Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ƒ f

Vrijdag, 27 September 1901.

M°. 7641.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADYERTENTIE-BLAD.

DRIE-EN-ZESTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VERITAS.

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang f10; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der «dvertentién, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers, Gebr. Belinfante, te 's-Gravenhage (Ie Wagenstraat 100).

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE 's GRAVENHAGE. Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 21 Januari 1901.

Voorzitter, Mr. J. Spoor.

Raadsheeren, Mrs.: J. J. van Gf.un's, J. B. J. N. Ridder de van der schueren, W. J. K-arsten eil H. van MaNEN.

Er bestaat i. c. geen verschil over het al of niet voldoen aan de „Lieferungsbedingungen", waaromtrent het contract bepaalt dat een scheidsgerecht moet oordeelen. De aanwijzing van een ^Erfüllingsort dieses Vertrags" bedoelt kennelijk de aanwijzing van de plaats voor het ten uitvoer leggen van zoodanige plichten uit de overeenkomst als waaromtrent bij deze niet anders voorzien wordt, doch beoogt geenszins keuze van woonplaats noch aanduiding van den bevoegden rechter.

J. M. C. Kievits, handelende onder de firma- J. Kievits en van Reede Czn., appellant, procureur en advocaat Mr. J. Limburg, tegen

A. Renz, handelende onder de firma H. Ristelhuebers Nachf., geïntimeerde, procureur Mr. P. F. L. Verschoor, advocaat Mr. A. C. A. Jacobse Boudewijnse, uit Middelburg,

alsmede

A Renz, handelende onder de firma H. Ristelhuebers Nachf., appellant, procureur"Mr. P. F. L. Verschoor,

tegen

J. M. C. Kievits, handelende onder de firma J. Kievits en van Reede Czn., geintimeerde, procureur Mr. J. Limburg.

Het Hof;

Gehoord partijen;

Gehoord den procureur-generaal in zijne conclusie, strekkende daartoe, dat het Hof, met vernietiging van het vonnis, zich bevoegd zal verklaren van de vorderingen, zoo in conventie, als in reconventie, kennis te nemen;

Gezien de stukken;

Ten aanzien der feiten en van het in eersten aanleg gevoerde geding zich gedragende aan hetgeen daaromtrent overwogen wordt in het vonnis, door de Rechtbank te Middelburg den Sisten Jan. 1900 tusschen partijen gewezen, waarvan de beslissing luidt: enz. ;

Overwegende dat app. Kievits bij exploot van 14 April 1900 van dit vonnis in hooger beroep is gekomen, alsmede app. llenz 1 ex^olt van 26 April 1900 (dit laatste hooger beroep intussc en «perkt tot dat gedeelte van het vonnis, waarbij op de tegen vordering is recht gedaan) en dat partijen, hare beweerz.1J s bij conclusies uiteenzettende, hebben geconcludeerd, zooals aan het slot van deze vermeld is;

J.en aanzien van liet recht*

O. dat app. Kievits betoogt, dat de Rechtbank bevoegd was, van de oorspronkelijke vordering kennis te nemen, omdat de overeenkomst van 21 Maart 1898 slechts de meeningsverschillen omtrent vervulling 0f niet-vervulling der „Lieferungsbedingungen aan de beslissing van epn scheidsgerecht van deskundigen onderwerpt, en het hier geldt- nakoming van betalingsplicht van het laatste deel der aannemingssom, waarover de gewone rechter te oordeelen heeft, terwijl eene vage ontkentenis van een dag van aflevering het geschil niet tot een zoodanig maakt, waaromtrent een scheidsgerecht bevoegd zou zijn — de bepaling' dab .,der Erfüllingsort" Antwerpen is, de zaak niet aan den Xederlandschen rechter onttrekt, — en de boven het gedeelte der aannemingsom gevorderde f213.86 in 't geheel niet tot de gezegde overeenkomst behooren;

O. dat het Hof deze grief gegrond acht;

? i toc!1 aPP- °P 1 1899 heeft ingesteld eene vordering betaling van f 10000 als laatste deel der aannemingsom f en ^>ouw ,der schroefstoomboot ,,Mathilde" en van

