Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vrijdag, 1 November 4904. N°. 7656.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

OHIE - EN ■ ZESTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VERITAS.

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang fl0; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der advertentièn, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers, Gebr. Belinfante, te 's-Gravenhage {Ie Wagenstraat 100).

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

GEREGHTSHO VEIS.

GERECHTSHOF TE 's GRAVENHAGE.

Burgerlijke Kamer.

Zitting van den 10 Juni 1901.

Voorzitter, Mr. J. Spoor.

Raadaheeren, Mrs.: J. B. J. N. Bidder de van der Schueren W. J. Karsten, H. van Manen en A. van Laer.

Heerlijk jachtrecht in des "Westeren Ban van Schouwen onder de gemeente Haamstede.

(Zie het vonnis a quo in W. 7442).

I Oh. de Bruycker, landbouwer, wonende te Haamstede, II a Vrouwe J. Th. de Ruyter, weduwe van den heer B. Gim-

bercie, zonder beroep, wonende te Eerloo, 4 enz., appellanten, procureur Mr. F. Wolfson, advocaat Mr. A. J. F. Fokker, uit Zierikzee,

tegen

Th. C. J. J. van der Lek de Clercq, zonder beroep, wonende te Haamstede, geïntimeerde, procureur en advocaat Mr. H. de RaNITZ.

Het Hof enz.;

Gehoord partijen in hare conclusiën en pleidooien;

Gezien de stukken van het geding, alle voor zooveel noodig geregistreerd, en daaronder nog meer bepaaldelijk de door geint. in hooger beroep onder de volgende nummers van letter K overgelegde, als 2, eene kaart van het eiland Schouwen, door Verburcht—de Kanter, geregistreerd enz.; 3. eene kadastrale kaart van de gemeente Haamstede sectie A en G, geregistreerd enz. ; 5. eene verklaring van den ontvanger-griffier van den polder Westeren Ban van Schouwen, dd. 28 Nov. 1900, geregistreerd enz.; 9. een afschrift van een stuk, behoorende tot de bijlagen van de notulen der Staten en Raden van Zeeland over het jaar 1620; 10—12, uittreksels uit het register L. L. van de enregistratiën van verlijtbrieven enz. van 1701—1738; 13. een uittreksel uit het VlIIste Geluwe register met letter Q, gehouden ter rekenkamer van Zeeland, van 1640 tot 1679; zijnde de stukken onder 9 tot en met 13, als berustende in het Rijks archiefdepót in Zeeland, voor eensluidend afschrift geteelcend door den rijksarchivaris in Zeeland, R. Fruin; 15. eene verklaring van den Directeur-Generaal Chef van de afdeeling Landbouw aan het departement van Binnenlandsche Zaken dd. 12 Nov. 1900, geregistreerd enz. ; zijnde de in het arrest onder andere1 letters °f nummers aangehaalde stukken als reeds aangehaald in het vonnis waarvan hooger beroep;

VV at de feiten betreft:

óverwegende dat het Hof, met overneming daarvan, zich gedaartoe betrekkelijke overwegingen, vervat in de op 15 Nov. 1898 en 23 Jan. 1900 door de Arrond.-Rechtbank e leri-zee tusschen partijen gewezen vonnissen, bij het eerste V" a'}rvan, ^ voorbehoud der uitspraak over de kosten van het incident tot het eindvonnis, de appellanten genaamd onder II zijn toegelaten, om zich in het geding tusschen den app. onder als eischer en den geint. als gedaagde bij eerstgenoemde te voegen, ten einde met dezen den ingestelden eisch staande te houden; terwij1 van het tweede vonnis het dictum luidt: enz. ;

O dat de oorspronkelijke eischer en de oorspronkelijke requirwiten tot voeging, van het vonnis van 23 Jan. 1900 zijn gekomen m hooger beroep, en partijen hare beweringen in hooger beroep m conclusiën hebben uiteengezet en hebben geconcludeerd als in het slot daarvan vermeld;

In rechte:

de 1ste app., als oorspronkelijk eischer, van den geint. i CTeigoedmg vordert op grond van door dezen gepleegde onrechtmatige handelingen, hierin bestaande, dat hij in de laatste jaren op onderscheidene tijdstippen, ook in 1897, zou üebben geloopen op perceelen duingronden, in de inleidende ^agvaarding kadastraal aangeduid en gelegen in den polder den ^esteren Ban van Schouwen onder de gemeente Haamstede, bij 7 Qj1/ aPPellant in pacht van de familie Gimbercie de Ruijter; en zonde nie^ ^10nc'en en gezelschap, om konijnen te schieten, zii r Perfflissie of voorkennis van den app. als pachter, of van

