Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het laatste gedeelte van dit hoofdstuk is gewijd aan de wettelijke bepalingen van vroeger en later tijd op het stuk van echtscheiding en huwelijksontbinding. Huwelijken op proei of voor een bepaalden tijd aangegaan, zooals m Arabie nog voorkomen, en instellingen als de Romeinsche repudiatio worden door den Schr. als ontaardingsverschijnselen aangeduid.

Dat het huwelijksvermogensrecht niet dan in grove trekken kon worden behandeld, is boven reeds opgemerkt. De gemeenschap van rechten, die volgens Mr. Koenen een kenmerk is van het Christelijk huwelijk, is in het Rom. R. nimmer tot haar recht gekomen. Of de vrouw was in de manus van den man en als zoodanig financieel geheel van hem afhankelijk, öf haar vermogen was geheel van het zijne gescheiden. Het dotaalstelsel, zooals zich dat in het latere Rom. R. „° ~ wikkeld, is nog terug te vinden in het Fransche recht. Jierst in het Germaansche recht met zijne gemeenschap met gezamende hand kan van een eigenlijk huwelijksvermogen worden gesproken. Intusschen vond later onder den invloed van net Rom. R. ook in de Grermaansche landen de opvatting ingang, dat de man als de eigenaar en de beheerder van dit vermogen en de vrouw als eene onder zijne maoht staande onmondige moet worden beschouwd. De tegenwoordige huwelgkswetErevina- od het vermogen voldoet dan ook allerminst aan

Schr.'s ideaal en gaat volgens hem mank aan deze twee nooiagebreken: tijdens het huwelijk moest bij de beschikking over het vermogen meer samenwerking van de beide echtgenooten zijn voorgeschreven, en na den dood van den eenen een genoot moest de ander niet gedwongen kunnen worden tot verdeeling der gemeenschap over te gaan; het huwelijk wordt door den dood wel ontbonden, maar niet te niet gedaan, en daarom behoorde de huishouding, [het gezin in stand te Wijven, tenminste totdat de overlevende echtgenoot hertrouwt.

Bastaardij is een verschijnsel, dat bij alle volken wor aangetroffen. Op verschillende wijzen is men er 13teed.s <op tut

ö . , . i An. mannon 7.10, h Tia het Vei*-

geweest net euvei te roeren, u»* ^ — . ,

wekken van kinderen aan hun plicht tot gezinsvorming onttrekken. Noch het bedreigen van strenge straffen tege^ hoererij, nöcli het invoeren van gedwongen huwel9ke?,ïfj! schen veel gebaat. Eigenaardig zgn m dit verband de ge»}?" ken die nog heden ten dage in zwang zijn om onwillige vrijers ten plattenlande tot een huwelijk te bewegen. Aan den anderen kant worden in nagenoeg alle Staten wettelijke regelingen gevonden om den rechtstoestand der buiten echt geboren kinderen en hunne verhouding tot vader en moedei te bepalen. Men denke aan de rechtspositie der liben natura-

1 , . . . _ _ • • 1,4- T?r»rvi K flfl.TI llAT

les, spurn, aduiterini en mcessuusi m uo*

reeds in den Saxenspiegel en het Kanonieke R. voorkomende verbod om overspelige kinderen te wettigen, aan liet later verboden onderzoek naar het vaderschap, aan onze erkenning en wettiging enz. Yolgens Sohr. is de tegenwoordige erkenning een gedeeltelijke wettiging en als zoodanig in strijd met het beginsel van gezinsvorming en met de Christelgke idee, dat wettiging alleen kan geschieden door opvolgend huwelijk.

De vrees voor bloedschennige huwelijken is den mensch a. h. w. bij instinct eigen, Vandaar dat niet alleen in Christelijke landen, maar ook bij andere volken en reeds in de Oudheid een uitgebreide wetgeving kan worden aangewezen, ten doel hebbende verbintenissen tusschen te na-bloedverwanten tegen te gaan. Schr. gaat achtereenvolgens na de bepalingen dienaangaande bestaande onder het patriarc aa, , _ Mozaïsche, het Romeinsche en het Kanonieke R. S overdreven strenge bepalingen van dit laatste rech ( ^ dende o. a. huwelijken in den 14en graad) bracht de xieiv ming de noodzakelijke reactie. , .

