Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 15 Juli 1901.

N°. 7609.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

DRIE - EN - ZESTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VERITAS.

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der advertentièn, 20 cents per regel. — Bijdragenbrieven, enz., franco aan de Uitgevers, Gebr. Beliisfante, te 's-Gravenhage (2e Wagenstraat 100).

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

ÏÏOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 13 Mei 1901.

Voorzitter, Mr. J. J. vast Meerbeke.

Raadsheeren, Mrs. : A. A. de Pinto, A. J. Clant van der

Mijll, A. P. Th. Eïssell, B. H. M. Hanlo, Jhr. S. Laman

Trip en Jhr. D. G. van Teylingen.

Eet verbod van art. 39 der algemeene politieverordening van Amsterdam van „schreeuwen of tieren op den openbaren weg" geldt niet een luidkeels roepen door de colporteurs ter aankondiging van door hen gevent wordende pamfletten, maar alleen een voor de aankondiging geheel onnoodig schreeuwen of tieren.

1°. S. J. M., oud 26 jaar, geboren te Stadskanaal en 2°. C. E., oud 30 jaar, geboren te Amsterdam, beiden wonende aldaar, colporteurs, zijn requiranten van cassatie tegen een vonnis van den kantonrechter in het Eerste kanton van het arrondissement Amsterdam van 21 Eebr. 1901, waarbij zij, met toepassing der artt. 39 en 113 der Alg. Pol. Verord. van Amsterdam 89 214, 252, 253 Stiafvord., 23 Strafrecht, 24 en 28 der Wet van 15 April 1886 (Stbl. n°. 64), zijn schuldig- verklaard aan: „het te Amsterdam op den openbaren weg schreeuwen", en te dier zake zijn -veroordeeld tot betaling van. eeme "eldboete van f 1 voor ieder en vervangende hechtenis van één dag.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Hanlo, heeft de adv.-gen. Jhr. Rethaan Macaré de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Heerenl

Van de zijde van requiranten zijn in deze geene middelen van cassatie voorgesteld.

Ambtshalve meen ik echter aan uw oordeel het navolgende middel te moeten onderwerpen.

Schending, door verkeerde toepassing van art. 39 der Alg. Pol. Verord. voor de gemeente Amsterdam dd. 5 Pebr. 1897.

Het geldt hier de beteekenis, die aan het woord ,,schreeuw e n" "voorkomende in art. 39 der Amsterdamsche algemeene Pol. Verord. moet worden gegeven.

De kantonrechter tegen wiens vonnis deze voorziening is gericht neemt dit woord blijkbaar in den meest wijden en absoluten zin op. Elk schreeuwen is, begrijp ik zijne uitspraak wel, volgens hem op de openbare straat te Amsterdam verboden.

Daarom acht ZEA. de verdediging van beklaagden dat zij ge^ colporteerd ein slechts tot aankondiging hunner waar luide geroepen, hebben, voldoende wederlegd door de verklaring van den verbalisant, dat beklaagden luidkeels geroepen hebben.

Het komt mij voor, dat de kantonrechter hier aan het woord „schreeuwen" vain art. 39 een veel te ruime beteekenis geeft.

Niet alleen, omdat het kwalijk aannemelijk is, dat dei Amsterdamsche gemeentewetgever een zóó absoluut verbod zou. hebben willen uitvaardigen, waardoor het zelfs den koetsier verboden zou zijn, den in gevaar verkeerenden, voetganger te waarschuwen, maar vooral omdat zóówel de redactie van art. 39 zelve, als hetgeen in andere artikelen derzeifde verordening voorkomt, dwingen tot een meer beperkende uitlegging.

XJit de redactie van het artikel blijkt, dat het woord

schreeuwen." daarin voorkomt te midden van eene opsomming van allerlei kleine ongerechtigheden, die gemeenlijk door de dartele jeugd op straat worden gepleegd, als daar zy n vechta-n, tieren, met pijlen schieten, met. steenen werpen, klimmen in boomen of palen, klauteren op hekken, muren, afsluitingen of

rijtuigen. . , .

