Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alle goederen tot de bedoelde zaak betrekkelijk, die zich bevonden onder Mooyman; dat hij ook dit laatste contract niet in allen deele kent; dat hij gerechtigd was te doen, wat hij deed, daar hij niet wist, dat Mooyman toen ter tijde, verkeerde in déconfiture, noch wist dat Mooyman andere schoenen onder zich

liad dan hij, Mooyman, van gedaagde nad betroMen; aai gedaagde niet wist en onmogelijk weten kon dat Mooyman meerdere onbetaalde schulden had of schulden die hij niet kon betalen, noch wist dat het niet nakomen der verplichtingen door Mooyman tegenover gedaagde was te wijten aan onwil, dan wel aan onmacht; dat hij volstrekt niet wist, dat in verband met het vermelde het aangaan van het contract van Januari 1900 als gevolg zou hebben benadeeling der schuldeischers en gedaagde nog eens speciaal ontkent, dat die wetenschap toen bij

hem bestond;

' {■ dat de eischer bij repliek heeft doen zeggen, dat hij zijne posita moet bewijzen, voor zooverre die namelijk betwist zijn; dat hij daartoe in het geding brengt de sub 1 tot en met 8 aangehaalde stukken die de vorderingsposita bewijzen; dat daaruit o. a. blijkt dat' gedaagde wist, dat Mooyman goederen van anderen had betrokken en op den 17den Jan. 1900 meerdere schulden had, herhalende hij de in het boek sub 3 aangehaald, voorkomende leveranties van 1899 en de daar vermelde crediteuren; dat uit ditzelfde boek blijkt, dat hij een voorraad goederen bezat op den lsten Jan. 1900 van f 4844.59, en geld in kas ad f 131.70 en crediteuren, met gedaagde's vordering, tot een bedrag van f 7oo0, buiten de rente aan gedaagde, zoodat hij Mooymans zinkenden toestand kende; dat niet is weersproken en alzoo vaststaat dat de goederen op den 17den Jan. 1900 in de Korte Goudsche Wagenstraat n°. 4 eene waarde hadden van f 5000; dat mede niet is weersproken en bovendien bewezen, dat gedaagde zich heeft toegeëigend de goederen, die zich in de depóts bevonden in de Generaal van der Heydenstraat en de Zaagmolenstraat, welke goederen, onverschillig hun oorsprong, eigendom van Mooyman waren; dat gedaagde de waarde van die goederen en van die in de sub 8 aangehaalde productie omschreven, niet heeft betwist;

O. dat de gedaagde heeft gedupliceerd, dat hij alle posita van den eisch, zonder uitzondering heeft weersproken en alzoo ook de waarde van de goederen op den 17den Jan. 1900 in de Korte Goudsche Wagenstraat en die op den 7den Febr. 1900 in de dépots en die omschreven bij de sub 8 aangehaalde productie;

dat hij zich, wat de bewijskracht der producties betreft, re¬

fereert aan 's rechters oordeel, maar alleen opmerkt:

a dat het aangevallen contract dateert van den 17den Jan. 1900 en de accoordteekening van gedaagde van het boek van den 18den Jan. 1900;

b dat uit niets is gebleken, dat gedaagde op den 17den Jan. 1900 of later iets wist van Mooyman's zinkenden toestand; dat niet is bewezen noch zelfs gesteld, dat Mooyman de wetenschap had van benadeeling der schuldeischers bij het aangaan van hefc contract; dat eischer in gebreke is gebleven, zijn recht op de dépötgoederen te bewijzen;

O. dat partijen daarop recht op de stukken hebben gevraagd ; In rechte:

O. dat de in den eisch gestelde overeenkomsten tusschen gedaagde en den thans gefailleerden Mooyman van den 27 Dec. 1898 en den 17 Jan. 1900 door gedaagde niet zijn betwist en trouwens bewezen door de in geding gebrachte stukken sub 1 en 2 aangehaald, van welke overeenkomsten de gedaagde niet betwist dat de in het geding gebrachte copie van de eerstgenoemde overeenkomst overeenstemt met het origineel;

