Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vrijdag, 31 Mei 1901.

H°. 7590.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

DRIE ■ EN - ZESTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VERITAS.

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang / 20; voor de buitensteden franco per post met { 1.00 verhooging. — Prijs der #dvertentiën, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, ma., franco aan de Uitgevers, Gebr. Belinfante te 's-Gravenhage (2e Wagenstraat 100).

ffe/ auteursrecht uoor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van -28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124-).

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 12 April 1901.

Voorzitter, Mr. F. B. Coninck Liefsting.

Raadsheeren, Mrs.: Jhr. P. R. Feith, Ph. van Blom, S. M. S. de Ranitz, E. w. Guljé, A. M. van Stipriaan Luïscius en

A. ïei.ders.

Ofschoon elke incidenteele vordering den voortgang van het proces eenigermate stremt, geeft dit den rechter geen bevoegdheid, den eischer in elke incidenteele vordering tot bewijslevering niet ontvankelijk te verklaren.

Dit was ook hier niet geoorloofd, omdat de incidenteel gevorderde openlegging der boeken, tot klaarheid kunnende brengen den omvang van eischers rechten, op den stand en den loop van het proces van invloed kon zijn, zoodat de eischer belang kon hebben zijn op art. 11 \V. v. K. gegrond recht in dat geding bij incidenteele conclusie te doen gelden.

J. C. G. Kampfraath A.Azn., wonende te Amsterdam, qq., eischer, advocaat Mr. B. M. Vlielander Hein,

tegen

1°. Mr. C. A. Cosman, advocaat te Amsterdam, qq.; 2°. Mr. 6. Kirberger, advocaat en procureur te Amsterdam, qq., verweerders, advocaat Mr. W. Thorbecke.

De proc.-gen. Mr. C. Polis heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare II eer eni

Het eenige middel in deze zaak is: Schending en verkeerde toepassing van dé artt. 11 W. v. K., 247, 249, 140, 144, 347, 353 B. R-, 122 Faill.wet, omdat het Bot de in een verificatiegeschil tegen de curators gedane incidenteele vordering tot openlegging der boeken heeft verklaard niet-ontvankelijk op deze overweging, dat, daargelaten of ook zonder toestemming der wederpartij onder' zoodanige omstandigheden (se. dat over en weêr reeds ten principale was geconcludeerd) eene door de wet niet uitdrukkelijk in iederen stand van het geding toegelaten incidenteele conclusie kan worden genomen, requirants conclusie echter in geen geval met het oog op hare strekking als incident teele conclusie in dit geding in aanmerking kan komen, omdat de strekking dier conclusie, als krachtens art. 11 W. v. K. genomen, is, om req., als pretens gerechtigde tot de boeken, met don inhoud der geheele boekhouding bekend te maken, terwijl de bij: req. tijdens het proces opkomende behoefte om van den omvang zijner rechten op de hoogte te komen, geen grond kan opleveren om den voortgang van het proces te stremmen, maar dientengevolge ook eventueele toewijzing der vordering geheel zonder invloed zou blijiven op den stand en den loop van het proces, en er voor req. dus geen belang bestaat, in dit geding zoodanig tusschengeschil op te werpen en d'aartoe eene conclusie te nemen.

Ik houd de aangevallen uitspraak, die in het middel volledig is medegedeeld, voor onjuist. He eischer in cassatie tijdens dit proces „de beboette gevoelende om op de hoogte te komen van zijne rechten en te dien emde openlegging, d. i. de mededeelino-, communication (art. 14 C. O.), van de-s gefailleerdén boeken willende vragen, had wel degelijk belang dit te doen bij incidenteele vordering in dit proces, omdat het voor hem juist ini dit proces, waarin zijne vordering om als schuldeischer in het faillissement erkend te worden, voor een gedeelte werd betwist, van groot belang was met den inhoud der geheele boekhouding van den gefailleerde bekend te worden om zich te verzekeren van den omvang ook van zijn recht in dit geding, en bewijs voor zijne gedeeltelijk gecontesteerde vordering uit de: boeken te kunnen putten. l)e vordering tot openlegging der boeken was dus niet een hors d'o e u v r e in dit proces, maar een middel om de oplossing van het geschil te bevorderen, en veirmits nergens in de wet eene bepaling te vinden is, waaruit^zou zijn af te leiden, dat een crediteur het hem ex art. 11 W. v. K. toekomende recht niet of niet incidenteel in het verifioatieproces zou mogen laten gelden, zoo heeft het Hof, door de uitgesproken r,iet-(m 1 van keirjkvB!klaring, aan den eischer in cassatie zonder wettigen grond een reclit onthouden, dat hem krachtens art. 11 W. v. K. toekomt, en dus dat artikel geschonden.

