Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gehoord, in raadkamer, den raadsman van de requestrante; Gezien de onder het verzoekschrift gestelde conclusie van den procureur-generaal, strekkende tot enz.;

Gezien de bij het verzoekschrift overgelegde stukken,; Overwegende, dat tegen voormeld arrest als middel van cassatie is voorgesteld: Schending of verkeerde toepassing van de artt. 868, 869, 870 B. R., de artt. 1 en 6 der FaiU.wet, doordien het Gerechtshof, het vonnis van de Arrond.-Rechtbank bevestigend, heeft beslist, dat deze artikelen aan liet Bestuur van de Registratie niet het recht geven om bij veroordeeling in. de kosten van eene wederpartij, eens kosteloos procedeerenden., van deze wederpartij rechtstreeks als eigen inschuld de rechten voor die gerechtelijke akten, die van de zijde der winnende, gratis geadmitteerde partij in debet zijn geregistreerd, te vorderen en derhalve geen crediteur is van de veroordeelde wederpartij, welke beslissing na de overlegging aan het Hof van een in, het geding waarvan" sprake was, in debet geregistreerde akte, geen, feitelijke is en voor een. onderzoek in cassatie vatbaar moet geacht worden;

O. daaromtrent, dat de tegenwoordige requestrante bij oorspronkelijk verzoekschrift de faillietverklaring heeft gevraagd vain) G. van leperen, op grond, dat, hij bij vonnis van de, Rechtbank te 's Gravenhage van 21 Maart 1900 is veroordeeld om haar eenige bij dat vonnis omschreven goederen terug te geven en indien hij daarmede in gebreke bleef, te betalen de waarde, door de Rechtbank bepaald op f60; dat hij in gebreke blijft de voorwerpen terug te geven'en weigert de waarde te betalen;

dat hij ook andere opeischbare schulden onbetaald heeft gelaten, waaronder' de vordering van den Staat der Nederlanden, immers het Bestuur der Registratie, voor zoover in het bedoelde, geding gerechtelijke akten van de zijde van requestrante. in debet°zrj:n geregistreerd en waarvan de rechten op genoemden G. van Ieperen kunnen worden verhaald, alsmede de ten zijnen laste komende salarissen van practizijns en deurwaarders;

dat de Rechtbank het verzoek heeft afgewezen, op grond, dat niet gebleken is, dat gerequestreerde meerdere schuldeisehers heeft dan requestrante, zijnde het Bestuur der Registratie, als zoodanig in het request genoemd, geen schuldeischer van gerequestreerde ;

dat het Hof bij liet beklaagde arrest op dienzelfden grond de beschikking der Rechtbank heeft bevestigd;

O. met betrekking tot het daartegen, gericht, cassatiemiddel: dat wat er zij van de vraag, of de Staat, immers het Bestuur der Registratie, krachtens art. 869 B. R. eene vordering1 zoude hebben tegen den gerequestreerde tot betaling van de zegel- en registratierechten, in bovenbedoeld geding verschuldigd, in allen gevalle niet blijkt, dat deze rechten, tusschen den, Staat en den gerequestreerde vereffend zijn, en de Staat derhalve in geen geval ten aanzien van die rechten als zijn schuldeischer in den zin der artt. 1 en 6 van de FaiU.wet te beschouwen is;

dat het middel derhalve moet worden verworpen, als nimmer tot cassatie der bestreden beschikking kunnende leiden ; Verwerpt het beroep.

Kamer Tan Strafzaken.

Zitting van den 22 April 1901.

Voorzitter, Mr. J. J. van Meerbeke.

Raadsheeren, Mrs. : A. A. de Pinto, A. J. Clant van der Mijll, A. P. Th. Eyssell, B. H. M. Hanlo, Jhr. S. Laman Trip en Jhr. 1). G. van Tkylingf.n.

Th' schriftelijke verklarina van Burgemeester en Wethouders

eener gemeente, dat door hen ten behoeve van niemand eene vergunning tot verkoop van sterken drank in het klein voor een bepaald aangewezen perceel in de gemeente is verleend, is eene authentieke akte.

