Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De wet houdt geen verbod voor den rechter in om in de opzettelijke telastlegging van diefstal zonder meer te zien eene aanranding van eer en goeden naam van hem, tegen wien zij is gericht.

Bij de vrijspraak van den beklaagde van te hebben gehandeld tegen beter weten aan en zijne niet-veroordeeling wegens laster, kon er ook geen spraak zijn van eene toelating tot het bewijs of onderzoek, bedoeld bij het subsidiair gedeelte van het zevende middel.

Een agent van politie, uit den aard van zijn ambt tot surveilleeren bevoegd en verplicht, is, dit doende, in de rechtmatige uitoefening zijner bediening tenzij van het tegendeel blijke.

W. v. R., oud, 50 jaren, schipper, geboren te Wijk bij Duurstede en wonende te Mijdrecht, is requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van, den 18ien JJec. 1900, voor zoover hij daarbij is veroordeeld, bij welk arrest is bevestigd, voor zoover daarvan is geappelleerd, dat is voor zoover de req. niet was vrijgesproken, het voninis door de Arrond.-Rechtba.nk te Amsterdam op 19 Oct. 1900 op tegenspraak gewezen bij hetwelk de req. is schuldig verklaard aan smaad aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening zijnor bediening aangedaan, en, met toepassing van de artt. 261, 267, 269 Strafrecht, 214 en 216 Strafvord., veroordeeld tot gevangenisstraf voor dem tijd van eene maand en hij is vrijgesproken van hetgeen hem meer of anders is tem laste gelegd dan, als bewezen. is aangenomen.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Hanlo, en do advocaat van den req. Mr. Joh. J. Belinfante de voorziening had toegelicht, heeft de adv.-gen. Jhr. Rethaan Macaré do volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare II eer en !

In deze zaak zijn niet minder dan acht middelen, vani cassatie voorgesteld, waarvan nog twee bestaan, uit een primair en een subsidiair middel.

Geen dezér middelen acht ik aannemelijk.

Het eerste middel luidt primair: Schending en verkeerde toepassing van art. 211, 246 jis. 198, 210, 221, 391, 392, 399 en 403 Strafvord.;

subsidiair schending van artt. 198, 211, 246 jis. 247, 391, 400 Strafvord.

Zoowel het primaire, als het subsidiair gestelde middel lusten op de feitelijke bewering, dat er strijd is tusschen hetgeen in het proces-verbaal der terechtzitting omtrent de door de getuigen afgelegde verklaringen is gerelateerd en hetgeen in, het vonnis als door de getuigen opgegeven is vermeld en op de rechtsgeleerde stelling, dat waar zoodanige feitelijke strijd bestaat, meer waarde is te hechten aan hetgeen in het proces^ verbaal is vermeld, dan aan hetgeen in het vonnis opgenomen is.

Ik acht zoowel deze rechtsgeleerde stelling als het feitelijk beweren ongegrond en daarom noch het primaire, noch het subsidiaire middel aannemelijk.

Ontegenzeggelijk geeft het vonnis op de door" den pleiter aangeduide plaatsen de door de getuigen afgelegde verklaringen omstandiger terug dan het proces-verbaal en vindt men dus in het vonnis bijzonderheden, die niet in het proces-verbaal der zitting opgenomen zijn, doch van een strijd tusschen den inhoud dei in het vonnis opgenomen verklaringen en die vermeld in het proces-verbaal kan ik geen spoor ontdekken.

Dat de rechter alléén en uitsluitend mag letten op hetgeen lti het proces-verbaal wordt vermeld en geen rekening mag houden met hetgeen hij zelf uit den mond der getuigen heeft opgeteekend, vind ik ner gens in de wet bepaald. Veeleer tiet tegendeel.

Volgens de tweede zinsnede van art. 198 Strafvord. heeft da griffier in het proces-ver baal slechts den z a k e 1 ij ken inhoud der verklaringen van de getuigen terug te geven, n et den woordelijken inhoud, daarentegen heeft de rechter, wil hij voldoen aan de voorschriften van art. 399 Strafvord., wel degelijk te letten op den woordelijken inhoud.