O ^''P^ters als eigenaren;

bei'o ^oor ^en geint- tegen deze vordering o. a. gedaan

sted^f0^ ^ kem a^s Ambachtsheer van de heerlijkheid Haam„ , toekomende jachtrecht op die terreinen, zoodat het bejaj- aarvan zijnerzijds niet zou zijn eene onrechtmatige handeg> door de Rechtbank is aangenomen, op grond dat hij zou 2o"6 j0n hebben: 1°. dat hij is Ambachtsheer va,n Haamstede; h 1 at. de bij dagvaarding omschreven gronden liggen binnen e gebied dier heerlijkheid, en 3°. dat zijne voorgangers tot in 1794 of later zijn geweest in de possessie van het jacht.''t in hunne heerlijkheid ;

hi j ^ appeUanten door elke dezer beslissingen, op de

nie^en gronden, zich bezwaard achten; , ten aanzien der 1ste beslissing dat de geint. is Ambachtsheer van Haamstede;

dat appeüanten dit op zich zelf niet betwisten, maar beweren die vrouwre A. M. Muilman, rechtsvoorgangster van geint., met alleen bezat de baanderheid van Haamstede, maar ook

de heerlijkheid van den Westeren Ban, bevattende evenwel slechts een gedeelte daarvan, in 1853 aan de onmiddellijke voorgangers van geint. alleen heeft verkocht de heerlijkheid van Haamstede eigenlijk gezegd, en niet die van den Wosteren Ban; dat voorts die voorgangers in 1863 in den Westeren Ban niet meer hebben verkregen dan den eigendom van en het jachtrecht 294 bunders, waartoe niet behooren de gronden van appellanten-interveniënten; en dat zij bovendien na 1853 uitdrukkelijk hebben erkend, niet over de geheele gemeente Haamstede jachtrecht te hebben;

O. dienaangaande, dat het Hof, op de gronden daarvoor in het Vonnis in de 2de en 3de rechtsoverweging ad Hum aangevoerd, als vaststaande aanneemt, dat, nadat bij resolutie der Staten van Zeeland van 10 April 1620 de toenmalige heer van Haamstede niet vier vierde parten der 400 gegoede gemeten (eigenlijk 399 gemeten en 98 roeden) van. den Westeren Ban tegen eene jaarlijksche erfpacht van f 25 was; beleend geworden, de heerlijkheid van den Westeren Ban van die van Haamstede steeds een gevolg en deel heeft uitgemaakt, en, bij latere beleening of overdracht van laatstgemelde heerlijkheid, daarin ook zonder uitdrukkelijke vermelding begrepen was;

dat dit, in verband met bedoelde overwegingen, bovendien nog volgt uit de door geint. in hooger beroep overgelegde verleibrieven van 6 April 1657, 19 Jan. 1730 en 20 Febr. 1738 (pr. K. 10—13) houdende alle beleening van de baanderij van Haamstede, zonder vermelding van gezegde 400 gemeten van den Westeren Ban, niettegenstaande uit de door de Rechtbank aangehaalde rekeningen blijkt van de betaling der daarvoor bedongen erfpacht tot in 1790; terwijl in den verleibrief van 20 Febr. 1738 de met genoemde baanderij beleende Vrouwe M. A. van Collen wordt aangeduid als weduwe van Mr. Iman Mogge, in leven baanderheer van Haamstede, heer van Koudekerkeen den West eren Ban van den duinen; en bij resolutie van gecommitteerde Raden van Zeeland van 18 Aug. 1777, op een verzoekschrift van bouwlieden op de Oosteren en Westeren Ban der duinen onder de heerlijkheden Renesse en Haamstede, om de zich op hunne gronden bevindende konijnen te mogen opvangen, afwijzend werd beschikt op ingewonnen be richten van den Ambachtsheer van Renesse en de weduwe Mogge van Haamstede, als vrouwe van Haamstede (pr. B. 24 en 25);

O. derhalve, dat jonkvrouwe Muilman, volgens appellanten zeive getreden in de rechten, bij verleibrief van 28 kiept. 1785 toegekend aan S. C. Mogge van Haamstede, en alzoo eigenares van de baanderheerlijkheid van Haamstede met inbegrip van die van den Westeren Ban, bij de koopakte van 15 en 16 April 1853 aan de voorgangers van geint. met eerstgenoemde heerlijkheid ook heeft verkocht haar daarin begrepen heerlijk recht, waaronder het jachtrecht, over genoemden Westeren Ban;

dat wel is waar in die akte perceel 66 wordt omschreven als ,,het recht van de jacht in de geheele uitgestrektheid der gemeente Haamstede, voor zooverre dit aan de vrouwe verkoopster is toebeh oorend e"; maar dit voorbehoud blijkbaar betreft het wel tot de gemeente, maar niet tot de heerlijkheid behoorende Staatsdomein (de vroegere grafelijke duinen);

