Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARRONDISSEMENTS-RECHTB ANKEN.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE ROTTERDAM. Tweede Kamer.

Zitting van den 15 December 1900.

Voorzitter, Mr. Pïï. A. J. Bouvin.

Rechters, Mrs.: J. H. van Meürs en H. R. A. Boonen.

De vordering door den ontvanger ingesteld tegen den schipper ter zake van de beschadigde uitlevering van het vervoerde goed, blijft een vordering uit art. 345 W. v. K., ook al wordt daarbij vermeld dal de aansprakelijkheid des schippers daaruit voortspruit, dat de schade, waarvan de vergoeding wordt gevorderd, ontstaan is door zijn zorgeloosheid.

Wanneer de schade aan de lading oorspronkelijk is toegebracht door overmacht, is de schipper van het voortwoekeren dier schade tengevolge van het binnenloopen eener noodhaven en den daaruit ontstanen langeren duur der reis, niet aansprakelijk, wanneer niet blijkt dat hij geweten heeft of althans waarschijnlijk heeft moeten achten dat de lading, toen hij in de noodhaven binnen liep, beschadigd was, daar hij, zonder dat, niet verplicht was een kostbaar onderzoek naar den toestand der zich onder in het schip bevindende lading in te stellen.

De handelsvenn. onder de firma Ruijs en Co., gevestigd en kam. toor houdende te Rotterdam, eischeres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat en procureur Mr. B. C. J. Loder, tegen

J. Degn, scheepsgezagvoerder, wonende te Romo, gedaagde in conventie, eischer in reconventie, advocaat en procureur Mr. W. M. Reepmaker.

De Rechtbank enz.;

Gehoord partyen in hare eonclusiën en pleidooien;

Gezien de stukken, voor zooveel noodig geregistreerd;

Wat de feiten betreft:

Overwegende dat door eischeres in conventie bij dagvaarding en. conclusie van eisch is gesteld en door gedaagde bij conclusie van antwoord is erkend, zoodat tusschem partijen, vaststaat:

dat de gedaagde in November 1899 met zijn stoomschip ,,Pallas" voor eischeres van Riga te Rotterdam heelt aangebracht 97510 kilo tarwe van een© partij groot 100000 kilogram, te Riga afgeladen door A. Eliasstamm, en zulks na op aie reis tenge¬

volge van stormweder op 14 (Jet, te Kopenhagen te zijn binnengeloopen en aldaar tot en met 6 Nov. te zijn verbleven;

dat, toen gemelde tarwe voor de hand kwam, de geheele partij zwaar beschadigd bleek te zijn, zoodat eischeres dezelve niet anders wenschte te ontvangen dan onder gerechtelijke expertise;

dat partijen op 17 Nov. 1899 zijn overeengekomen de tarwe te doen expertiseeien en de schade daaraan te doen begrooten door de heeren J. C. Smalt, M. H. C. van Audel en A. Kiewit, e'i hunne bevinding te beschouwen als ware die het resultaat eener: gerechtelijke expertise;

dat de genoemde experts hebben bevonden dat de partij tarwe was geladen in nüm één tot achten de mast en. geheel verbroeid ei bedorven was, zóó zelfs, dat sorteeren bijna, volslagen onmogelijk was;

dat, naar bij de lossing bleek, de buikdenning nat was en, de matten, die daarop lagen, verstikt en verteerd waren;

dat de schade hoofdzakelijk was broeischade, gevolg van de omstandigheid dat de zich op de buikdenning; bevindende tarwe door zeewater beschadigd was, welke beschadiging noodwendig vóór aankomst in de N oodhaven moest hebben plaats gehad;

dat. de bloei zoodanig was toegenomen door de buitengewone lange reis van het stoomschip en nimmer die afmetingen zoude hebben aangenomen, indien in de noodhaven de door zeewater beschadigde tarwe ware verwijderd of gesepareerd en eindelijk dat voormelde qualitatieve schade bedroeg f2609.84;

