Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komt, nl. hoe de in art 2 bedoelde tweemaandelijks sche tijdvakken moeten worden berekend. Wordt deze wetsbepaling toegepast in dien zin, dat vanaf een bepaalden datum, hetzij die van de inwerkingtreding der wet, hetzij die van het begin van den cursus (Ketelaar, Leerplichtwet blz. 6), hetzij die der plaatsing van het kind op de school (Hartman, Vvet L. O., 3de vervolg, blz. 149), die termijnen gerekend worden, dan loopen deze altijd door, en de conclusie, waartoe Mrs. Van der Does en Maris ten aanzien van bovengestelde vraag komen, is dan stelbg juist. Zijn echter de in art. 2 al. 2 bedoelde twee maanden slechts tijdperken van 60 dagen '(zie 's Ministers antwoord aan Mr. Loeff, Hand. 1145) „onverschillig met welken datum men begint te tellen" (Mr. van Helse, in zijn onbeantwoorde vraag aan den Minister, Hand. 1146), dan bestaat er wel degelijk grond, met eiken nieuwen proeftijd, dus na eiken maatregel van art. 21, tevens een nieuwe reeks tweemaandelijksche termijnen te doen ingaan.

De wet nu beslist die belangrijke vraag niet; raadpleging deihandelingen geeft ook geen zekerheid. De verdedigers (op dit punt) van het Apeldoornsche vonnis echter stellen 't voor, alsof daarover geen strijd bestaat; in 't voorbijgaan zegt Mr. v. d.

m dat de tekening maet geschieden van af 1 Januari. 1901, en Mr. Maris sluit zich zonder motiveering hierbij aan. Zóó weinig zeker evenwel zijn van de aan bedoelde bepaling te geven uitlegging de arr.-schoolopzieners, dat zij door verscheidenen van hen werd en misschien nog wordt toegepast in dien, naar iuii meening 't meest aan 's wetgevers bedoeling beantwoo-rdenden zin, dat bij elk onverschoonbaar verzuim moet worden nagegaan of in het daaraan voorafgegane tijdperk van twee maanden (60 dagen) reeds twee dergelijke verzuimen zijn voorgekomen, en in dat geval aangemaand of een verdere maatregel genomen. Om aan die onzekerheid voor ons schoolopzieners van eenzelfde district althans een einde te maken, werd door mij in overleg met mijne ambtgenooten de Minister omtrent de 9a"a te-i volëen gedragslijn geraadpleegd. In zijn antwoord, ad. do April, verklaarde Minister Goeman Borgesius „vanmeeMng (te zijn), dat de bepaling van art. 2, 2de lid der Leerplichtwet, nu die op 1 Januari 1901 in werking is getreden, zoo. moet worden uitgelegd, dat zonder geldige reden mogen worden verzuimd twee schooltijden in Januari en Februari, twee schooltijden in Maart en April, enz." Deze ministeneele uitlegging schijnt aan meer andere schoolopzieners te zijn gegeven, want ik las dezelfde woorden reeds elders; doch zeer te betreuren is 't, dat bij het zwijgen der wet te dien aanzien 's j/Tinisters uitlegging niet bij circulaire aan alle arr.-schoolopzieners als gedragslijn is voorgeschreven. Evenwel wordt deze interpretatie, voor welke zich aldus de meest bevoegde uitlegger, de ontwerper dier onveranderd aangenomen wetsbepaling, verklaarde, blijkbaar reeds vrij a gemeen aangenomen> en naar die interpretatie was het vonnis ^ Apeldoorn op dat punt stellig juist. Toen het kind twee schooltijden zonder geldige reden had verzuimd, had 't zijn recht s. v. v. — verbruikt, met een volgend ongeoorloofd verzuim pleegde zijn vader de wetsovertreding van ongeregeld schoolbezoek, al was dit verzuim het eerste na de aanzegging.

