dat net- op uien oucvi& >• —, - —. —- .. ,

zaam op een steiger, aangebracht aan den m aanbouw zijnd n toren van die kerk een stuk hout, dat zij in hunne werkzakheden gebruikt hadden of nog moesten gebruiken op dien steiger uit de hand hebben gezet; c dat toen de wind dat stuk hout heeft gegrepen en dit van den steiger is gewaaid en buiten die bovenvermelde schutting is neergekomen op F. Tyssen en dien knaap hevig heeft verwond ; ^

Concludeerende mitsdien de eischer incidenteel, dat hij zal worden toegelaten tot het aangeboden bewijs door getuigen met eisch van kosten in geval gedaagde de incidenteele conclusie moclit tegenspreken en anders met reserve van kosten.; en ten principale dat hij blijft persisteeren bij de genomen conclusiën;

O. dat gedaagde bij dupliek nog heeft doen zeggen dat hij zich omtrent de toelaatbaarheid van dit getuigenbewijs gaarne refereert aan 's rechters1 oordeel, doch hij alleen nogmaals wil opmerken dat natuurlijk de stelling van eischer, dat, zoo een voorwerp van een steiger valt, dit per se te wijten is aan de onvoorzichtigheid of nalatigheid van hen, die daarop werken of toezicht houden onhoudbaar is, maar dat wel degelijk ook zal moeten worden bewezen, dat dit vallen het gevolg was van: dia onvoorzichtigheid of nalatigheid;

O. in rechten: .. , ,

dat bij de ontkentenis door den gedaagde van alle de door eischer gestelde feiten op dezen laatsten de bewijslast daarvan drukt, en het in dit proces alleen de vraag is of eischer kan volstaan met het bewijs te leveren van de sub 1—4 door hem gestelde feiten dan wel of hij ook moet leveren het bewijs van

die^su dat zjjne bewering dat hij alleen de feiten sub

1 4 behoeft te bewijzen, om in zijne vordering te slagen uitgaat

van de stelling dat bet enkele feit, dat een stuk hout van den steiger om den toren eener kerk naar beneden vallende, en iemand op de straat verwondende, oplevert eene onvoorzichtigheid of nalatigheid van, de werklieden die toen op dien steiger werkzaam waren, zoolang het tegendeel niet is bewezen, namelijk dat dit feit aan overmacht zou zijn toe te schrijven;

O. dat deze stelling geen steun vindt in de wet;

O. toch dat hij die onvoorzichtigheid of nalatigheid beweert, deze heeft te bewijzen, waartoe ook het bewijs door vermoedens is toegelaten;

O. dat echter het enkele feit van het gestelde vallen van het stuk hout zeer zeker niet oplevert een wettelijk vermoedien, maar ook, naar het oordeel der Rechtbank, niet een zoodanig vermoeden als bij art. 1959 B. W. als bewijsmiddel door den rechter mag worden aangenomen, gesteld al dat het niet in strijd met dit artikel zoude zijn om één enkel vermoeden als bewijs aan te nemen;

O. dat de door eischer verdedigde meening zoude leiden tot eene verplaatsing van den bewijslast, en den gedaagde zoude opleggen het bewijs te leveren van de niet aanwezigheid van de hem, of hen voor wie hij, aansprakelijk is, geïmputeerde onvoorzichtigheid of nalatigheid, hetgeen in strijdl zoude zijn met het voorschrift van art. 1902 B. W. ;

O. dat den eischer alzoo ook moet worden opgelegd! het leveren van het subsidiair door hem aangeboden bewijs door getuigen, zijnde de feiten daarbij gesteld ook ter zake dienende en afdoende;

Gezien artt. 1902 B. W., artt. 56, 199 en vlg. B. R.;

Recht doende op het incident:

Laat eischer toe en voor zooveel noodig, draagt hem op door getuigen het bewijs te leveren v^ii de navolgende feiten :

1°. dat F. Tyssen op 16 Juni 1898 liep langs de schuttingdie geplaatst was rond de toen in aanbouw zijnde kerk in de Oranjeboomstraat te Rotterdam: a- dat het op dien dag stevig

^ . i. J „ y- n cvm nrv pati e+AirrAT» n.nn eraart.

woei ; u uctu wüuvücuüii vn/ii"'""'»

den in aanbouw zijnden toren van die kerk een stuk hout, dat zij in hunne werkzaamheden gebruikt hadden of nog moesten o-èbruiken op dien steiger uit de hand hebben gezet; c dat toen de wind dat stuk hout heeft gegrepen en dit van den steiger is gewaaid, en buiten de bovenvermelde schutting is neergekomen op F. Tyssen en dien knaap hevig heeft verwond; 2°. dat tengevolge van die verwonding de middenvinger van de linkerhand van den minderjarige is afgezet moeten worden, en de ringvinger derzelfde handi verkromd is; 3°. dat voorts het schouderblad van den minderjarige door die verwonding verkromd en dik geworden is en zijn zenuwgestel blijvend is geschokt;

Bepaalt dat dit getuigenverhoor zal gehouden worden ter terechtzitting dezer Rechtbank van. Donderdag den 24sten Jan. e. k. des voorin, te 10 uur in tegenwoordigheid der wederpartij deze althans behoorlijk opgeroepen;

Reserveert de uitspraak omtrent de kosten tot aan het eindvonnis.

Sluiten