Een van de belangrijkste hoofdstukken van het boek handelt

over matriarchaat en groepenhuwelijken. /jooais gezegu wu Schr. in het moederrecht niet een oertoestand, die overal gegolden heeft, doch eerder eene verbastering door toenemende echteloosheid'zien. Matriarchaat wordt soms ten onrechte verward met gynaeoooratie. Het gezag berust met bij de vrouw doch bij den oom of oudoom van moederskant. Dooi dien de mannen bij het verwekken van kinderen niet to gezinsvor ming overgaan, doch deel van hun vroegere familie blgven uitmaken, ontstaat er geen band tusschen vader en kinderen doch alleen tusschen moeder en kinderen, en worden deze ais uitsluitend deel uitmakende van de moederlijke iamilie groot gebracht. Onder groepenhuwelijken zijn twee soorten huwe ijken te verstaan, de endogene en de exogene; bij de eerste zijn vluchtige betrekkingen tusschen verschillende mannen en vrouwen van denzelfden stam onderling regel, doch bintenissen met vreemde stammen streng verboden; bij e tweede is het juist omgekeerd en is echtelijk verkeer tuss groepen mannen en vrouwen van verschillende stammen regoi, terwijl de omgang met mannen of vrouwen van denze e stam, met het oog op mogelijke bloedschande, verboden is. y sommige Indianenstammen worden nog interessante voor ee den van exogene groepenhuwelijken gevonden. 1 oiyan lie, beenahliuwelrjk vormen meestal den overgang van het moe errecht tot het vaderreoht. , ,

Ten slotte nog een enkel woord over het standpunt door Hen Schr. ingenomen ten aanzien der verschillende door hem

besproken verschijnselen. In de Inleiding wordt gewag gemaakt van twee tegenover elkaar staande opvattingen aangaande de geschiedenis .der maatschappelijke instellingen . e eene neemt eene geleidelijke beweging in de richting van he ideale en schoone aan en verklaart de ontwikkeling instellingen door den invloed der steeds zuiverder wordende begrippen omtrent goed en kwaad, terwijl de andere de iec i s geschiedenis beschouwt als een bloot mechanisch vervormingsproces, waarvan het toekomstig verloop door het toeva ïg samenspel van materieele invloeden wordt beheerscht. Js r. Koenen verklaart geen dezer beide opvattingen te huldigen doch zich bij zijne studie op een zuiver Christelijk-historisc standpunt te willen plaatsen. Het spreekt van zeli, dat ai standpunt van den Schr. moet worden geëerbiedigd, al de bewering, dat dit zich niet zou laten vereenigen met de eerstgenoemde opvatting, voor zijne rekening. (Ook Mr. Koene komt op het eind van zijn boek tot de conclusie dat, al moge er niet van een uniforme ontwikkelingsgeschiedenis van het gansche menschdom gesproken kunnen worden en al wisselen i mi i • __ i i—niirnov nm Vionrfpn a,t. niettemin

ontwiKKeiing en veruuBtwiug ;r ' • •

ook bij de heidensche en laagst staande^ volken eene neiging tot gezinsvorming en zedelijke ontwikkeling is waar te nemen). Het komt mjj echter voor, dat Schr. zijn rechtzinnig standpunt wel wat veel op den voorgrond heeft gezet en met het oog op den geringen omvang van zijn boek te veel heeft toegegeven aan zijn behoefte om daarvan getuigenis af te leggen.