Of zou juist zijn dje bewering der verweerders, dat, ook al is liet motief van de uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring onjuist, toch art. 11 W. y. K. niet is geschonden, daar op andere rechtsgronden s Hofs uitspraak behoort te worden gehandhaafd ? Ik geloof het niet.

De vordering tot boekenopenlegging zou, volgens dé verweerders, niet toekomen aan de schuldeisehers individueel, maar alleen aan de curators, die voor de gezamenlijke schuldeisehers optreden. Vooreerst wensch ik op te merken, dat de in het verificatieproces de vordering eens schuldeisehers (zooals in casu) voor een gedeelte betwistende curator, niet voor, maar tegen dien schuldeischer optreedt, eni de toekenning aan de burators van het recht om openlegging der boeken van den failliet te vragen, was ook met het oog op de bepalingen vani het 3de boek van het

Wetb. v. Kooph., al komt daarin niet eene bepaling voor als in art. 92 der Faill.wet, overbodig als uit hun, lecht van beheer en casu quo vereffening voortvloeiende. De wet zegt niet wat de verweerders beweren. Maar bi vgfc J" aard der zaak dat dan mede? Ik meen dat te mogen betwijfelen. De schuldedschers hebben er belang bij met den toestand des boedels bekend te worden; daarom kan ieder van hen, de openlegging der boeken vorderen; en dat moge zijn een exorbitant recht, de toekenning daarvan is gerechtvaardigd door den exceptianeelcsi toestand waarin zij ten gevolge van het faillissement verkeeren, en dat het voor de schuldeisehers vooral van groot belang is dat recht te kunnen uitoefenen wanneer zij staan tegenover den curator, kam, meen ik, niet wel betwijfeld wordeini. Men zie Faure IV blz. 187. De openlegging van ons aat. 11 W. v. K. is, zooals Holtius opmerkt, de onbehulpelijke benaming voor mededeeling, voor de communication van art. 14 <J. C. en daarom verwijs ik ook naar Lyon-Caen Droit Commercial (3ième éd.) I blz. 306.

Omtrent eene tweede bewering van de verweerders, dat de voedering uit art. 11 W. v. K. niet als incident in een aanhangig rechtsgeding kan worden gedaan, heb ik reeds met een enkel woord mijn gevoelen gezegd. De verweerders beroepen er zich op dat eene uitdrukking als in art. 12 W. v. K. „in den loop van het rechtsgeding" of de woorden van art. 1923 B. W. „in eiken stand van het geding" in art,. 11 W. v. K. niet voorkomen. Dat is echter verklaarbaar, vermits de vordering van art. 11 W. v. 3v. ook onafhankelijk van eenig proces k a -n worden gedaan, en ik zie niet in dat die vordering niet incidenteel in een hangend proces zou kunnen worden gedaan, wanneer de schuldeischer juist in dat proces tot handhaving van zijn recht met den inhoud der geheele boekhouding wenscht bekend te worden.

Eindelijk is de derde bewering van de verweerders, dat in elk geval igeene incidenteele vordering betrekkelijk de zaak tem principale meer kon worden ingesteld waar in die zaak de conclusiën reeds gewisseld waren.

Er was door de geimt. incidenteel geappelleerd, op dat appel is niet gediend van antwoord, maar ten dage voor het nemén dier conclusie bepaald is de incidenteele vordering, die liet principale appel betrof, bij conck. :;s geclaan. En dat kom m. e. geschieden,, omdat nergens in de: wet is bepaald dat na het nemen der conclusie vair antwoord in appel, en terwijl het debat

nog met is gestoten, geene incidenteele vorderingen meer kunnen worden toegelaten, in vele gevallen juist eerst do conclusie van, antwoord in appel aan den app. aanleiding zal geven tot het doen van eene, incidenteele vordering, en de zin van art. 247 B. R. m. i niet is een bepaalden, dag voor hot doen van incidenteele vorderingen aan te wijzen, maar den vorm aan te geven waarin de incidenteele vorderingen behooren te worden' gedaan, nl. bij conclusie ter rolle(l)-

Ik concludeer tot cassatie van het beklaagde arrest, behalve voor zoover de beslissing op het incidenteel appel aangaat, met verwijzing der zaak naar het Hof en veroordeeling van de verweerders qq. in de kosten.

