Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-Maandag, 26 Augustus 1901. ^ 7627.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

DRIE - EN - ZESTIGSTE JAARGANG. JUS ET VERITAS.

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang f '20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. Prijs dei advertentiên, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers, Gebr. Belinfante, te 's-Gravenhage (Ie Wagenstraat 100).

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n". l&A).

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 24 Juni 1901.

Voorzitter, Mr. J. J. van Meruheke.

Raadsheeren, Mrs. : A. A. de Pinto, A. J. Glant van der Mijll, A. P. Th. Eyssell, B. H. M. Hanlo, Jlir. S. Laman Tmp en Jhr. D. G. van Teyeingen.

Of in zekere .gemeenten een locaal voor het verblijf van aangehoudenen bestemd is, kan een politieambtenaar, als zoodanig werkzaam in die gemeente, even goed, uit eigen waarneming ais dat de aangehoudene de orde op

den opmbaren weg en alzoo de openbare orde verstoorde.

Waar de aanhouding zelve van een persoon, op heeter daad betrapt wegens het plegen van een strafbaar feit (hier openbare dronkenschap), steun vindt in de wet, is gewelddadig verzet tegen die aanhouding door een daartoe bevoegd ambtenaar strafbaar als wederspannigheid, onverschillig met welke bedoeling de aanhouding heeft plaats gehad, indien althans van eene met de wet strijdende bedoeling niet is gebleken door eenige uiterlijke daad na de aanhouding en vóór het daartegen gerichte verzet.

W. v. R., volgens zijne opgave oud 51 jaren, geboren te Wijk bij Duurstede, wonende te Mijdrecht, is requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's Gravenhage van den 4den April 1901, waarbij, met toepassing van de artt. 180 Strafrecht, 194, 212 en 267 Strafvord., is vernietigd, zoo het arrest bij verstek den 17den Jan. bevorens door het Hof in deze zaak gewezen, ais" liet vonnis, den odeu Jan. 1900 in eersten aanleg door de Arrond.-Rechtbank te Amsterdam daarin gewezen en, op nieuw daarin recht doende in hooger beroep, de req. is schuldig verklaard aan wederspannigheid en te dier zake veroordeeld tot gevangenisstraf voor den tijd van 45 dagen.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Eijssell, en de advocaat van den req., Mr. J. J. Belinfante, de voorziening had toegelicht, heeft de adv.-gen. Noyon de volgende con. clusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Heeren!

Dezen req. is bij oorspronkelijke dagvaarding te last gelegd dat hij zich verzet heeft tegen eenen rijksveldwachter, die- hem, omdat hij zich in kemielijken staat van dronkenschap op den openbaren weg bevond, ter overbrenging naar het arrestantenlokaal had. aangehouden en vastgegrepen, en zulks door ter verijdeling of bemoeielijking zijner overbrenging op den grond te gaan liggen, dezen beambte te schoppen en te krabben en aan hem te rukken en te trekken.

In het arrest waarvan beroep, heeft het Hof aan de dagvaarding deze uitlegging gegeven: „dat de aanhouding en het vastgrijpen van den beklaagde geschiedde omdat beklaagde zich op den openbaren weg in kennelijken staat van dronkenschap bevond met. het doel den beklaagde naar het arrestantenlokaal te brengen, en dat de beklaagde na aangehouden en vastgegrepen te zijn zich opzettelijk met geweld tegen den rijksveldwachter heeft verzet op de bij de dagvaarding omschreven wijze met het doel zijne overbrenging te verijdelen of te bemoeielijken"

Op deze feitelijke beslissing stuit al aanstonds het tweede der ' vijf bij pleidooi voorgestelde cassatiemiddelen af; dat luidtSchending van de artt. 267, 239 jo. 216 Strafvord!, in verband met de artt. 211 en 221 van dat Wetboek.

Volgens de toelichting berust het middel hierop dat de req. veroordeeld is wegens verzet tegen de aanhouding en de overbrenging ofschoon hij zich eerst verzet heeft na aangehouden f - zijn, en dus het verzet gericht was tegen de overbrenging, waaraan hij ook alleen is schuldig verklaard.

