Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet strafbaar zijn, of worden zij zwaarder strafbaar — omdat culpa overgaat in dolus eventualis — dan nu het geval is. Die uitzetting der grenzen van wat strafbaar is, op zich zelf een kwaad, wanneer de dringende noodzakelijkheid daarvan niet blijkt, spreekt nog sterker in een zeer groot aantal geheel nieuwe strafbepalingen van het bijzondere deel (B. II, III) (2). Wij hopen daarom van harte, dat de nieuwe Minister de «groote novelle» nog eens aan eene grondige revisie zal onderwerpen voordat hij haar, na eventueele intrekking, opnieuw inzendt aan de Tweede Kamer.

(2) Prof. Mr. D. Simons telde er ongeveer 50 in zijne in het weekblad „Hollandia" (no. 156—158) opgenomen interessante beschouwingen over de „Strafrechts-novelle".

ARRONDISSEMENTSRECHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK XE HAARLEM.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 24 Januari 1901.

Voorzitter, Mr. L. E. A. Baron Slokt tot Oldhuis. Rechters, Mrs.: J. de Clercq vak Weel en C. G. von Reeken. Subst.-Officier van Justitie, Mr. J. de Vries van Doesburgh.

Abt. 337 Strafrecht.

De beperking van art. 1 der wet van 25 Mei 1880, Stbl. no. 85, dat een te bezigen handels- of fabrieksmerk niet uitsluitend zou mogen bestaan in gewone letters, cijfers of ivoorden, is niet overgenomen in art. 4 der wet van 30 September 1893, Stbl. '146.

De beleedigde partij niet-ontvankelijk verklaard in hare vordering om schadevergoeding omdat zij de bij art. 202 Strafvord. voorgeschreven verklaring niet onmiddellijk na de ondervraging van den beklaagde heeft gedaan.

Eet Openb. Min. tegen N. N.

De Rechtbank enz.;

Gezien het exploit van dagvaarding aan den beklaagde be teekend;

Gehoord de verklaringen van de getuigen en de verdediging van den beklaagde;

Gehoord de vordering van den Officier van Justitie, hiertoe strekkende, dat het der Rechtbank moge behagen den beklaagde schuldig te verklaren aan: „OpzettelijK waren op wier verpakking het merk waarop een ander reent heeft, zij het ook met eene geringe afwijking, is nagebootst, ten verkoop in voorraad hebben" en hem mitsdien te veroordeelen tot eene geldboete van f 100, met bepaling dat de boete, bij gebreke van betaling binnen twee maanden na den dag waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd zal worden vervangen door hechtenis van 10 dagen;

Met bevel tot vernietiging of onbruikbaarmaking van het pakje tabak voorzien van het merm afkomstig van beklaagde;

Overwegende dat den beklaagde is ten laste gelegd dat: hij na 12 Febr. 1900 te Haarlem opzettelijk ten verkoop in voorraad heelt gehad zakjes tabak, welke van zoodanig gedrukt opschrift met rand waren voorzien, dat het handels- of labrieksmerk, waarop de firma M. H. Jzn., stoomtabaksfabriek te Culemborg alleen recht heeft, als zijnde door haar gedeponeerd, met geringe, afwijking was nagebootst, daar dat gedeponeerde merk bestaat uit eenen regelmatigen vierhoek, links en van boven gevormd door gewone, rechts en beneden door vette rechtsafloopende lijnen, de opstaande zijden zich tot de andere verhoudende als twee tot vijf, terwijl in den vierhoek zich het woord „Specialiteitstabak'' in gewone drukletters bevindt en daaronder — eveneens in gewonen druk — als tweede regel de woorden en cijfers : ,,10 cents per ons", en het gedrukte opschrift op de bij beklaagde ten verkoop in voorraad geweest zijnde pakjes tabak eveneens bestaat uit een regelmatigen vierhoek, links en van boven gevormd door gewone, rechts en beneden door vette rechts afloopende lijnen, de opstaande zijden zich tot de andere verhoudende als twee tot vijf, terwijl in den vierhoek zich het w.-ord bevindt „Specialiteitstabak" in gewone drukletters en daaronder eveneens in gewonen druk —als tweede regel — de woorden en cijfers : „10 cents per 2^ ons", de geringe afwijking van beide merken daarin bestaande, dat dicht naast en onder de zich rechts en beneden bevindende vette rechts afloopende lijnen van het eerstgenoemde merk dunne lijnen zijn aangebracht;