2. Mag de kantonrechter op grond van armoede of andere ernstige omstandigheden, bedoeld in art. 12 sub 5° der wet, ontslaan van rechtsvervolging? (3)

Lettende op de woorden, waarmede art. 6 sub 2° de overtreding omschrijft, is men geneigd deze vraag bevestigend te be^ antwoorden. Maar wanneer men dit artikel in verband met de irf* TolSende> ln bijzonder artt, 16 en 17 beschouwt, dan ijkt het duidelijk, dat het niet de bedoeling van den wetgever is geweest, den Ambtenaar van het Openb. Min. en den kantonrechter met het onderzoek naar het al of niet aanwezig zijn dei* redenpn, va.n. art 12 sul-» RO t>;-: j i. i. i i-

jl»ij ub ueiicinaeiing

van art. 16, 3de: lid, der wet in de Tweede Kamer waren de voornaamste juristen der oppositie — bij de uitlegging dezer wet is dit van belang — aan 't woord. De tegenwoordige Minister van Justitie en Mr. de Savornin Lokman hadden bezwaar te¬

gen ae wooraen „acnt.... onverschoonbaar der voorgestelde bepaling, waarmede Mr. Loeff „een soort appèl van uen arrond.snhnnlnr>zip.npr +,pn nn.rïpplp van. rl^n ...tn

' Cli clUUL te.

De Minister gaf hierop een geruststellend antwoord, dat hij la-

+ ov. 1 4. 1 t~\,. cl, . , t 1 1

c v cuvyei, tuein ue neer jl/jü oAYUJttJNiA uumma^ ae vraag nerhaalde, eenigszins wijzigde (Hand. 1209 v., 1214). Maar al bestond er twijfel over de vraag, of naar de woorden van het ont^erp de schoolopziener nog anders kan beslissen, wanneer het

id d. s. een verzuim ais verschoonbaar heeft aangeteekend, waarover w;,1.1 ..n . i , i.. ..

ffewn jxitttw. wiijivciijiv ciue spreKers \ eens, Uctu vuui uci

van i e 8®Val> waarin zich de schoolopziener met de appreciatie Jlinisf.6 , . °fd vereenigt, „de zaak daarmee uit is", zooals de ment ?] Zl°'1 "itdrukte. En bij de toelichting van zijn amendede vAi ?S hefc laatste 'lid van art. 16, zeide de. heer Ketelaar

lof I t' met weersproKen woorden: „het oordeel daarover oi net verzuim, waaromtrent binnen acht dagen geen bericht is « gekomen, verschoonbaar is) blijft bij den schoolopziener, die *-og een onderzoek kan instellen, wat weinig moeite zal opleveren, vooral waimeer ons amendement betreffende de commissiën ioi> wering van schoolverzuim wordt aangenomen".

De kantonrechter nu, die bovenstaande vraag metterdaad vestigend beantwoordt, verklaart daardoor een aantal verzuimen verschoonbaar, die den schoolopziener, voorgelicht door hoofd Wh? commissje f W. v S., als onverschoonbaar aanleiding tot het nemen der in art. 21 voorgeschreven maatreaelen ziin ST ; "J °nte!rt den ^klaagde van rechts"gfng mS? schien op geen anderen grond, dan dat de-ze ter zitting een zoenen h!, ?, e2 'u d,1n v9ldwacht« lust 'srnans klaagredens wL spreken. Schoolhoofd, commissieleden en schoolopziener worden er wellicht geheel buitengesloten.

tredwjf de bedt;elil«' °°k van den strafwetgever, die de overven w i • ,°P van principieele verschillen van de misdrij-

snJ *' Z1J" geweest, dat de kantonrechter een dergelijk ooistanrt; °nderzo®k zou doerl naar de vraag of iemands levensketrekkol^-i6ren ."eantwoorden aan het zoo rekbaar en uiteraard sulfaat + i °e8rlP van „armoede", en een z. i. bevestigend relage 1, ,aanleldlB£ zou nemen, niet om af te. dalen tot het a minimum, maar om te ontslaan van rechtsvervolging?