Zoo wordt op tal van plaatsen het gezag van den bijbel ingeroepen, zonder dat de directe noodzakelijkheid daartoe blijkt. Het ontstaan van de overheid wordt m verband gebracht met zondeval en zondvloed (blz. 1) ; de hooge beteekenis deigezinsvorming aanschouwelijk gemaakt door een beroep op he

doopformulier der Ned. Herv. gemeente (blz. 50); de zedelijke verheffing van het huwelijk verklaard door de particuliere oi zaligmakende en de maatschappelijke of gemeene genadewerking (blz. 70) ; de noodzakelijkheid om de vrouw meer mwed te geven op het beheer van het huwelijksvermogen verdedigd door een beroep op Genesis 2 (blz. 108) ; enz.

Een en ander zij voldoende om mijne opvatting te rechtvaardigen, dat het werkje van Mr. Koenen niet objectief genoeg is geschreven om door studenten van alle richtingen als leerboek te worden gebruikt. Want dat het, zooals Schr. betoogt, een verdienste van een leerboek zou zijn den lezer tot tegenspraak te prikkelen, hem zoodoende te dwingen zich van zijn eigen standpunt rekenschap te geven en aldus de belangstelling voor het behandelde levendig te houden, kan ik niet inzien.

Afgescheiden van zijne paedagogische waarde bevat het boek echter veel voortreffelijks en het is te wenschen, dat de schr. spoedig aan zijn voornemen gevolg zal kunnen geven om ook over andere onderdeelen van het recht historisch-vergelijkende studiën het licht te doen zien.

Rh. Feith.

caat-generaal, van Strijen, griffier, Ermerins, subsi-griffier; de strafkamer uit de heeren Mrs. van Meerbeke, president, de Pinto, Clant van der Mij 11, Hanlo, Guljé, Jhr. Laman Trip, Jhr. van Teylingen, raden, Jhr. Rethaan Macaré en Ort, advocaten-generaal, van der Jagt, substituut-griffier.

ADVERTENTIES.

Breda. Mei 1901.

HOOGE RAAD. — BULLETIN.

(Strafkamer) .

Zitting van Maandag, 13 Mei.

Voorzitter, Mr. J. J. van Meerbeke. I. Uitspraak gedaan in zake:

1°. D. B. tegen een vonnis der Rechtbank te Tiel. Het bestreden vonnis vernieti g d en de i equirant ontslagen van alle rechtsvervolging.

2°. De Off. van Justitie te Alkmaar tegen een vonnis in zake

j. u. f. c. s. v er worp en.

5°. S. J. M. c. s. tegen een vonnis van het Kantongerecht n°. I te Amsterdam. Het bestreden vonnis verniet igd en de zaak verwezen naar de Rechtbank te Amsterdam. 4°. De Ambt. van het Openb. Min. te Alphen tegen een

vonnis in zake B. W. Ve r w orp en.

5°. H. H. tegen een vonnis der Rechtbank te 's Gravenhage. Verworpen.

6°. M. D. tegen een. arrest van het Hof te 's Gravenhage. V erworpen.

7°. G. J. C. tegen een vonnis der Rechtbank te Zutphen.

Y Dl w VJ i. o

8°. J. N. tegen* een arrest van het. Hof te Amsterdam. Y e rw or p en.

9°. M. F. tegen een arrest van het Hof te Arnhem. Ve rw o r p e n.

10°. A. J. K. tegen een arrest van het Hof te Amsterdam. Verworpen.

11°. J. F. G. tegen een vonnis der Rechtbank te 's Gravenhage. Verworpen.

II. Behandeld het beroep van:

1°. P. v. 15. tegen een vonnis der Rechtbank te Rotterdam. Rapp. raacfeh. Eijssell. Gepleit door Mr. J. Limburg. Conclusie bepaald op 28 Mei.

I P. H., II C. B., III J. B., IV J. H., V W. V., ie dei-

tegen een vonnis van het Kantongerecht te Zaandam. Rapp. raadsh. de Pinto. Conclusie bepaald op 28 Mei. 3°. H. d. B. tegen een arrest van het Hof te 's Hertoigen-

boseh. Rapp. raadsh. Clant van, der Mijll.

4°. G. J. S. c. s. tegen een arrest van heit Hof te Amsterdam. Rapp. raadsh. Hamlo.

5°. J. N. tegen een arrest van het Hof te Leeuwarden. Rapp.

raadsh. Jhr. Laman Trip.