Het strookt dus m. i. geheel met de bedoeling der wet, indien in het vonnis uitgebreider en meer in bijzonderheden afdalende mededeelingen voorkomen omtrent hetgeen door de getuigen ter» overstaan van den rechter is verklaard, dan ini het proces-ver baal zijn opgenomen.

n<w]i zelfs al Icon worden aangenomen, wat ik betwist, dat

in casu de in het vonnis opgenomen getuigenverklaringen niet enkel omstandiger zijn dan, die in het proces-verbaal vermeld, doch dat er metterdaad onverzoenbare strijd bestaat tusschen hetgeen als door de getuigen verklaard in het vonnis is vermeld en dat wat dienaangaande in het proces-verbaal is aangeteekend, dan nog zou het middel afstuiten op uwe jurisprudentie, waarbij is beslist, dat bij strijd tusschen proces-verbaal en vonnis moet worden vastgehouden aan hetgeen in het vonnis of arrest voorkomt, daar het zeker is, dat dit de opvatting van den rechter teruggeeft.

Ik beroep mij te dezen aanzien op Uw arrest van 30 Xov. 1891, W. 6120.

Als tweede, derde en vierde middel wordt gesteld:

II. Schending van art. 247, jis. 169 en 198 Strafvord. door het vonnis a quo te bevestigen ofschoon a blijkens het procesverbaal der terechtzitting in eersten aanleg de beklaagde niet in de gelegenheid is gesteld, den getuigen vragen te stellen en tegen hunne verklaringen in te brengen wat tot verdediging kon strekken, b in bedoeld proces-verbaal aanteekening is gehouden vani hetgeen ter terechtzitting niet is voorgevallen, nl. de beraadslaging in raadkamer met vermelding van wie daarbij tegenwoordig was ;

III. Schending van art. 152, 154, 160 jis. 239, 240 Strafvord., doordat ter terechtzitting van het Gerechtshof na. beklaagde's opgave, dat hij is schipper, wonende te Mijdrecht, de procureurgeneraal heeft overgelegd eene lijst van getuigen, vervolgens deza getuigen zijn opgeroepen en hierna allen op last van dan president de gerechtszaal hebben verlaten en zich naar de voor hen bestemde kamer hebben begeven, eerst daarop de beklaagde is vermaand opmerkzaam te zijn op hetgeen hij zal hooren en nadat het rapport in deze zaak is uitgebracht, de eer ste getu ga binnengekomen, zijne verklaring heeft afgelegd;

IV. Schending van art. 156, 169, 171, 172, 178 jo. 239 Strafvord., doordat ter terechtzitting van het Gerechtshof op voorstel van den procureur-generaal het Hof heeft afgezien van het hooren van den gedagvaarden, en verschenen getuige N. P., zonder dat de beklaagde hiertoe toestemming heeft verleend ;

Kortheidshalve zij het mij vergund, deze drie middelen te zamen te behandelen, waartoe ik te meer aanleiding heb, omdat ze m. i. alle voortvloeien uit miskenning van een beginsel, waarvan de wetgever bij het ter neder schrijven van den vierden titel van het° Wetboek van Strafvord. is uitgegaan.

Dat beginsel is, dat er onderscheid moet gemaakt worden

tusschen de voorschriften, die de wetgever van zoo groot belang oordeelt, dat hij aan het niet in acht nemen daarvan de straf van nietigheid heeft verbonden en die voorschriften, wier naleving alleen verzekerd wordt, doordat de wet aan het Openb. Min. en aan den beklaagde bij art. 199 en 200 jo. 346 Strafvord. het recht verzekerd heeft, om indien hun belang dit medebrengt, de naleving daarvan te kunnen vorderen.

Brengt noch het belang van de verdediging, noch dat van da aanklacht de naleving mede, dan kunnen die voorschriften straffeloos buiten toepassing blijven, omdat de wetgever onderstelde, dat ze dan ook voor de betrekkelijke zaak van weinig of geein waarde zouden zijn.

Nu behooren al de voorschriften, waarvan volgens hetgeen bij het tweede, derde en vierde middel gesteld wordt, in het onderhavige geval zou zijn afgeweken tot de bepalingen waarvan de belanghebbende pairtij de naleving kan vorderen, doch aan wier niet naleving de wet geene nietigheid heeft verbonden, waarom een bloote afwijking daarvan niet tot cassatie kan leiden.

Voor zooveel betreft de niet naleving van art. 169 tweede lid, is dit uitdrukkelijk beslist bij Uwe arresten van 11 Maart 1889, W. 5691, van 6 Mei 1889 W. 5718 en van 9 Mei 1892 W. 6186.

Geen der drie middelen zooeven bedoeld acht ik daarom aannemelijk, terwijl ik wat betreft het tweede middel sub b nog opmerk, dat het mij niet duidelijk is mogen worden, hoe door de noodelooze, maar m. i. zeer onschuldige vermelding in» het proces-verbaal der terechtzitting, dat de Rechtbank in raadkamer vergaderd, daarna in tegenwoordigheid van den substituutgriffier tot beraadslaging is overgegaan, art. 198 of eenig ander artikel van het Wetboek van Strafvord. kan ziju geschonden.