Wwde^f, het verzuim van opeenvolgende schooltijden beschouwd als „voortgezette handehng?"

strafmin^m 18 7™ gr°ot ^elang met het °°Z °P het algemeene soms ovér ï ieea r,eeks Van onverschoonbare verzuimen, kan de reehTSr611 looP?nde' te combmeeren tot één delict, dan echter voor alle te zamen afdalen tot de minimum-boete

^\eIn7nSJLuLini® i^^^de eevallen den regel

wpi ° uc mer ueu

van jlet tt volgen, maar gelijk in het na te melden vonnis

^ne voorzienmo- in iVttll^ngereclit eene vrijspraak, alleen door *»* htt

van f 0.50, subs. 1 dag hechtenis; anders moet voor elk verzuim minstens daartoe veroordeeld worden.

Dat dergelijke combinatie, in 't geval der schoolverzuimen niet is toegelaten, volgt reeds uit den aard dier verzuimen zelf; niet dan met verkrachting van den in art. 56 Strafrecht gestelden rechtsregel kunnen de verzuimen, die immers noodzakelijk van elkaar door een tijdsruimte gescheiden zijn, als de daarbedoelde „voortgezette handeling" worden beschouwd. Maar ook blijkt de niet-toelaatbaarheid dier samenvatting ex contrario. Ware toch zulk een voortdurend verzuim een voortgezette handeling in technischen zin, dan zou de ouder van een kind, dat schooltijd aan schooltijd, een week lang of langer, verzuimt, tegenover den rechter in betere conditie zijn dan die van een ander, overigens in dezelfde omstandigheden levend kind, die dit althans eenige voor- of namiddagen ter school zendt.

Wanneer nu toch ambtenaren en kantonrechters in eisch en vonnis de tegenovergestelde opvatting huldigen, dan is dit m. i. minder omdat de Leerplichtwet door niet de overtreding zelf, het ongeregelde schoolbezoek, maar het geregelde te definieeren, daar eenige aanleiding toe geeft, maar veel meer, omdat zij terug deinzen voor de consequentie, waartoe de negatieve beantwoording der vraag voert. Leest, men de artikelen betreffende het relatieve verzuim, in 't bijzonder art. 21, dan blijkt 't terstond,

wetgever eensdeels de gevallen van net ongeregeld schoolbezoek zich te zeer sporadisch heeft gedacht, aan den anderen kant zich niet voldoende voor oogen heeft gehouden, dat ambtenaren en rechters met de leerplichtovertredingen dienzelfden bekwamen spoed zouden betrachten, waarmede zij andere tot hun

tumpeiraue oenoorende delicten vervolgen en berechten. Hoe; nu is t met de praktijk der Leerplichtwet gesteld? Terwijl in sommige gemeenten het relatief verzuim zeer gering is, öf omdat t dit ook reeds was vóór de invoering der wet, öf omdat de ouders door goede1 voorlichting van onderwijzers, burgemeester en notabelen de kinderen thans beter ter school zenden dan vroeger, blijven in andere gemeenten ettelijke kinderen dag aan dag, week aan week van school, omdat de ouders een willig oor leenden aan raadgevers, die hen verzekerden, dat 't met die wet toch niets geven zou. En, immers, de aanvankelijke ondervinding stelt dezen in 't gelijk. Als de schoolopziener na afhandeling der administratieve procedure, 't eindelijk gebracht heeft tot het proces-verbaal van art. 21 § 4, dan treedt er voor de delinquenten een tijd van rust in: weken, maanden lang merken zij niets meer van de zaak. Zoo is mij, van zéér nabij, een geval bekend, waarin de ambtenaar de in 't laatst van Juli ingekomen processen-verbaal wegens de vacantie — die toch bij. het Kantongerecht, niet wettelijk bestaat (vgl. van der Kemp § 20, blz. 64 v. 4de druk) en ook niet behoort te bestaan — eerst aanbracht tegen een zitting in het eind van September; een ander, nog erger, waarin de ambtenaar den herhaaldelijk, in 't belang der wet en der delinquenten zeiven, tot spoed dringenden schoolopziener eindelijk berichtte, dat de processen-verbaal, dateerende va.n de eerste helft van Juli, behoudens goedkeuring van den kantonrechter, behandeld zullen worden op een zitting van half October. Is 't wonder, dat de ambtenaar, die aldus, in weerwil der zich ophoopende processen-verbaal, maanden vóór de dagvaarding heeft laten voorbijgaan, de consequentie der boven verdedigde opvatting niet aandurft? 'tte erg vindt ouders die met hun luttele wetskennis ten speelbal zijn van verkeerde raadgevers, de dupe te laten worden van het lange uitstel? Hij tracht er, zeer begrijpelijk, wat op te vinden, en maakt er een „voortgezette handeling" van, öf vervolgt, zonder ander motief dan den drang der omstandigheden, eenige overtredingen wèl, andere niet.