Altemaal handelingen, die de jeugd verricht zonder eenig ander doel dan om zich eene wijle te vermeien door krachtsinspanning of door het geven van proeven van lenigheid oi benendigheid. Met dergelijke op den openbaren weg hinderlijke handelingen is nu wel gelijk te stellen het doelloos en zonder noodzaak schreeuwen en gillen, doch niet het luid geroep door velnters aangeheven met het doel koopers tot zich te trekken.

Dat schreeuwen kan de wetgever niet bij, art. 39 op het oog gehad hebben, gelijk m. i. blijkt zoowel uit de omstandigheid, dat de wetgever in art. 39 het „schreeuwen" nader ontschrijft door daaraan toe te voegen „of te tieren", waaruit volgt, dat het hier verboden schreeuwen het karakter van „tieren" dat is van doelloos en noodeloos geraas maken moet hebben, als uit het feit, dat de gemeentewetgever het venten bij de artt. 44, 45, 46 ein 46* der Verordening geregeld en aan zekere voorschriften heeft gebonden.

Die deze bepalingen in acht neemt, mag in de gemeente Amsterdam „venten .

Venten nu laat zich schier niet denken zonder „geschreeuw'.

De koopman, die visch, groenten, aardappelen, fruit, snuisterijen of wat ook, aan den man wil brengen, kondigt het feit, dat hij die voorwerpen voor billijken prijs te koop aanbiedt, luidkeels aan en moet daarbij zijne stern tot de uiterste grenzen uitzetten, omdat hij niet enkel het straatgewoel heeft te overschreeuwen, doch ook de aandacht heeft te trekken van

de zich in huis bevindende bewoners en bewoonsters der straat, waaronder hij zijne afnemers hoopt te vinden.

Een venter het schreeuwen te verbieden, staat daarom gelijk met een verbod tot uitoefening van zijn bedrijf.

Dat kan de Amsterdamsche wetgever niet bedoeld hebbsn en op dien grond meen ik, dat eene interpretatie van art. 39, die daartoe leidt, niet als juist door TJ kan erkend worden.

Mitsdien heb ik de eer te concludeeren, dat het Uwem Raad moge behagen, het vonnis van den kantonrechter te vernietigen wegens verkeerde toepassing van art. 39 der Alg. Pol. Verord. der gemeente Amsterdam en recht doende ten principale uit krachte van art, 105 R. O. de beklaagden alsnog te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De Hooge Raad enz.;

Gehoord den adv.-gen. Jhr. Rethaan Macaré, namens den proc.-gen., in zijne conclusie, strekkende, enz.;

Overwegende dat, noch bij de aan teek ening van het beroep, noch naderhand, door of van wege de requiranten eenige gronden voor dat beroep zijn aangevoerd;

O. ambtshalve, dat aan de requiranten bij de dagvaarding is telast gelegd, dat. zij1 op 12 Dec. 1900 te Amsterdam, op den openbaren weg in de Kleine Kattenburgerstraat hebben geschreeuwd ;

dat de kantonrechter het aan de nequiranten telast gelegde en hunne schuld daaraan bewezen heeft verklaard en gequalificeerd als in het hoofd van dit arrest is gezegd;

dat deze bewezenverklaring berust op de overweging: dat een door den agent van politie G. v. d. L. op den ambtseed' opgemaakt, ter terechtzitting voorgelezen proces-verbaal inhoudt: „dat de verbalisant heeft gezien en waargenomen, dat op tijd en plaats als bij dagvaarding vermeld, twee personen met pamfletten liepen te venten en den inhoud „ontmaskering van den pandjesbaas uit de O. P. buurt te Mookum" luidkeels uitschreeuwden, ; dat de bedoelde personen den ver balisant opgaven genaamd te zijn, S. J. M. en C. E,", en op de overweging „dat, de beklaagden het ten laste gelegde feit hebben ontkend, bewerende gecolporteerd en tot aankondiging geroepen, maar' niet geschreeuwd te hebben; dat de verbalisant, ter terechtzitting onder eede als getuige gehoord, heeft verklaard (dat) de beklaagden luidkeels geroepen hebben" ;