O. dat blijkens eene ter terechtzitting voorgelezen op den ambtseed afgelegde verklaring van den Directeur van het Bureau voor den Industrieelen Eigendom te 's Gravenhage dd. 6 Nov. 1900 op den 18den Dec. 1899 in het daartoe bestemd te zijnen bureele berustende openbare register de inschrijving heeft plaats gehad ten name van de firma M. H. Jzn. te Culemborg onder n°. 14349 van het ter inschrijving alleen in het Rijk in Europa ingezonden fabrieks- of handelsmerk, waarvan eene afbeelding daaronder is afgedrukt eu waarvan de beschrijving luidt als in de dagvaarding is vermeld, welk merk is bestemd voor „gesneden tabak";

O. dat blijkens eene ter terechtzitting voorgelezen op den ambtseed afgelegde verklaring van den Griffier bij de Arrond.Rechtbank te 's Gravenhage dd. 8 Dec. 1900 vóór 3 Juli 1900 ter Griffie van gemelde Rechtbank geen verzoekschrift is ingediend, noch door den Officier van Justitie bij meergemelde Rechtbank eene vordering is gedaan tot nietigverklaring der inschrijving van het door de firma M. H. Jzn. te Culemborg ingezonden merk aan het Bureau voor den Industrieelen Eigendom eu aldaar ingeschreven onder n°. 14349;

O. dat ter terechtzitting is verklaard — door den getuige H. J. P., rijksveldwachter, gestationeerd te Haarlem, dat hij —• ingevolge ontvangen lastgeving van den Officier van Justitie bij de Arrond.-Rechtbank te Haarlem — zich op den 8sten Nov. 1900. des namiddags omstreeks 5 uur, heeft begeven in den winkel van den beklaagde aan de Hoogstraat n°. 8 te Haarlem en te koop heeft gevraagd een pakje specialiteitstabak, waarop hem tegen betaling van tien cents werd verstrekt het —- thans ter terechtzitting aanwezige — pakje tabak, voorzien van een merk als bedoeld aan liet slot der dagvaarding, terwijl door hem meerdere

zoodanige pakjes tabak in dien winkel voorhanden werden bevonden ;

door den getuige M. V. S., lid der firma M. H. Jzn. te Culemborg, dat door gemelde firma reeds gedurende 5 a 6 jaren een merk als in het hoofd der dagvaarding is omschreven — wordt gebezigd om, ter onderscheiding van de door die firma in den handel gebrachte gesneden tabak op de tot verpakking daarvoor dienende papieren zakken te worden aangebracht, welK merk meergemelde firma in den loop der maand .December 1899 aan het Bureau voor den Industrieelen Eigendom te 's Gravenhage ter inschrijving — alleen in het Rijk in Europa — heeft ingezonden, zijnde bedoelde inschrijving openbaar gemaakt in de Nederlandsche Staatscourant van 1, 2 en 3 Jan. 1900;

dat hy daarop den 12den Febr. 1900 komende bij den beklaagde, in diens winkel zag liggen verscheidene pakjes tabak, voorzien van een merk, dat —behoudens de geringe afwijking als aan het slot der dagvaarding is aangegeven — geheel overeenkwam met het door de lirma M. H. Jzn. gedeponeerde merk;

dat hij toen den beklaagde — na mededeeling dat de firma M. H. Jzn. te Culemborg meergemeld merk aan het Bureau voor den Industrieelen Eigendom te 's Gravenhage had doen inschrijven, waarvan aankondiging Vas geschied m de Nederlandsche Staatscourant van 1, 2 en 3 Jan. Iy00 — heeft verzocht voortaan geen pakjes met gesneden tabak, voorzien van het nagebootste merk dier firma, meer ten verkoop in voorraad te hebben of te verkoopen, terwijl de beklaagde weigerde te voldoen aan de door hem — getuige — gedane uitnoodiging om op te geven den naam van den labrikant, die hem —■ beklaagde — de pasjes tabak met de bovenaangeduide verpakking leverde ;

door den getuige A. Z., procuratiehouder der firma L. D., tabaksfabrikant te Rotterdam, dat de hem vertoonde zak met gesneden tabak, voorzien van een merk, als bedoeld aan het siot der dagvaarding, afkomstig is van de firma L. D. voornoemd, die ingevolge opdracht, in net afgeloopen jaar eenige keeren partijen van zoodanige zakken met gesneden tabak aan den beklaagde heeft geleverd;