Mocht de overweging, dat de Leerplichtwet eerst dan tegenover den soms misplaatsten vrijheidszin van ons volk haar heil-

/,amen invloed ten voae zal doen gelden, als op haar overtreding de straf spoedig volgt, den laatsten stoot geven tot de invoering van een sneller berechting der overtredingen, in den zin der Duitsche ,, Straf befehle" of in welke richting dan ook, dan zouden velen zich zeker ook daarom over hare vaststelling verheugen. Zij deed reeds — n'en déplaise den Zierikzeeschen kantonrechter — ten aanzien van het bewijs over gewichtige1 theoretische bezwaren heenstappen; misschien doet ze nog meer ten goede onzer strafrechtspraktijk.

Ubbergen, 10 Oct. 1901. jfr. H. Verheijen,

Arrond. -Schoolopziener.

Omtrent de eerste, door den geachten inzender behandelde vraag plaatsen wij heden weder een vonnis, onlangs gewezen door den kantonrpolif-^i, tt._ , - ■ , , .

— juaariem in auuereu zin aan net

vonnis van zijn ambtgenoot te Apeldoorn (W. 7598). Wij gevoelen veel voor de door Mr. Cnopius in W. 7603 en 7610 vrij uitvoerig ontwikkelde meening, dat na de aanzegging van art. 21 § 3 der leerplichtwet een nieuw tijdvak van twee maanden wordt geopend, waarvoor de gunstige bepaling van art. 2, 2e lid geldt. Wij wenschen echter thans het debat over deze belangrijke vraag, dat wij reeds in W. 7610 voorloopig gesloten verklaarden, niet van onze zijde te heropenen, te minder omdat over die vraag, althans over een harer nuances, volgens de mededeeling van Mr. Cnopius binnen kort eene beslissing van den Hoogen Raad te verwachten is.

Van veel meer belang nog, vooral uit een strafrechtelijk oogpunt, is de tweede vraag. De geachte inzender is van meenine-, dat don rpftiifov no aflnnn van iin<- .r—;„z j.•. p

v' "ci a.umijiiötra,ciei

proces ingevolge art. 23 geroepen om uit te maken, of de voor hem P'P.ria.crvntivrla r. 1 „l _ i . ,

~ ° " o —1 "a "iet vtsraüucuoH, uüKiaagae zien scnulaig heeft gemaakt aan overtreding van art. 1 in verband met de artt. 2. 6. 2° fin 19. rfai* müt CfAAn I_ 1 ,

^ „ A ' ij. , , ' ö. y vurueei roeKomc

over de geldigheid der ter verschooning van het tijdelijk schoolverzuim aangevoerde, in art. 12 niet bij name genoemde redenen. Is dit juist, dan heeft de (plaatsvervangende) kan-

tuf '8 <?rav®Ilhage blJ zlJn vonnis van 22 Augustus 1901 (W. 7637) zijne bevoegdheid overschreden, maar wij achen e s e ïg onjuist. De geachte inzender leest zijne zeer ver reikende stellino" Haf J _ i

i •• i verpiicncing zouae

kunnen zijn opgelegd om een beklaagde, al is hij van diens onschuld overtuigd, te veroordeelen, niet in art. 6, 2°, dat

™e (■ ï? f'1 ' ' ^en ^ aanhef de quaestie, zoo er een is, moet beslissen. ma ar in V. ^4- r, 3 \ 1.. 1

.-i ! , \ —7; „veroana ' van aeze

fn wn metde f"- 16 en 17> een verband, dat alles behalve

in net OOP* snnno-f i, j.-i . 1 .

