Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heemskerk in het tijdvak van 1 Jan. 1900 tot 31 Jan. 1901 gedurende zekeren tijd zich heeft verbonden om als knecht arbeid te verrichten ten behoeve van S. de Ruijter te Heemskerk en dat hij aldaar als zoodanig arbeid heeft verricht en dat gemelde S. de Ruijter zich daartegenover heeft verbonden om J. Schuurman voor de door hem gepraesteerde diensten loon te betalen";

dat het verhoor van een tweetal getuigen heeft plaats gehad en blijkens de nu bestreden uitspraak van den kantonrechter van 4 Juni is beslist: dat betreffende het door getuigen te bewijzen feit deze „niets hebben verklaard, doch hunne verklaringen in onderling verband en samenhang beschouwd, bij den rechter het vermoeden hebben doen ontstaan, dat geopposeerde, terwijl hij van 1 Jan. i900 tot en met 31 Jan. 1901 als inwonende zoon in het bedrijf zijns vaders werkzaam is geweest, tusschentijds en wel in het voorjaar en najaar van 1900 ook nog in dienstbetrekking bij zekeren W. de Ruijter graaf- en ander land- en tuinbouwwerkzaamheden heeft verricht, hetgeen, ware dit het geval, der opposanten bezwaren tegen des geopposeerden plaatsing op voormelde kiezerslijst zoude rechtvaardigen" ; weshalve den geopposeerde J. Schuurman bevolen is te zweren den navolgenden eed: „Ik zweer, dat ik in het ti dvak van 1 Jan. 1900 tot en met 31 Jan. 1901, ingevolge een tusschen mijn vader en mij getroffen overeenkomst omtrent te ontvangen loon, geregeld de in het bedrijf mijns vaders voorkomende en vereischte tuinderswerkzaamheden heb verricht en dat, ik in dien tusschentijd, te weten in het voor- en najaar van 1900 niet tegen genot van loon als arbeider in dienstbetrekking bij zekeren W. de Ruijter te Heemskerk ben werkzaam geweest";

dat de kantonrechter, na bepaling van tijd en plaats voor het afleggen van dezen eed wijders heeft bepaald voor het geval die eed door geopposeerde zou worden afgelegd, te handhaven het voormelde besluit van B. en W. van Heemskerk en, voor het geval geopposeerde nalatig mocht blijven of weigeren dien eed af te leggen, te vernietigen dat besluit en te bevelen de wijziging der kiezerslijst van Heemskerk in dien zin, dat de geopposeerde J. Schuurman daarvan zal worden afgevoerd;

O. ten aanzien van het eerste middel:

dat hierbij beweerd is, dat art. 39, 2de al. der Kieswet bepalende, dat de kantonrechter binnen zes dagen — nadat de wederpartij een memorie van antwoord aan den kantonrechter ingediend heeft — zijne einduitspraak doet, of eene^ beschikking tot bewijsvoering geeft, verbood om deze beide in ééne uitspraak te vereenigen, terwijl voor zooveel deze is een interlocutoire, zij niet gewezen is binnen de zes dagen;

O. dat ten processe vaststaat, dat tegen het verzoekschrift van opposanten door de wederpartij eene memorie van antwoord aan den kantonrechter is ingediend op 15 Mei 1901 en de kantonrechter den 20sten Mei d. a. v. het interlocutoir vonnis tot getuigenbewijs gewezen heeft, zoodat die uitspraak binnen zes dagen gegeven en aan den eisch der wet voldaan is;

dat toch voor verdere ter berechting der zaak door den rechter noodig geoordeelde beschikkingen, noch voor de einduitspraak na interlocutoire uitspraken een termijn bij de wet voorgeschreven is;

dat in de door den kantonrechter gegeven beslissing, waarbij dj eed opgelegd is en tegelijk bepaald werden de gevolgen van het al of niet afleggen van dezen, niet is te kort gedaan aan de in het middel genoemde artikelen, daar geen dezer bepalingen zoodanige beslissing verbiedt;

dat dan ook dit middel niet tot cassatie kan leiden;

