Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 7580.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 16 November 1900.

Voorzitter, Mr. R. van de Werk.

Raadsheeren, Mrs.: D. L. de Leao Laguna, E. Star Busmannj H. F. Baron de Rock en A. J. RoijaaroS.

Art. 28 der politieverordening van Bussum, houdende verbod om zonder vergunning van B. en W. op den openbaren weg vuurwerk af te steken, is niet van toepassing op het afsteken van vuurwerk op den Bussummer torentrans.

De uitdrukking ondergeschikte in art. 1403 derde lid B. W. moet in dien, beperkten zin worden opgevat, dat daaronder slechts is te verstaan hij die, hetzij krachtens zijne doorgaande verhouding tot den werkgever, hetzij omdat hij onder diens leiding of op diens bepaalde aanwijzing handelt, niet zelfstandig optreedt.

J. Th. Platte, wonende te Bussum, appellant, procureur Mr. U. D. Asser Jr., advocaat Mr. W. H. K. Mout haan-, tegen

De Ondotiinge Verkokering Maatsch. Brandwaarborg Mij., op* gericht te Locnein aan. do Vocht, gevestigd en kantoor houdende te Amsterdam, geïntimeerde, procureur Mr. A. Philips 'Jr., advocaat Mr. K. J. Philips.

Het Hof;

Gehoord partyen;

Gehoord de pleidooien;

Gezien de stukken;

Overwegende ten aanzien der feiten:

dat het Hof zich gedraagt en overneemt hetgeen dienaangaande is overwogen, in de v onnissen door de 2de Kamer van de Rechtbank te Amsterdam tusschen partijen gewezen :

1°. op 4 Febr. 1897, waarbij eeii verhoor van den nu app. werd bevolen;

2° op 16 Sept. 1897, waarbij den nu gemt. werd opgelegd door getuigen te bewijzen:

a dat de gestelde brand was ontstaan door het- afsteken van vuurwerk;

b dat geint. tot dat afsteken last had gegeven,; c dat geint. tot dat afsteken geen vergunning van Burgemeester en Wethouders van Bussum had verkregen; d omtrent het bedrag der schade;

3°. op 9 Maart 1899, waarbij werd toegewezen de vordering tegen Platte ingesteld tot betaling van hetgeen de Brandwaarborg Mij. aan haar geassureerde zekere wed. F. H. Krijnen had uitgekeerd als vergoeding der schade, die deze geleden had door een brand, ontstaan door het op last van Platte, zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders, bedoeld in art. 28 der Pol.verordening van Bussum, en zonder liet, nemen van de noodige voorzorgsmaatregelen, afsteken van een vuurwerk op den Bussummeitoreni;

O. diat Platte bij exploit van den deurwaarder W. Abspoel alhier dd. 6 Juni ±899 van laatstgemeld vonnis is gekomen in hooger beroep, en overeenkomstig de dagvaarding heeft geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis en niet-ontvankelijk verklaring immers ontzegging der vordering, terwijl geint. heeft geconcludeerd tot bevestiging daarvan over en weder met eisch van kosten;

O. in rechten:

dat app. in hooger beroep heeft aangevoerd :

1°. dat het ontbreken van vergunning van Burgemeester ein Wethouders der gemeente Bussum het afsteken, van vuurwerk op den Bussum niertor en niet tot eene onrechtmatige daad maakt, en dus zonder belang is;

2°. dat hij voor eventueele gevolgen, van het afsteken van het vuurwerk ten onrechte aansprakelijk is gesteld;