Bij het vijfde middel wordt gesteld: „Schending vani art. 398 Strafvord., doordien tot het bewijs van de ten laste gelegde feiteni hebben medegewerkt de verklaringen van getuige B. : a dat beklaagde hem sedert dien tijd valschelij.k beschuldigt, dat hij bij die gelegenheid twee rijksdaalders aan beklaagde zou hebben ontstolen; b dat hij zich door die beschuldiging van beklaagde beleedigd acht en in zijn eer en góeden naam aangerand".

Heb ik den pleiter goed begrepen, dan ziet hij in deze verklaringen bijzondere meeningen of gissingen, bij redeneering opgemaakt.

Naar het mij' voorkomt ten onrechte.

In den mond van dengene, die beticht wordt is de uitdrukking, dat de tegen hem gerichte beschuldiging valsch is niet eene appreciatie, doch veeleer eene n e g a t i e, het is eene op eigen wetenschap rustende ontkenning vani de daad, die hem ten laste wordt gelegd. 1

Evenzoo is de subjectieve verklaring vani den beleedigde, waar hij als getuige; optreedt, dat hij zich door de beschuldiging beleedigd acht en, in zijn eer1 en goeden naam aangerand, het oonstateeren van een feit; die verklaring zou eerst eene bijzondere meening worden, indien ze in den objectieven vorm ware geschied en de getuige verklaard had, dat hij beleedigd ein in zijn eer en goeden naam aangerand is.

Bij de vijfde overweging van het vonnis wordt dan, ook niet op grond van de verklaring van den getuige B. aangenomani, dat de naar het hoofd van den getuige geslingerde beschuldiging diens eer en goeden naam aanrandt, maar spreekt- de rechter geheel zelfstandig dit oordeel over de bateekenis der beschuldiging uit.

Het zesde middel wordt geformuleerd als volgt: „Schending van art. 221 jis. 143, 211, 216, 223, 247 Strafvord. door bewezen te verklaren het bij dagvaarding ten laste gelegde en beklaagde's schuld daaraan, terwijl de dagvaarding eene te laste legging bevat van alternatief feitelijken inhoud, althans subsidiair feiten ten laste legt aan beklaagde'.

Er is hier m. i. geen alternatieve te laste legging, tegen den beklaagde worden niet twee feiten ingebracht met de vermelding, dat hij of het een of het andere heeft gepleegd. Er is slechts één feit ten laste gelegd en wel dat de beklaagde op 28 Juli 1900 te Uithoorn opzettelijk tegen beter wetem in de eer en goeden naam van G. B., nachtwaker eni tevens onbezoldigd agent van politie der gemeente Uithoorn en zulks met het kennelijk doel om aan zijne na te melden te laste legging ruchtbaarheid te geven, door op of aan dein openbaren weg in, de babouwde kom der gemeente, terwijl hij beklaagde met een paar rijksdaalders, althans geld rammelde, sjo luide, dat de voorbijgangers dit konden hooren, opzettelijk belcedigend voor B. voornoemd, die aldaar surveilleerde te roepen ongeveer het navolgende: ,,G. B„ ik heb er nog, nou kan je er weer twee van mij stelen, zooals je al gedaan hebt" !

Ik kan in die formuleering inderdaad! slechts de imputatie van één nauwkeurig omschreven feit zien al is het waar, dat op twee geheel ondergeschikte punten de imputatie Wiet volkomen stellig is. De dagvaarding laat immers onbeslist of de beklaagde, toen hij de beleedigön;de woorden uitte zich op of aan den openbaren weg bevond en of hij met r ij k s d a a 1 d e r s dan wel met andere geldstukken heeft gerammeld.

Konden deze omstandigheden werke'ijk eemgen invloed uitoefenen, hetzij op het karakter der aantijging, hetzrj op de daaraan te geven qualificatie, dan voorzeker ware de grief, dat de rechter omtrent deze punten geen breed gemotiveerde beslissing heeft gegeven te rechtvaardigen, thans echter meen ik, dat de nechter zich daarvan kon en mocht onthouden, immers staat in de vierde overweging te lezen, dat de rechtei de bekentenis van den beklaagde tot grondslag der schuldigverklaring neemt en uit die in de tweede overweging opgenomen bekentenis b ijkt, dat de beklaagde volgens zijne, meening de geïncrimineerde woorden heeft geuit o p den openbaren weg en dat hij met r ij k s daalders heeft gerammeld. Omtrent de beide bij het middel bedoelde punten is dus alle onzekerheid weggenomen en, er is hier niet zoodanig gemis aan eene bepaalde beslissing als die Uwen, Raad aanleiding gaf in het geval bedoeld bij het door den pleiter aangehaald arrest van, 19 Febr. 1889 W. 5681, een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam te vernietigen.

