Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i3 gevraagd hetgeen de betwisters met het oog op art. 42 der Faill.wet hadden behooren te vragen, dat de Rechtbank zal uitspreken voor recht, dat de bedoelde handeling is nietig en voorts geene veroordeeling is gevraagd tot het verleenen van doorhaling van de inschrijving der betwiste hypothecaire obligatie en eindelijk, omdat niet is gesteld, dat de gefailleerde bij het verrichten der handeling de wetenschap en de bedoeling had om daardoor zijne schuldeischers te benadeelen; dat in elk geval de betwisting is ongegrond, omdat: 1°. er geene benadeeling der schuldeischers kan hebben plaats gehad; 2°. de handeling van den gefailleerde niet kan gezegd worden onverplicht te zijn geschied en 3°. niet is bewezen, dat hij, eischer, en de gefailleerde bij het verrichten der handeling de wetenschap en tevens de bedoeling hadden om daardoor de schuldeischers te benadeelen; dat de Rechtbank, voor wat betreft het gevraagde verhoor op feiten en vraagpunten, zal hebben te onderzoeken, of dat verhoor kan worden toegelaten; concludeerende de eischer op deze gronden — onder volharding overigens bij zijne reeds genomen conclusie — het behage der Rechtbank de betwisters in hunne vordering niet ontvankelijk, althans ongegrond te verklaren en hun deze te ontzeggen, alles met hunne veroordeeling in de kosten van het rechtsgeding;

O. dat de betwisters der verificatie nog uitvoerig betoogden, dat de wet niet verbiedt in den loop eener procedure als de onderhavige gronden van betwisting aan te voeren, welke ter verificatievergadering niet zouden zijn voorgedragen; dat voldoende is gevorderd de nietigheid der handeling, welke nietigheid uit de handeling zelve volgt; dat wel degelijk is gesteld en ook voldoende is bewezen het feit van benadeeling der schuldeischers en. de wetenschap, dat de schuldeischers benadeeld werden, alsmede van den slechten financieelen toestand van den gefailleerde, verklarende de betwisters bij hunne genomen conclusie te blijven volharden, met winst van kosten;

Ten aanzien van het recht:

0. dat de eischer tot verificatie heeft beweerd, dat de betwisters niet ontvankelijk zouden zijn in hunne betwisting, althans in hetgeen zij vorderen bij liunne conclusie van antwoord op grond, dat a alleen kan worden acht geslagen op de gronden van betwisting ter verificatievergadering aangevoerd en de betwisters op die vergadering niet hebben ingeroepen de nietigheid der betwiste handeling, b de betwisters niet gevorderd hphhpn rla.t, y.a.1 worden uitgesproken voor recht, dat de be¬

twiste handeling is nietig en evenmin gevorderd hebben veroordeeling tot het verleenen van doorhaling van de betwiste hypothecaire inschrijving ; c de betwisters niet hebben gesteld, dat de gefailleerde bij het verrichten der betwiste handeling de wetenschap en de bedoeling had om daardoor zijne schuldeischers te benadeelen;

O. hieromtrent dat deze door den eischer tot verificatie beweerde niet-ontva.nkelijkheid — al kan worden aangenomen, dat de betwisting klaarblijkelijk is gegrond op art. 42 in verband met art. 49 der Faill.wet —• geen steun vindt in de wet;

dat toch voor wat betreft het sub a aangevoerde, al hebben blijkens voormeld proces-verbaal de betwisters niet expressis verbis ingeroepen de nietigheid der betwiste handeling, dit door de wet ook niet wordt voorgeschreven, vermits toch gemeld art. 49 tweede lid, aan de schuldeischers slechts het recht toekent om op de gronden aan de bepalingen der artt. 42—48 der Faill.wet ontleend ter verificatievergadering de toelating eener vordering te bestrijden, en uit de bestrijding ter verificatievergadering genoegzaam blijkt, dat de betwisters op de gronden ontleend aan art. 42 der Faill.wet de toelating der betwiste vordering van den eischer hebben bestreden;

dat, voor wat betreft het sub b aangevoerde, evengemeld art. 49 wel aan den curator de bevoegdheid geeft tot het instellen van rechtsvorderingen, gegrond op de bepalingen der artt. 42 48 der Faill.wet, doch deze bevoegdheid niet geeft aan de schuldeischers, die slechts bevoegd zijn om op gronden aan die bepalingen ontleend de toelating eener vordering te bestrijden; dat overigens de in voormeld art. 42 bedoelde nietigheid, niet is eene absolute nietigheid, doch slechts eene relatieve, welke alleen bestaat ten opzichte van den boedel, dat is tegenover de schuldeischers en hieruit volgt, dat in eene procedure als de onderhavige de betwisters niet alleen niet verplicht, maar zelfs niet bevoegd waren datgene te vorderen wat de eischer tot verificatie beweert, dat zij hadden behooren te' vorderen;

dat ten aanzien van het s'.'b c aangevoelde, waar da toelating eener vordering wordt bestreden op gronden., ontleend aan voormeld art. 42, deze bestrijding van zelf medebrengt een beroep op datgene, wat in die wetsbepaling daarvoor is voorgeschreven;

