Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten kantore van eischer bezwaar makende om f 500 surplus te storten, maar noch bij die gelegenheid noch later last heeft gegeven tot den pretensen verkoop;

dat hij slechts kan erkennen het op 14 Dec. 1899 gedagteekend memorandum eerst vele dagen na dien datum en de rekening-courant in den loop der maand Januari 1900 te hebben ontvangen, terwijl hij de ontvangst van alle overige memoranda erkent, dat gedaagde ook lang vóór 28 Maart 1899, toen hij last tot verkoop gal, heeft te kennen gegeven, dat hij den pretensen verkoop op 14 Dec. 1899 waartoe hij geen order liad gegeven, niet erkende en hij het bij het aan beide, partijen bekende verschil van inzicht daaromtrent niet noodig achtte den brief van eischers raadsman dd. 29 Maart 1900 te beantwoorden;

dat hij beweert ook vroeger op da berekende rente aanmerking te hebben gemaakt;

dat het subsidiair aangeboden getuigenbewijs niet toelaatbaar is, als zijnde dit geen zaak van koophandel en ook geen begin van bewijs bij geschrifte aanwezig;

O. dat de procureur des eischers bij pleidooi nog heeft aan geboden door getuigen te bewijzen:

1°. ,.dat eischer op 14 Dec. 1899 ter beurze te Amsterdam heeft verkocht $10000 St. Louis en San Francisco Shares tegen den koers van 9 13/16 pCt. ;

12°. „dat gedaagde gewoon was ook andere commissionairs orders te geven tot speculatieven aan- en verkoop van effecten;

terwijl die des gedaagden op dezelfde wijze, te bewijzen heeft aangeboden:

„dat tegen den verkoop op 14 Dec. 1899 an tegen de ingezonden rekening-courant door gedaagde is geprotesteerd"; O. in rechte :

dat, aangezien gedaagde overigens de juistheid van de door eischer opgestelde rekening-courant tusschen partijen heeft erkend en ook niet heeft tegengesproken, dat eischer de $ 10000 St. Louis en San Francisco Common Shares op 14 Dec. 1899 tegen den prijs in de rekening-courant vermeld, heeft verkocht, behalve het verschil over de rente-berekening de eenige vraag die partijen verdeeld houdt is, of eischer op grond van hem door gedaagde verstrekten Jast al of niet tot dien verkoop gerechtigd was;

O. dat uit de erkentenis van den gedaagde, dat hij het bericht van dien verkoop en de bewuste rekening-courant, zij het ook eenigen tijd later, heeft ontvangen zonder daartegen bij den eischer schriftelijk te protesteeren, niet mag worden afgeleid, dat hij in dien verkoop heeft berust, te minder, waar uit de mededeelingen beiderzijds bij pleidooi gedaan is gebleken dat bij de transacties tusschen partijen een zekere Koen, voormalig commissionair in effecten, als tussclienpersoon heeft gefungeerd en derhalve het niet of minder juist overbrengen van aanmerkingen van de zijde des gedaagden allicht aan dit gebrek van onmiddellijk contact tusschen partijen kan worden geweten;

dat het antwoord op de vraag of edschcr tegenover gedaagdes ontkentenis dat hij de litigieuse order op 14 Dec. 1899 heeft gegeven tot het door hem aangeboden bewijs door getuigen zal moeten worden toegelaten, afhangt van dat op. de vraag, of deze zaak eene van koophandel is, aangezien de overeenkomst van lastgeving tusschen partijen in geschil een som van meer dan f300 tot onderwerp heeft en geen begin van schriftelijk bewijs is bijgebracht;

dat deze laatste vraag bevestigend moet worden beantwoord omdat de gedaagde blijkens hetgeen tusschen partijen vaststaat herhaaldelijk den eischer last heeft gegeven tot den aankoop van niet dividend betalende Amerikaansche Suoorweg-Shares, die hij dan zoo spoedig daajop eenige winst viel te maken, deed verkoopen en dus deze blijkbare bedoeling had en niet die tot geldbelegging, welke trouwens door den aard dier fondsen vrijwel wordt uitgesloten;