Ook het zesde middel kan dus naar mijne meening niet tot cassatie leiden.

Als zevende middel is gesteld: „Verkeerde toepassing van art. 261 Strafrecht, schending van. art. 211 jo. 143; 216, 221 Strafvord. door den beklaagde te veroordeelen wegens smaad op grond, dat de beschuldiging, dat iemand twee rijksdaalders zou hebben gestolen is ten laste legging van een bepaald feit, waarop bij

de wet zware strat is bedreigd ™ waardoor iemands eer oi goede naam wordt aangerand en door aan te nemen beklaagde's doel om ruchtbaarheid aan die beschuldiging te geven". Dit middel steunt op vier stellingen,^ en wel:

a dat de aantijging geen bepaald feit behelst;

b dat niet ten laste gelegd en ook niet bewezen is verklaard, dat de beklaagde gezegd heeft, dat twee rijksdaalders gestolen zouden zijn door B. ;

c dat de beslissing dat door de aantijging B.'s eer is aancrprnnd niet. voldoende is cremotiveerd:

d dat geenszins blijkt dat beklaagde de bedoeling heeft gehad aan de aantijging ruchtbaarheid te geven en het opzet, om langs

dien weg de eer en goeden naam van den beleedigde aan te trainden.

Het komt mij voor, dat aan al deze beweringen de feitelijke grondslag ontbreekt.

Door den rechter is aan het bewijs de bekentenis, van beklaagde ten grondslag gelegd. Blijkens de tweede overweging heeft de beklaagde bekend, dat hij ter bedoelder plaats en tijd, terwijl aldaar een aantal mensehen stonden, op luiden toon tegen den getuige B., op wien hij verbolgen was, heeft geroepen, na eerst twee rijksdaalders uit zijn zak te hebben gehaald; en die B. te hebben voorgehouden, ,,G. B. ik heb er nog, nou kan je ein weer twee van mij stelen,, zooals je al gedaan hebt".

In dit redeverband nader door gebaren toegelicht is de aantijging, dat de bepaald aangewezen persoon B. twee rijksdaalders alzoo een bepaald aangewezen som heeft gestolen ten nadeele van den beleediger, d. i. dus ook van een bepaald persoon onmiskenbaar.

Dat zoodanige telaste legging, ook al laat ze nog veel in het onzekere, in den zin der strafwet een bapaald feit oplevert, acht ik onbetwistbaar.

De woorden, zijn niet anders te verstaan, dan als de openbaarmaking van een feit door den aangewezen persoon tem nadeele van den beleediger gepleegd, en blijkens de vijfde overweging heeft de rechter in casu ook in factis beslist, dat de gebezigde woorden die bet eekenis hadden.

Die beslissing is als van feitelijken aard in cassatie onaantastbaar en het alzoo bewezen verklaarde levert in rechten een bepaald feit op.

Ik kan niet inzien, hoe kan beweerd worden, dat bij de dagvaarding iets anders is te laste gelegd; dagvaarding en schuldigverklaring dekken in dit geval elkander op dit punt volkomen.

Evenmin is mij duidelijk, hoe getwijfeld kan worden aan de bedoeling om ruchtbaarheid te geven en aan het, opzet om eer en goeden naam aan te randen, waar bekend en. bewezen is verklaard, dat beklaagde, terwijl hij verbolgen was, op den belee, digde op luiden toon in tegenwoordigheid van eein aantal personen op den openbaren weg een zóó duidelijke en vooir1 ieder verstaanbare aantijging heeft gedaan.

Ik acht dus ook dit, middel ongegrond, evenals het subsidiair daaraan toegevoegde middel, luidende: Schending' van art. 261 3° jis. 263, 267 Strafrecht, door den beklaagde te veroordeelen wegens smaad aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening zijner bediening zonder toe te laten het bewijs ^ der waarheid van het ten laste gelegde feit.

Hieromtrent kan ik volstaan met de opmerking, dat uit de stukken niet "blijkt, dat de beklaagde hetzij in eersten aanleg, hetzij in hooger beroep eenig verzoek gedaan heeft, om tot het bewijs van het aan den beleedigde ten laste gelegde feit te worden toegelaten en dat ook niet blijkt, dat hij daartoe eenige poging heeft gedaan. Terwijl van toepassing van art. 262 Strafrecht ook de rede niet kon zijn, nu de rechter uitdrukkelijk heeft beslist, dat niet bewezen is dat de beklaagde tegen beter weten in heeft gehandeld en, de beklaagde mitsdien van dat gedeelte der aanklacht beeft vrijgesproken.