O. wat betreft het tweede middel:

dat tot ondersteuning hiervan is voorgedragen, dat de kantonrechter, blijkens den inhoud van den eed en de daaraan voorafgaande overwegingen voor de handhaving der plaatsing van req. op de kiezerslijst gesteld heeft deze eischen: 1°. dat req. de in het bedrijf zijns vaders voorkomende en vereischte landwerkzaamheden geregeld heeft verricht ingevolge een tusschen zijn vader en hem getroffen overeenkomst omtrent te ontvangen loon; 2°. dat req., hoewel de in het bedrijf zijns vaders voorkomende en vereischte tuinderswerkzaamheden geregeld verricht hebbende van af 1 Jan. 1900—31 "Jan. 1901, en daarvoor het door de Kieswet vereischte inkomen genoten hebbende, niet — al ware 't ook met verlof en zelfs krachtens machtiging of op bevel zijns vaders, of in vrije uren, of terwijl er in het bedrijf zijns vaders geen werkzaamheden te verrichten waren, — bij een ander werkzaamheden mocht verrichten en betaling daarvoor ontvangen ;

O. ten aanzien van het eerste gedeelte van den opgelegden eed : dat art. 16 2° der Kieswet, zooals dit gewijzigd is bij de wet van 8 Dec. 1900 (Stbl. n°. 208), als voorwaarde om kiezer te zijn stelt dat zij, die aan de in art. 1, 1ste al. genoemde algemeene voorwaarden voldoen, op den 31sten Jan. sedert den lsten Jan. van het laatstverloopen jaar, achtereenvolgens bij niet meer dan twee personen, ondernemingen, openbare of bijzondere instellingen in dienstbetrekking of als inwonende zoon in het bedrijf of beroep der ouders werkzaam zijn geweest en als zoodanig over dat) jaar een inkomen hebben genoten als voor de gemeente of het gedeelte der gemeente, waar zij wonen, is vermeld in de bij deze wet gevoegde tabel;

dat uit de geschiedenis van dit artikel blijkt, dat aanvankelijk de woorden „of als inwonende zoon in het bedrijf of beroep der ouders werkzaam" daarin niet voorkwamen, maar opgenomen zijn op voorstel van eenige leden der Tweede Kamer der StatenGeneraal, omdat deze vreesden, dat anders inwonende zoons, die in het bedrijf hunner ouders werkzaam zijn, voor de toepassing van dit artikel, dat van dienstbetrekk ing spreekt, zouden zijn uitgesloten, daar ook naar ons spraakgebruik de zoon geen dienstbode, geen bediende, geen knecht is en geen overeenkomsten van huur en verhuur met hem gesloten worden;

dat nu de wet naast de uit overeenkomst voortspruitende dienstbetrekking, het inwonen en duurzaam werkzaam zijn in het bedrijf der ouders, en het als zoodanig inkomen genieten mede als voorwaarde van kiesrecht uitdrukkelijk erkend heeft, en dit bij de wijziging, die het artikel in 1900 ondergaan heeft, gehandhaafd is," door den kantonrechter in zijn opgelegden eed in strijd met de wet is verlangd, dat gezworen zou worden dat het- te ontvangen loon voor te verrichten werkzaamheden ingevolge overeenkomst is ontvangen;

O. dat ook het tweede gedeelte van den opgelegden eed niet is overeen te brengen met de wet, nu daarin opgenomen is, dat requirant geregeld bij zijn vader werkzaam geweest is en hij in dien tijd geen werkzaamheden tegen loon bij een met name aangewezen persoon vel'richt heeft;

dat toch het regelmatig werkzaam zijn van req. bij zijn vader niet twijfelachtig is, nu door den kantonrechter bij zijn interlocutoir vonnis van 20 Mei 1901 is beslist, dat omtrent het inkomen geen verschil tusschen partijen bestaat, evenmin dat. de tegenwoordige req. is inwonende zoon en in het tijdvak van 1 Jan. 1900 tot 31 Jan. 1901 in het bedrijf zijns vaders heeft gewerkt ;

dat waar als vaststaande moet worden aangenomen, dat de bij zijn vader inwonende req. in diens bedrijf regelmatig werkzaam

is geweest, het onverschillig is of hij daarenboven bij een ander tegen loon werk heeft verricht;

dat toch de diensten van inwonende zoons in het bedrijf hunner ouders niet onafgebroken behoeven te zijn bewezen in dien zin, dat zij volstrekt uitsluiten arbeid tegen loon bij een ander verricht;

O. dat alzoo de bezwaren door den req. tegen het gewezen vonnis bij het tweede middel aangevoerd, gegrond zijn en behooren te leiden tot cassatie;

Vernietigt het vonnis van den kantonrechter te Haarlem van 4 Juni 1901;

Gezien art. 46 der Kieswet;

Handhaaft het besluit van B. en W. van Heemskerk van 4 Mei 1901, waarbij bevolen werd J. Schuurman niet van de voorloopig vastgestelde kiezerslijst af te voeren.