0 r; .P ""'i teKst, dien wn nier niet

zullen overschrijven, maar het blijkt niet minder uit de over

?qnn wVe,ognan nng der Tweede Kamer van 14 Maart

1900 (Hand bl 1206-1214) gevoerde discussie. Immers waarover liep die discussie, voorzoover de heer Verheven zich aaaroD tot stenii 7 ii n o i> af^iiin™ o at- 1 i

a li , .; uciueptr iNiec over ae vraag

of de rechter bij zijn vonnis gebonden is aan het oordeel van

flfin HOhnn An-Jlfinni. J „ 1. 1 1 n • , <

-— «-«-iigtutiiuü ueü ai ot niet Destaan van zoo-

danige ernstige omstandigheden, die als geldige redenen van tijdelijk schoolverzuim kunnen worden beschouwd (art. 6, 2°,

art. 12, 5°); maar over eene geheel andere vraag — wij zeggen weder zoo er eene is —, of de schoolopziener gebonden is door de meening van het hoofd van de school, dat het schoolverzuim, waarvoor door hem verlof niet werd verleend niettemin „verschoonbaar" was. De heer de Savoeniu Lohman meende uit het antwoord van den Minister aan den heer Loeff te moeten opmaken, dat het met de in art. 16, 3e lid bedoelde mededeeling van het hoofd van de school aan den schoolopz^ner, dat hij het verzuim verschoonbaar acht, „uit is . Nu verklaarde de Minister zich nader, en daarmede werd het debat gesloten, in deze woorden (bl. 1214):

„Ik heb gezegd: „„en dan is het uit"". Ik had moeten zeggen: „ „en dan zal het in den regel uit zijn" Wat toch is het geval ? Als een hoofd der school een verzuim als verschoonbaar heeft aangeteekend, dan is wel is waar de schoolopziener nog bevoegd zich daarbij niet neer te leggen maar na te gaan hoe het met de zaak staat; maar slechts bij zeer hooge ^uitzondering zal hij daartoe overgaan, b.v. in het geval als hij den onderwijzer niet vertrouwt".

Conclusie in jure, die ons in het stelsel der wet onbetwistbaar voorkomt: de schoolopziener is na het ontvangen der in art. 16, 3e lid bedoelde mededeeling van het hoofd der school bevoegd om van diens advies omtrent de verschoonbaarheid van het schoolverzuim at te wijken, al zal hij van die bevoegdheid in den regel geen gebruik maken. Maar hoe kan nu hieruit, zelfs per mitlesimara consequentiam, volgen, dat de ï echter gebonden is aan het oordeel des schoolopzieners omtrent het al of niet bestaan van zoodanige „ernstige omstandigheden. die als s'Aldio'A ï'ftrfpnon Aron „„t i

v . ' o o net Kiju.ci.ytt. auuLuuiver-

zuim) kunnen worden beschouwd" (art. 6, 2" in verband met f*- 12i 5°) '■ Wij vatten er niets van, te minder omdat juist pü "ie discussie over art. 10, waarop de geachte inzender zich in het voordeel van zijn stelling beroept, door een van de beste juristen der Kamer, den heer Rink, zonder iemands tegenspraak werd gezegd (bl. 1207): „Ten aanzien van die omstandigheden (de in art. 12, 5" bedoelde) hangt zeer veel af van de appreciatie, eerst van het schoolhoofd, daarna van den schoolopziener, ten slotte van den rechter" (wij spatieeren).

Er is echter nog veel meer, dat de door ons gevindiceerde vrijheid des rechters om over de schuld van den beklaagde zonder eenige beperking te oordeelen, alvorens hij vonnis velt, boven allen twijfel stelt.