O. dat diensvolgens de betwisters in hunne betwisting ontvankelijk zijn;

O. dat de betwisters echter ter meerbedoelde verificatievergadering de vordering van den eischer tot verificatie ten onrechte hebben bestreden;

O. immers, dat de betwisters bij hunne conclusie van antwoord uitdrukkelijk hebben verklaard, dat zij geen belang meer hebben vol te hcfuden de betwisting van de hoegrootheid der geleende geldsom en van de eischbaarheid van de vordering van den derde — zijnde hiermede bedoeld de meergemelde firma van

Ueyen — en dat zij daarom afzien van deze ter vermcatievergadering aangevoerde gronden van betwisting;

dat diensvolgens ten processe vaststaat en overigens ook door di in het geding gebrachte akte, verleden voor notaris Brouwers te Venlo den 17den Maart 1898, voldoende is bewezen, dat de eischer tot verificatie van den gefailleerde heeft te vorderen wegens aan dezen op evengemelden datum ter leen verstrekte gelden, de voorbedoelde som van f 10000, tegen een jaarlijltsclien interest van 3^ ten honderd, terwijl door evengemelde akte eveneens is bewezen, dat de gefailleerde tot zekerheid dier hoofdsom en rente aan den eischer tot verificatie heeft verleend het recht van hypotheek op de in die akte vermelde onroerende goederen;

dat de betwisters wel is waar beweren, dat deze geldleening met de verleende hypotheek is eene complaisance geldleening ten behoeve van derde met geld van derde, namelijk de firma van Oeijen —, dat in elk geval de ter leen verstrekte geldsom niet kwam uit het vermogen van den eischer tot verificatie en dat de geldleening niet ten zijnen behoeve is geschied; dat voorts deze handeling was eene onverplichte handeling, waardoor de schuldeischers van den gefailleerde benadeeld zijn en dat bij het verrichten dier handeling, zoowel de gefailleerde schuldenaar als de eischer tot verificatie, de schuldeischer, de wetenschap hadden, dat daarvan benadeeling der schuldeischers het gevolg zoude zijn, doch dat deze bewering deels ongegrond is, deels onbewezen;

dat immers, waar vaststaat, dat de eischer tot verificatie voormelde som van f 10000 ter leen verstrekte aan den gefailleerde, het ter zake onverschillig is op welke wijze de eischer zich dat geld bezorgd had; dat dan ook, waar de gefailleerde van den eischer gemelde som ter leen ontving, de betwiste handeling met hypotheekstelling niet kan gezegd worden te zijn eene onverplichte, te meer, daar de gefailleerde, zooals eveneens

ten processe vaststaat, die som bezigde om daarmede te voldoen eene opeischbare schuld aan zijne schuldeischeres, de firma van Oeijen; dat voorts niet is bewezen, noch aangeboden te bewijzen, dat de eischer bij het verrichten der betwiste handeling de wetenschap had, dat daarvan benadeeling der schuldeischers het gevolg zoude zijn, daargelaten nog de vraag of die wetenschap bij den gefailleerde voldoende is gestaafd —■ dat dit bewijs niet kan worden verkregen door het door de betwisters gevraagd verhoor van den eischer op de door hen gestelde vraagpunten, vermits die vraagpunten met het oog op het voormelde en ook omdat deze in hoofdzaak de strekking hebben om aan te toonen, dat het ter leen verstrekte geld moest dienen ter betaling aan dj firma van Oeyen en dat deze betaling ten doél had deze daardoor boven de andere schuldeischers te begunstigen, hetgeen in deze procedure geen gevolg kan hebben, niet ter zake dienende zijn, daar toch, al werden dezo vraagpunten beantwoord in den geest,, zooals de betwisters dit beoogen, toch niet zou zijn bewezen, dat de eischer tot verificatie de wetenschap bezat, dat daardoor de schuldeischers van den gefailleerde zouden worden benadeeld, terwijl het ter zake niets afdoet of de eischer naar de waarde der in de hypotheek begrepen goederen al dan niet geïnformeerd heeft en evenmin of die goederen voldoende waarde hadden om daarop voormelde hoofdsom met renten te kunnen verhalen;