O. dat de eischer, van wien gedaagde blijkbaar niet heeft willen betwisten, dat hij is curator in het faillissement van gezegden Mooyman en dat hij tot het instellen dezer actie behoorlijk is gemachtigd (zijnde er in het antwoord geen sprake van een geclausuleerd aveu, maar van eene gedeeltelijke erkentenis en eene gedeeltelijke ontkentenis) in de eerste plaats vordert de nietigverklaring van het laatstgemelde contract van den 17den •Tan 1900, als zijnde van de zijde van den nu gefailleerde het

aann-aan van dit contract eene onverplichte handeling, waardoor zijne schuldeischers benadeeld zijn, terwijl bij het verrichten der handeling zoowel de nu-gefailleerde als de gedaagde de wetenschap bezaten dat daardoor benadeeling der schuldeischers het

gevolg zou zijn;

O. dat immers de bewering van gedaagde bij dupliek, dat die wetenschap ten aanzien van den nu-gefailleerde Mooyman, met zou zijn gesteld, is feitelijk onjuist;

O. dat alzoo moet worden beslist in de eerste plaats ol deze handeling van Mooyman, het aangaan van deze overeenkomst met gedaagde, was onverplicht en de schuldeischers daardoor benadeeld zijn;

''' de beantwoording van deze vragen noodig maken de beooi deeling van de overeenkomst tusschen gemelde personen van den 27sten Dec. 1898 met het oog op dei vraag of daarbij eene verplichting door Mooyman op zich was genomen, welke

ij « ™' "ader werd in schrift gesteld en of de ge¬

melde Mooyman door de overeenkomst van den 17den Jan. 1900 door goederen of rechten aan den gedaagde over te dragen, zijne schuldeischers in slechter conditie bracht-, als te voren;

O. daaromtrent dat bij het contract van den 27sten Dec. 1898 is bepaald, dat de nu gedaagde verklaart aan gezegden Mooyman te hebben verkocht en geleverd, die verklaart gekocht en ontvangen te hebben, het door gedaagde in het benedenhuis van pand n°. 4 aan de Korte Goudsche Wagenstraat te Rotterdam gevestigde schoenen en laarzenmagazijn, bestaande uit de in dat benedenhuis aanwezige winkelopstand met al de zich daarin bevindende schoenen en laarzen enz. voor een prijs van f 5000; dat Mooyman die gelden zal betalen, de helft in den loop van 1899 en de wederhelft na den lsten Jan. 1900 in driemaandelijksclie termijnen van f 125, vervallende den lsten April, den lsten Juli, den lsten Oct. en den lsten Jan., te beginnen met den lsten April 1900, alles met eene rente ad 5 pCt. 's jaars voor d° tV^re n°® a%e!ost> te betalen telkens met de aflossingen; ■ïd f do. buur van gedaagde overneemt en de huurprijs

V-lil W° Pjr maanden vooruit zal voldoen aan den eigenaar v',.1 ril .,I!an •' dat als Mooyman in gebreke blijft de betalingen

liuim» aSTZÏ'.ÜSlS;£ ■ " "Ti"'1"

iZZn LSWrt31 s 5 K?5ï

1 t I lf+ f9™'1' * gedurende den tijd dat Mooyman de eerste helft ad f 2500 aan gedaagde moet aflossen, hij zorgen zal dat zijn voorraad winkelgoederen met de in kas zijnde gelden een waarde heeft minstens gelijkstaande met het nog door hem verschuldigde, hetgeen de gedaagde zal mogen controleeren en bij gebreke waarvan hij ontbinding kan vragen van de overeenkomst; dat, zoolang de geheele koopsom met rente niet is afbetaald, de schoenenzaak met al wat daarin aanwezig zal zijn, het eigendom van gedaagde blijft, zoodat hij het recht zal hebben de zaak dadelijk zonder eenige gerechtelijke in gebrekestelling weder in bezit te nemen; dat Mooyman gedurende den loop van dit contract verplicht zal zijn, zijn winkelgoederen van gedaagde te betrekken, zoolang deze die goederen even goedkoop

verkoopt als andere leveranciers en hij, Mooyman, verplicht zal zijn alvorens van anderen te koopen, gedaagde te raadplegen, die zich dan verklaren zal of hij bereid is voor die prijzen te leveren; dat bij overlijden van Mooyman vóór het voldoen der schuld, 'de gedaagde recht heeft de geheele som ineens te vorderen en' als de erven of rechtverkrijgenden binnen acht dagen na dit overlijden die som niet betalen of zekerheid stellen naar genoegen van gedaagde, om die som binnen een maand na overlijden te voldoen, liij den winkelopstand en inventaris tegen taxatie van deskundigen kan overnemen;