„ i j "^venaien. ten behoeve van cremt. uitgeschoten

g^uen en geleverd*

v p 1 d n T1Voor ^ovendieii ten behoeve van geint. uitgeschoten ^eiaen en eelevftr h ö i-i 6 , _ i_i„

vïnrr vin hc,+ F c met Vcfciü ïïtwiuc vcin.i»-

in H van bovengenoemde overeenkomst welker inhoud tusschen partijen niet betwist wordt, wel is Jtjj i T

recht zal oordeelen over de verschillen, wkke oXmt hct^al of niet voldoen aan de „Lieferungsbedinm.„ „omtre™ ftet .staan, doch wegens het "verder blptlde^Sr iedere Zrtijen daartoe „einenE sper ten" zal aanwijzen, die vereenigd,

zoo noodig „emen Obmann kiezen, duideliik is dat hier een deskundig oordeel over bouwstoffen bewerking, voldoen aan de vereischten der boot, naar de paragrafen 2 en 3, bedoeld wordt • — dat in § 7 een recht van geint, op voortdurende keuring onder de bewerking, en in § 3 een, gedurende zes maanden na de 5,-lblieferung" te Dordrecht, voortgezette verplichting van app. tot vervanging op eigen kosten van het minder deugdelijke wordt bedongen, maar (geheel afgescheiden van en geenszins afhankelijk van het voldoen aan laatstgenoemde verplichting) in § 8 de betalingen geregeld worden, welke het schip in iederen oestand van afwerking reeds eigendom van geint. zouden ma-

Ken, —• (l;if maoï» Kr»-»-».»..1^1 i. j i j . j i i i

"vwcvcnu ue uettuum van net laatste aeei aer

aannemingsom wordt voorgeschreven, te zullen geschieden door het afgeven (drie maanden vóór den afloop van den zes-maandelijksehen waarborgtijd) van een op drie maanden loopenden orderbrief; — dat het noemen in § 9 van Antwerpen als „Erfüllingsort dieses Vertrags" kennelijk bedoelt, Antwerpen als plaats aan te wijzen voor het ten uitvoer brengen van zoodanige plichten uit de overeenkomst als •waaromtrent bij deze niet anders voorzien wordt, doch geenszins keuze van woonplaats, noch aanduiden van den bevoegden rechter beoogt; —- en dat alzoo geen meeningsverschil, gelijk geint. aanvoert, over hetgeen wellicht aan de boot te herstellen of te verbeteren zijn mocht, noch eenig ander aangevoerd beletsel den gewonen rechter kon verhinderen, over de betaling van het laatste deel der aannemingsom en van bijkomende kosten, (welke laatste zelfs niet op de besproken overeenkomst gegrond zijn) eene beslissing te geven;

O. dat beide partijen, ingeval van vernietiging van 's rechters beslissing nopens de bevoegdheid aangaande de oorspronkelijke vordering, hebben verzocht, dat het Hof de zaak tot zich zal trekken;

O. te dien aanzien enz.;

Het tegen dit arrest ingestelde beroep in cassatie is verworpen bij arrest H. R. 28 Juni 1901, W. 7629.

ARRONDISSEMENTSRECHTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE ROERMOND. Rechtdoende in Burgerlijke Zaken.

Zitting van den 7 Maart 1901.

Voorzitter, Mr. P. M. O. H. Beerknbroek.

Rechtere, Mrs.: P. P. A. Cremers en R. H. A. M. Romme.

Aotio Pauliana ex art. 42 der Faillissementswet.

Volgens de bepalingen der Faillissementswet hebben de schuldeischers wel de bevoegdheid de toelating eener vordering te bestrijden op grond van art. 42 dier wet, doch zij kunnen niet vorderen, dat de handeling van den gefailleerde, welke aan die vordering ten grondslag ligt, worde nietig verklaard, daar dit lot de uitsluitende bevoegdheid van den curator behoort.

D. S. te Venlo, eischer tot verificatie, procureur Mr. G. J.

van den Dungen,

tegen

lü. L. v. d. H. en 2°. J. v. d. H. te. Arcen en Velden, betwisters,

procureur Mr. O. M. F. H. Thissen.