Eindelijk het achtste en laatste middel genaamd: „Schending van art. 211, 221 jis. 391, 397, 398 Strafvord., verkeerde toepassing van art. 267 Strafrecht door aan te nemen, dat de smaad aan getuige B. is aangedaan gedurende diens rechtmatige uitoefening zijner bediening op grond van de omstandigheid, dat deze op het oogenblik, dat de beklaagde de geïncrimineerde woorden uitte als onbezoldigd agent van politie' surveilleerde, terwijl slechts één getuige dit verklaart, niet' blijkt daF"ïnj op dat oogenblik tot surveilleeren in zijne qualiteit bevoegd was, niet onderzocht en beslist is, of dat surveilleeren als eene rechtmatige uitoefening der bediening kon worden aangemerkt en evenmin is onderzocht, of beslist, dat de beklaagde wist, dat de beleedigde op dat tijdstip als ambtenaar fungeerde".

Teni opzichte van dit middel merk ik allereerst op dat ter terechtzitting in eersten aanleg voorlezing is gedaan van een proces-verbaal op 28 Juli 1900 op den ambtseed opgemaakt door den rijksveldwachter N. P., terwijl het vonnis aanvangt met. de vermelding, gezien het proces-verbaal van den 28sten Juli 1900 van den rijksveldwachter N. P., en dat uit dit verbaal voldingend blijkt, dat de geincrimineerde woorden geuit zijn bij' gelegenheid, dat de rijksveldwachter N. P. en de onbezoldigde politieagent B„ den beklaagde bekeurden wegens het zich in kenlijken staat van dronkenschap bevinden op den, openbaren weg.

Er kan dus redelijker wijze geen twijfel zijn, of B. was in. de rechtmatige uitoefening zijner functie — in het geding is daaraan ook geen twijfel geopperd.

Bij zijne bekentenis heeft de beklaagde ook erkend, dat hij den getuige als politieagent kende en dat de geheele aantijging betrekking heeft, op een feit, dat naar beklaagde's beweren door B. juist in zijne hoedanigheid van agent zou gepleegd zijni.

Bij dien stand van zaken, meen ik, dat het vonnis voldoende gemotiveerd is, waar het in samenhang met al het andere op de verklaring van den getuige B. als bewezen, aanneemt, dat deze in de rechtmatige uitoefening zijner bediening verkeerde, toan hem de beleedigende en smadende woorden werden toegevoegd, terwijl de feitelijke beslissing van den rechter medebrengt, dat ook dé beklaagde heeft geweten, dat de beleedigde op dat tijdstip als ambtenaar tegenover hem stond.

Geen der middelen aannemelijk achtende, heb ik alzoo de eer te concludeeren tot verwerping dezer voorziening.

De Hooge Raad enz. ;

Gelet op de middelen van cassatie, namens den req. voorge*

gesteld bij pleidooi :

I. Schending en verkeerde toepassing van de artt. 211, 246, in verband met art. 198, 210, 221, 391, 392, 399 en 403 Strafvord. ;

subsidiair: Schending van de artt.. 198, 211, 246 in verband met. art. 247 , 391 en 400 Strafvord.;

II. Schending van art. 247 in verband met de artt. 169 en 198 Strafvord. ;

III. Schending van de artt. 152, 154, 156, 160 in verband met de artt. 239, 240 Strafvord. ;

IV. Schending van de artt, 156, 169, 171, 172, 178 en 239

Strafvord. ;

V. Schending van art. 398 Strafvord. ;

VI. Schending van art. 221 in verband met de artt, 143, 211, 216, 223 en 247 Strafvord. ;

VII. Verkeerde toepassing vani art, 261 Strafrecht; en schending van de artt. 211 in verband met art. 143, 216, 221 Strafvordering ;

subsidiair: Schending van art. 261, 3° in verband met de artt. 263, 267 Strafrecht;

VIII. Schending van art. 211, 221 in verband met de artt. 391, 397, 398 Strafvord., en. verkeerde toepassing van art. 267 Strafrecht;

Gehoord den adv.-gen. Jhr. Rethaan Macaré, namens den proc.-gen., in zijne conclusie, strekkende, enz. ;

Overwegende dat. van hetgeen den beklaagde (requirant) bij de dagvaarding is telast gelegd, met zijne schuld daaraan, wettig

Sluiten