De geachte inzender beroept zich voor zijne stelling — ten onrechte, zooals werd aangetoond — op de beraadslaging over art. 16 ; voor de onze pleiten de belangrijke wijzigingen, die art. 9 van het oorspronkelijk ontwerp onderging in art. 12 van het gewijzigd ontwerp (4), beschouwd in het licht van 8 11 der memorie van antwoord (5).

In het hoofdartikel van W. 7127 over „de handhaving deiwettelijke bepalingen tot regeling van deu leerplicht volgens het daartoe betrekkelijk (oorspronkelijk) wetsontwerp" deden wij als tweede hoofdbedenking tegen dat ontwerp gelden, dat het den strafrechter belemmerde in de „vrijheid om volgens zijne gemoedelijke overtuiging het schuldig of niet schuldig over den beklaagde uit te spreken", althans dat het aanleiding gaf tot twijfel omtrent het bestaan van die in onze oogen noodzakelijke vrijheid.

Welnu, door het gewijzigd ontwerp werd volkomen recht gedaan aan deze bedenking. Alle twijfel, of den rechter de vrijheid toekomt, die wij hem zonder eenige beperking door de wet wenschten te zien toegekend, werd door den Minister

1 Tl S 11 momni'ia tra r» on f u'Kn i funn'nci I „ J _ ï

ö TC*i* «ui. r» kjvjl ^ UUllOJlgOOlUlCIl iU Ut) VOl-

gende woorden, die de conclusie bevatten van hetgeen daaraan voorafgaat: „Het oordeel van den rechter is vrij en hoewel het niet licht zal voorkomen, dat eene omstandigheid' welke den schoolopziener geene aanleiding gaf het schoolverzuim verschoonbaar te achten, den rechter er toe brengt dit wel te doen, werkelijk is de mogelijkheid van zoodani4 opvatting des rechters niet uitgesloten. Waar de rechter tot een oordeel over de sohuld van den beklaagde geroepen is moet hij bij het vormen van dat oordeel slechts aan eigen opvattinggebonden zijn". s

Juister kan het niet worden uitgedrukt, wij hebben daarbii niets te voegen. J

Over de derde vraag slechts een enkel woord. Het is mogelijk, dat aan het eerste lid van art. 56 Swb. door den rechter, kennisnemende van overtredingen van de leerplichtwet wel

eens eene min juiste toepassing gegeven wordt of in sommige gevallen reeds gegeven is. Dit belet eohter niet, dat uit kracht van den algemeenen regel van art. 91 Swb. het eerste lid van arï' 00k lee,rpliolll;zaken geldt, zoolang de wet niet anders zal hebben bepaald. Redactie.

HOOGE RAAD. — BULLETIN.

Zitting van Maandag, 21 October.

Voorzitter, Mr. J. J. van Mkkrh kk k.

(Revisie).

Uitspraak gedaan in zake:

J. B. d. J. tegen een arrest van het Hof te 's Gravenhace JN iet-ontvankelijk verklaard.

(Strafkamer) .

I. Uitspraak gedaan in zaJs»:

1°. H. t. H. tegen een vonnis van het Kantongerecht te woningen. Verworpen.

2 . L. S. tegen een arrest van het Hof te 's Gravenhage. Het bestreden arrest vernietigd, en de zaak verwezen naar het Hof te Amsterdam.

3°. De Ambt. van het Openb. i\-in. te Amsterdam tegen een vonnis in zake H. v. d. M. Het bestreden vonnis vernietigd en de zaak verwezen naar de Rechtbank te Amsterdam.

4° H. J. H. tegen een vonnis der Rechtbank te Zutphen. Niet-ontvankelijk verklaard.

5°. H. S. tegen een arrest van het Hof te 's Hertogenbosch Verworpen.

(4) Zie de beide teksten naast elkander afgedrukt op bl 36 le stuk van „de Leerpliohtwet" door Mr. s J. Blaui'ot ten Cate en P. Laban.

(5) Afgedrukt in W. 7263. Zie de berichten en mededeelingen van hetze fde nommer en den tekst der repressieve bepalingen van het gewijzigd ontwerp in W. 7262.

Sluiten