De Rechtbank enz.;

Gehoord partijen in hare middelen en conclusiën;

Gezien de processale stukken ;

Ten aanzien der feiten:

|Overwegende dat blijkens het door de betwisters der verificatie in het geding gebracht proces-verbaal, opgemaakt door den rechter-commissaris in het faillissement van J. Sanders, bakker en winkelier te Horst, ter vergadering, gehouden tot verificatie der schuldvorderingen in dat faillissement Mr. Thissen, als gevolmachtigde van de betwisters, schuldeischers in dat faillissement heeft verklaard, dat hij de vordedrngen van den eischer tot verificatie wegens a geleend geld ad f 10000, & achterstallige renten ad f 15; c rente ad 3£ ten honderd van ï 10000, van af 17 Maart 1900, voor welke bedragen hypotheek is verleend bij akte van 17 Maart 1898 en die geplaatst zijn op de lijst deidoor den curator voorloopig erkende schuldvorderingen, betwist, evenals het vorderingsrecht, de hoegrootheid der pretenselijke vorderingen en in elk geval de evengemelde hypotheek, op grond, dat 1°. de quasi-leening met hypotheekstelling op de gezamenlijke goederen van den failliet Sanders, schijnbaar ten behoeve van den heer S., den eischer tot verificatie, door dezen noch uit eigen middelen noch te zijnen behoeve is gedaan, maar slechts was eene complaisance-leening ten behoeve van derden met het geld van derden; 2°. het bedrag der quasi leening niet dooiden failliet Sanders te zijnen behoeve, althans niet de geheele som van f 10000 is medegenomen en behouden, maar teruggebracht is in de kas van hem, die het geld bezorgde; 3°. de voorbedoelde leening tot'"doel had eene niet-preferente vordering van derde door de hypotheekstelling preferent te maken, derhalve is in fraudem creditorum; 4°. de vordering van dien derde geen f 10000 bedroeg en derhalve de geldleening op zich eveneens in fraudem creditorum, is opgemaakt; 5°. de vordering van dien derde niet opeischbaar was;

dat vervolgens de rechter-commissaris, nadat de gemachtigde des eischers de deugdelijkheid der vordering van dezen met derzelver voorrang had volgehouden en de gemachtigde der betwisters bij zijne beweringen bleef volharden, partijen, daar hij dezen niet kon vereenigen, heeft verwezen naar de terechtzitting dezer Rechtbank van 27 Sept. 1900;

O. dat ter evengemelde terechtzitting bij de oproeping der zaak de procureur Mr. van den Dungen verklaarde op te treden voor den eischer tot verificatie en de procureur Mr. Thissen eene gelijke verklaring deed voor de betwisters der verificatie;

O. dat vervolgens de eischer tot verificatie in het midden

bracht, dat zijne vordering is gegrond op eene akte van hypothecaire obligatie, verleden den 17 Maart 1898 ten overstaan van notaris Brouwers te Venlo, tusschen hem en den gefailleerde Sanders; dat hij deze akte in het geding brengt tot staving van de gegrondheid zijner vordering, alsmede van de preferentie dier vordering, zoodat zijne vordering en de beweerde voorrang volledig zijn bewezen; dat diensvolgens de betwisters hunne betwisting hebben te bewijzen, terwijl de ter verificatie-vergadering aangevoerde gronden van betwisting uit de lucht zijn gegrepen en in strijd met- de waarheid, concludeerende de eischer tot verificatie op deze gronden, het behage der Rechtbank de betwisters te verklaren niet-ontvankelijk, in elk geval kwaad opposanten en ongegrond in hunne betwisting, voorts hem, eischer, voor het geheele gevorderde bedrag te erkennen als preferent schuldeischer in voorbedoeld faillissement en te gelasten, dat hij voor dat bedrag zal worden geplaatst op de lijst der erkende preferente schuldeischers in dat faillissement, alles met veroordeeling der betwisters in de kosten van dit rechtsgeding;