O. dat uit die motiveering niet is op te maken of, naar het oordeel van den kantonrechter, het door hem als bewezen aangenomen, in de dagvaarding telast gelegde, „schreeuwen" heeft bestaan in een luidkeels roepen door de colporteurs ter aankondiging der door hen gevent wordende pamfletten, dan wel in een voor de aankondiging geheel onnoodig schreeuwen of tieren ;

O. dat noodig is, dat te dien aanzien de feitelijke beslissing duidelijk zij, daar alleen, in het laatste geval art. 39 der toegepaste Verord., door zijn verbod van „schreeuwen of tieren, op den openbaren weg" te recht zou zijn toegepast, terwijl er in het eerste geval geen strafbaar feit zou bestaan ;

O. dat onder die omstandigheden onmogelijk is te beoordeeden of op het feit, zooals het bewezen is verklaard, voornoemd art. 39 al of niet te recht is toegepast;

O. dat mitsdien het bestreden vonnis niet behoorlijk met redenen is omkleed en daardoor zijn geschonden de artt. 211, 221, 253 Strafvord., in verband, met art. 39 der meergenoemde Verordening ;

Vernietigt het vonnis door den rechter in het Eerste Kanton van het arrondissement Amsterdam op 21 Eebr. jl. in deze zaak gewezen;

En, krachtens art. 106 R. O. :

Verwijst de zaak naar de .Arrond.-Rechtbank te Amsterdam, ten einde op de bestaande dagvaarding op nieuw te worden berecht en afgedaan.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE 's GRAVENHAGE.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 3 Juni 1901.

Voorzitter, Mr. J. Spoor.

Raadsheeren, Mrs.: J. B. J. N. Ridder de van der Schueren, W. .1. Karsten, H. van Manen en A. van Laer.

Bij geene enkele wetsbepaling is de vordering tot betaling tegen den acceptant of den onderteekenaar van het orderbiljet van het protest afhankelijk gesteld.

Mitsdien kan de houder van een wisselbrief of orderbiljet ook den avalist aanspreken zonder dat het noodig is dat de wissel of het orderbiljet van non-betaling is geprotesteerd. — Anders Rechtbank.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE >s GRAVENHAGE.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 3 April 1901.

Voorzitter, Mr. A. e. Croockewit.

Rechters, Mis.: Jhr. W. H. de SIavornin Lohman en Jhr. R. 0. van llolïhk tot echten.

De Naaml. Venn. van koophandel „de Zuid-Hollandsche Ctedietvereeniging", gevestigd en kantoor houdende te 's Gravenhage, eischeresse, procureur Mr. J. van Praag,

tegen

1° P. v. d. K. en 2° J. L. K„ beiden wonende te 's Gravenhage, gedaagden, niet compareerende.

De Rechtbank enz.;

Gehoord de eischeres;

Gezien de stukken;

Overwegende dat de eischeres de gedaagde heeft doen dagvaarden, omj zich te hooren veroordeelen tot betaling hoofdelijk aan eischeres van f 2400, met Tenten ad 2 pCt. boven het disconto der Nederlandsche Bank sedert den 15den Maart 1901, tot de voldoening cum expensis, op grond dat zij is houdster van, een orderbrief, luidende: 's Gravenhage, den 15den Dec. 1900. Goed voor f 2400. Drie maanden na. dato neem ik aan te betalen aan de order van de Zuid-Hollandsche Credietveieenigmg te 'sGravenhage de somma van f 2400, waarde ten behoeve van mijn handel naar genoegen genoten ;

„Goed voor f2400 tget.) J. Th. M. O.", staande ter zijde: „Voor aval" (geteekend) P. v. d, K.", „Voor aval" (geteekend) „J. L. K."