O. dat bij deze overeenkomst gedaagde aan Mooyman het daarbij bedoelde schoenen en laarzenmagazijn met winkelopstand en voorraad verkoopt en levert;

dat blijkens de bepalingen van dit contract de levering terstond plaats liad en de levering van het verkochte met was een ten gebruike afstand, maar een volledige eigendomsoverdracht, zooals bij koop wordt beoogd, wijl immers de bedoeling van partijen daartoe blijkt uit de overdracht van het magazijn elders in de overeenkomst de schoenenzaak genoemd, daartoe strekkende dat de kooper met den winkelvoorraad, die hem verkocht en geleverd is, handel zal drijven voor eigen rekening ■ ■ . .. . .. .1-,..™ ..Inwflr den vnlledieen eiffendom

ea risico en <>i< , ..

van de verkochte winkelvoorraad kon beschikken en de bedoeling blijkbaar is, dat hij daarover zal beschikken en nieuwe winkel-, voorraad bij voorkeur van gedaagde zal koopen; dat dan ook bij niet voldoening aan de betalingsplicht door den kooper, de verkooper de geheele koopsom zal kunnen vorderen; dat nu wel wordt bepaald, dat de verkooper controle zal uitoefenen, maar deze alleen strekt tot voldoening van de bepaling dat de kooper zorgen moet, dat de winkelvoorraad weer wordt aangevuld, niet om de beschikking van den kooper te beperken over de gekochte waren; dat verder voor de levering als eigendomsoverdracht pleit, dat de verkooper onder zekere omstandigheden bij overlijden van den kooper, de winkelvoorraad en winkelopstand weer kan overnemen tegen taxatie, als de koopsom niet is be taald; dat nu wel de overeenkomst inhoudt, dat de schoenenzaak met al wat daarin aanwezig zal zijn, het eigendom blijft van den gedaagde, zoolang de kooper de koopsom niet heeft betaald, zoodat hij bij gebreke van nakoming der bepalingen van het contract, het recht zal hebben de zaak dadelijk zonder gerechtelijke ingebrekestelling weer in bezit te nemen, maar deze bepaling niet de bet eekenis kan hebben dat geen eigendomso verdracht zou hebben plaats gehad, omdat zulks in strijd zou komen met da bepaling van directe levering, waarmede blijkens het voormelde

• i T 1. j. " U, J^l.l 1» .«4- rlo. V»P,

eigenaomsoveraracm/ is ucuuciu. v«m nci vuruuiw, ^ —

paling dat de verkooper bij wanbetaling de koopsom geheel in

1 1 «v» mof rlV»ptvilinrr incrftVal Va.Tl- OVerl.ildöll.

eens Kcin vujlu.cj.cii ch «- »

de eigendom weer tegen taxatie zou kunnen worden overgenomen; ,

dat trouwens deze bepaling aldus opgevat, zou inhouden dat de eigendom van hetgeen in de zaak aanwezig zou zijn na den handel gedreven door den kooper voor eigen rekening, hetgeen dus met een winkelvoorraad steeds wisselend is, het eigendom zou blijven van den verkooper die mogelijk de dan aanwezige winkelvoorraad nooit bezat, althans de eigendom als verkooper had overgedragen ;

O. dat alzoo bij deze bepaling blijkbaar bedoeld is door partijen, in overeenstemming met de andere bepalingen van de overeenkomst, dat ingeval van wanpraestatie door den kooper de verkooper zonder in verzuimstelling ontbinding zou kunnen vorderen, waardoor hij in den eigendom van de verkochte zaak kon worden hersteld, hetgeen temeer het geval is, waar alle duistere bedingen ten nadeele van den verkooper moeten worden uitgelegd;