3°. dat er geen verband heeft bestaan tusschen het afsteken van het vuurwerk en den brand;

dat app. als grond van het eerste aanvoelt, dat bedoelde vergunning, indien gevraagd, wel zou zijn verleend, hetgeen echter naar 's Hofs oordeel eventueele gevolgen van het ontbreken der vergunning niet kan opheffen ;

dat app. als grond voor het tweede aanvoert, dat, hij in deze hseft gehandeld als lid eener feestcommissie, maar het den Hove niet duidelijk is, hoe hierdoor — nu zelfs niet wordt gesteld dat die commissie rechtsbevoegdheid had, en nu het in deze niet betreft contractueele aansprakelijkheid, appellants verantwoordelijkheid voor zijne handelingen zou worden opgeheven;

dat dus de door app. opgegeven gronden niet opgaan, maar des niettemin het Hof, ook geroepen tot aanvulling der rechtsgronden, zoowel het door app. ingestelde sub 1°. (dat het ontbreken der vergunning irrelevant Is) als het door hem gestelde sub 2 (dat zijne, ook in eerste instantie bestreden aansprakelijkheid ten onrechte is aangenomen) juist acht; en wel:

dat sub 1° omdat art. 28 Pol. verordening van Bussum, waarop geint. beroep heeft gedaan, wel het verbod inhoudt om zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders op den openbaren weg vuurwerk af te steken, maar dit niet kan viseeren het afsteken van vuurwerk op den Bussummertorentrans, die immers kwalijk is te beschouwen als deel uit te maken van, een openbaren weg in Bussum, terwijl het Hof het sub 2° gestelde juist acht, omdat (ook met het oog op het overwogen© omtrent het irrelevante van het ontbreken der in art. 28 voormeld gevorderde vergunning) in deze geen andere aansprakelijkheid in aanmerking zou kunnen komen, dan die van art. 1403 3° B. W., waartoe zou dienen vast te staan, dat de personen aan wie app. het afsteken van vuurweik zou hebben opgedragen (indien door hunne schuld of nalatigheid! schade ware veroorzaakt) waren diens dienstboden of ondergeschikten;

dat het zijn van dienstboden niet is gesteld, en daarvan ten processe ook niets is gebleken, en die uitdrukking ondergeschikte in airt,. 1403 3° B. W. in dien beperkten zin moet worden opgevat, dat daaronder slechts is te verstaan hij die, hetzij krachtens zijne doorgaande verhouding tot den werkgever, hetzij omdat hij' onder diens leiding of op diens bepaalde aanwijzing handelt, niet zelfstandig optreedt, en dat wel omdat alleen in zoodanig geval sprake kan zijn van verzuim van den meester bij de keuze of anderzins, hoedanig verondersteld verzuim de rechtsgrond der aansprakelijkheid voor den ondergeschikte is;

dat de gestelde lastgeving tot het afsteken van het vuurwerk r.och e<?ne doorgaande verhouding als voormeld, noch leiding of

bepaalde aanwijzing aanduidt en van dit een of ander evenmin iets ten processe is gebleken, maar daarom dan ook zij, die het vuurweik afstaken niet als dienstboden of ondergeschikten van Platte zijn aan te merken, en dus de aansprakelijkheid van gemeld artikel niet voor dezen is aan te nemen ;

dat hieruit reeds volgt, dat de tegen hem ingestelde vordering niet had mogen zijn toegewezen, zonder dat in een onderzoek behoeft te worden getreden omtrent de schuld of nalatigheid bij het afsteken van het vuurwerk en omtrent het beweerde verband daarvan met den brand.;

Gezien art. 56 B. R. ;

Recht doende op het hooger beroep:

Vernietigt het vonnis op 9 Maart 1899 door de 2de Kamer van de Rechtbank te Amsterdam tusschen partijen gewezen;

En op nieuw recht doende:

Ontzegt geint., oorspronkelijk eischeres hare vordering;

Veroordeelt haar in de kosten van beide instantiën tot aan, die uitspraak van dit, arrest aan zijde van app. berekend op f 483.824.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE BREDA.

Rechtdoende in Burgerlijke Zaken.

Zitting van den 27 November 1900.

Voorzitter, Mr. A. M. Sassen.

Rechters, Mrs. : A. P. L. Nelissen en G. F. M. Pathuis Cremers.

