Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Woensdag, 10 Juli 1901.

N°. 7607.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

DRIE - EN - ZESTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VERITAS.

Dit Blail verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang f20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der advertentiën. 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers, Gebr. Belinfante, te 's-Gravenhage (?e Wagenstraat 100).

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n". 124).

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN".

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 17 Mei 1901.

Voorzitter, Mr. F. B. Coninck Liefstin"(ï. Raadsheeren, Mrs.: Jhr. B. c. de Jonge, Ph. van Blom, s. M. S. de Ranitz, E. W. Guljé, A. M. van Stipriaan Luïscius en

A. ïelders.

Bij het vonnis van faillietverklaring behoeft niet met zooveel woorden te zijn uitgedrukt, dat de faillietverklaarde verkeerde in een toestand, dat hij had opgehouden te betalen, als maar uit de feitelijke beslissing blijkt, zooals hier het geval is, dat het 's rechters onmiskenbare bedoeling is te beslissen, dat die toestand aanwezig ivas.

Aan den Hoogen Saad der N ederlande^,.

Geeft eerbiedig te kennen:

A. Lestrade, loodgieter, wonende te Arnhem, ten deze domicilie kiezende te 's Gravenliage aan de Spuistraat a°. 7, ten kantore va.u den advocaat bij den Hoogen Baad der Nederlanden, Mr. D. S. van Emden;

dat 1° N. J. Bouppe van der Voort, fabrikant, wonende te 's Hertogenbosch en aldaar handelende onder de firma Bouppe van der Voort & Zn. ;

2°. a C. Ophagen, zonder beroep, -wonende te Cleve, weduwe van den heer J. Th, Tijskens; b T. G. Otterlo, koperslager, wonende te Arnhem; c J. M. Smulders, wagenmeester, wonönde te Arnhem, als in algeheele gemeenschap van goederen gehuwd niet Th. Otterlo; d J. J. Teunissen, telegrambesteller, wonende ti Arnhem,; e L. Holsboer, koetsier, wonende te Arnhem, als gehuwd met W. Otterlo, zijnde da sub 2 -genosmden krachtens ontbonden huwelijksgemeenschap en testament van 6 Nov. 1897, de eenige gerechtigden tot de nalatenschap van wijlen J. Th. Tijskens; bij de Rechtbank te Arnhem een verzoekschrift hebben ingediend tot faillietverklaring van 'requestrant welk verzoek bij vennis van gemelde Bechtbank van 18 Maart 1901 is afgewezen, wordende de expeditie van dat vonnis hierbij overgelegd ;

dat voornoemde gerequestreerden bij verzoekschrift den 25stem Maart 1901 gericht aan het Gerechtshof te Arnhem van voormeld vonnis der Amond—Rechtbank zijn gekomen in hooger beroep;

dat liet Gerechtshof te Arnhem bij zijn arrest van 10 April 1901 het vonnis, door de Arrond.-Rechtbank te Arnhem den 18den Maart 1901 gewezen en waartegen het appel was gericht, heeft vernietigd en op nieuw recht doende den requestrant A. Lestrade heeft verklaard in staat van faillissement, wordende de expeditie van dat arrest hierbij overgelegd;

dat requestrant zich door dat arrest bezwaard gevoelt en daartegen bij deze eene voorziening in cassatie bij Uwen Raad instelt;

dat requestrant als middel van cassatie tegen voormeld ar,iest voorstelt:

Schending en verkeerde toepassing van art. 1 der Wet op het faillissement en der surseance van betaling, jis. de artt. 1 der W et van 6 Sept. 1895 (Stbl. 11°. 155) tot wijziging- der voornoemde wet, 1902 B W., 59, 3° B. B., 161 der Grondwet en 20 B. O., doordien het Hof met vo>nietigir.g van het vonnis der Rechtbank te Arnhem van 18 Maart 1901, den requestrant van cassatie heeft verklaard in staat van faillissement, zonder te onderzoeken, of en zonder te beslissen dat deze verkeert i n den toestand dat hij heeft opgehouden te betalen en integendeel alleen op grond dat summierlijk bleek van feiten en omstandigheden welke aantoonen, dat gerequestreerde heeft opgehouden te betalen;

Bedenen waarom requestrant zich wendt tot Uwen Raad met het eerbiedig verzoek het arrest door het Gerechtshof te Arnhem, den lOden April 1901 gewezen, en waartegen deze voorziening in cassatie is gericht, te willen vernietigen.