O. dat, waar dit de rechtstoestand tusschen gedaagde en de nu gefailleerde Mooyman was, tot het contract van den 17den Jan. 1900 gezegde Mooyman eene onverplichte handeling pleegde door het aangaan van de overeenkomst van den 17den jan. 1930 en het teekenen van het contract waarbij aan den gedaagde

ji tv x J — ji rtXT-£»T»nrorlr,n.orpn Vfl.n fltt toen

UOOL lYLOUj' UÜ cigciiu.<jiii vyuiUb - —-

aanwezige winkelvoorraad, althans aan het contract van den 27sten Dec. 1898 een uitlegging gegeven wordt alsof de eigendom van die voorraad aan den gedaagde toebehoort, deze de zaak terug ontvangt voor eigen rekening en de nu gefailleerde alleen als zetbaas optreedt, onder verplichting van ten allen tijde rekening en verantwoording van zijn beheer te doen, waardoor de eigendom van zijne goederen aan gedaagde werd overgedragen, althans die overdracht daarbij werd geconstateerd en waardoor dus de rechten van andere schuldeischers geschonden en deze benadeeld werden ;

dat immers die benadeeling volgt uit deze eigendomsoverdracht, in verband met de niet betwiste feiten dat er andere schuldeischers van Mooyman waren; dat deze nagenoeg geen andere goederen bezat dan de goederen in zijn schoenenzaak en geen middelen om zijn schuldeischers te voldoen en dat dan ook Mooyman den lOden Febr. 1900 in staat van faillissement is verklaard, terwijl de teruggave van den eigendom van de verkochte winkelvoorraad en winkelopstand eerst dan verplicht was, als de ontbinding der koopovereenkomst was uitgesproken, hetgeen niet

had plaats van Mooyman betreft, dat door deze

handeling (door het aangaan en teekenen van dit contract) zijne schuldeischers werden benadeeld, deze wetenschap wordt bewezen door den stand van zijn zaak op den 17 Jan. 1900, die hem was bekend blijkens het boek, waarvan copie sub 3 aangehaald in het geding is gebracht, welke copie gedaagde met betwist als niet overeenkomstig het origineel en waarvan mede is onbetwist, dat dit boek van hem afkomstig is, terwijl daarin als crediteuren, behalve de koopsom aan gedaagde met renten verschuldigd, worden vermeld eenige personen niet vorderingen tot een bedrag van f2032.12 op den 1 Jan. 1900, alzoo destijds zijne schuld bedroeg met die koopsom en rente omstreeks f7280, terwijl als winkelvoorraad en gelden wordt vermeld een waarde van f4844.59 en f 131.70 in kas, zoodat waar met is betwist, dat hij zoo goed als geen ander goed bezat, de nu gefailleerde wel wist, dat hij veel meer schuld dan goed bezat en wel moest begrijpen en begrepen heeft dat hij, door zijn winkelvoori en zaak aan een zijner schuldeischers over te dragen, de anderen van zoo goed als alle onderpand voor hunne vorderingen berooide, terwijl hem zijne onmacht om zijn schulden te voldoen tevens gebleken was door het niet betalen kunnen van zijn schuld aan gedaagde, dat toch zeker, waar hij gewillig zijn zaak met win p>n weer overdroes? niet aan onwil was te

JVCHI/U11UIW.I UJUlll gvuaaguu O

wijten, maar aan onmacht om te betalen;

O. dat de wetenschap van gedaagde, dat door deze handeling van Mooyman zijne andere schuldeischers werden benadeeld, mede in dit geding is bewezen;

dat immers dit bewijs voortvloeit uit deze bewezen feiten: a dat hij voor gezien en accoord bevonden teekende voormeld boek van Mooyman, houdende eene rekening en overzicht van den stand van 'zijn zaak op den 1 Jan. 1900 en een opgave van verschillende crediteuren, buiten hem, gedaagde, met de hun verschuldigde bedragen te zamen met leverantiën door hem, gedaagde, ad f456.75 bedragende f2032.12 met de aan liem, gedaagde,

verschuldigde koopsom beloopende omstreeks f7280 en een waarde aan goederen van f4844.59 en een kassaldo van f 131.70;

b dat deze accoordbevinding door gedaagde wel is gedateerd 18 Jan. 1900, maar hij blijkens het sub 7 aangehaalde procesverbaai aan den rechter-commissaris in het faillissement van Mooyman op den 28 Febr. 1900 verklaarde bij zijn verhoor als getuige :