O. dat eischeres in conventie bij dagvaarding en conclusie van eisch wijders stellende:

dat deze bevinding der deskundigen geheel overeenstemt met de plaatsgegrepen feiten en omstandigheden, hebbende toch de gedaagde, nadat zijn schip zoodanige schade had bekomen, dat hij binnenloopen in eene noodhaven noodzakelijk oordeelde en terwijl dus te voorzien en te verwachten was dat eenig water bij de lading was gekomen, gedurende de 24 dagen oponthoud te Kopenhagen niet omgezien naar deze partij tarwe, die onderin het schip geladen was;

dat deze verregaande zorgeloosheid dein gedaagde aansprakelijk maakt voor de schade, welke overeenkomstig de bevinding der deskundigen een gevolg is van het doen voortwoekeren der beschadiging door zeewater, hetgeen bij separatie van het aldus beschadigde niet. het geval zoude zijin geweest;

dat de eischeres de beschadiging door zeewater .stelt op één tiende der geheele schade alhoewel die beschadiging zeker geringer is geweest en alsdan de schade, waarvoor de gedaagde

aansprakelijk is, bedraagt J 2348.86

dat de voormelde beschadigde uitlevering en de daar door noodig geworden expertise aan eischeres nog de volgende kosten heeft berokkend als:

overlading in lichter ■ 49.30

sorteerlooii 16. .

wegen en afleveren na verkoop ,, 49.30

zakkenhuur ,, 140. .

lichterhuur ;; 2.20

sleeploon en bruggegeld voor den lichter ,, 7.30

terwijl de kosten der expertise hebben bedragen... ,, 125.75

f 2738.71

dat de gedaagde daarop kam laten valideeren de hem

van eischeres toekomende vracht ad f371.80

aandeel in averij grosse en particulier ,, 163.63

„ 535.43

zoodat de eischeresse per saldo te vorderen heeft... f 2203.28 en dat deze zaak is eene zaak van koophandel, met eenige nevenvorderingen in rechten vraagt dat gedaagde zal worden veroordeeld om aanhaar te betalen de gemelde som vanf 2203.28 niet .rente ad 6 pOt. sedeit de dagvaarding, cum ex pen-sis;

O. dat de gedaagde o. a. bij conclusie van antwoord heeft doen zeggen:

dat eischeres, en terecht, niet instelt de actie van art. 345 W- v. K.,. doch vergoeding der qualitatieve schade vordert op

grond dat die althans voor het grootste gedeelte zoude, verooizaakt zijn door, wat zij noemt, verregaande zorgeloosheid van den gedaagde;

dat vooreerst, waar zooals eischeres zelve stelt, het hier geldt eene partij onder in het schip liggende, het niet zoo voor de hand lag, dat die tarwe schade zou hebben, waar va© lekkage niet is gebleken, en dan ook geen graan in andere ruimen onderinliggende, schade heeft gehad, terwijl te Kopenhagen de deklading en een deel der lading onder dek is gelost, zoodat het van zelf spreekt dat aain de daaronder liggende goederen (hout) geen zeeschade was te bekennen, daar dit anders zou geconstateerd zijn;

dat bovendien de gerechtelijk benoemde experts te Kopenhagen op verzoek van assuradeuren op graan in het onderruim een onderzoek hebben ingesteld of er ook water in het ruim kon zijn doorgedrongen, doch dat zij dit niet konden uitmaken door het daarboven liggende hout;

dat zij echter van oordeel zijn, dat dit niet het geval kon zijn, hetgeen zij geconstateerd hebben in hun rapport van 7 Nov. 1899, dat met aanbod van afschrift in. het geding wordt gebracht ;

dat den gedaagde dus geen verwijt kan gemaakt worden en de vordering van eischeres ongefundeerd is;

dat gedaagde ten aanzien van het gevorderde bedrag subsidiair nog opmerkt:

dat, zooals de deskundigen en eischeres zelve verklaren, de sc-hade is ontstaan door zeewater, voor welke schade gedaagde niet instaat, en door de lange reis grooter is geworden dan anders het geval zou geweest zijn, doch deskundigen niet verklaren, hoeveel de schade dan is toegenomen en de stelling va.n eischeres, dat de eigenlijke primitieve zeeschade 10 pCt. van de geheele schade zou geweest zijn, eene geheel gratuite is, die op niets berust en mitsdien in deze, waar wel de geheele schade bewezen is, doch niet hoeveel daarvan gevolg is van het beweerde verzuim van gedaagde, de juistheid der gevorderdo hoofdsom niet bewezen is en gedaagde die dan ook ontkent;

dat hij tegen de opgebrachte cijfers van kosten geen aanmerking maakt, doch met het oog op de gevorderde rente betwist dat het hier eene zaak van koophandel geldt, daar hier is ingesteld de gewone civiele actie uit onrechtmatige daad, zoodat "de eventueel toe te wijzen rente zou moeten zijn 5 en niet 6 pCt. ;