De Procureur-Generaal bij den Hoogen Raad der Nederlanden is requirant van cassatie in het belang der wet tegen, een vonnis van de Arrond.-Rechtbank te Amsterdam van deni 25sten Jan. 1901, waarbij is bevestigd het vonnis van den reohter in het tweede kanton in het arrondissement Amsterdam van 22 Nov. 1900, bij hetwelk J. S., oud 54 jaren, van beroep werkman, geboren' en wonende te Amsterdam, is vrijgesproken van de telastlogging dat hij. op 7 Juni 1900 te Amsterdam in het voor het publiek toegankelijk lokaal van perceel 1ste Jan van der Heijdenstraat 66, wa&rin een bierhuis werd gehouden, doch waarvoor geene vergunning was verleend tot den verkoop van sterken drank in. het klein, aan A. R., althans aan een daar aanwezig persoon, een glaasje jenever met elixer, althans een glaasje sterken drank, heeft toegediend.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Eijssell, heeft de adv.-gen. Noyon het volgende .requisitoir genomen':

Edel Hoog Achtbare Heeren I

Bij eene vervolging van- J. S., ter zake van, toedienen, van sterken, drank i'.i het klein in eene. voor het publiek toegankelijke localiteit waarvoor geene desbetreffende vergunning was verleend, heeft de Ambtenaar van het Opeinj). Min. bij het Kantongerecht, n°. 2 te Amsterdam als bewijsmiddel voor het gemis van vergunning willen, doen. dienen eene verklaring van het College van Burgemeester en Wethouders, geteekend door hunnen voorzatter en. den secretaris, en houdende dat de bedoelde vergunning niet is verleend'. Bij een in. appel bevestigd vonnis heeft de kantonrechter den beklaagde vrij gesproken op groind dat de overgelegde verklaring het bewijs van gemis van vergunning niet kan, leveren; zij zou dit alleen kunnen doen wanneer zij als authentieke akte beschouwd kon, worden, wat, niet het geval is, daar wel (zooals het vonnis zegt) aan B. en. \\ . rlnnr d,a Drankwet is ontredrasen op aanvragen om vergunning

tot verkoop van sterken drank in het klein eene. beschikking te geven, en alzoo dergelijke beschikkingen zouden zijn te beschou. wem als authentieke akten, maar uit geene enkele wettige (wettelijke!) bepaling volgt de bevoegdheid van B. en W. om bij akte te oonstateeren dat geene zoodanige vergunning is verleend.

Aan B. en, W. is opgedragen, het verleenani en het weigeren van vergunningen. TJit den aard der zaak is daaraan verbonden het doen blijken van hunne handelingen betreffende dit onderwerp, zooals in het algemeen het doen, blijken van ambtelijke handelingen het noodzakelijke aanhangsel van het verrichten van die handelingen, is.

Toegepast op het onderwerp der vergunningen wil dit, zeggen dat B? en W.. besluitende eene vergunning te verleenen, begin(lüli met daaromtrent een bewijsstuk op te maken dat gewoon¬

lijk, ook in art. 13, 1ste lid der Drankwet, de vergunning genoemd wordt maar inderdaad niet meer is dan een stuk waaruit blijkt van het bestaan der vergunning die op zich zelve iets immaterieels is.

Nu is er geene reden waarom het in art,. 13 bedoelde afschrift van het besluit waarbij de vergunning verleend is meer eene authentieke akte zou zijn dan eene verklaring door B. en W. /elf afgegeven, en betrekking hebbende op het feit dat vergunning verleend is. Noemde art. 13 niet bepaaldelijk het afschrift, eene verklaring betreffende het verleenen en de voorwaarden van de vergunning zou volkomen gelijke diensten bewijzen en geheel in dezelfde lijn van ambtelijke bevoegdheid liggen..

Kunnen B. en W. dan authentieke verklaringen omtrent hunne handelingen afleggen, dan zijn zij eo ipso bevoegd tot het, afleggen van negatieve verklaringen, houdende dat zij; eene aangewezene, binnen hunnen ambtskring liggende handeling niet hebben verricht.

Kan dus al geene wetsbepaling worden aangewezen die uitdrukkelijk het afleggen van de hier bedoelde verklaringen voorschrijft, de bevoegdheid er toe volgt uit de wettelijke opdracht van 'bemoeiingen ten aanzien van de ver gunningen.