De Hooge Raad enz.;

Partijen gehoord;

Gehoord den Proc.-Gen. in zijne conclusie, strekkende tot enz.;

Gezien de stukken ;

Overwegende da.t tegen het arrest door het Gerechtshof te Amsterdam den 21sten Juni 1900, onder n,°. 2327 (faillissement van T. Daniels1, lid der firma A. Daniels en Co.) tusschen partijen gewezen, als middel van cassatie is aangevoerd: Schending en verkeerde toepassing van art. 11 W. v. K., de artt. 247 tot en met 249, 140 tot en met 144, 347 en 353 B. R. en art. 122 der Faill.wet, omdat het Hof de in een verificatiegeschil tegen, de curators gedane incidenteele vordering tot openlegging der boekan heeft verklaard niet-ontvankelijk op deze overweging: „dat, daargelaten, of, ook zonder toestemming dar wederpartij onder zoodanige omstandigheden (namelijk dat over en weder reeds ten principale was geconcludeerd) eene aoor de wet niet uitdrukkelijk in iederen stand van het geding toegelaten incidenteele conclusie kan worden genomen, requirants conclusie echter in geen geval, met het oog op hare strekking als incidenteele conclusie in dat gedeelte in aanmerking kan komen, omdat de strekking dier conclusie, als krachtens art. 11 W. v. K. genomen,, is om req., als pretens gerechtigde tot de boeken, met den inhoud der geheele boekhouding bekend te maken, terwijl de bij req. tijdens het proces opkomende behoefte om vam den omvang zijner rechten op de hoogte te komen, geen grand kan opleveren om den voortgang van het proces te stremmen, maar dientengevolge ook eventueele toewijzing der vordering geheel zonder invloed zou blijven op den stand en den loop van het proces, en er voor req. dus geen belang bestaat in dit geding zoodanig tusschengeschil op te werpen en daartoe eene incidenteele conclusie te riemen";

O. dat volgens het bestreden arrest vaststaat, dat wegens een verificatiegeschil in het fail1i-^eri'tent van T. Daniels, waarin de verweerders curators zijn, de rechter-commissaris partijen heeft verwezen naar de terechtzitting der Arrond.-Rechtbank te Amsterdam, die bij, vonnis van den 7den Oct. 1898, de door verweerders gevorderde nietigverklaring van eischers conclusie, betrekkelijk zekere post niet uitsprekende, hem in de bij die conclusie gedane vordering heeft verklaard niet-ontvankelijk, des eischers vordering vooir zeker bedrag als deugdelijk heeft erkend en, hem het meer gevorderde heeft ontzegd;

O. dat op gelijke wijze vaststaat, dat de eischer van dit

(1) Het arrest van 22 Juni 1860 is ook te vinden bij v. d. H. Burg. Recht, Dl. 24 blz. 239 (W. 2181 Red,)

vonnis is gekomen in hooger beroep, met conclusie tot vernietiging van dat vonnis en toewijzing zijner oorspronkelijke vordering ; dat de verweerders bij conclusie van antwoord incidenteel heli'jon geappelleerd, voor zoover betreft het niet uitspreken der door hen gevorderde nietigverklaring eener conclusie des eischers, dat daarna, ten dage voor het nemen der conclusie van antwoord op het incidenteel appel bepaald, de eischer brj incidenteele conclusie, die alleen in verband met het principaal appel, en nadat hierop reeds van antwoord was gediend, werd genomen — heeft geconcludeerd, -dat ingevolge art. 11 W. v. K. de openlegging der boeken van de gefailleerde vennootschap zou worden bevolen, waarop is geantwoord met conclusie tot terzijdestelling van, immers niet-ontvankelijkverklaring in die incidenteele conclusie;