Al heeft de gemachtigde van den verhuurder de betaling der huurpenningen ontvangen dan volgt hieruit nog niet dat de opzegging der huur aan haar geschied, het rechtsgevolg zoude hebben eener behoorlijke opzegging.

Daarom kan hel door dien gemachtigde in ontvangst nemen der sleutels niet gelden als eene den huurder bevrijdende toestemming van het gehuurde huis te ontruimen.

v. H., eischeres, advocaat en procureur Mr. M. P. M. van Dam,

tegen

M., gedaagde, advocaat en, procureur Mr. H. R. van Maasdijk.

De Rechtbank;

Gehoord partijen;

Gezien de stukken;

Ten aanzien der daadzaken:

Overwegende dat de eischeres stelt: dat de gedaagde op 11 Juli 1896 'van haar heeft gehuurd een woonhuis gelegen te Breda, Nieuwsbraat wrjk B, n°. 203,. voor den tijd van 2 jaren, beginnende 15 Juli 1896' en eindigende 14 Juli 1898 voor een jaarlijkschen huurprijs van f 135.17 ; dat na verloop van dezen huurtermijn de gedaagde steeds in het gehuurde van jaar tot jaar is gecontinueerd; dat de gedaagde na 14 Juli 1900 het gehuurde met alle meubelen en huisraad heeft verlaten zonder behoorlijke opzegging te doen of toestemming te hebben verkregen, zoodat de huur wederom voor een jaar is voortgezet; dat eischeres den gedaagde den 25sten Juli 1900 heeft gesommeerd het huis van huisraad te voorzien of voldoende zekerheid te geven voor de betaling der huurpenningen, doch vruchteloos; — weshalve de eischeres eischt de ontbinding der huurovereenkomst, de ontruiming van het gehuurde en schadevergoeding met zijne veroordeeling in de proceskosten ;

O. dat de gedaagde erkent de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde huis, doch ontkent dat dit zou zijm geschied zonder opzegging zijnerzijds of zonder toestemming van de zijde van eischeres; dat hij, toch 3 maanden te voren mondeling de huur heeft opgezegd aam de dochter van eischeres' gemachtigde en vertegenwoordiger in deze dan heerW. G. H. Rombou's te Breda, welke de 3-maandelijksche huur in ontvangst placht te nemen en ook het huurcontract als zoodanig heeft geteekend, zijnde deze opzegging laten' nog eens ten overvloede herhaald, sommeerende de eischeresse dit te erkennen of te ontkennen; dat wijders de gedaagde met toestemming van den genoemden gemachtigde het huis heeft ontruimd, daar deze op 14 Juli 1900 zonder eenige reserve alle sleutels van het huis in ontvangst heeft genomen, en sedert vrijelijk over het huis beschikt; dat de sommatie van 25 Juli 1900 daarom doelloos was en daarenboven niet na te komen omdat de eischeres de sleutels onder zich heeft gehouden; _

dat de voirdiering tot ontruiming niét voor toewijzing vatbaar is nu gesteld is, dat zij reeds eigenmachtig had p.aats gehad, op grond waarvan de gedaagde vordert ontzegging der vordering als niet-ontvankelijk en ongegrond, cum expensis ;

O. dat de oischeres daarop heeft ontkend, de opzegging der huur aan haren gemachtigde, de toestemming tot ontruiming door aanname der sleutel®, die de gedaagde op de toonbank van de apotheek en gemachtigde heeft geworpen toen deze niet thuis was, en eindelijk de dezen ten, laste gelegde beschikking over het huis; dat het exploit van 25 Juli jl. duidelijk aantoont dat de eischeres geen genoegen train met de ontruiming en een gevolg was van het achterlaten der sleutels bij haar gemachtigde tegen diens wil; dat gezegd exploit niet was eene ingebrekestelling, maar constateerde dat de eischeres de huur nog als bestaande beschouwde en, de toepassing van art. 1607 B. W. verlangde, om bij weigering daaraan te voldoen de ontbinding der huur te kunnen vorderen;