's Gravenliage, 16 April 1901.

Hetwelk doende enz.,

(Get.) D. S. vam Emden,

advocaat.

De Procureur-Generaal;

Gezien vorenstaand lequest en de daarbij; overgelegde stukken;

Gehoord den raadsman van den req. in zij ne toelichting van dat request ter raadkamer van 25 April 1901;

Overwegende dat wel het Hof niet uitdrukkelijk met zoovele woorden heeft uitgesproken, dat de req. verkeerde in een toestand, dat hij had opgehouden te betalen, doch dat het bezigen, van diezelfde wooiden niet gevorderd wordt, als maar uit de feitelijke beslissing blijkt, dat het 's rechters onmiskenbare bedoeling is om te beslissen dat die toestand aanwezig is, en dat dit hier het geval is, omdat het Hof zijne uitspraak doet steunen, niet alleen op de overweging, dat van al de bij request, opgenoemde schulden de opvorderbaarheid vaststaat; zoo mede dat zij niet betaald zijn, maar bovendien ook daarop, dat gerequestreerde (nu req. van cassatie) niet, tegenspreekt dat een vonnis tegen hem in kracht van gewijsde is gegaan tot betaling in hoofdsom van f9950 aan de Geldersche Oredietvereeniging te Arnhem, en hij ook daaraan niet voldaan heeft, terwijl eindelijk hij erkent in December 1900 aan den eersten requestrant te hebben geschreven, dat hij diens vordering niet kon betalen, docli

zou trachten, bij wijze van schoon, schip maken, eene minnelijke schikking met zijne crediteuren te treffen;

O. dat dus het voorgestelde middel is ongegrond;

Concludeert, onder verwijzing naar 'sRaads arrest van 15 Maart 1901 (in zake van Meerbeek en Mulder) (1), tot verwerping van het beroep.

Parket, 29 April 1901. (get.) Polis.

De Hooge Raad enz. ;

Gehoord de mondelinge toelichting van het verzoek;

Gezien de onder het verzoek geplaatste conclusie van den procureur-generaal bij den Hoogen Raad, strekkende tot enz» ;

Gezien dei bij het verzoekschrift overgelegde stukken;

Overwegende dat bij het beklaagde arrest het voormelde vonnis der Rechtbank is vernietigd en de verzoeker A. Lestrade is verklaard in staat van faillissement, niet benoeming: van Mr. P. Gratama tot recliter-commissaris en, Mr. J. Houwink tot curator;

O. dat daartegen als middel is aangevoerd : enz. (zie het middel hierboven);

O. dat hetgeen aan het slot der overwegingen over den, be«taanden toestand van den verzoeker voorkomt, pi. ,,dat uit dit alles summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden welke aantoonen, dat gerequestreerde (verzoeker in cassatie) heeft opgehouden te betalen, zoomede van het vorderingsrecht van requestranten", — wel niet met volkomen juistheid is uitgedrukt, wat art. 1 der Faill.wet in, afwijking vam de oorspronkelijke redactie, als grondslag der faillietverklaring aangeeft, te weten, dat de schuldenaar verkeert in den toestand, dat h ij heeft opgehouden t e betalen; doch dat • de op dit punt minder nauwkeurige redactie in dit geval geene vernietiging van de uitspraak ten gevo!ge kan hebben;

O. immers, met overneming der conclusie van den procureurgeneraal, dat wel het Hof niet uitdrukkelijk met zoovele woorden heeft uitgesproken dat de requestrant in een toestand verkeerde dat hij had opgehouden te betalen, doch dat liet bezigen van diezelfde woorden, niet bevorderd wordt, als maar uit de feitelijke beslissing blijkt, dat het 's rechters onmiskenbare bedoeling is om te beslissen, dat die toestand aanwezig is', en dat dit hier hefc geval is, omdat- liet Hof zijne uitspraak doet steunen, niet alleen op de overweging, dat van al de bij; irequest- opgenoemde schulden de opvorderbaarheid vaststaat, zoomede dat zij niet 'betaald zijn, maar bovendien ook daarop, dat gerequeistreerde (na requestrant van cassatie) niet tegenspreekt dat een vonnis tegen hem in kracht van gewijsde is gegaan tot betaling in hoofdsom van f9950 aan de Geldersche Oredietvereeniging te Arnhem,, en hij ook daaraan niet voldaan heeft, terwijl eindelijk hij, erkent in December 1900 aan den eersten requestramt te hebben geschreven, dat hiji diens vordering niet kon betalen, doch zou trachten bij wijze van schoon schip maken, eene minnelijke schikking- met zijne crediteuren te treffen;

O. dat dus het voorgestelde middel is ongegrond;

Verwerpt hot beroep.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 13 Mei 1901.