In de eerste plaats wordt niet veroordeeld wegens verzet egen eene handeling maar wegens verzet tegen eenen liandelen'lmvpn %ai' naar aanïeiding van diens werkzaamheid; daarenhi.nién Lanueel' de niet is schuldig verklaard aan meer dan l,.weren kafwiTv ^el dagvaarding ligt begrijp ik niet hoe men XfeitebikfWeg6US ^ veroordeeld zou zijn. , I Jjji essi"g van de dagvaarding gaf ook aanleiding tot het stellen van het eerste en het derde middel: Verkeerde toepassing van art^ 180 Strafrecht, art. 41 Strafvord., schending van art. 157 der Grondwet m verband met art. 282 Strafrecht! en schending van art, 267 239, 211 en 221 jo. 41 Strafvord. Zij berusten beide hierop, dat de rijksveldwachter den req heeft aangehouden en overgebracht met als op heeter daad betrapt op eeii strafbaar feit naar eenen officier of hulpofficier van justitie, maar- op grond van stoornis der openbare orde naar een arrestantenlokaal.

Wel heeft nu de Hooge Raad uitgemaakt dat, wanneer de aanhouding op zich zelve gewettigd wordt door den staat van overtreding waarin de aangehoudene zich bevindt, het er niet toe doet of door den ambtenaar daarna is gehandeld overeenkomstig de wet, noch zelfs of hij de bedoeling had zóó te handelen; maar bij pleidooi is betoogd dat de Hooge. Raad hiermede niet meer heeft beslist dan dat, wanneer niet blijkt van eene niet

met de bij de wet gegevene bevoegdheid strookende bedoeling van den ambtenaar, het er voor gehouden moet worden dat hij geene onwettige bedoeling had, terwijl hier juist is uitgemaakt dat er werd aangehouden ter overbrenging naar een arrestantenlokaal en in het belang der openbare orde, dus buiten de bevoegdheid der politie.

De beslissingen passen echter volkomen op de thans vaststaande feiten; ik haal ten bewijze hiervan slechts uit het laatste der bedoelde arresten (24 Juni 1895, W. 6617) de betrokkene overweging aan; zij luidt: „dat nu wel bij het middel wordt aangevoerd dat blijkens de feitelijke beslissing de aanhouding was gedaan niet om den req. voor den officier van justitie of een der hulpofficieren te brengen maar om hem in het belang der openbare orde in bewaring te stellen, doch dat, nu deze bedoeling zich door geene enkele handeling buiten de aanhouding gelegen blijkt te hebben geopenbaard en de aanhouding zelve steun vond in de wet, het daartegen gericht verzet terecht is beschouwd als te zijn gepleegd tegen een ambtenaar in de rechtmatige uitoefening zijner bediening".

Ook hier hebben we eene feitelijke beslissing omtrent het doel de.' aanhouding, niets omtrent openbaring van dat doel buiten de aanhouding zelve, en een toestand die op zich zelf eene aanhouding wettigde.

De blijkens de toelichting in het derde middel belichaamde eisch van onderzoek of de aanhouding in verband met bedoeling tot opsluiten in het belang der openbare orde gerechtvaardigd was, vindt in de jurisprudentie dan ook geenen steun.

Hetzelfde is het geval met het vierde middel: Schending van de artt. 267, 239, 246, 247, 198, 211 en 221 Strafvord. in verband met art. 177 van dat wetboek, art. 3 sub e van het Kon. Besluit van 11 Nov. 1856 (Stbl. n°. 114) houdende bepalingen omtrent de dienst der rijksveldwachters. Al die artikelen zouden geschonden kunnen zijn indien de ambtenaar in casu geacht was lil de rechtmatige uitoefening zijner bediening te zijn op grond dat hij iemand opsloot in het belang der openbare orde; maar hij was het omdat hij, toen verzet tegen hem gepleegd werd, feitelijk niet verder was gegaan dan art. 41 Strafvord. hem veroorloofde; eenig onderzoek naai- den wettelijken grondslag van optreden in het belang der openbare orde was dus overtollig.

Als vijfde middel is voorgesteld: Schending van de artt. 267, 247, 239, 398 Strafvord. Dit middel berust blijkens de toelichting in de eerste plaats hierop dat voor de bewijsvoering is gebruik gemaakt van de bij proces-verbaal gedane verklaring dat de gearresteerde is overgebracht naar het daarvoor bestemde lokaal en hij zich daartegen verzette, waardoor de verbalisant verklaring zou hebben afgelegd over iets anders dan door hem zeiven waargenomene feiten. Wat de eerste uitdrukking betreft is het proces-verbaal niet zeer zorgvuldig geredigeerd, maar de bedoeling is duidelijk: de verbalisant spreekt van het in de gemeente bestaande arrestantenlokaal; dat er zulk een lokaal is kan een politiebeambte uit eigene ervaring mededeelen. Eu dat de req. zich tegen de aanhouding en overbrenging verzette is eveneens een waarneembaar feit; hier wordt niet eene door den Hoogen Raad gemaakte verklaring omtrent de bedoeling van den aangehoudene afgelegd, maar een relaas gegeven van feiten welker beteekenis zonder op redeneering gebouwde meening of gissing aanstonds in het oog springt.