O. dat de beklaagde ter terechtzitting heeft erkend dat de hem vertoonde zak met gesneden tabak voorzien van een merk als bedoeld aan het slot der dagvaarding, in zijn winkel aanwezig is geweest;

dat hij na 12 Febr. 1900 — toen hem door den 2den getuige werd medegedeeld dat de firma M. H. Jzn. te Culemborg in de maand December 1900 het hierbovenvermelde merk aan liet Bureau voor den Industrieelen Eigendom te 's Gravenhage had gedeponeerd en — in verband hiermede — hem verzocht voortaan niet meer pakken met gesneden tabak, voorzien van het „nagebootst" merk, ten verkoop in voorraad te hebben of te verkoopen — desniettegenstaande zoodanige pakken ten verkoop in voorraad heeft gehad en met den verkoop daarvan is voortgegaan, ook sedert 3 Juli 11., sedert welken datum hij nog verscheidene bestellingen van zoodanige pakken met gesneden tabak — ongeveer om de 7 weken en alsdan telkens 60 kilo — bij de firma L. D., tabaksfabrikant te Rotterdam heeft gedaan, hebbende de laatste leverantie door deze firma op 24 Nov. H. plaats gehad;

O. dat de beklaagde intusschen tot zijne verdediging heeft aangewend dat hetgeen de firma M. H. Jzn. te Culemborg als merk wil beschouwd zien naar de meening van hem, beklaagde, geen handels- of fabrieksmerk is, slechts dient om eene bepaalde soort tabak aan te duiden en hij het zoogenaamde merk voorkomende op de door hem na. 12 Febr. 1900 verkochte zakken met gesneden tabak ook reeds in den loop van 1899 —• vóór de maand Dec. daarvan — als geschrift op de door hem verkochte zakken bezigde;

iO. te dien aanzien dat niet alleen het door de firma M. H. Jzn. te Culemborg ter inschrijving ingezondene niet uitsluitend bestaat uit letters, cijfers of woorden, maar ook de beperking van art.. 1 der Wet van 25 Mei 1880 (Stbl. n°. 85) dat een te. bezigen handels- of fabrieksmerk niet uitsluitend zou mogen bestaan in gewone letters, cijfers of woorden, in art. 4 der Wet van 30 Sept. 1893 (Stbl. n°. 146) niet is overgenomen, zoodat — waar het door meergemelde firma ter inschrijving ingezondene, bestemd om ter onderscheiding van de door haar in den handel gebrachte gesneden tabak op de tot verpakking daarvan dienende papieren zakken te worden aangebracht, niet was in strijd met eenige bepaling van laatstgemelde Wet — dit door het Bureau voor den Industrieelen Eigendom te 's Gravenhage terecht als handels- of fabrieksmerk is aangemerkt en als zoodanig ingeschreven, kunnende bedoeld onderscheidingsteeken ook niet beschouwd worden als eene benaming zonder meer ter aanduiding van de soort, welke elk fabrikant of winkelier in tahak daaronder in den handel brengt in onderscheiding van zijne overige soorten;

dat voorts, ook al aannemende dat beklaagde bevoegd was om in den loop van 1899 vóór dat meergemelde inschrijving op 18 Dec. 1899 had plaats gehad, het merk der firma M. H. Jzn._ —waarvan deze intusschen reeds gedurende vijf jaren gebruik had gemaakt — met eene geringe afwijking te bezigen, de beklaagde die bevoegdheid miste na bedoelde inschrijving waaraan door de Staatscourant van 1, 2, 3 Jan. 1900 openbare bekendheid was gegeven en waarop hij bovendien den 12den Febr. 1900 door een lid dier firma persoonlijk was gewezen, en de beklaagde daartoe wel allerminst het recht had na 3 Juli 1900. toen zes maanden verstreken waren sedert de openbaarmaking in de Staatscourant, zonder dat een verzoekschrift, als bedoeld in art. 10 der Wet van 30 Sept. 1893 flStbl. n°. 146), was ingediend, strekkende tot nietig verklaring der inschrijving;