O. dat de betwisters der verificatie hierop antwoordden, dat de financieele positie van den gefailleerde Sanders reeds lang voor 17 Maart 1898 uit hare boeken bekend was aan de firma van Oeven, graanhandelaar te Venlo en ook niet aan den eischer tot verificatie, die aan Sanders pretenselijk f 10000 op hypotheek gaf op alle diens goederen, waarop reeds rustte eene hypotheek van omstreeks f 6000, onbekend zijn kon; dat immers gemelde firma vóór 17 Maart 1898 op Sanders had eene vordering van meer dan f 10000; dat deze firma aan Sanders vroeg betaling harer vordering of zekerheid door hypotheekstelling op alle diens onroerende goederen; dat Sanders, die geen geld had, genegen was de gevraagde hypotheek te verleenen; dat echter een paar dagen daarna, toen Sanders ten kantore van notaris Brouwers was ontboden, dezen werd ter kennis gebracht, dat de eischer tot verificatie, — aanverwant in den 4den graad der leden van voormelde firma, — hem f 10000 op hypotheek wilde geven op zijne onroerende goederen te Horst; dat gemelde Sanders den eischer tot verificatie niet kende en dezen ook niet om geld had gevraagd, noch laten vragen; dat de akte van hypotheekstelliiig op voormelden 17 Maart ten voordeele van den eischer tot verificatie is verleden, zonder dat deze zich vooraf overtuigd had van de; waarde van het onderpand en zonder er op te letten, dat daarop reeds eene hypotheek stond van circa f 6000; dat zij beweren, dat de voorbedoelde som van f 10000 is verstrekt uit de kas van voormelde firma of van iemand anders of op order of op last of verzoek dier firma of van iemand anders ten behoeve dier firma of van een harer leden; dat evengemelde som, na te zijn geweest in handen van den eischer tot verificatie en een oogenblik in handen van Sanders, door tusschenkomst van den deurwaarder Geeraedts te Venlo, neef van de leden der voormelde firma, die daarvoor aan Sanders kwitantie gaf, weer is teruggekeerd in de kas der meergemelde firma; dat alzoo de geldleening van den eischer tot verificatie aan Sanders is eene fictieve leening en niet uit eigen vermogen, ten einde in fraudem creditorum een gedeelte van de schuldvordering van voormelde firma van concurrente te doen worden eene preferente, daar die firma bezwaarlijk zelf hypotheek op de goederen van Sanders kon nemen; dat als vaststaande kan worden aangenomen, dat Sanders op 17 Maart 1898 aan meergemelde firma schuldig was meer dan f 10000; dat deze som op dien datum door of namens den eischer tot verificatie aan Sanders is geleend met hypotheekstelling en daarna is gevloeid in de kas van evenbedoelde firma, welke Sanders voor die som crediteerde; dat Sanders alstoen wist, dat hij zijne schuldeischers niet kon betalen en onverplicht eene handeling aanging, waardoor hij zijne overige schuldeischers benadeelde; dat zij geen belang meer hebben de betwisting der hoegrootheid der geleende geldsom vol te houden en ook niet, dat de vordering van derde (voormelde firma) niet opeischbaar was en daarom afzien van die twee gronden van betwisting, ter verificatievergadering aangevoerd; dat uit het voormelde genoegzaam blijkt, dat ook de eischer tot verificatie op voormelden 17 Maart de wetenschap had, althans moest hebben, dat de geldleening, welke op voorschreven wijze tot stand kwam, de overige schuldeischers moest benadeelen;

O. dat diensvolgens de betwisters — onder verklaring, dat zij in het geding brengen: 1°. eene conclusie dd. 11 Oct. 1900 in het verificatieproces, hangende tusschen de firma van Oeyen, eischeres tot verificatie, contra L. en J. van der Heijden; 2°. een extract uit het proces-verbaal van verificatie van 12 Sept. 1900, tevens met verzoek om den eischer tot verificatie te doen hooren op een twintigtal in hunne conclusie van antwoord geformuleerde en nader omschreven vraagpunten — akte verzochten hunner verklaring, dat zij evengemelde stukken in het geding brengen, alsmede, dat zij afzien van de twee bovenvermelde gronden van bestrijding der vordering van den eischer tot verificatie en concludeerden, het behage der Rechtbank hen te verklaren goed opposanten, ontvankelijk in hunne betwisting der vordering van den eischer tot verificatie, als zijnde de akte van 17 Maart 1898 in fraudem creditorum tot stand gekomen nietig en die vordering mitsdien af te wijzen; subsidiair, voor het geval dit noodig mocht worden geoordeeld, het behage der Rechtbank dag en uur te bepalen, waarop de eischer tot verificatie zal gehouden zijn voor haar in Raadkamer te verschijnen, teneinde op voorbedoelde ter zake dienende en niet tot iets anders betrekkelijke feiten en vraagpunten te worden gehoord, alles met winst van kosten;

O. dat de eischer tot verificatie nog aanvoerde, dat de betwisters niet ontvankelijk zijn in hetgeen zij vorderen bij hunne, conclusie van antwoord, eensdeels, omdat alleen kan worden acht geslagen op de gronden van betwisting op de verificatievergadering aangevoerd en al hetgeen de betwisters thans vorderen in strijd is met de gronden* op gemelde vergadering aancre

voerd en diensvolgens is tardief, anderdeels, omdat daarbij niet

Sluiten