O. dat het Hof bij het bestreden arrest, daarlatende, of (ook zonder toestemming der wederpartij) onder voormelde omstandigheden, nog eene door de wet niet uitdrukkelijk in iederen stand van het geding toegelaten incidenteele conclusie kon worden genomen, — den eischer in zijne incidenteele conclusie heeft niet ontvankelijk verklaard, op grond, dat die „in geen geval met het oog op hare strekking, als incidenteele conclusie in dit geding in aanmerking kan komen, omdat- de strekking dier conclusie (als krachtens art. 11 W. v. K. genomen) is, om req. (thans eischer in cassatie) als pretens gerechtigde tot de boeken, met den inhoud der geheele boekhouding bekend te maken, terwijl de bij req. tijdens het proces opkomende behoefte om van den omvang, zijner leehlen op de hoogte te komen, geen grond kan opleveren om deni voortgang van het proces te stremmen, maar dientengevolge dan ook eventueele toewijzing der vordering geheel zonder invloed zou blijven op den stand en den loop van het proces, en er voor req. dus geen belang bestaat in dit geding zoodanig tusschengeschil op te werpen en, daartoe eene incidenteele conclusie te nemen";

Ten aanzien van het middel van cassatie, hetwelk het principaal appel en bepaaldelijk de daarin genomen incidenteele conclusie betreft, waarin de principaal app. en eischer bij het bastreden arrest is niet-ontvankelijk verklaard ;

O. dat- het Hof niet in het algemeen ontkent eens crediteurs recht om mg e v ,. 1 \ jn.il! rs emcrit openloffgsssg dei." boeken van den gefailleerde op grond van art. 11 W. v. K. te vorderen, maar slechts zijn recht betwist om zulks bij incidenteele conclusie in dit proces te doen;

O. dat dan ook verweerders ten onrechte den eischer in h e t algemeen het recht hebben betwist die openlegging te vorderen, bewerende zij, dat alleen aan curators dit recht zoude toekomen;

O. immers, dat het met het in den aaird der zaak gelegen en in art. 799 W. v. K. (nu vervangen door art. 92 Faill.wet) aan curators uitdrukkelijk verleend recht om zich in het bezit der boeken van den gefailleerde te stellen, weinig strooken zou, dat, airt. 11 van hetzelfde wetboek hun hot, recht, en slechts het recht, zou geven openlegging dier boeken te vorderen:;

O. dat dan ook laatstgemeld recht niet kan worden ontzegd aan. dezen eischer, van wien vaststaat, dat hij, is schuldeischer maar die beweert grootere schuldvordering te hebben,, dan door de verwerende curators wordt erkend;

O. dat, nu bij den eischer in den loop van dit proces, ten gevolge van de betwisting zijner schuldvordering door de verweerders, de behoefte is opgekomen om den omvang zijner rechten ten processe tot klaarheid te brengen door vordering, op grond van art. 11 W. v. K., van openlegging der boeken van den gefailleerde, liet Hof den eischer ten onrechte de bevoegdheid heeft betwist, die vordering te doen bij incidenteele conclusie ;

O. toch, dat, ofschoon elke incidenteele vordering den voortgang van het proces eenigermate stremt, dit den rechter geene bevoegdheid geeft den eischer in elke incidenteele oonclusie tot bewijslevering niet-ontvankelijk te verklaren, en dit ook hier niet geoorloofd was, omdat de incidenteel gevorderde openlegging der boeken:, tot klaarheid kunnende brengén den, omvang van eischers rechten, op den stand en den loop van liet proces van invloed kon zijn, zoodat de eischer belang kon hebben zijn op art. 11 W. v. K. gegrond recht in dit geding bij incidenteele oonclusie te doen, gelden;

O. dat dus op het voorgesteld middel moet worden gecasseerd en het geding naar het Hof moet worden verwezen, ter beslissing van hetgeen, het Hof omtrent de incidenteele conclusie heeft daargelaten;

Vernietigt het bestreden arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van den 21sten Juni 1900, met uitzondering van de daarbij gegeven beslissing op het incidenteel appel;

Verwijst het geding naar voormeld Gerechtshof, ten einde met inachtneming van 's Hoogen Raads arrest, de zaak verder te behandelen en te beslissen;

Veroordeelt de verweerders in de kosten van cassatie.

Sluiten