O. dat — in verband met het hiervoren overwogene — door de aanwijzingen voortvloeiend uit de erkentenis van den beklaagde, de verklaringen der gehoorde getuigen, voor zoover deze op eigen waarneming zijn gegrond, en de voorgelezen op ambtseed afgelegde verklaringen, alle in onderling verband en samenhang beschouwd, het aan den beklaagde ten laste gelegde zoomede zijne schuld daaraan, wettig en overtuigend zijn bewezen ; opleverende:

,,Opzettelijk waren op wier verpakking het merk waarop een ander recht heeft, zij het ook met eene geringe afwijking, is nagebootst, ten verkoop in voorraad hebben";

Gezien artt. 23, 337 Strafrecht, 211, 214, 219 Strafvord.; Verklaart den beklaagde schuldig aan voormeld gequalificeerd misdrijf;

Veroordeelt hem deswege tot betaling eener geldboete van f 25, met bepaling, dat de geldboete, bij gebreke van betaling binnen twee maanden na den dag, waarop dit vonnis kan worden ten uitvoer gelegd, zal worden vervangen door tien dagen hechtenis; Voorts recht doende op de vordering der beleedigde partij : O. dat de beleedigde partij, de firma M. H. Jzn., tabaksfabrikant te Culemborg — bij monde van den getuige M. V. S., lid dier firma —• tegen den beklaagde heeft ingesteld een eisch strekkende tot veroordeeling van den beklaagde om haar, gevoegde partij, te betalen eene som van f150 of zooveel minder als de rechter in goede justitie zal vermeenen te behooren, ter zake van door bovengemelde onrechtmatige daad geleden schade;

O. dat de beleedigde partij de daaromtrent voorgeschreven verklaring niet — zooals art. 202 Strafvord. bepaalt — onmid¬

dellijk na de ondervraging van den beklaagde, bij art. 152 van dat wetboek bedoeld, gedaan, doch eerst nadat reeds met het getuigenverhoor een aanvang was gemaakt;

O. dat deze verklaring alzoo niet tempore utili is geschiedt en de firma M. H. Jzn. te Culemborg in hare vordering behoort te worden verklaard niet ontvankelijk;

Gezien art. 202 Strafvord. ;

Verklaart de beleedigde. partij niet-ontvankelijk in hare vordering.

ARRONDISSEMENTS RECHTBANK TE UTRECHT. Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 20 Maart 1901. '

President (niet opgegeven).

Rechters, Mrs.: R. D. Baart de la Faille en W. M. H. Boers.

Heeft de kantonrechter terecht de exceptie van nietigheid der dagvaarding verworpen ? — Ja.

Heeft niet, wanneer het vervoerde goed door den geadresseerde in bezit is genomen, de verantwoordelijkheid van den schipper voor daarna plaats hebbende ongevallen opgehouden ? — Ja.

Was het dus niet eene bevrijdende daadzaak, die door den kantonrechter van de erkentenis of de niet ontkentenis is gesplitst ? — Ja.

Kan hier het besneeuwd en daardoor glad zijn der planken als overmacht worden aangemerkt"! — Neen.

Wordt de aansprakelijkheid van den schipper ook niet opgeheven, indien hij bewijst, dat de aan het vervoerde goed overkomen schade is veroorzaakt door een gebrek van het goed zelf. — Ja.

Moet dus niet de schipper tot het bewijs daarvan u orden toegelaten, ook al kan eerst daarna worden beslist of dat gebrek dan wet de val van het vervoerde voorwerpde hoofdoorzaak is van de toegebrachte schade ? — Ja

Transport Verzekering Maatschappij, procureur en advocaat Mr.

p. G. H. Dop,

tegen

H. Reimus, procureur en advocaat Mr. B. L. Ph. van Lies.

De Rechtbank;

Gezien de oorspronkelijke dagvaarding;

Gezien het vonnis van den Kantonrechter te Breukelen-Nijenrode, dd. 30 Mei 1900;

Gezien de dagvaarding in liooger beroep dd. 14 Juli 1900;

Gehoord de door partijen genomene conclusiën;

Gehoord de pleidooien;

ln facto:

Overwegende, dat de oorspronkelijke eischeres den oorspronkelijken gedaagde na vruchtelooze sommatie heeft gedagvaard voor het Kantongerecht te Breukelen-Nijenrode tot terugbetaling der som van i 90.83 door haar betaald aan de firma J. Blijdesteyn en Co. alhier voor verzekering wegens door die firma op 14 Febr. 1900 geleden schade overkomen aan een vat stroop, dat van Amsterdam door den gedaagde naar die firma werd vervoerd, te Utrecht aankwam aan de werf van die firma, doch bij het lossen vóór dat het door die firma in ontvangst kon worden genomen, van de planken, waarover het naar den wal werd gerold, viel en braK, waardoor een groote hoeveelheid stroop, ter waarde van f 90.83 verloren ging en die firma, tot dat bedrag schade leed;

O. dat bij dat exploit is gerelateerd, dat de eischeres domicilie gekozen heeft te Utrecht ten kantore van Mr. B. L. Ph. van Lier en te Breukelen-Nijenrode te kantore van

O. dat blijkens bovengenoemd vonnis de gedaagde zich bij antwoord heeft beroepen op de nietigheid van dagvaarding, vermits daarbij geen woonplaats is gekozen in de gemeente Breukelen-Nijenrode, den zetel van den rechter, en ten principale heeft ontkend voor de vorenbedoelde schade aansprakelijk tc zijn : 1°. om reden de voor gezegde firma door gedaagde vervoerd wordende goederen steeds aan boord door haar 111 bezit worden genomen en onder toezicht van harentwege naar den wal W-orden gebracht, zoodat de risico van schade daarvan reeds voor hare rekening zou zijn; 2°. omdat op den 14den Febr. 1900 toen het ongeval plaats vond, de planken waarover het naar den wal rollen van het vat plaats had, zoodanig besneeuwd en glad waren, dat het vat uitgleed, op den wal viel en brak, hetgeen als overmacht in ieder geval als een malheur onder toezicht van wege genoemde firma geschied is te beschouwen, waarvoor gedaagde niet aansprakelijk is; en 3°. omdat het breken van dat vat is toe te schrijven aan den ouderdom en den slechten toestand daarvan, zijnde immers de bodem er van vergaan; dat gedaagde heelt aangeboden de door hem gestelde feiten te bewijzen en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van den ingestelden eisch; dat de eischeres bij repliek daartegen heeft aangevoerd, dat de beweerde nietigheid van dagvaarding is gedekt door het verschijnen van gedaagde en door zijn antwoord op de hoofdzaak, en hij door dat verzuim in zijne verdediging niet is benadeeld; dat ten aanzien der hoofdzaak de eischeres er op wijst, dat gedaagde de posita van eisch niet heeft ontkend en zijne aansprakelijkheid voortduurt tot dat de goederen zijn gelost, in ontvangst genomen of opgeslagen; dat gedaagde den duur van die aansprakelijkheid niet eigenmachtig kan beperken en zich tegen de beweerde gladheid had kunnen waarborgen;

O. dat de kantonrechter de opgeworpen exceptie van nietigheid van dagvaarding heeft verworpen op grond, dat gedaagde noch in zijn verdediging is benadeeld, noch belang heeft zich van de nietigheid te bedienen; dat de kantonrechter verder heeft overwogen, dat gedaagde de posita van eisch niet heeft ontkend, maar slechts zijne aansprakelijkheid voor het ongeval heeft betwist; dat echter het gevaar voor den schipper niet was geëindigd, maar blijft loopen tot dat de goederen zijn gelost en in ontvangst genomen of ten verzoeke van den geadresseerde opgeslagen al hetwelk in casu nog niet was geschied;

dat ,,gladheid" nimmer als overmacht kan worden aangemerkt, daar men zich door het strooien van zand als anderzins daartegen had kunnen wapenen; dat de beweerde slechte toestand van het vat zelf niet als oorzaak van het ongeval kan worden aangemerkt; dat daarom het aangeboden bewijs als niet ter zake dienende en afdoende moet worden gepasseerd en de kantonrechter op voornoemde gronden aan eischeres hare vordering heeft toegewezen;

O. dat gedaagde bij bovengenoemd exploit van dat vonnis in hooger beroep is gekomen bij deze Rechtbank en als grieven

Sluiten