Op welke gronden gedaagde heeft geconcludeerd tot niet ontvankelijk verklaring althans ontzegging der vordering cum expensis;

O. dat gedaagde bij die conclusie verder eisch doende ini reconventie heeft gesteld: dat over de aan verweel ster uitgeleverde

partijl tarwe vracht verschuldigd is alsmede aandeel in avarijgros en particulier, respectievelijk f371.80 en f 163.63 tegen welke cijfers verweerster wel geen bezwaar zal maken, daar zij zelve verklaart, dat gedaagde die kan laten valideeren op de vordering in conventie;

dat bij afwijzing der vordering in conventie verweerster bedoeld bedrag van te zamen f 525.43 (blijkbaar abusievelijk ge¬

steld voor 535.43) zal hebben te betalen;

Op welke gronden eischer in reconventie met eenige nevenvarderingen in rechte vraagt dat verweerster zal worden veroordeeld tot betaling van f 525.43 met renten ad 6 pCt. en de kosten;

O. dat eischeres iin conventie bij conclusie van repliek heeft doen zeggen :

dat deze vordering ingesteld door den ontvanger, rechtsopvolger van dem inlader, tegen den vervoerder, voortspruitend uit en gegrond in liet vervoer contract., wel kwalijk een andere zou kunnen zijn dan die uit art. 345 W. v. K. en het niet heel duidelijk is hoe gedaagde art. 1401 B. W. hier te pas brengt;

dat eischeres de bij eisch gestelde feiten heeft medegedeeld om reeds dadelijk te doen zien dat de verweermiddelen bijl art. 345 W. v. K. gegeven, den gedaagde in casu niet ten dienste staan; en de conclusie van antwoord dit nu ook ten volle bevestigt, en zien doet dat de qualificatie aan gedaagde's handelingen door eischeres gegeven ten volle verdiend is;

dat toch uit het door: gedaagde zelve geproduceerde rappoit in verband met de dispache waarop gedaagde een, deel zijner reconvéintioneele vordering doet rusten., blijkt dat nadat op 14 Oct, het schip te Copenhagen was gearriveerd, gedaagde zich wèl bezighield met de schade aan zijn schip, maar hij in het minst niet naar de lading omzag;

dat het. overgelegd rapport, opgemaakt door een scheepsbouwmeester (Prior) en een gezagvoerder (Jensen) ten aanzien derlading alle waarde mist, en uit dat rapport zelf blijkt dat gedaagde hen niet eens opdroeg naar de lading te kijken terwijl de uitlating in tramsitu over de lading in hun rapport gegeven doet zien dat zij niet eens de _ gelegenheid kregen de lading te bezien, terwijl hetgeen zij er over schrijven onzin is;

dat toch in de Engelsche vertaling van dat rapport betrekkelijk de lading alleen het volgende voorkomt;

At the request of some of the underwriters of corn-parcels in the lower hold we examined best possible whether any water could have penetrated into the liolds.

This was however imposs'ible to asoertainon account of the in the ripper-hold remaining wood-cargo b u t we j u d g e that it hat not been the case;

dat zij dus verklaren iets te hebben onderzocht hetwelk zij tegelijk verklaren niet te hebben kunnen onderzoeken en zij ,,denken" dat iets wel niet gebeurd zal zijn hetwelk juist zeer gemakkelijk gebeurt., namelijk dat los opgestapeld hout water doorlaat, hetwelk, zonder veel schade aan het hout toe te brengen, het daaronder liggend graan gemakkelijk tot broei kan brengen;

dat al waren op 3 Nov. de twee s c h e e p sexperts graanexperts geweest, en al hadden die toen, de partij bezichtigd, zij wel niets anders zouden, hebben kunnen constateeren dan wat nu ter destinatie is bevonden en gedaagde's aansprakelijkheid dezelfde zou zijn, voortvloeiende uit zijne zorgeloosheid om tusschen 14 October en 3 Nov., dus^ gedurende ruim een halvê maand, niet naar het graan om te zien en zulks nadat zijn schip dermate geteisterd was dat hij met hetzelve in een noodhaven moest binnenloopen;

dat onder deze omstandigheden, welke ten processe vaststaan, gedaagde zeer zeker niet' kan beweren of volhouden dat de geconstateerde schade door overmacht is ontstaan;

dat derhalve prima facie de gedaagde de geheele schade te vergoeden heeft, tenzij en voor zoover als hij bewijzen: mocht, dat oveimacht hem disculpeert:.