O. dat de gedaagde antwoordde dat de eischeres het gestelde dat de huur is opgezegd aan de dochter van den gemachtigde welke de huur geregeld placht in ontvangst, te nemen, niet ontkent ; dat dezelfde dochter met den laatsten huurtermijn de sleutels heeft in ontvangst genomen ; dat liet niet aangaat dat de gedaagde zijne dochter in zijne plaats stelt als het aangaat betalingen te ontvangen, doch haar niet tevens bevoegd te verklaren de sleutels in ontvangst te nemen; dat de eischeies wordt gesommeerd uitdrukkelijk te erkennen of te ontkennen : ,,dat de dochter van haar gemachtigd© van gedaagde geregeld de huurpenningen in ontvangst nam en ook op 15 Juli 11. tegelijk met den alstoen verschenen huurtermijn de sleutels van het huis van gedaagde heeft ontvangen", aanbiedende in cas van tegenspraak dit feit door getuigen te bewijzen; dat gedaagde verder constateert dlat uit het antwoord vam eischeres blijkt dat de sleutels op 15 Juli in haar bezit waren; zij dus de beschikking over het huis had en onmogelijk zonder aanbod dezer sleutels de gedaagde liet. huis van meubels kon voorzien;

O. dat de eischeres daarop niet nader heeft geantwoord;

Ten aanzien van het recht:

O. dat de uitslag van dit geding afhankelijk is van de antwoorden die gegeven behooren te worden op de vragen: 1°. of c» huur behoorlijk door don gedaagde is opgezegd; 2°. zoo niet, of

de gedaagde toestemming had het huis te ontruimen en 3°. of de actie kan worden toegewezen zooals zij is ingesteld;

ad. I. O. dat de gedaagde stelt dat hij, aan de dochter van den gemachtigde der eischeres de huur heeft opgezegd en deze gewoon was de driemaandelijksche huurtermijnen te ontvangen, waaruit zou volgen, dat de opzegging der huur aan haar geschiad het rechtsgevolg eener behoorlijke opzegging zoude hebben;

O. dlat deze gevolgtrekking is onjuist; dat het feit van het in ontvangst nemen der huurtermijnen, nu zij blijkbaar tengevolge hebben gehad dat deze aan, de rechthebbende zijn ten goede gekomen, alleen, bewijs leveren dat de dochter van den gemachtigde der eischeies aan die ontvangen gelden de bestemminig heeft gegeven die de ged?.agde bij de betaling verlangde — maar geenszins dat zij bevoegd was de betalingen te ontvangen en den gedaagde te dechargeeren, veel minder dat zij de eischeres of den gemachtigde van dezen vertegenwoordigde aan wie de huur behoorlijk kon worden opgezegd;

ad II. O. dat uit dezelfde oorzaak het in ontvangst nemen der sleutels door genoemde dochter, — daargelaten de omstandig"heid dat eischeres dit feit ontkent — niet kan gelden als eene den gedaagde bevrijdende toestemming om het gehuurde huis te ontruimen;

O. dat mitsdien het bewijs dat de genoemde dochter de huurtermijnen in ontvangst placht te nemen niet tot afwijzing der vordering kan leiden; en dusi een onderzoek in hoever dit bewijs is geleverd en of het aanbod om dit bewijs alsnog te leveren, toelaatbaar is, overbodig zijn te achten;

ad III. O. dat de gedaagde bezwaar maakt tegen de vordering in zoover deze luidt dat het huis door den gedaagde oratiuimd en tet- beschikking van de eischeres worde gesteld, nu vaststaat dat het huis ontruimd is en de huissleutels sedert 15 Juli 19^0 in 't hezit der eischeres zijn;

O. dat ook dit bezwaar niet gegrond is omdat de eischeres ook in deze omstandigheid belang kan hebben bij eene uitspraak a's is gevraagd ;