O. dat uit het vorenstaande volgt, dat de betwisters niet kunnen worden toegelaten tot het door hen gevraagd verhoor op vraagpunten, dat liunne betwisting ten onrechte is gedaan en dat, vermits niet is beweerd, dat de achterstallige interest ad f 15, door den gefailleerde aan den eischer tot verificatie is betaald, aan laatstgemeld© zijne vordering tot toelating als erkend schuldeischer voor het gevorderde bedrag met den gevorderden voorrang kan worden toegewezen;

Gelet op art. 56 B. R. :

Geeft akte, waarvan akte is gevraagd;

Verklaart de betwisters der verificatie ontvankelijk in hunne betwisting ;

Gaat voorbij het door de betwisters gevraagd verhoor op vraagpunten ;

Verklaart de betwisters ongegrond in hunne betwisting ;

Erkent den eischer tot verificatie als schuldeischer in het faillissement van J. Sanders te Horst voor a een bedrag van f 10000 voor hoofdsom; b f 15 voor achterstallige rente,; c voor renten dier hoofdsom, berekend ad 3A- ten honderd 's jaars van af 17 Maart 1900 met voorrang op "de opbrengt der daarvoor door hypotheek verbonden onroerende goederen;

Veroordeelt de betwisters der verificatie in de kosten van

het rechtsgeding, aan zijde van den eischer tot verificatie tot aan dit vonnis begroot op f65.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE 's GRAVEXHAGE.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 8 Mei 1901.

Voorzitter, Mr. H. A. van Rees.

Reohters, Mrs.: Jhr. W. H. de Savornin Lohman en Jhr. R. O. van Holthe tot Echten.

Toepassing van art. 42 der Faillissementswet.

Daar de levering van den winkelvoorraad door den gedaagde aan den nu-gefailleerde niet was een ten gebruike afstand maar eene volledige eigendomsoverdracht, zooals bij koop wordt beoogd, pleegde deze laatste eene onverplichte handeling door het aangaan van eene overeenkomst, waarbij de winkelvoorraad aan den gedaagde in eigendom werd overgedragen.

Mr. J. G. L. Nolst Trenité, wonende te Rotterdam, in qualiteit van curator in het fadlissement van J. 1. Mooyman, eischer, procureur Mr. S. K. D. M. van Lier,

tegen

H. Hessels, schoenfabrikant, wonende te 's Gravenhage, ge¬

daagde, procureur Mr. W. A. hutgeks.

De Rechtbank enz.;

Gehoord partijen in hare conclusiën;

Gezien de stukken en daaronder:

1°. de copie van een contract tusschen gedaagde en J. Mooyman, winkelier te Rotterdam, handelende onder de firma Wed. H. P. Mooyman & Zoon, dd. 27 Dec. 1898, ongeteekend en in debet geregistreerd enz.;

2°. een contract tusschen dezelfde personen, d . • >

in duplo geregistreerd enz. ; ., ,,

3°. afschrift van een boek, afkomstig van gemelden Mooyman met accoord-teekening door gedaagde, gratis geiegistreerd enz.; , _

4°. een exploit van den 5den Febr. 1900 van den deurwaarder Swam te Rotterdam, houdende namens gedaagde sommatie aan gemelden Mooyman;

5°. een exploit van dienselfden deurwaarder van den 7den Febr. 1900, houdende sommatie namens gedaagde aan L. F. Bense, winkelier te Rotterdam, Zaagmolenstraat 150;

6°. een exploit van dien deurwaarder van den 8sten Febr. 1900, houdende sommatie namens gedaagde aan L. C. Stenstra, winkelier te Rotterdam, Generaal van der Heydenstraat 65;

7°. proces-verbaal van verhoor van getuigen in het faillissement van voormelden Mooyman door den rechter-commissaris in dit faillissement den 28sten Febr. 1900;

8°. een exploit namens eischer door den deurwaarder Gems den 8sten Maart 1900 uitgebracht, houdende sommatie aan gedaagde;

Ten aanzien van de daadzaken:

Overwegende, dat de eisch strekt tot: a nietigverklaring van het sub 2 aangehaalde contract met daaruit voortvloeiende handelingen door den gefailleerden Mooyman verricht, met veroordeeling van gedaagde om aan eischer af te geven alle goederen, die zich op den 17 Jan. 1900 in na te melden schoenenzaak aan de Korte Goudsche Wagenstraat n°. 4 te Rotterdam bevonden in den toestand waarin die zich bevinden of bij gebreke daarvan aan eischer te betalen als schadeloosstelling f 5000; b vergoeding van alle schaden, kosten en interessen, geleden tengevolge van het onrechtmatig wegvoeren en tot zich nemen van de goederen in de depots in de Generaal van der Heydenstraat, de Zaagmolenstraat en tengevolge van de toeëigening van de goederen vermeld in het sub 8 aangehaalde exploit, bedragende die schade f 1000, alles met renten en kosten volgens de wet;

terwijl de eischer dezen eisch bouwt op deze gronden : dat de gefailleerde J. F. Mooyman den 27 Dec. 1898 met gedaagde heeft gesloten de sub 1°. vermelde overeenkomst, waarvan hij de na te melden inhoud stelt, dat Mooyman daarop bezit heeft genomen van de zaak, goederen daaruit verkocht en andere goederen zoowel van gedaagde als van andere leveranciers heeft betrokken en de huur van het huis geregeld heeft voldaan;

dat hij verder in Januari 1899 en in December 1899 depots heeft opgericht in de Generaal van der Heydenstraat en de Zaagmolenstraat, respectievelijk onder beheer van L. C. Stenstra en F. Bense, in welke depots goederen werden overgebracht uit de zaak in de Korte Goudsche Wagenstraat, welke goederen grootendeels van andere leveranciers dan van gedaagde afkomstig waren en door de depothouders voor rekening van Mooyman ten verkoop werden gehouden;

dat Mooyman niet heeft voldaan aan zijne verplichting om in den loop van 1899 de helft der koopsom ad f 2500 te' betalen; dat gedaagde daarop heeft weten te verkrijgen, dat Mooyman met hem het contract toekende hiervoren sub 2 aangehaald en gedagteekend 17 Jan. 1900, waarbij werd overeengekomen, dat de handel in schoenen en laarzen, uitgeoefend wordende in het benedenhuis Korte Goudsche Wagenstraat H°. 4 te Rotterdam, op denzelfden voet door den contractant Mooyman zal worden voortgezet op eigen naam of firma, doch voor rekening en risico van den contractant Hessels tegen zekere vergoeding; dat alle bij het aangaan dezer overeenkomst in gemeld magazijn aanwezige schoenen en laarzen en aanverwante artikelen die evenals de winkelopstand het eigendom van den contractant Hessels zijn, door hem ten dienste van gemelden handel aan den contractant Mooyman in consignatie worden gegeven; dat de huur van het huis is en blijft ten laste en voor rekening van contractant Hessels ; dat de contractant Mooyman als huisbewaarder in gemeld perceel zal verblijven en de contractant Hessels ten allen tijde het recht zal hebben van contractant Mooyman rekening en verantwoording te vorderen van elk beheer; dat onder d i op 17 Jan. 1900 aanwezige goederen, die met den winlcelopstand een waarde liadden van f 5000, vele goederen waren aan, Mooyman verkocht en geleverd door andere leveranciers dan gedaagde; dat gedaagde wist dat Mooyman vele schulden had, die hij niet kon betalen; dat in de schoenenzaak vele goederen aanwezig waren door andere leveranciers geleverd en dan ook kort voor het tot stand komen van gemeld contract ten kantore van den advocaat Mr. Harmens te Rotterdam aan dezen lieeft toegegeven, dat dit een onbehoorlijk contract ten nadeele der andere crediteuren was en beloofd heeft het te zullen te niet doen; dat gedaagde echter den 5 Febr. 1900, na in den ochtend van dien dag een accept van f 100 aan Mooyman te vergeefs ten fine van betaling te hebben aangeboden met deurwaarder Swam, zijn neef Hessels en den zaakwaarnemer de Ruyter, in de schoenenzaak aan de Korte Goudsche Wagenstraat te Rotterdam is ingevallen, door dien deurwaarder Mooyman heeft doen sommeeren op staanden voet rekening en verantwoording van zijn beheer af te leggen en toen deze zeide zijn advocaat te willen raadplegen, hem heeft aangezegd dat gedaagde van dit oogenblik af zijn volmacht herriep en Mooyman dienzelfden dag het huis had verlaten; dat nadat die deurwaarder op alle winkelgoederen ten verzoeke van den neef Hessels en ten laste van gedaagde zoogenaamd beslag had gelegd en Mooyman geweigerd had het huis te verlaten iviooyman op aanstichting van gedaagde ten slotte door de politie is verwijderd; dat gedaagde de schoenenzaak met al wat zich daar op den 5 Febr. in bevond, in bezit heeft genomen en sinds gehouden ; dat zich daaronder bevonden goederen in hfe't sub 8 aangehaalde deurwaardersexploot specifiek opgenoemd en na den 17 Jan. 1900 aan Mooyman door C. M. Visscher te Waalwijk, A. Elshout—Kitslaar te Waalwijk en Gebrs. Weyl te Enschede verkocht en geleverd; dat gedaagde verder door den deurwaarder Swam van de depothouders van Mooyman alle goederen heeft doen opeischen in diens depots in de Generaal van der Heydenstraat en de Zaagmolenstraat, aan Mooyman toebehoorende, die 'heeft vervoerd naar de Korte Goudsche Wagenstraat en ten eigen bate aldaar heeft verkocht, althans zich die heeft toegeëigend; dat J. F. Mooyman bij vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van den 10 Febr. 1900 is verklaard in staat van faillissement, met benoeming van eischer als curator; dat eischer nu de nietigheid inroept van het contract van den 17 Jan. 1900 tusschen Mooyman en gedaagde aangegaan, als zijnde een door Mooyman voor de failhetververrichte handeling, waardoor de schuld¬