dat eischeres bereid is, gelijk bij dagvaarding gesteld, de geconstateerde schade voor één tiende aan overmacht toe te schrijven, en gedaagde, wil hij daarmee geen genoegen nemen, zal moeten bewijzen voor welk grooter bedrag zijne verantwoordelijkheid door overmacht-is gedekt;

O. dat eischeres in conventie, verweerster in reconventie, in antwoord op den in reconventie gedanen eisch bij gemelde conclusie heeft doen zeggen dat de reoonventiomeel gevorderde som wel juist is doch compenseert tegen een gelijk bedrag der vorde¬

ring in conventie, zoodat die eisch niet voor toewijzing vatbaar is, en op die gronden tot ontzegging dier vordering heeft geconcludeerd, ' cum expensis;

O. dat gedaagde voor dupliek in conventie heeft doen zeggen: dat de grondslag der actie is, zooals de dagvaarding het formuleert „dat deze verregaande zorgeloosheid den. gedaagde aansprakelijk maakt", zoodat men hier niet uit art- ^45 W. v. K. ageert, maar wel degelijk uit art. 1401 B. W., en dit overigens uit den verderen inhoud der dagvaarding blijkt, dat men zelf dan ook zeer wel begreep, dat men niet kon ageeren uit art. 345 \Y . v. K. waar men zelf de daar bedoelde overmacht vermeldt, dooi te stellen dat de schade noodwendig moet ontstaan zijn vóór het mloopen in de noodhaven, hetgeen gevolg was van beloopem schade door stormweer, zoodat, indien gedaagde aanleiding had gehad de lading onder in het schip te Kopenhagen te doen erpertiseeren, de dan geconstateerde schade zeker niet voor rekening van gedaagde zou zijn gekomen en mem dan. ook

voraeriug artreKx voor zeescnacle, waarvoor men alzoo zelf verklaart, dat gedaagde niet aansprakelijk is;

dat ieder schip, dat in een noodhaven binnenloopt, daarom nog geen schade aan de lading onder in het schip behoeft te hebben en eischeres zou moeten aantoonen, dat. in casu het vermoeden bestond, dat dit wel het geval was;

dat gedaagde dan ook geen aanleiding had de lading te doen oude- zoeken en de twee scheepsexperts op verzoek van assuradeuren een wel is waar summier onderzoek hebben ingesteld doch hun gerelateerde opinie gedaagde geen aanleiding gaf zijnerzijds te handelen, integendeel, terwijl, indien water door liet hout ware geloopen op het graan, dit dan toch wel eenige sporen zou hebben nagelaten, en het hout blijkbaar in het geheel geen sporen van water droeg, hetgeen de experts aamleiding tot hun oordeel gaf;

dat uit het te Rotterdam geblekeme volgt-, dat experts over de lading te Kopenhagen geheel iets anders zouden hebben bevonden dan te Rotterdam is geconstateerd, en wel hoogstens dat het graan nat was, waarvoor gedaagde in verband met de zeeëveneinenten niet instond;

dat dus prima facie de gedaagde niets heeft te vercoeden, tenzij eischeres bewijze dat de meerdere schade aan gedaagde's schuld te wijten is;

dat bij toewijzing der vordering de eischeies zou hebben te bewijzen, in hoever de schade door schuld van gedaagde vermeerderd is, of wel wat op hetzelfde neerkomt, hoeveel de schade kopenhagen was, en de bewering van eischeres dat gedaagde zou moeten bewijzen, dat de schade, waarvoor hij niet aansprakelijk is, meer bedraagt dan de door eischeres daarvoor zonder eenigen grond uitgetrokken 10 pCt. is eene ongeoorloofde intervetsie van bewijslast;

O. dat gedaagde (eischer in reconventie) bij die conclusie voor repliek in reconventie heeft doen zeggen dat nu de gestelde cijfers erkend zijn, voor het geval dat de vordering in conventie wordt afgewezen, niets aan de toewijzing der reconventioneele vordering in den weg staat;

In rechte:

O. wat den eisch in conventie betreft dat in de eerste plaats behoort te woi den beslist of de ingestelde vordering, zooals eischeres beweert, is; gegrond op art. 345 W. v. K, dan wel.