„Ik heb mij in het begin van Januari 1900 met goedvinden van Mooyman weer in de zaak, het schoenenmagazijn aan de Korte Goudsche Wagenstraat n°. 4 te Rotterdam begeven en alles wat daarin was in bezit genomen. Toen ik mij weer in het bezit van mijn zaak stelde, het was op den 17 Jan. 1900, bleek mij uit de mij toen door Mooyman vertoonde balans, die ik toen in allen deele met mijne goedkeuring heb onderteekend, dat in den winkel voor ongeveer f 4100 aan goed aanwezig was. Ik wist dat Mooyman ook terwijl hij de zaak voor zich dreef, goederen van anderen betrokken had, en ook stond in zijn balans een lijst van crediteuren op den 1 Jan. 1900 ten bedrage van ruim f 2000, mede door mij voor accoord geteekend. Ondanks dit heb ik niet aan Mooyman gevraagd, of er goederen van anderen inzat" ;

O. dat hij van Mooyman geen betaling had ontvangen van de helft der koopsom ad f 2500, schoon de tijd van betaling daarvan was verschenen, hetgeen hij toch bezwaarlijk aan iets anders dan aan onmacht kon toeschrijven, waar Mooyman zoo gewillig hem onverplicht zaak en goederen overdroeg, terwijl hem onder deze omstandigheden duidelijk moest zijn en dan ook duidelijk was dat, waar Mooyman hem de winkelvoorraad met winkelopstand en zaak overdroeg er voor de andere crediteuren niet veel zou overblijven;

O. dat de gedaagde niet heeft betwist, dat hij den 5 Febr. 1900 Mooyman heeft doen sommeeren om op staanden voet rekening en verantwoording van zijn beheer te doen en hem heeft doen aanzeggen dat hij het huis had te verlaten, alsmede dat Mooyman door de politie op zijn, gedaagde's, aanstichting is verwijderd en hij, gedaagde, de schoenenzaak met al wat zich daarin be\ond in bezit heeft genomen en gehouden, wordende trouwens het feit der sommatie en aanzegging bewezen door het exploit van den deurwaarder Swam sub 4 aangehaald, waaruit dit een en ander wordt geconstateerd en de andere feiten door ziine erkentenis bii voormeld verhoor van den rechter-commissa¬

ris in het faillissement van Mooyman, dat hij op den 5den Febr. 1900 Mooyman uit den winkel in de Wagenstraat deed zetten en hij zich opnieuw in het bezit stelde van de goederen daarin aanwezig en dat hij die goederen deed verkoopen;

O. dat de eischer gerechtigd is tot de sub a ingestelde vordering, ook wat de vergoeding betreft, die hij bij niet afgifte van de goederen vraagt tot een bedrag van f 5000;

dat immers zoo al mag worden aangenomen, dat de gedaagde dat bedrag als de waarde der goederen heeft betwist, deze betwisting niet voldoende met redenen is omkleed, waar hij daarbij niets vermeld omtrent de waarde, die gemelde goederen dan zouden hebben, en hij, die blijkens zijne verklaring voor den rechter-commissaris in gemeld faillissement in het sub 7 aangehaalde proces-verbaal een lijst bezat van de goederen die hij op den 17 Jan. 1900 in bezit nam, in gebreke blijft van die voorwerpen iets te vermelden evenals van hunne waarde;