O. dat het beweren van appellanten, als zouden de voorgangers van geint., bij de koopakte van 1863 in den Westeren Ban slechts den eigendom hebben verkregen van het jachtrecht op 294 bunders, en wel andere gronden dam die van de appellamten-interveniënten, in die akte geen steun vindt;

dat hun daarbij toch met perceel 30 werden toegewezen „al de voorgaande perceelen in massa, zijnde de baaiiderheerlij kheid met het slot, koetshuis en erven, de bosschen, duingronden en duinen, cijnsen, erfpachten en rechten enz."; terwijl de. alzoo met dat perceel overgedragen perceelen 17 en 18 omvatteden, perceel 17: ,,294 bunders 96 roeden, 44 ellen duingrond en duinen, gelegen in den polder Westerban van Schouwen, Sectie enz. met liet recht van jacht of andere heerlijke rechten van deze gronden"; en perceel 18: ,,A1 de prerogatieven en rechten der baanderheerlijkheid, voor zoover die thans nog bestaan en kunnen worden uitgeoefend, als het recht van jacht en visscherij van al de gronden in de gemeente Plaamstede, met uitzondering van het jachtrecht der duingronden en duinen vermeld hiervoren bij het 17de perceel" ;

dat derhalve de voorgangers van geint., als koopers van perceel 30, met den eigendom met jachtrecht van voormelde 294 bunders, omschreven in perceel 17, bovendien met perceel 18 verkregen het jachtrecht behoorende tot de heerlijkheid Haamstede, en alzoo ook, naar het boven overwogene', het daaronder begrepen jachtrecht over den Westeren Ban, voorzoover het niet viel onder perceel 17; zoodat zij in het geheel verkregen het jachtrecht over den geheelen Westeren Ban;

dat de splitsing van het jachtrecht der gezegde 294 bunders van dat, aan genoemde heerlijkheid voor het overige over den Westeren Ban toekomende, hare verklaring vindt in de aan den verkoop van het perceel voorafgegane veiling in kavelingen, en bepaaldelijk, wat de kaveling dier 294 bunders betreft, in het oogmerk, om, door ze vrij en onbezwaard en alzoo met dei daaraan verbonden heerlijke rechten in veiling te brengen, eene hoogere opbrengst te verzekeren ;

O. dat de uitdrukkelijke erkenning, volgens appellanten door de voorgangers van geint., van niet over de geheele gemeente Haamstede jachtrecht te hebben, stond zij vast, niets zou bewijzen, vermits een, over die geheele gemeente en alzoo. ook tot het daarbinnen gelegen domein zich uitstrekkend jachtrecht, door hen nooit is beweerd; maar dat, indien appellanten mochten bedoeïen erkenning van jachtrecht over slechtsi een gedeelte der heerlijkheid, zij zich daartoe te vergeefs beroepen op de akte van scheiding der huwelijksgemeenschap van: Jhr. Mr. Schuurbeque Boeye, waarin toch onder art. 25 n°. 2 liet- woord

„gedeeltelijk" blijkbaar slaat op het daaraan onmiddellijk' voorafgaande kadastrale nomiuer 328 (pr. B. 12);

O. mitsdien, dat de Rechtbank te recht als bewezen aannam, dat geint. is Ambachtsheer van Haamstede, en als zoodanig heeft het jachtrecht over den Westeren Ban, zoodat de daartegen dooide appellanten aangevoerde bezwaren zijn ongegrond;

O. ten aanzien der door de Rechtbank in de 2de plaats gegeven beslissing, dat de bij dagvaarding omschreven gronden liggen binnen het gebied der Ambachtsheerlijkheid van Haamstede; dat de appellanten daartegen in hoofdzaak aanvoeren: 1°. dat de door de Rechtbank onderzochte vraag, of de Westeren Ban behoorde tot het gebied der heerlijkheid Haamstede, niet is ter zake dienende, omdat uit de productiën van geint. volgt , dat hij, als hij heerlijke rechten op den Westeren Ban kon doen gelden, die niet verder heeft dan, krachtens zijne titels, op de liem toebehoorende 294 H. A.;

2°. dat het door de Rechtbank als vaststaande aangenomen feit, dat de in de dagvaarding omschrevene gronden liggen in den polder Westeren Ban onder de gemeente Haamstede, inderdaad van alle bewijs is ontbloot aangezien appellanten wel hebben erkend, dat die gronden n u liggen in dien polder en onder die gemeente, maar niet hebben erkend en dus hebben ontkend, dat zij daartoe in vorige eeuwen hebben behoord;