gcuactguc neeii v orgenouaen, op art. 1W1 11. W. •

O. dat bij dagvaarding is gesteld zooals boven in de overwegingen omtrent de feiten breeder is vernield, dat gedaagde, scheepsgezagvoerder, niet zijn stoomschip voor eischeres eene partij tarwe heeft aangebracht, dat eischeres die partij niet anders wilde ontvangen dan onder gerechtelijke expertise, en dat partijen (eischeres en gedaagde) omtrent die expertise eene overeenkomst hebben getroffen, terwijl eischeres verder, op grond van het rapport der experts in, verband met het feit dat gedaagde met zijn schip in een noodhaven biiinengeloopen zijnde, aldaar niet naar de tarwe zoude hebben omgekeken, den gedaagde, althans voor een groot deel, aansprakelijk stelt voor de daaraan geconstateerde schade en daaivoor van hem vergoeding verlangt;

O. dat dus deze door den ontvanger der lading ingestelde vordering, die ook bij dagvaarding uitdrukkelijk een zaak van koophandel genoemd wordt, blijkbaar ten doel heeft om van een scheepsgezagvoerder vergoeding te vragen voor schade, overkomen aan met zijn schip onder zijn gezag vervoerde goederen en derhalve gegrond is op art. 345 W. v. K.;

O. dat het feit dat bij de dagvaarding, a-an den gedaagde zorgeloosheid verweten wordt en die zorgeloosheid als reden genoemd wordt waarom gedaagde voor de beweerde schade aansprakelijk zoude zijn, daarin geene verandering brengt daar toch die zorgeloosheid, indien bewezen, in verband met liet'vooraf bij dagvaarding gestelde, zoude opleveren wanprestatie aan de zijde van den schipper ten opzichte van zijne uit het ver-

ssaiyass.* <*L -«•

O. thans wat de gevorderde schadevergoeding betreft, dat volgens art, 345 W. v. K. de schipper moet inftaan voor alle scnaden, die aan de te vervoeren goederen overkomen, op welschs dfi8^ ^at art^el °' a- *1® uitzondering wordt genoemd

— urv cnuctcui- ven oorzaa.Kt-;

O. dat als tusschein partijen vaststaande moet worden aangenomen dat de, aan de bedoelde partij tarwe na aankomst van het stoomschip te Rotterdam op 12 Nov. 1899, geconstateerde schade, was broeischade tengevolge van de omstandigheid dat de zich op de buikdenning van het schip bevindende tarwe: door zeewater beschadigd was, welke beschadigng door zeewater heeft plaats gehad vóór liet schip op 14 Oct. 1899 te Kopenhagen als noodhaven was binnengeloopen;

O. dat partijen het er verder over eerrs zijn dat de broei is toegenomen door de buitengewoon lange reis van het stoomschip en niet de afmetingen zoude hebben aangenomen als na aankomst te Rotterdam is geconstateerd, indien te Kopenhagen waar het schip van 14 Oct, tot 6 Nov. 1899 is o-ebleven onf te repareeren, de door zeewater beschadigde tarwe ware verwilderd of gesepareerd; J

O. dat uit een en ander volgt, dat hier niet aanwezig zijn meerdere van elkaar onafhankelijke schadeoorzaken maar dat hier inderdaad slechts is eene schade oorzaak, nl. beschadiging door zeewater, welke voortgewoekerd heeft- ■°

O. dat beschadiging door zeewater, welke, zooals vaststaat, een gevolg was vani storm, valt onder bovengemelde uitzondering van art. 345 W. v. K.. die den schipper van zijne bij, dat artikel als regel gestelde aansprakelijkheid ontheft;

j. ™s vac' den schipper voor de gemelde schade geen vergoeding kan worden gevorderd, tenzij, zooals. eischeres beweert, mocht blijken dat het plaats gehad hebbende voortwoekeren van de schade aan. den schipper te wijten is;

O. dat dit. voortwoekeren, zooals reeds is vermeld, het gevolg is van de lange rei s van het schip en het niet separeerem van de tarwe na aankomst in de noodhaven;

_ O. dat de lange reis van het schip, welke, zooals in confasso is, heeft, geduurd van, 10 Oct. tot 12 Nov. 1899 haar oorzaak vindt in het feit dat het schip van 14 Oct. tot 6 Nov. te Ko-

Sluiten