Reeds in 1841 bij een arrest van 6 April (Rspr. 10, § 78) besliste de Hooge Raad in. gelijken geest door als authentieke akte te erkennen de verklaring van Gouverneur en Ged. Staten, houdende dat zekere persoon zich stiet voor de nationale militie had doen inschrijven.

Het is op grond van het, aangevoerde dat ik requireer de cassatie in het belang der wet van het op 25 Jan. 1901 door de Arrond.-Rechtbank te Amsterdam gewezene . vonnis, in hooger beroep bevestigende een vonnis van den kantonrechter in het tweede kanton van Amsterdam van 22 Nov. 1900 in de zaak van den Ambtenaar van het Openb. Min., tegen, J. S., als middel van cassatie stellende: Schending van art. 400 Strafvord. en art. 1905 B. W. in verband met art, 1 en 5 der wet, van 28 Juni 1881, Stbl. 97, gewijzigd bij die van 23 April 1834 Stbl. 54 em 16 April 1885, Stbl. 78.

De Hooge Raad enz.;

Gelet op het middel, namens den req. voorgesteld bij na te noemen requisitoir, luidende :

Schemiding van art. 400 Strafvord. en art. 1905 B. W., in verband met de artt. 1 en 5 der Wet. van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 97), gewijzigd bij die van 23 April 1884 (Stbl. n°. 54) en 16 April 1885 (Stbl. B°. 78);

Gehoord den adv.-gen. Noyon, namens den proc.-gen., in zijn requisitoir, strekkende to.t enz. ;

Overwegende dat, blijkens het bestreden vonnis, bij het vonnis van den kantonrechter is beslist, dat, niet wettig en. overtuigend bewezen is het bestanddeel van, voorschreven telast gelegde, feit, dat geen© vergunning is verleend tot verkoop van sterken drank in het klein in, het genoemde perceel; dat dit wel wordt geconstateerd in eene verklaring van B. en, W. van Amsterdam

(ter terechtzitting van net. JVantomgerecnt, voorgelezen, en woordelijk door de Rechtbank aangehaald), doch die verklaring niet is eene authentieke akte, en. dus bewijskracht mist; dat in hooger beroep de Rechtbank met den kantonrechter van. oordeel is geweest, dat uit, geene enkele bepaling der wet volgt, dat B. en W. da bevoegdheid hebben om bij akte te eonstateeren, dat geene zoodanige vergunning is verleend en dus de overgelegde verklaring niet als eene authentieke akte is te beschouwen, waarom het vonnis in eersten aanleg met overneming der gronden i,s bevestigrly chrt ic^cri deze brsüsnng bet vr,w. &idd© cassatiemiddel is gericht;

O. dat voorzegde verklaring luidt:

„Burgemeester* en Wethouders der gemeente Amsterdam verklaren dat door hen tot op heden geene vergunning is verleend tol het verkoopen, toedienen of ten verkoop in voorraad hebben

van sterken drank in het klein voor het perceel n°. 66 in dei lste Jan van der Heijdenstraat aldaar, hetzij aan J. S. Jr., hetzij aan J. S. Sr., of iemand anders.. Amsterdam den. 12den Nov. 1900. (get.) De Burgemeester Meinesz, de Secretaris Le Jolle" ;

dat de motiveering van voorschreven beslissing door dein kantonrechter hierop nederkoint, dat aan B. en W. bij de drankwet alleen is opgedragen, op aanvragen om vergunning tot. verkoop van. sterken drank in liet klein eene beschikking te geven, dat alzoo dergelijke beschikkingen zouden zijn te beschouwen als authentieke akten, maar hun de bevoegdheid om bij akte het niet verleenen van zulk eene vergunning te eonstateeren, nergens gegeven, is ;