ARRONDISSEMENTS-REGHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE MAASTRICHT. Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 31 Januari 1901.

Voorzitter, Mr. C. M. A. J. Bergers.

Rechters, Mrs. J. J. eb Wit ©m Th. J. A. Duynstee.

Interpretatie van een dubbelzinnig beding.

Waar eene poenaliteit van 200 gulden bedongen is wanneer eene partij, al is het ook maar eene enkele voorwaarde der overeenkomst niet nakomt, zonder dat die overeenkomst voor den verderen duur, door die betaling eenige verandering ondergaat" moet men veeleer aannemen dat in den loop van het contract slechts ééne boete kan verbeurd worden, al heeft die partij het in hare macht om zich door de betaling van die som van 200 gulden aan de verplichtingen der overeenkomst te onttrekken vóór den tijd dat deze ophoudt.

De strengere opvatting der andere partij zou zoo ver strekkende gevolgen hebben dat de mildere uitlegging van het beding in geschil moet aangenomen worden op grond van art. 1385 B. W.

De Naaml. Venn. voor den verkoop van petroleum, vroeger H, Rieth & Co., gevestigd te Antwerpen, in België, eischeresse in conventie en verweerderessei in reconventie, procureur Mr, R. von Gelderx, .advocaat Mr. G. Tripels,

tegen

Vrouwe J. C. Pieters, wed. van wijlen H. G. Meuffels, handelende onder de firma H. G. Meuffels, koopvrouw, wonende te Maastricht, gedaagde in conventie en eischeresse in reconventie, procureur Mr. J. Haex.

De Rechtbank enz. ;

Gehoord de conclusiën van partijen;

Gehoord de pleidooien ;

Overwegende ten aanzien der daadzaken, dat dé eischeres heeft gevorderd veroordeeling van de gedaagde tot betaling der som van fl. 5600 met de handelsrente dier som van af den dag der dagvaarding, met uitvoerbaar verklaring van het te wijzen vonnis bij voorraad en bij lijfsdwang en zulks op grond:

dat de eischeresse in de maand November 1896 met de gedaagde is overeengekomen dat zij, gedaagde, gedurende den tijd van 5 achtereenvolgende jaren begonnen den 20sten November 1896 al de door haar verkochte petroleum uitsluitend bij eischeresse te betrekken en wel successievelijk naax gelang van den verkoop en gedaagde zich daarbij het recht heeft ontzegd om zaken in petroleum te doen buiten eischeresse oin, noch direct noch indirect, terwijl partijen tevens bedongen hebben dat, zoo gedaagde al is het ook maar eene enkele conditie van het aangegane contract niet houdt, zij aan eischeresse op de eerste aanmaning eene boete te betalen heeft van fl. 200, zonder dat de getroffen overeenkomst door deze betaling eenige verandering ondergaat voor den verderen duur;

dat ter uitvoering van de getroffen overeenkomst gedaagde van ai 27 Nov. 1896 tot en met 17 Mei 1899 niet minder dan 1936 vaten petroleum bij eischeresse betrokken heeft en wel:

1896 November tot December in 4 verzendingen 120 vaten.

1897 „ ,, „ >'» 23 „ 885

1898 „ ,, „ «•50 „ 756 „

1899 tot 17 Mei » 7 ,175 >'

dat gedaagde sedert 17 Mei 1899 niets meer bij eischeresse heeft

betrokken, ondanks dat zij haren handel in petroleum op denzelfden voet als bevorens is blijven voortzetten en zij dierhalve met overtreding van het gemaakte contract de haar benoodigde petroleum bij andere kooplieden en maatschappijen heeft betrokken, zoodat gedaagde dierhalve zooveel maal het contract heeft verbroken en de bedongen boete heeft verbeurd als zij bij anderen dan eischeresse bestellingen heeft gedaan;

dat eischeresse stelt dat zij in de maanden Juli 1899 tot en met de maand. Augustus 1900, alzoo in die 14 maanden minstens iedere maand twee bestellingen" heeft gedaan bij andere kooplieden of maatschappijen, alzoo in die 14 maanden minstens 28 maal het contract heeft verbroken en dierhalve 28 maal de bedongen boete van fl. 200 heeft verbeurd;