3°. dat, al stond vast, dat, wat nu onder de gemeente Haamstede en in den Westeren Ban ligt, daartoe ook behoorde in vroegere eeuwen, ook dan nog de tegenwoordige ambachtsheer, krachtens den verleibrief van 1785, waaraan hij zijne rechten ontleent, en waarbij vrouwe S. O. Mogge volgens het verdrag van 12 April 1728 beleend wordt met het gedeelte van de duinen en waranden gelegen op den Westeren Ban ten Oosten der daarin omschreven scheidslinie, geene rechten heeft dan op dat deel van den Westeren Ban;

O. ten aanzien der 1ste grief: dat hare ongegrondheid volgt uit het hierboven met betrekking tot de 1ste beslissing deiRechtbank overwogene;

O. ten aanzien der grieven onder 2 en 3 vermeld:

dat, mede blijkens1 het voren overwogene, de 400 ( 399 : 98) gegoede gemeten van den Westeren Ban, waarmede de heer van Haamstede in 1620 werd beleend, ook nog tot die heerlijkheid behoorden, toen daarmede bij verleibrief van 28 Sept. 1785 vrouwe S. C. Mogge werd beleend;

O. dat deze 400 gemeten niet een deel van den Westeren Ban, maar dezen geheel uitmaakten ;

dat dit blijkt, niet alleen uit de resolutie van 10 April 1620 zelve, waarbij met beleening van drie vierde parten in den Westeren Ban eene jaarlijksche erfpacht van f25 werd vastgesteld voor inkoop van „het reste erende vierde part" ; maar bovendien uit het advies der Rekenkamer van Zeeland van 12 Febr. 1620, waarnaar de resolutie verwijst en waarin bedoelde 400 gegoede gemeten uitdrukkelijk en bij herhaling als de geheele Westeren Ban werden aangeduid (pr. K. 9);

dat dan ook, volgens eene aanteekening op de „Derde Steenrolle of 't cohier van alle ambachten enz. in Zeeland", op grond van voormeld advies en voormelde resolutie, werd goedgevonden, den Westeren Ban, alzoo dezen in zijn geheel, niet te brengen op de nieuwe, met het jaar 1692 aanvangende steenrol (pr B. 3);

dat eindelijk in het veldboek van 1783, berustende in het archief van den polder Westeren Ban van Schouwen, de grootte van „den geheelen Westeren Ban van den Duyne" wordt opgegeven te bedragen „2486 gemeten 255 roeden ge'goed voor 399 gemeten 98 roeden", en de „geheele" Westeren Ban leenroerig wordt genoemd van den heer van Haamstede (r>r C 2 en D 3);

O. derhalve, dat, toen bij verdrag van 12 April 1728 tusschen de Staten van Zeeland en Rutger Mogge, als baanderheer van Haamstede, aan laatstgenoemde, „alsi een gevolg en appendentie van genoemde baanderheerlijkheid", ter leen werd uitgegeven „het gedeelte van de duinen en waranden gelegen op den Westeren Ban ten Oosten van de scheidslinie" daar omschreven, daarmede niet werd beleend een deel van den Westeren Ban zeiven, die immers reeds sinds 1620 in' zijn geheel tot genoemde heerlijkheid behoorde, maar, gelijk de Rechtbank terecht aanneemt, een gedeelte duinen en waranden, grenzende aan den Westeren Ban;

O. dat deze opvatting van het verdrag — waartegen zich niet verzet de uitdrukking „gelegen op enz.", aangezien dit voorzetsel, luidens onderscheidene plaatsnamen en zegswijzen, ook volgens het woordenboek der Nederlandsehe Taal (in voce o p I, A. 6 en I B. 1) onder meer ook de beteekenis heeft van „in de onmiddellijke nabijheid van" — bevestigd wordt door de „Tweede ordinaire rekening van den rentmeester-generaal van de grafelijke domeinen van Zeeland Beoosten Scheld de anno 1728" ; waaruit biijkt, dat bedoelde, aan den heer van Haamstede toegewezen duinen en waranden, vóór dat verdrag behoorden tot de „Grafelijkheids duinen en waranden annex den lande van Schouwen, en meer bepaaldelijk tot de „Westduinen Oostwaarts tot Strakenhille toe", die ten bate der Gtaielijkheid werden verpacht; en dat de aanleiding tot het verdrag gelegen was in beweerde aanspraken van den heer van Haamstede op een gedeelte, niet van den Westeren Ban, maar van die Westduinen (pr. C. 4);

O. dat de uitdrukkelijke vermelding dezer duinen en waranden in de sedert gezegd verdrag uitgegeven verleibrieven van meergenoemde heerlijkheid, terwijl de Westeren Ban, ofschoon daarvan evenzeer een gevolg, sedert 1692 in die brieven niet meer voorkomt, en wel om de in het vonnis aangegeven reden, alleszins verklaarbaar is om den veeljarigen strijd, tusschen de Grafelijkheid en de heeren van Haamstede over dat terrein gevoerd ; O. dat volgens de appellanten de heerlijkheid Haamstede blij-

Sluiten