O. dat bliikens den o-anscben inhoud der Drankwet de wet¬

gever, de regeling van den kleinhandel in sterken drank tot een onderwerp van zijne bemoeiingen makende, de nadere uit voering en handhaving van zijne regeling heeft gemaakt tot gemeentezorg ; dat hij, als hoofdbepaling der wet bij haar art. 1 de bevoegdheid tot verkoop van sterken drank in het .klein afhankelijk "stellende van eene vooraf verleende vergunning, het verleenen van die vergunning heeft opgedragen. aan het dagelijksch Bestuur der gemeente, B. en W., welk college ingevolge het laatste lid van art. 5 op de daartoe strekkende aanvraag eene schriftelijke beschikking heeft te nemen;

dat uit het voorschrift van art-. 13 omtrent, het ..pn arr gen van een dooir den gemeente-secretaris gewaarmerkt afschrift der vergunning in de drankinrichting volgt, dat^ liet in schrift gestelde vergumningbesluit zelf door B. en W. niet uit handen gegeven wordit;

dat dit laatste alsnu medebrengt, dat deze oorspronkelijke akten t van beschikking, door den, kantonrechter en de Rechtbank terecht als authentieke aktöni aangemerkt, deel worden van het bij art. 103 der Gemeentewet bedoelde archief en onder bewaring komen van den secretaris der gemeente, ingevolge de beide voorafgaande artikelen, tevens secretaris van B. en W. en medeonderteekenaar hunner besluiten; dat deze gevolgtrekking wordt bevestigd door de opdracht in art, 13 der Drankwet van den secretaris om de uit te reiken afschriften te waarmerken;

dat wanneer alzoo wordt verleden eene authentieke akte, zoo dikwijls op een veizoek om vergunning wordt beschikt en de?e

'' , , , . i-o.

akten worden verzameld in een imuncKrecmeiijK iircuici, ua«u.door geopend wordt de gelegenheid; om ambtelijk vast te stellen of in" de gemeente al dan niet eene vergunning voon> zekere localiteit, aan zekere personen is verleend;

O. dat wanneer, zooals naar het voretnoverwogene geldt vaiv de Drankwet, aan een publiekrechtelijk college ambtelijk is opgedragen het, uitvoeren, van eene wet op de uitoefening van zeVor- Kftdirnif p,ti bet daaromtrent opmaken van authentieke akten,

waarnrnm' m officieel afschrift verstrekt moet worden aan den

uitoefenaar van dit bedrijf en. waarvan het oorspronkelijke deel uitmaakt van een archief, toevertrouwd aan den secretaris van het beschikkende bestuur, de op deze wijze en met zoodanige gevolgen verstrekte opdracht, moet geacht, worden ook te bevatten eene opdracht aan zoodanig college om, schriftelijk te doen b1 ij ken of eene ingevolge de wet te nemen beschikking ail dan niet genomen en in schrift gesneld is;

O. dat dus door het beklaagde, vonnis ten onrechte aan zoo¬

danige verklaring authenticiteit en, bewijskracht is ontzegd, zoodat het voorgestelde middel is gegrond;

Recht doende:

Gezien art. 98 R.O. :

Vernietigt het beklaagde vonnis, doch alleen in. het belang der wet.

ARRONDISSEMENTS-RECHTB ANKEN.

ARROND.-RECHTBANK TE 's HERTOGENBOSCH. Eerste Kamer.

Zitting van den 28 December 1900.

Voorzitter, Jhr. Mr. L. C. J. A. van Meeuwen.

Rechters, Mrs. : D. Wesseling en J. Ph. Suyling.

Niet naar het tijdstip der schenking, maar naar het tijdstip van het overlijden des erflaters moet worden beoordeeld, of door hem een met recht van successie belastte schenking is gedaan onder voorbehoud van vruchtgebruik (art. 10 Wet 24 Mei 1897, no. 154, tot nadere regeling van het recht van successie).

Dit recht toch is verschuldigd over goederen, die bij overlijden overgaan of geacht worden over te gaan.

Derhalve is geen recht van successie verschuldigd over een schenking, gedaan onder voorbehoud van vruchtgebruik, indien meer dan 180 dagen vóór des schenkers overlijden, door dezen van het vruchtgebruik is afstand gedaan.

Ook art. 1 en 8 der genoemde wet, zijn op zoodanig geval niet van toepassing.

Deze niet-toepasselijkheid werkt geen ontduiking der successiewet in de hand.

L. H. v. L., koopman, wonende te Boxtel, eischer, procureur

en advocaat Mr. P. H. Loejf,

tegen

Zijne Excellentie den Minister van. Finantiën, hoofd der afdee*

ling „Registratie', wonende te 's Gravenhage, gedaagde.