dat daaruit volgt dat eischeresse gerechtigd is van gedaagde te vorderen een bedrag van fl. 5600 onverminderd de nog te beloopen boete, zoo gedaagde voortgaat het contract te schenden, weshalve eischeresse zich al hare rechten voorbehoudt;

dat het ten deze geldt eene zaak van koophandel;

dat de gedaagde gevorderd heeft niet-ontvankelijk verklaring der vordering, voor wat betreft eene boete welke zou beloopen zijn in de maand Juni 1899 en niet ontvankelijk verklaring der gèheele vordering en voorts bij reconventie ontbonden verklaring der in de maand November 189b gesloten, in de dagvaarding uitgedrukte overeenkomst en veroordeeling van de eischeres tot vergoeding van alle geleden of nader te hebben kosten, schade en interessen, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet met de handelsrente sedert den 27sten Sept. 1900 en met uitvoerbaarverklaring te dien .aanzien van het te wijzen vonnis bij voorraad, een en ander op grond :

dat gedaagde niet ontkent de in de dagvaarding uitgedrukte overeenkomst met eischeresse te hebben aangegaan, maar betwist in strijd daarmede te hebben gehandeld;

dat het onwaar is dat gedaagde ooit en bepaald in de maanden Juli 1899 tot en met Augustus 1900, bij. andere kooplieden of maatschappijen bestellingen van petroleum gedaan heeft;

dat zoo gedaagde sedert 17 Mei 1899 geen petroleum van eischeresse betrokken heeft, zulks te wijten is aan de omstandigheid dat de prijzen van eischeresse veel hooger zijn dan van andere firma's, tengevolge waarvan gedaagde niet met andere winkeliers kon concurreeren, en hare clandisie nagenoeg geheel verloopen is;

dat eischeresse bovendien, blijkens na te melden brief, geweigerd heeft petroleum aan gedaagde te leveren en de overeenkomst na te leven, dus harerzijds geene naleving daarvan van gedaagde kan vorderen;

dat eischeresse beweert dat gedaagde eene boete van fl. 200 zou verbeuren voor elke bestelling bij andere firma's gedaan, doch deze bewering is onjuist, in het contract geen steun vindt, en door gedaagde wordt betwist;

dat eischeresse reeds bij conclusie van 4 Sept. 1900 in een rechtsgeding tusschen partijen voor het Kantongerecht te Maastricht aanhangig, reconventioneel betaling eener boete van fl. 200 heeft gevorderd op grond eener bestelling, welke in de maand Juni 1899 zou gedaan zijn, weshalve zij deze niet andermaal kon vorderen;

dat eindelijk eischeresse bij haar brief van 9 Dec. 1899 geweigerd heeft eene door gedaagde gedane bestelling van 30 vaten petroleum uit te voeren en ook niet uitgevoerd heeft, waardoor gedaagde schade heeft geleden;

dat gedaagde recht heeft op grond daarvan ontbinding der overeenkomst met vergoeding van kosten, schade en interessen te vorderen;

dat hierop is geantwoord door de eischeres:

dat nu er verschil bestaat tusschen partijen over de interpretatie van het contract, gedaagde beweert, dat de bewering van eischeresse, — verbeurte eener boete van fl. 200 voor elke bestelling — is onjuist, in het contract geen steun vindt en door gedaagde wordt betwist, het voor beide partijen van belang is den woordelijken inhoud der stipulatio poenalis aan den rechter voor te leggen, luidende deze:

,,VI. Waimeer contractant zich, al is het ook maai* aan eene enkele conditie van dit contract niet houdt, zal hij aan Société op de eerste aanmaning eene boete te betalen hebben van fl. 200, echter zonder dat deze overeenkomst voor den verderen duur, door deze betaling eenige verandering ondergaat" ;

dat dit laatste beding ondubbelzinnig aantoont dat de opvatting van de eischeresse is de juiste, vermits toch uitdrukkelijk gezegd wordt dat de strafbepaling en de betaling daarvan het contract met al zijn verplichtingen, onaangetast doet voortduren en evenmin daarin eenige verandering wordt gebracht;

dat de toestond dierhalve zoo is als eischeresse dien opvat, dat gedaagde niet het recht had om zich door eene enkele betalinovan hare verplichtingen los te maken en ongedeerd kon voortgaan het contract verder niet meer na te komen, vermits zij verbonden bleef op denzelfden voet als voor de overtreding;