O. dat de wet dergelijke transacties onverschillig of zij door een particulier worden aangegaan als daden van koophandel aanmerkt en derhalve de procedure, die slechts om de gedaagde tot nakoming eener daaruit voortspruitende verbintenis te dwingen is. begonnen is eene zaak van koophandel;

dat derhalve, alle bij pleidooi gedane bewijsaanbiedingen beiderzijds als overbodig kunnen worden gepasseerd en de eischer tot het bij repliek aangeboden bewijs kan worden toegelaten;

O. omtrent de berekende rente dat de gedaagde slechts een rente van 4 pCt. erkend heeft schuldig tei zijn, om de hierboven vermelde redenen niet is gebleken dat hij met de berekening van 5 pCt. in de. rekening-courant genoegen heeft genomen en de 6ischer niet heeft bewezen en geen bewijs heeft aangeboden, dat z<Uks was overeengekomen, zoodat de te berekenen rente slechts °P 4 pCt. kon worden gesteld;

Récht doende:

Passeert alle bewijsaanbod bij pleidooi gedaan;

Laat den eischer toe om door getuigen te bewijzen; „dat gedaagde op 14 Dec. 1899 aan den eischer last heeft gegeven tot verkoop van $ 10000 St. Louis en San Francisco Common Shares voor zijne (gedaagde's) rekening";

1 epaalt. dat dit getuigenverhoor zal worden gehouden ter zittmg van deze Rechtbank en Kamer van Maandag 20 Mei 1901 des voormiddags te half twaalf ure;

Reserveert de beslissing omtrent de. proceskosten

ARRONDISSEMENTS RECHTBANK TE AMSTERDAM. Tweede Kamer.

Zitting van den 29 Maart 1901.

Voorzitter, Mr. J. J. Ermerins.

Rechters, Mrs.: J. Deking Dura en P. J. Bijleveld.

Daden van koophandel.

Een veehouder die vee koopt, niet om het weer te verkoopen of het gebruik daarvan te verhuren, maar om, met behoud van dit vee, daarvan voordeel te trekken, is geen koopman en verricht door het koopen van vee, ten behoeve van zijn bedrijf geen handelsdaad.

J- Klein, veehouder, te Nieuwer-Amstel, appellant, procureur Mr. A. H. J. van den Biesen,

tegen

Messcher, koopman in vee, te. Watergraafsmeer, geïntimeerde, procureur Mr. M. B. Cohen.

De Rechtbank;

Gehoord den raadsman van appellant;

bezien de stukken;

Overwegende wat de feiten betreft:

dat de geint,. oorspronkelijk eischer, den app., als gedaagde, voor het Kantongerecht n°. 1 alhier heeft gedagvaard, ten einde te worden, veroordeeld, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en bij iijlsdwang om aan eisciier (nu geint.) te betalen de. som van f ^00 met renten en kosten en zulks op grond dat eischer van gedaagde te vorderen heeft gemeld bedrag als restant van het door eischer aan gedaagde ten behoeve van diens beroep in 1889, 1891 en 1893 verdocht en geleverd vee;

dat, na eene door den oorspronkelijk gedaagde, nu app., afgelegde onspiitsbare. bekentenis, door den rechter in gemeld kanton bij vonnis dd. 5 Juni 1900, o. m. op grond dat, Dij, vergelijking van de verschillende posten der aan het hoofd der dagvaarding staande rekening, aangenomen moet worden, dat f 200 wordt gevorderd als onbetaald gebleven gedeelte van de kooppenningen wegens de op 9 Oct. en 2 Nov. 1891 verkochte! koeien, en alzoo alleen ten aanzien van de posten 6 en 7 aan de debetzijde der rekening tusschen partijen geschil bestaat, zoomede op grond dat het hier geldt een geding m eene zaak van koophandel, aan den eischer is bevolen, 't zij door getuigen 't zij door openlegging van koopmansboeken, te. bewijzen, dat hij op 9 Oct. en 2 ISlov. 1891 telkens 2 koeien, respectievelijk voor f450 en. f 480 aan gedaagde heeft verkocht;

dat door eisener, ter voldoening aan dit vonnis, waartegen gedaagde zich zijne rechten heeft voorbehouden, zijne boeken zijn overgelegd, waarop de kantonrechter voornoemd, bij vonnis dd. 17 J uli 1900, ter aanvulling van de vermoedens, die volgens dien rechter uit de overgelegde boeken kunnen worden geput, aan den eischer heeft opgedragen te zweren, dat waar is, dat hij op 9 Oct. en 2 Nov. 1891 aan, gedaagde telkens heeft verkocht 2 koeien, respectievelijk voor 1400 (waarmede blijkbaar wordt bedoeld f 450) en f 480 ;