Voorzitter, Mr. J. J. van Meerbeke.

Raadsheeren, Mrs. : A. A. de Pinto, A. J. Clant van der

Mijll, A. P. Th. Eyssell, B. H. M. Hanlo, Jhr. S. Laman

Trip en Jhr. D. G. van Teylingen.

Met het oog op de uitlegging, in het bestreden vonnis aan de dagvaarding gegeven, ontbreekt de feitelijke grondslag der twee tegen dat vonnis aangevoerde middelen van cassatie.

Do Off. van Justitie bij de Arrond.-Rechtbank te Alkmaar, is requirant van cassatie tegen een vonnis van voormelde Rechtbank van 19 Febr. 1901, waarbij, op het door den Ambt. van tot Openb. Min. bij het Kantongerecht te Alkmaar ingesteld iQm°-r ^>e]l>el)- bet, vonnis van dat Kantongerecht van 29 Dec. 1900 is vernietigd; en het Openb. Min., met toepassing der artt. 70 mitio en 1° en 71 Strafrecht, niet-ontvankelijk is verklaard m zijne strafvordering, ingesteld tegen 1° J. G. P., oud 57 jaren, geboren te Hoorn, wonende te Alkmaar, koopman en 2°. W, I. b. oud 69 jaren, geboren en wonende te Alkmaar, koopman.

Nadat was gehoord liet verslag van, den raadsheer Jhr. van Ieylingen, heeft de adv.-gen. Jhr. Bethaan Maoaré de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Heeren!

Op 26 Juni 1898 is te Alkmaar eene door den Raad dier gemeente vastgestelde verordening in werking getreden, houdende bepalingen omtrent beperking van den eigendom in betrekking tot eirven.

Art. 3 dier verordening bepaalt: ,,Alle particuliere wegen, straten of voetpaden voor het algemeen toegankelijk of aansluitende aan openbare wegen, straten of voetpaden, welke bij het in werking treden, dezer verordening reeds, zijmaangelegd, moeten door den eigenaar, vruchtgebruiker of beheerder

(1) W. 7582.

Red.

binnen den tijd van zes maanden worden bestraat met getrokken klinkers".

De duidelijke zin van dit artikel is, dat daarbij aan de eigenaars, vruchtgebruikers of beheerders der bedoelde, op het oogenblik van het in werking treden der verordening bestaande particuliere wegen, straten of voetpaden eene verplichting wordt opgelegd en hun een termijn wordt gesteld binnen welken, zij zich van die verplichting zullen hebben te kwijten.

Laten zij dien termijn ongebruikt voorbijgaan, dan hebben zij o n h e r ir o e p e 1 ij k verzuimd aan de hun, opgelegde verplichting te voldoen en zijn zij in, overtreding.

Gaan zij later vrijwillig over tot het bestraten, der bedoelde wegen, dan kunnen zij daardoor vóórkomen,, dat B. en W. krachtens art, 180 der Gemeentewet ten hunnen koste verrichten, wat zij hadden nagelaten te doen, doch nimmer kunnen zij het feit meer ongedaan maken, dat zij; niet binnen Jen daarvoor ges t,e 1 den termij,n aan hunne verplichting hebben voldaan en zich dus blootgesteld, hebben aan toepassing op lien der straf bedreigd bij art. 8 der Verordening.

Dit artikel luidt: „Onverminderd de toepassing van art. 180 der Gemeentewet wordt elke overtreding van de artt. 1 en 3 gestraft met eene boete van ten hoogste f 25 of hechtenis van ten hoogste zes dagen".

Het art. 3 heeft dus geheel het karakter van een overgangsbepaling, waarbij eene verplichting wordt, opgelegd voor de eerste zes maanden na het in werking treden der verordening in casu dus voor het tijdvak liggende tusschen 26 Juni 1898 en 26 Dec. 1898.