dat deze orderbrief noch ten vervaldage, noch daarna aan eischeres is betaald;

dat krachtens tusschen de eischeres en O. voornoemd, daaromtrent aangegane overeenkomst de acceptant (O.) wordt geacht bij wanbetaling van de door hem ten behoeve van eischeres onderteekende orderbriefjes in verzuim te zijn door het enkel verloop van den vervaldag ook zonder protest of ingebrekestelling en van af dien vervaldag ook zonder protest of ingebreke stelling aan de eischende vennootschap over het bedrag van de vervallen orderbriefjes verschuldigd is eene rente, gelijk staande aan het disconto van de Nederlandsche Bank, verhoogd met 2 pCt. ;

dat de beide gedaagden hoofdelijk en ieder voor het geheel voor de betaling van dien orderbrief met renten jegens eischeres aansprakelijk zijn, wordende zij gesommeerd hun schrift en liandteekening op den orderbrief te erkennen of te ontkennen;

O. dat ten dienende dage tegen de niet verschenen gedaagden is verleend verstek en door de eischeres is geconcludeerd overeenkomstig de dagvaarding ;

In rechte:

O. dat do ingestelde vordering aan de Rechtbank ongegrond voorkomt;

dat immers de vordering is gegrond op voor aval teekenen van een orderbiljet door de gedaagde;

dat avalisten niet verder gehouden zijn dan de endossanten van een orderbiljet;

dat nu endossanten niet aansprakelijk zijn voor de betaling van een orderbiljet, tenzij de houder aan zijne verplichting tot tijdig protesteeren hebbe voldaan;

dat nu hier door eischeres wordt gesteld, dat geen protest is gedaan op grond van eene overeenkomst met den, acceptant daaromtrent gesloten, maar deze overeenkomst, waar niet wordt gesteld dat de gedaagden, avalisten van het orderbiljet, daartoe zijn toegetreden, de gedaagden niet aangaat;

O. dat alzoo de eischeres uit de door haar gestelde feiten geen vorderingsrecht tegen de gedaagden kan ontlednen en in hare vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard ;

Recht doende bij verstek:

Verklaart de eischeres n,iet-ontvankelijk in hare vordering; Verwijst haar in de kosten van het, geding, tot aan deze uitspraak aan zijde van de gedaagden begroot op nihil.

Het Hof enz.;

Gehoord de appellante i'n hare conclusie;

Gezien de stukken, voor zooveel noodig geregistreerd;

Ten aanzien der daadzaken en in eersten aanleg gevoerde procedure;

Overwegende dat liet Hof zich gedraagt aan en overneemt de daartoe betrekkelijke overwegingen, voorkomende in het vonnis door de Arrond.-Rechtbank te 's Gravenhage den 3den April 1901 tusschen partijen gewezen, waarvan het dictum luidt: enz.;

O. dat de oorspronkelijk eischeres, nu appellalnte, van dat vonnis1 is gekomen in hooger beroep en, de oorspronkelijk gedaagden, nu geintimeerden heeft gedagvaard ter terechtzitting van het Hof van 6 Mei 1901;

O. dat de geintimeerden als toen, niet in rechten zijn verschenen en tegen hen verstek is verleend, waarop de appellante heeft geconcludeerd gelijk aan het slot barer schriftuur in hooiger beroep, waarbij zij hare bezwaren tegen het aangehaalde vonnis heeft uiteengezet, vermeld staat;

In rechten:

O. dat de appellante als grief tegen het vonnis- a quo heeft aangevoerd, dat daarbij ten onrechte is aangelnom©n dat avalisten niet voor de betaling van een orderbiljet aansprakelijk zijn, tenzij de houder aan zijne verplichting tot tijdig protesteere'n hebbe voldaan;

O. dat het Hof die grief gegrond acht;

O. toch dat de artt. 119 en 144 W. v. K. uitdrukkelijk voorschrijven, dat hij, die een wissel geaccepteerd heeft, tot betaling verplicht is en de houder het recht heeft die betaling van hem te vorderen, terwijl ook uit ajrt. 201 W. v. K. volgt, dat het recht van den houder om van den acceptant de betaling te vorderen, onafhankelijk is van het protest;

O. dat evenzoo de ondeiteekenaar van een orderbiljet, die zich

Sluiten