eischers benadeeld zijn; dat immers vóór het contract van den 17 Jan. 1900 de schuldeischers van Mooyman op de goederen in diens zaak aanwezig verhaal konden zoeken voor hunne vorderingen zulks niettegenstaande de in rechte geheel waardelooze bepaling van de overeenkomst van den 27 Dec. 1898, luidende dat de schoenenzaak met al wat daarin aanwezig zou zijn, eigendom bleef van Hessels, zoolang de koopsom niet betaald was, welk verhaal tengevolge van het contract van den 17 Jan. 1903 verloren ging; dat zoowel Mooyman als gedaagde op den 17 Jan. 1900 de wetenschap bezaten dat benadeeling der schuldeischers gevolg hunner handelingen zoude zijn; dat beiden toch wisten, dat Mooyman vele onbetaalde schulden had; dat hij geen of nagenoeg geen andere goederen bezat dan die in gemelde schoenenzaak aanwezig waren en geen middelen om zijn schuldeischers te voldoen; d<at eischer tot het instellen dezer actie is gemachtigd door den rechter-commissaris in het faillissement;

•O. dat de gedaagde concludeerende als aan het slot van zijne conclusie is vermeld, heeft doen zeggen, dat hij al datgene wat bij dagvaarding en conclusie van eisch is gesteld, ontkent; dat hij onder uitdrukkelijke handhaving van de onsplitsbaarheid van zijne bekentenis, den rechter eenige mededeelingen wil doen; dat inderdaad gedaagde met J. F. Mooyman omstreeks December 1898 heeft gecontracteerd in den geest als door eischer is gesteld, doch hij zich den juisten inhoud van dat contract niet herinnert; dat de depots door Mooyman opgericht in de Generaal van der Heydenstraat en de Zaagmolenstraat te Rotterdam doör dezen zijn opgericht in strijd met de overeenkomst van December 1898 en de goederen in deze depots zich bevindende, door den gedaagde in ieder geval konden geacht worden van hem, gedaagde afkomstig te zijn, omdat Mooyman nooit hem, gedaagde, heeft geraadpleegd of aan de voorwaarde eene verklaring van gedaagde of hij al of niet genegen was aan Mooyman te blijven leveren voor een prijs, minstens zoo laag als hij, Mooyman bij andere leveranciers zou kunnen koopen, was voldaan; dat dus gedaagde onmogelijk weten kon of wist dat Mooyman rechtstreeks of door middel van anderen goederen onder zich had, die niet door gedaagde zelf waren geleverd; dat hij, daar Mooyman zijne verplichtingen niet nakwam, het contract van Januari 1900 heeft gesloten om een eenvoudig en goedkoop executiemiddel tegen hem te hebben, niet wetende dat hij ook van anderen goederen had betrokken; dat hij dit executiemiddel in het nieuwe contract heeft gevonden, zoodat hij hem bij nalatigheid terstond kon sommeeren om rekening en verantwoording te doen en tot zich kon nemen alle goederen door hem aan Mooyman geleverd, als hoedanige goederen terecht werden beschouwd

Sluiten