O. dat de opmerking dat de voormelde sommatie om het huis van meubelen te voorzien waardeloos is omdat niet tevens da sleutels werden aangeboden, die in het bezit der eischeresse waren, afstuit vooreerst op de omstandigheid dat dit bezit niet is bewezen,, en veivolgens hierop, dat de gedaagde zich ten onrechte ontdaan hebbende van de sleutels, de eischeresse niet gehouden was tot zoodanig aanbod;

O. dat mitsdien de vordering tot ontbinding behoort te worden toegewezen en de schade door de eischeresse geileden thans nog niet door de Rechtbank kan worden vastgesteld, doch behoort te worden opgemaakt bij staat, mits beperkt tot de huur>oin over één. jaar;

Recht doende enz. :

V erklaart ontbonden de voormelde huurovereenkomst wegens wanpraestatie van den gedaagde;

Veroordeelt voor zooveel noodig den gedaagde binnen tweemaal 24 uren na beteekening van dit vonnis het huis te ontruimen en ter beschikking dier eischeres te stellen, met machtiging op deze om bij gebreke, hierin dit zelf met behulp der openbare macht te bewerkstelligen ;

Veroordeelt den gedaagde om aan de eischeres ter zake voorschreven fot vergoeding van schade op te maken, bij staat tot een maximaal bedrag van. f 135 en tot betaling der proceskosten aan zijde der eischeresse begroot op enz.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE ROTTURDAM.

Eerste Kamer.

Zitting van den 3 December 1900.

Voorzitter, Mr. J. van Heukblom.

Rechters, Mrs.: J. W. Mulder en C. O. Segers.

Artt. 159 en 727 B. R.

Daar de dagvaarding alleen gericht is tot de tegenpartij en aan deze slechts meedeelt wat van den rechter gevraagd zal worden, kan de eischer, die in zijn dagvaarding meedeelt dat hij voeging wegens verknochtheid van deze zaak met eene andere, reeds bij denzelfden rechter aanhangige, zal vragen, niet gezegd worden voeging te vragen van zaken, die nog niet beiden aanhangig zijn. De daarop bij conclusie van eisch gevraagde voeging is te

bekwamer tijd gedaan en mitsdien ontvankelijk.

Van een beding ten behoeve van een derde is in casu geen sprake.

Wanneer tot de liquidatie eener naamlooze vennootschap is besloten en daarop een belangrijk deel harer baten ondershands worden overgedaan aan iemand tot ivien de vennootschap geacht kan worden alsnog in relatie te staan, zonder met den schuldeischer rekening te houden, bestaat er allezins gegronde vrees voor verduistering harer goederen.

Hel krachtens art. 727 B. B. door den president der Bechtbank van het arrondissement, waarin de schuldenaar woont, verleende verlof om conservatoir beslag te leggen op de roerende goederen van den schuldenaar, kan zich ook uitstrekken tot goederen, zich bevindende buiten dat arrondissement.

Het beleekenen van een afschrift van het procesverbaal van de gedane in beslag neming is niet op straffe van nietigheid voorgeschreven.

1°. H. J. Hegger, wonende te Rotterdam, eischer, advocaat en procureur Mr, Jos. van Raalte, tegen

Dc Naaml. Venn. Bodega Maatschappij LesPropriétaires Réunis, gevestigd en kantoor houdende te Rotterdam, gedaagde, procureur Mr. A. van der Hoeven, advocaat Mr. W. Heinekex, uit Amsterdam,

en

2°. Dezelfde Hegger, eischer in conventie, gedaaigde in reconventie, advocaat en procureur Mr. Jos. van Raalte,

tegen

De genoemde Venn., gedaagde in conventie, eischeres in reconventie, procureur Mr. A. van der Hoeven, advocaat Mr. W. Hbineken, uit Amsterdam.

De Rechtbank enz.;

Gehoord do partijen in hare conclusiën en pleidooien;

Gezieni de processtukken in beide zaken, alle voor zooveel noodig geregistreerd en daaronder meer bepaald in de sub 2 genoemde zaak:

Sluiten