In de tweede plaats betreft het middel de door den verbalisant als getuige nader gedane opgave dat hij zag dat de req. de openbare, orde verstoorde en deze door hem is aangegrepen ter verwijdering van den openbaren weg in het belang der openbare orde. Men wil hieruit afleiden dat de getuige geheel buiten zijne bevoegdheid een oordeel over het rechtsbegrip van openbare orde uitspreekt. Maar het is duidelijk dat hij hier spreekt van de orde op straat, verstoord door den req. die in dronkenschap de voorbijgangers lastig viel. ..

Vermits al de voorgestelde middelen nuj ongegrond voorkomen, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Hooge Raad enz. ; ,

Gelet op de middelen van cassatie, namens den req. voorgeel'1 Verkeerde"toepassing van art. 180 Strafrecht, art. 41 Strafvord., schending van art. 157 der Grondwet in verband met art. 282 Strafrecht, door te beslissen, dat de rijksveldwachter JN. R. was in de rechtmatige uitoefening zijner bediening toen lnj beklaagde, omdat deze zich op den openbaren weg te Uithoorn in kennelijken staat van dronkenschap bevond, aanhield en vastgreep met het doel den beklaagde naar het arrestantenlokaal te brengen en dat beklaagde zich schuldig maakte aan wedespannigheid, door zich tegen dien veldwachter te verzetten met het doel zijne overbrenging naar het ar r e sta n ten lokaal te verijdelen of te bemoeilijken, terwijl blijkens het bestreden arrest beklaagde wist., dat de veldwachter liem aangreep om hem in dit op 150 meters verwijderd lokaal te brengen, in welk arrestantenlokaal beklaagde ondanks zijn verzet ten slotte is gebracht ;

XI. Schending van de artt. 267, 239 in verband met art. 216 Strafvord. in verband met de artt. 211 en 221 van dat wetboek, door den beklaagde niet enkel te veroordeelen wegens verzet tegen de overbrenging, doch tevens wegens verzet tegen de a a n li o u d i n g, welk laatste verzet, zoo het al gepleegd moge zijn naar de meening van het Hof, evenwel blijkens 'sHofs in cassatie onaantastbare uitlegging der dagvaarding geenszins aan beklaagde was ten laste gelegd daar immers, blijkens de in het arrest expressis verbis opgenomen uitlegging der dagvaarding door liet Hof, beklaagde n a aangehouden en vastgegrepen te zijn zich opzettelijk met geweld tegen den ,,rijksveldwachter" P. heeft verzet op de bij dagvaarding omschreven wijze, met li et doel zjjne overbrenging te ver ij delen of

te „bemoeilijken" en beklaagde alleen aan die feiten is schuldig verklaard; . ,

III. Schending van art. 267, 239, 211 en 221, m verband met art. 41 Strafvord., door te overwegen, dat eene aanhouding, geschiedende op een oogenblik, dat beklaagde was in overtreding van art. 453 Strafrecht, reeds wordt gerechtvaardigd door art. 41 Strafvord., zonder te onderzoeken of een zoodanige aanhouding door dat artikel ook dan wordt gerechtvaardigd, wanneer zij, als in casu, niet geschiedt om bij ontdekking op heet-erdaad den verdachte ter constateering van het gepleegde straf bare feiten zoo noodig tot voorloopige aanhouding te brengen voor een officier of hulpofficier van justitie, doch om hem in een arrestantenlokaal op te sluiten, zijnde de aanhouding èn blijkens 's Hofs uitlegging der dagvaarding èn blijkens de verklaringen van P. èn blijkens liet verder voorgevallene daartoe geschied, terwijl door het Hof geenszins is overwogen of deze inbreuk op ae bepaling va-n art. 41 Strafvord. kon worden gerechtvaardigd door het beroep van den rijksveldwachter N. P. op „het belang der openbare orde";

IV. Schending van de artt. 267, 239, 246, 247, 198, 211 en 221 Strafvord., in verband met art. 177 van dat wetboek, art. 3 sub e van het Kon. Besluit van 11 Nov. 1856 (Stbl. ii°. 114) houdende bepalingen omtrent den dienst der rijksveldwachters, en de artt. 134, 135, 190 en 191 der Gemeentewet, doordien, ofscfioon ter terechtzitting geenerlei instructie of verordening is medegedeeld, waaruit kan volgen, dat een rijksveldwachter in de gemeente Uithoorn bevoegd is in het belang der openbare orde personen, die zich op den openbaren weg aldaar in kennelijken staat van dronkenschap bevinden in het arrestantenlokaal aldaar op te sluiten, en het dan ook geenszins vaststaat of een dergelijke bevoegdheid bij verordening of instructie aan den rijksveldwachter aldaar is verleend, bij het bestreden arrest die bevoegdheid stilzwijgend schijnt te zijn aangenomen;