Is dit juist dan is het, dunkt, me, luce clarius1, dat het verzuim waartegen art. 8 straf bedreigt, slechts op één oogenblik kon, gepleegd worden en wel op het oogenblik, waarop de gestelde termijn ten einde liep, d. i. in casu op 26 Dec. 1898 te middernacht.

Vóór dien tijd konden de betrokken eigenaars, vruchtgebruikers of beheeirders zich nog van de hun opgelegde verplichting kwijten en waren zij dus niet in verzuim.

Na dien tijd konden ze de verplichting niet meer binnen den ges telden termijn vervullen.

Waar het oogenblik, waarop het verzuim wordt gepleegd, zóó scherp kan bepaald worden, kan het bepalen van, het begin van den termijn van verjaring der hierbedoelde overtreding, zou me.i meenen, weinig moeilijkheid opleveren.

De Bechtbank te Alkmaar heeft dan ook bij het beroepen, vonnis klaarblijkelijk geen 't minste bezwaar gevonden, om waar aan haar oordeel in hooger beroep eene overtreding van art. 3 der meergemelde verordening werd onderworpen het recht, tot strafvordering vervallen te verklaren, omdat de betrekkelijke vervolging van de bedoelde op 26 Dec. 1898 gepleegde overtreding, eerst op 10 Dec. 1900 was aangevangen.

Hoewel deze m. i. zeer juiste beslissing gegeven is geheel overeenkomstig de daartoe strekkende vordering van het Openb. Min. heeft de betrokken officier van justitie niettemin gemeend in deze eene voorziening in cassatie te moeten instellen, ten einde Uw College de gelegenheid te openen na te gaan of ten deze art. 71 Strafrecht wei met juistheid is toegepast.

Ik meen te mogen betwijfelen, of zoodanig gebruik van liet middel van cassatie wel strookt met geest en bedoeling onzer wet; wie zich zijne vordering ten volle heeft zien toewijzen, heeft geen belang, en daarom, ook geen recht meer zijne tegenparty, nog eens in rechten te roepen, ten einde nog eens door een hooger College te hooren beslissen, wat de lagere rechter reeds voor recht erkend heeft.

Voor hem die zijn proces' gewonnen heeft, moge zulk eene nadere bevestiging van het goed recht zijner meening wetenschappelijke waarde hebben, practische waarde heeft ze voor hem niet, omdat hij. daarbij; niet meer verkrijgen kan, dan hij reeds heeft verkregen.

Hét „point d'interêt, point d'action" behoorde hier dus ook te gelden en ik houd mij overtuigd dat, indien de wetgever bad voorzien, dat men zulk een gebruik van het middel van cassatie zou. maken, hij Uwen Raad het recht zoude gegeven hebben eene dergelijke voorziening niet ontvankelijk te verklaren.

Nu zoodanig voorschrift vooralsnog in de wet ontbreekt, blijft mij niet anders over dan te concludeeren tot verwerping dezer voorziening.

De Hooge Baad enz. ;

Gelet op de middelen van cassatie, door den req. voorgesteld bij memorie:

1°. Schending door verkeerde toepassing van de artt. 70 aanhef en sub 1° en 71 Strafrecht;

2°. Schending door niet-toepassing van de artt. 3 en 8 deite Alkmaar geldende verordening, houdende bepalingen omtrent beperking van den eigendom in betrekking tot erven, vastgesteld 1 Juni 1898, laatstelijk gewijzigd' op 26 Oct. 1898;

Gehoord den adv.-gen. Jhr. Bethaan Macaré, namens den proc.-gen., in zijne conclusie, strekkende, enz. ;

Overwegende dat gerequireerden hebben terechtgestaan, ter zake dat zij, de eerste als medeëigenaar, de tweede in zijne hoedanigheid van bestuurders der te, Alkmaar gevestigde naamloo>ze vennootschap ..Woningmaatschappij Alkmaar", zijnde mede-eigenave s in den eigendom van; de te Alkmaar aan een openbaren weg aansluitende particuliere straat, genaamd'. Tuinstraat, op 27 Sept, 1900 nog steeds in gebreke waren die straat, welke; op 26 Juni 1898 reeds was aangelegd, te bestraten met getrokken klinkers ;

dat, nadat de eerste gerequireerde door den kantonrechter te Alkmaar van het liein bij dagvaarding ten laste gelegde was vrijgesproken en de tweede daaraan was schuldig verklaard en na te noemen bepalingen dei Verord. van de gemeente Alkmaar

Sluiten