dat, nadat gedaagde bij exploit van den deurwaarder Menagé Cha.Ua dd. 21 Juli 1900 was opgeroepen om bij het afleggen van dien eed tegenwoordig te zijn, en nadat op die terecntzittmg de eed door den eischer was afgelegd, waarop de kantonrechter de uitspraak bepaalde op 21 Aug. d. a. v., gedaagde bij exploit van den deurwaarder Abspoel dd. 14 Aug. 1900 voor beide, bovenvermelde vonnissen in hooger beroep is gekomen met dagvaarding om ter terechtzitting dezer Rechtbank te verschijnen op 4 Sept. d. a. v. ten einde op nader aan te voeren gronden en middelen te hooren concludeeren tot vernietiging van de twee gemelde vonnissen met met-ontvankelijkverklariiig van den geint. (oorspronkelijk eischer) in zijne vordering, in ieder geval ontzegging daarvan, cum expensis ;

dat ter terechtzitting van gemeld kantongerecht van 21 Aug. 1900 dooi' den gedaagde is medegedeeld, dat. hij zich tegen gemelde vonnissen in hooger beroep heeft voorzien, en door hem is gevorderd, dat de kantonrechter zich van het geven der eindbeslissing zal onthouden;

dat niettemin door dien kantonrechter, bij vonnis van 31 Aug. 1900, met niet-ontivankelijkverklaring van gedaagde in gemelde vordering, den oorspronkelijk eischer zijne vordering is toegewezen, in hoofdzaak op grond, dat door den afgeiegden eed in verband met de vermoedens, uit de. opengelegde boeken voortr vloeiende., is bewezen, dat eischer den gedaagde op 9 Oct. en 2 Nov. 1891 telkens heeft verkocht 2 koeien respectievelijk voor f 450 en f 480, terwijl gedaagde in gebreke is gebleven de juistheid der tot zijne bevrijding ingeroepen feiten te bewijzen;

dat gedaagde daarop bij exploit van 13 Sept. 1900 ook van dit vonnis in hooger beroep is gekomen, met dagvaarding van eischer om ter terechtzitting dezer Rechtbank van 2 Oct. d. a. v. te verschijnen, ten einde op nader aan tei voeren gronden en middelen te hooren concludeeren tot vernietiging van laatstgemeld vonnis, me.t niet-ontvankelijkverklaring van den eischer in zijne vordering, immers ontzegging daarvan cum expensis;

dat beide zaken ter terechtzitting dezer Rechtbank en Kamer van 4 Oct. 1900 zijn gevoegd, en app. (oorspronkelijk gedaagde) overeenkomstig de 2 bovenvermelde dagvaardingen heelt geconcludeerd, in hoofdzaak aanvoerende:

dat hij, als gedaagde, in eersten aanleg tegen den eisch o. m. heeft aangevoerd, dat hetgeen voor 1891 geschied was buiten bespreking kan blijven, daar volgens de rekening de koeien en lammeren, in 1889 gekocht, in dat jaar en het volgende betaald waren, en hetzelfde gezegd kan worden van hetgeen in 1893 was geschied, maar dat hetgeen onder de jaren 1891 en 1892 in de rekening vermeld stond was onjuist, en door hem op de nader aangevoerde gronden werd ontkend;

dat daarop de kantonrechter ten onrechte bij het 1ste in deze zaak gewezen vonnis heeft aangenomen dat het hier geldt een geding in een zaak van koophandel;

dat toch in de introductieve dagvaarding is gesteld, dat gedaagde (nu app.) was veehouder, en aan hem ten behoeve van zijn beroep vee was geleverd door eischer (nu geint.) als veehandelaar ;

dat app. geen koopman is maar veehouder, die het vee kocht om er melk van te trekken, welke daad dus niet is eene daad van koophandel, waaruit volgt dat hier van eene zaak van koophandel geen sprake kan zijn;

dat dientengevolge de oorspronkelijk eischer ten onrechte is toegelaten (ofschoon deze zelfs geen bewijs had aangeboden), door getuigen of openlegging zijner boeken te bewijzen, dat hij op 9 Oct. en 2 Nov. 1891 telkens. 2 koeien, respectievelijk voor f 450 en f 480 aan gedaagde heeft verkocht;