V. Schending van de artt. 267, 247, 239, 398 Strafvord., door als wettig bewijsmiddel aan te nemen:

ai de verklaring van X. P. in diens proces-verbaal: 1°. dat de beklaagde door hem verbalisant werd aangehouden en overgebracht naar het daarvoor bestemde lokaal;

2°. dat beklaagde zich daartegen verzette;

b de. verklaring van voornoemden P. als getuige: 1°. dat hij zag, dat beklaagde de openbare orde v e r s t o o r d e, dooiden burgers en voorbijgangers lastig te vallen; 2°. dat hij den beklaagde heeft aangevat en aangehouden, ten einde hem in het belang der openbare orde van den openbaren weg te verwijderen;

Gehoord den adv.-gen. Noyon, na-mens den proc.-gen., in zijne conclusie, strekkende tot enz.;

Overwegende dat, blijkens het bestreden arrest, de req. heeft terechtgestaan ter zake: „dat hij op 25 Oct. 1899 te Uithoorn op den openbaren weg opzettelijk met geweld zich heeft verzet, tegen den aldaar surveilleerenden rijksveldwachter N. P., wiens qualiteit hem bekend was, die hem beklaagde, omdat hij zich alstoen aldaar in kennelijken staat van dronkenschap op den openbaren weg bevond, ter overbrenging naar liet arrestantenlokaal had aangehouden en vastgegrepen, en zulks door ter verijdeling of bemoeilijking zijner overbrenging op den grond te gaan liggen, dezen beambte te schoppen en te krabben en aan dezen te rukken en te trekken";

dat deze telastlegging door het Hof bewezen is verklaard op grond van den in het arrest opgenomen inhoud van een door voormelden beambte op den ambtseed opgemaakt proces-verbaal en van diens verklaringen als getuige onder eede voor het Hof afgelegd, een en ander in onderling verband en samenhang genomen ;

dat in dit verbaal onder andere voorkomt, dat de req. door P. werd aangehouden en overgebracht naar liet daarvoor bestemde lokaal; dat beklaagde zich daartegen verzette, hetgeen volgens het vijfde cassatiemiddel sub a en de daaraan gegeven toelichting zou opleveren een onwettig bewijsmiddel, om¬

dat noch de Destemmmg van ten lOKaai, noen ae Deaoenng van eene handeling vatbaar zijn voor reclitstreeksche waarneming en dus slechts opgaven van meeningen des verbalisant.» behelzen;

O. hieromtrent, dat een politie-ambtenaar door eigen waarneming zeer goed kan weten, dat in de gemeente, alwaar hij zijnen werkkring vervult, een bepaald lokaal doorgaans wordt, gebezigd tot plaats, alwaar aangehouden personen in arrest worden gesteld en dientengevolge heeft, verkregen de eigenschap van bestemd te zijn tot arrestantenlokaal; dat dan ook kennelijk de desbetreffende woorden van het proces-verbaal in dien zin door liet Hof opgevat zijn; dat eveneens voor zintuigelijke waarneming vatbaar is, waartegen daden van verzet zich richten en dus voorschreven beweringen zijn ongegrond;

O. ten aanzien vair onderdeel b van het vijfde, middel: dat de daarin vermelde uitingen van P. als getuige, blijkens de mondelinge toelichting, het karakter van getuigenverklaring zouden missen, omdat voornoemde beambte daarin niet geeft, inededeeling van gedane waarnemingen, maar van zijne opvatting van het rechtsbegrip „openbare orde"; dat evenwel ook deze bewering niet opgaat;

dat toch waar een het verkeer op de openbare straat surveilleerend politie-ambtenaar — gelijk de getuige in éénen adem met zijne gewraakte mededeeling opgaf — een kennelijk beschonken

persoon aldaar ae Durgers en voorbijgangers ziet ïasrig vallen, mj waarneemt verstoring van het openbaai verkeer en daardooi i" de orde op den openbaren weg;

dat dus het vijfde cassatiemiddel in al zijne deelen is ongegrond en hetzelfde geldt van het andere den vorm betreffende cassatiemiddel, te weten het vierde, waarvan de strekking is tï beweren, onvoldoende motiveering van liet bestreden arrest: onder andere omdat ter terechtzitting niet is voorgelezen eenige

Sluiten