O. dat, terwijl als onbetwist en door gedaagde bij zijn meervermeld verhoor erkend, vaststaat, dat hij op den 5 Febr. 1900 zich in het bezit heeft gesteld van den geheelen winkelvoorraad in den winkel aan de Goudsche Wagenstraat („van de goederen daar aanwezig") mede uit dat verhoor is bewezen door gedaagde's erkentenis, dat hij op den 17 Jan. 1900 aan Mooyman toestemming heeft gegeven om van anderen te koopen, dat hij na Mooyman's faillietverklaring een brief van den eischer heeft ontvangen, reclameerende de goederen na den 17 Jan. 1900 door anderen aan Mooyman geleverd en in den winkel aanwezig en dat de goederen van Gebrs. Weyl, waarover die brief handelt alle, althans grootendeels, daar nog aanwezig zijn (tijdens het verhoor);

dat mede vaststaat door het sub 8 aangehaalde deurwaardersexploit, dat gedaagde door eischer op den 8 Maart 1900 is gesommeerd om de daarin specifiek omschreven goederen, wordende daarbij de prijs tevens, althans grootendeels opgegeven, door Mooyman na den 17 Jan. 1900 en voor den 5 Febr. 1900 van anderen gekocht en ontvangen, namelijk van C. M. Visscher te Waalwijk, A. Elshout-—Kitslaar te Waalwijk en de Gebrs. Weyl te Enschedé, in bezit bij gedaagde, aan den eischer af te geven met in morastelling bij gebreke van voldoening daaraan;

O. dat, waar dit een en ander vaststaat, de gedaagde, die wel eerst in het antwoord eene algemeene ontkentenis * van de posita van den eisch doet, maar die daarop een exposé laat volgen, door hem een onsplitsbaar aveu genoemd, maar in werkelijkheid een gedeeltelijke erkentenis en een gedeeltelijke ontkentenis bevattende, niet kan volstaan met de algemeene ontkentenis, die, waar hij zich daarna in anderen en daarmede strijdigen geest over de feiten uitliet, niet duidelijk aangeeft wat hij ontkent, speciaal niet, waar hij in de gedeeltelijke ontkentenis zegt, dat hij niet wist dat Mooyman andere schoenen onder zich had dan hij van gedaagde had betrokken en dus, zooal niet uitdrukkelijk, erkent dat Mooyman andere schoenen onder zich had, dit toch zeker niet betwist, hebbende hij zelfs bij zijn verhoor voor den rech-

ter-commissaris erkend, dat Mooyman schoenen van Gebr. Weyl had ontvangen na den 17den Jan. 1900 en voor den 5 Febr: 1900;

■0. dat dus deze feiten zeker niet behoorlijk zijn betwist, door eene zoodanige algemeene ontkentenis, die door zijne judicieel® houding in dezen weder wordt vernietigd en niet is gespecificeerd, tegenover de specifieke opgave door eischer bij explóit van sommatie gedaan, waarnaar in dezen eisch wordt verwezen;

O. dat alzoo de gestelde feiten, dat gedaagde mede op den 5 Febr. 1900 in bezit heeft genomen en sinds gehouden de goederen opgegeven in het sub 8 aangehaalde deurwaardersexploit door Mooyman na den 17 Jan. 1900 gekocht en Ontvangen van de genoemde personen Visscher, Elshout-Kitslaar en Gebrs. Weyl, vaststaan;

O. dat het feit, dat gedaagde door den deurwaarder Swam van Mooyman's dépöthouders in de Generaal van der Heydenstraat en de Zaagmolenstraat heeft doen opeischen de goederen in die dépots van Mooyman aanwezig, wordt bewezen door de sub 6 en 5 aangehaalde deurwaarders exploiten van den 17 en den 8 Febr. 1900, waarbij de deurwaarder constateert, dat hij ten verzoeke van gedaagde aan die dépöthouders heeft doen aanzeggen, dat hij van hen opvordert eene partij schoenen, laarzen, pantoffels en aanverwante goederen, door Mooyman aan hen ter hand gesteld en zich bevindende in hunne woning; terwijl het feit dat die goederen aan Mooyman toebehoorden, volgt uit het feit, dat ze door dezen aan de depóthouders zijn ter hand gesteld e i alzoo door dezen voor Mooyman werden bezeten, in verband met gedaagde's erkentenis bij zijn verhoor voor den rechter-commissaris, dat hij de goederen uit de winkels, die Mooyman in de Zaagmolenstraat en van der Heydenstraat had, omdat die goederen begrepen werden onder het magazijn Korte Goudsche Wagenstraat, heeft doen weghalen, terwijl de eigendom van de

Sluiten