dat het onderwerp der overeenkomst de waarde van f 300 te boven gaat, en dus, daar het hier niet betrof eene zaak van koophandel, zoodanig bewijs niet mocht worden toegelaten1;

dat bovendien het bewijs door koopmansboeken volgens art. 10 W. v. K. nooit geoorloofd was omdat de koop en verkoop zelf tengevolge van de onspiitsbare bekentenis in het geheel niet vaststonden, en deze nooit door koopmansboeken konden bewezen worden, terwijl voorts omtrent de levering geen bewijs werd opgelegd;

dat de kantonrechter ten onrechte in het 2de in deze zaak gewezen vonnis uit de opengelegde boeken vermoedens put, daar die boeken, om de redenen in de conclusie van app. nader vermeld, niet richtig waren gehouden;

dat bovendien omtrent het feit van den koop en verkoop op 2 Nov. 1891 niet het minste bewijs was geleverd, zoodat omtrent dit feit ten onrechte de suppletoire eed is opgelegd, terwijl zelfs over de levering daarbij geheel wordt gezwegen;

dat eindelijk ook het eindvonnis ten onrechte door den kantonrechter is gewezen, nadat hem ter terechtzitting was medegedeeld dat gedaagde van de voorafgaande vonnissen m hooger beroep was gekomen, daar toch eene goede procesorde noodzakelijk medebrengt, dat het hooger beroep van een interlocutoir vonnis den loop van eene procedure afbreekt, tot dat op dit appel is recht gedaan;

dat bovendien op de gronden, tegen de twee voorafgaande vonnissen aangevoerd, ten onrechte bij het eindvonnis de vordering aan den oorspronkelijken eischer is toegewezen.;

O. dat de. geint. bij conclusie van antwoord de grieven van app. heeft bestreden, en daartegen in hoofdzaak heeft aangevoerd :

dat, al ware anr>. slechts veehouder in den door hem bedoelde

zin, toch zijne handelingen vallen onder art. 3 W. v. K., daar hij immers heeft toegegeven, dat hij het uitgemolken vee weer van de hand zet, terwijl bovendien de op 22 duli 1899 gekochte lammeren toch zeker niet zijn gekocht om er melk van te trekken;

dat de door app. voorgestane scherpe onderscheiding geen steun vindt bij de tegenwoordige wetsinterpretatie, vooral na de invoering der faillissementswet;

dat voorts, ten aanzien van de openlegging der koopmansboeken, art. 10 W. v. K. door app. ten eenenmale wordt miskend;

dat bovendien app. de posten voor Nov. 1891 heeft erkend, zoodat vaststaat, dat geint. als koopman gewoon was dergelijke leveringen op crediet te doen, en dus art. 1919 B. W. mocht worden toegepast;

dat de levering der op 2 Nov. 1891 verkochte koeien nooit bestreden is;

dat de grief met betrekking tot de onbetrouwbaarheid der boeken is ongegrond;

dat geint. zich refereert aan het oordeel der Rechtbank omtrent de vraag of art. 350 B. R. in het eindvonnis in het oog is gehouden;

Mitsdien concludeerende tot bevestiging der vonnissen a quo, met bevel dat zij volkomen effect zullen sorteeren;

O. dat namens app. bij pleidooi akte is gevraagd, dat hij, voor het geval de Rechtbank van oordeel mocht zijn dat deze zaak wel is eene zaak van koophandel, en uit de vonnissen niet voldoende blijkt dat da koopmansboeken niet richtig zijn gehouden, verzoekt dat de Rechtbank aan geint. zal gelasten zijne koopmansboeken alsnog over te leraren:

O. in rechte:

dat de rechter in het 1ste kanton alhier bij vonnis van 5 Juni 1900 heeft uitgemaakt, dat het hier geldt een geding in eene zaak van koophandel zonder evenwel daarvoor eenigen grond in het vonnis aan te voeren;

dat in de dagvaarding niets anders is gesteld, dan dat de eischer (nu geint.), koopman in vee, aan den gedaagde (nu app.), veehouder, ten behoeve van diens beroep vee heeft verkocht en geleverd, blijkens de aan het hoofd der dagvaarding staande specificatie, en gedaagde daarvoor nog pro resto schuldig is het gevorderde bedrag van f200;

dat uit deze casuspositie allerminst valt af te leiden, dat gedaagde eene daad van koophandel heeft verricht;

dat toch een veehouder, zooals de naam zelf aanduidt, wanneer hij vee koopt, dit niet doet om het weder te verkoopen of het gebruik daarvan te verhuren, maar om met behoud van dat vee daarvan voordeel te trekken, zooals van de koeien o. a. de melk, en van de lammeren o. a. de wol, waarbij het zeker ter zake niets afdoet, of hij wellicht later het gekochte vee, b. v. de koeien wanneer zij uitgemolken zijn, weer van de hand zet;

dat dus een veehouder niet is koopman, noch wanneer hij ten behoeve van zijn beroep vee koopt, eene handelsdaad verricht, zoodat de verbintenis, waaruit tegen den gedaagde wordt geageerd, niet op eene daad van koophandel is gegrond, en de exceptioneele bepalingen van het handelsrecht in casu niet toepasselijk zijn;

dat derhalve art.. 10 W. v. K. hier niet mag worden toegepast, en getuigenbewijs evenmin is toegelaten, daar het onderwerp van elk der twee te bewijzen opgelegde overeenkomsten de som van f 300 te boven gaat;

dat hieruit volgt, dat de kantonrechter bij bovengemeld vonnis ten onrechte aan den eischer — en zulks nog wel zonder dat door dezen eenigerlei bewijs was aangeboden —■ bewijs door getuigen of openlegging zijner koopmansboeken heeft opgelegd, en dit vonnis mitsdien moet worden vernietigd;

dat toch van toepassing van art. 1919 B. W. in dezen geen sprake kan zijn, daar de bekentenis, voor zoover deze door gedaagde in eersten aanleg is afgelegd, is onsplitsbaar, en geenszins is bewezen dat eischer gewoon was dergelijke leveringen aan de tegenpartij op crediet te doen;

dat, nu geen boekenbewijs aan eischer mocht worden opgelegd, daaruit geen vermoedens konden worden geput, en dus ter aanvulling hiervan ook geen suppletoire eed. mocht worden opgelegd, zoodat ook het vonnis van genoemden kantonrechter dd. 17 Juli 1900, waarbij in verband met de vermoedens uit de opengelegde boeken geput den eischer een suppletoire eed werd opgelegd, behoort te worden vernietigd;

dat ten slotte ook het eindvonnis dd. 31 Aug. 1900 vernietigd moet worden, omdat de kantonrechter op grond van in casu niet geoorloofde bewijsmiddelen de vordering als bewezen heeft, aangenomen, en aan eischer toegewezen, terwijl deze daarentegen als onbewezen, den eischer moet worden ontzegd;

Recht doende:

Vernietigt de vonnissen door den rechter in het eerste kanton op 5 Juni, 17 Juli en 31 Aug. 1900 in deze zaak gewezen;

Ontzegt den oorspronkelijken eischer, nu geint., zijne vordering ;

Veroordeelt hem in de kosten van het geding, berekend aan de zijde van den app. (oorspronkelijk gedaagde) tot deze uitspraak op f150.

ARRONDISSEMENTS-RECHTBANK TE UTRECHT.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 8 Mei 1901.

Voorzitter, Mr. F. A. R. A. Baron van Ittersum. Rechters, Mrg.: R. D. Baart de la Faille en W. M. H. Boers.

Officier van Justitie, Mr. S. J. van Geuns.

Is door den eischer een wisselactie ingesteld ? — Ja.

Is dus deze Rechtbank onbevoegd ? — Ja.

F. Bolk en Zoon, procureur Mr. M. Natjta,

tegen

D. de Veer, procureur Mr. J. F. E. Olaringbotjlo.

De Rechtbank;

Gezien de dagvaarding en de overige stukken van het geding;

Gehoord de door partijen genomene conclusiën;

Gehoord de pleidooien;

Gehoord de conclusie van het Openb. Min. strekkende tot toewijzing van de opgeworpene exceptie;

In facto :

'Overwegende dat de eischeres bij dagvaarding en conclusie van eisch stelt, dat zij wegens door haar in 1889 aan den gedaagde ten behoeve van diens handel en beroep verkochte en geleverde goederen aan het einde van dat jaar had te vorderen f 174.55;

Sluiten