De Rechtbank enz. ;

Gehoord het Openb. Min., concludeerend tot ontzegging van den eisch;

Gezien de stukken vooi zooveel noodig geregistreerd ;

Ten aanzien der feiten:

Overwegendt dat, d'e eischer onder meer heeft gesteld, dat hij di eenige erfgenaam, is van wijlen zyne tante A. C. B. te Esch, den 9den April 1899 overleden; dat d,e erflaatster hem vóór 15 Sept. 1898, met voorbehoud van vruchtgebruik, zekere effecten schonk en dat zij later, maar eveneens vóór denzelfden datum, van dit vruchtgebruik afstand deed, dat hij na het overlijden der erflaatster onder1 protest van ongehoudenheid over die effecten. f3092.58 aan recht van successie betaalde;

O. dat de eischer de verschuldigdheid dier som bstwtett», *wKj-Ivo li ij Jaaryan op yorgng t-.> tti il a gronden terugbetaling vorderde benevens renten err kosten;

O. dat de gedaagde de feiten erkende maar de heffing verdedigde met een beroep op art. 10 der wet van 24 Mei 1897 (Stbl. n.°. 154) tot nadere regeling van het recht van successie, en tevens de gevorderde rente bestreed met een beroep op art.

66 der successiewet van laoy;

O. dat de benoemde reehter-commissaiis ter zitting rapport heeft uitgebracht;

En in rechten,:

O. dat het meergemeld art. 10 onder, zekere voorwaarden den begiftigde verplicht to.t voldoening van recht van successie over goederen die door den. erflater onder voorbehoud van het recht van vruchtgebruik zijn geschonken;

O. dat naar het tijdstip van het overlijden vaini de erflaatster moet worden beoordeeld, of de door haar geschonken effecten, waarvan in dit proces de rede is, onder voorbehoud van vruchtgebruik zijn geschonken ; dat toch naar dit tijdstip beoordeeld moet worden, of de door art. 10 voor de heffing van het recht van successie gestelde voorwaarden aanwezig zijn. daar dit recht verschuldigd is, over goederen, die bij overlijden overgaan of geacht worden over te gaan;

O. dat de door de erflaatster B. geschonken effecten, ten gevolge van den inmiddels door haar gedanen afstand van het vruchtgebruik ten tijde van haar overlijden, niet meer ondem voorbehoud van vruchtgebruik geschonken waren, en dat derhalve daarover krachtens art. 10 geen recht gevorderd1 worden kaïn;;

O. bovendien., dat, zoo de aanwezigheid der voorwaarden, waarvan art. 10 de heffing van recht doet afhangen, naar het tijdstip der schenking moest beoordeeld worden, en zelfs recht van successie verschuldigd zou kunnen zijn over schenkingen, die met goedvinden van gever en begiftigde naderhand weer ongedaan waren gemaakt;

O. dat evenmin uit kracht van art. 7 of 8 der successiewet van 1897 over de effecten, waarvan in dit proces de rede, is, recht verschuldigd is; dat wel is waar de schenking dier effecten en de daarop gevolgde afstand van vruchtgebruik te zanten een liberaliteit vormen gelijk in art. 7 althans in art. 8 is bedoeld, maar deze liberaliteit meer dan, 180 dagen vóór het overlijden. der schenkster, heeft plaats gehad;

O. ten slotte dat de niet toepasselijkheid van art. 10 op gevallen. als waarover hier het geschil loopt, de ontduiking der'

successiewet niet m de nand: werKt, ornaat,, daarop altijd art. t of art. 8 toepasselijk is, tenzij de erflater meer dan 180 dagen voor zijn dood afstand doet;

O. dat art. 66 der successiewet van 1859 de verplichting tot betaling van moratoire interessen uitsluit;

Veroordeelt den gedaagde qq. om aan den eischer tegen behoorlijke kwijting ter zake voorschreven te betalen de som van f3092.58;

Veroordeelt hem m de. kosten aan de zijde van gedaagde tot dït> vonnis verevend op enz.

Ontzegt het meergevorderde.

(Tegen dit vonnis is ingesteld een beroep in cassatie, dat den llden October e. k. zal worden bepleit).

Sluiten