dat het ook feitelijk voor de hand ligt dat aldus de bedoeling van partijen moet geweest zijn, waar zij zich wederkeerig verbonden voor den duur van vijf jaren en hun koop en verkoop met alle nevenconditiën voor dit tijdvak regelden en het onaannemelijk is dat zij die regeling enkel van eene strafbepaling ad fl. 200 zouden hebben willen afhankelijk stellen en daardoor vernietigen;

dat zoo de Rechtbank de interpretatie van eischeresse aanneemt, zij de posita harer dagvaarding heeft te bewijzen, nu gedaagde beweert dat het onwaar zou zijn ooit en bepjaald in de maanden Juli 1899 tot en met Augustus 1900 bij andere kooplieden bestellingen van petroleum gedaan te hebben;

dat immers gedaagde die een aanzienlijk bedrijf in koloniale waren en aanverwante artikelen te Maastricht uitoefent wel niemand eii dus ook de Rechtbank zal doen gelooven dat zij haren zoo uitvoerigen handel in petroleum eensklaps in Mei 1899 zou hebben gestaakt en haar bestelling van 9 Dec. 1899 daarvoor het meest doorslaand bewijs oplevert;

dat de gedaagde tot verontschuldiging van hare handelwijze ook nog aanvoert dat de prijzen van eischeresse veel hooger zijn dan van andere firma's, tengevolge waarvan zij niet meer zou hebben kunnen concurreeren en hare clandisie nagenoeg verloopen is;

dat eischeresse zulks ten eenenmale ontkent en de j>rijsbepaling nauwkeurig omschreven is in het contract in voege als volgt:

,,De berekening aan contractant geschiedt als volgt: houten of ijzeren vaten petroleum worden berekend tot de prijzen waartoe' het Depót te Maastricht van de Amerikaansche Petroleum Company respectievelijk houten en ijzeren vaten petroleum franco huis offreert, en wel op den dag der bestelling;

,,De inkoopsprijzen van contractant verstaan zich in consumptie vrachtvrij Maastricht per spoor of boot geleverd in keuze der verladers" ;

dat zoo eischeresse had kunnen goedvinden die prij zen hooger te stellen dan in voege als boven was overeengekomen gedaagde alleszins de bevoegdheid zou gehad hebben die prijzen te doen reduceeren en terugbrengen tot de noteering der A. P. Cy., doch uit het feit dat gedaagde zonder eenig protest de haar toegezonden 1936 vaten petroleum volledig heeft betaald, veilig mag afgeleid worden dat zij tegen die noteering niet het minst had in te brengen;

dat eischeresse de derde grief van gedaagde — weigering om te leveren en de overeenkomst na te leven — zal bespreken en weerleggen bij de reconventie;

dat eischeresse erkent bij den kantonrechter te Maastricht betaling gevorderd te hebben eener boete ad fl. 200 voor de contractbreuk in Juni 1899, doch die vordering aan de onderwerpelijke niet in den weg staat, zoo de Rechtbank de interpretatie van de eischeresse aanneemt, zooals deze hierboven is ontwikkeld;

dat de eischeresse onder reserve om nader getuigenbewijs aan te bieden en openlegging van de koopmansboeken van gedaagde te verzoeken, vooreerst gedaagde wil doen hooren op de feiten en vraagpunten, hierna omschreven, die allen zijn ter zake dienende en niet tot iets anders betrekkelijk;

Ten aanzien der reconventie:

dat eischeresse, verweerderesse in reconventie volstrekt niet geweigerd heeft eene bestelling van gedaagde, eischeresse in reconventie uit te voeren doch alleszins gerechtigd was, nadat gedaagde van af 17 Mei tot 9 Dec. 1899 hare verplichtingen niet meer was nagekomen, vooraf bevestiging van het contract te vorderen en belooft te eischen dat het contract voortaan ter goe. der trouw zal worden uitgevoerd, zooals duidelijk blijkt uit gemelden brief;

dat gedaagde, eischeresse in reconventie nu wel niet betwisten zal dat zij dit schrijven onbeantwoord gelaten heeft en de Rechtbank alsnu te beslissen heeft of eischeresse, verweerderesse in reconventie, gerechtigd was, na de geconstateerde contractbreuk van gedaagde, eischeresse in reconventie, te vorderen verklaring of het haar al dan niet ernst was voortaan en tot het einde toe het contract trouw na te komen;

dat in ieder geval eischeresse. verweerderesse in reconventie, niet kan geacht worden, zooals de wederpartij vermeent, in gebreke te zijn gebleven hare verplichtingen te zijn nagekomen die

Sluiten