Adv.-Gen. Jhr. Rethaan Macaré concludeert in de sub 3°. 4° en 5° vermelde beroepen tot verwerping. Uitspraak 20 Mei.

Bij de Uitgevers GEBR. BELINFANTE te 's-Gravenhage zijn ter perse:

De Gezondheids- en de Woningwet,

met aanteekeningén en alphabetisch register, ontleend aan de schriftelijke en mondelinge gedachten wisseling tusschen Regeering en Staten-Generaal, door

H. A. MlISftllBTIER.

Burgemeester en Secretaris der gemeente Schipluiden.

De prijs bij inteekening bedraagt ingenaaid voor de Gezondheidswet ongeveer f 0.60 en voor de Woningwet

ongeveer f 1.05, terwijl na de uitgaaf de prijs wordt verhoogd.

Bestellingen worden bij eiken boekhandelaar aangenomen.

BERICHTEN EN MEDEDEELINGEN.

Bij GEBR. BELINFANTE, te 's Gravenhage, ziet het licht :

Léon's Rechtspraak, 3e Druk.

DEEL III AFL. 6.

DE RECHTSPRAAK

en de

Administratieve beslissingen

op de

Wet op de Vermogensbelasting

met ophelderingen en geschiedkundige toelichtingen enz

J. M. VAN WALSEM,

Inspecteur der Registratie en Domeinen te 's Gravenhage.

HoogeRaad.

De kamer van vacantie zal dit jaar gepresideerd worden in Juli door den vice-president Mr. van Meerbeke, in Augustus door den president Mr. Coninck Liefsting. Zij bestaat verder uit de heeren Mrs. Jhr. Feith, Jhr. de Jonge, van Blom, van Stipriaan Luïscius, Telders, Jhr. Laman Trip en Jhr. van

De kamers zullen in het nieuwe zittingjaar 1901 —1902 zijn samengesteld als volgt: de burgerlijke kamer uit de heeren Mrs. Coninck Liefsting, president, Jhr. Feith, Jhr. de Jonge, van Blom, Eyssell, de Ranitz, van Stipriaan Luïscius, Telders, raden, Polis, procureur-generaal, Noyon, advo -

Prijs f 6."25.

Van den 3en druk zijn thans verschenen:

Deel I.

leafl. Mr. J. A. Levy, De Grondwet . f 3.25 2e » Mr. H. Vos, De Gemeentewet . . . 10.—

3e » Mr. N. Cramer, De Fabriekwet . 1.—

4e „ De Begraafwet en Ziektenwet 1.25

5e » De Armwet. . . 1-50

6e » Mr. J. Limburg, De Drankwet . . 1.—

7e >> De Onteigeningswet . . 5.—

8e » Mr. N. Cramer, Jacht en Visscherij. 1.50 9e „ De Veeziekten- en Hondsdolheid-wet ..... 0.75 10e •• De Onderwijswetten en uitvoeringsbesluiten 3.—

Deel II.

7e » Mr. J. W. Belinfante, Wetboek van

Strafrecht 4.60

Deel III.

4eafl. N. Koomans, De Wet op het Zegel . 1.75 5e )) Mr. L. A. Micheels, De Wet op het

Notaris-Ambt enz. . . . 3.— 6e » J. M. van Walsem, De Wet op de

Vermogensbelasting . . . ö.'Sö

Uitgave van MARTINUS NIJHOFF, te 's Gravenhage.

ROBERT FRUIN S

Geschiedenis der Staatsinstellingen in Nederland

tot den val der Republiek.

Uitgegeven door

Dr- H. T. oolbnbkander.

Een deel, XVI en 416 bladz. roy. 8vo.

P r ij s f 5,75 ; in half marokko band f 3,25.

Dit werk, waaraan FRUIN'S dictaat ten grondslag strekte, is in formaat en uitvoering gelijk aan FRUIN'S Verspreide Geschriften.

Gedrukt by F. J. BELINFANTE, voorh. : A. D. SCHINKEL.

Sluiten