Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 18 November 1901

N°. 7663.

WEEKBLAD VAN HET RECHT.

RECHTSKUNDIG NIEUWS- EN ADYEKTENTIE-BLAD.

DRIE - EN - ZESTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VERITAS.

Dit Blad verschijnt des Maandags, Woensdags en Vrijdags. — Prijs per jaargang ƒ20/ voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der advertentièn, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers, Gebr. Belin f ante, te 's-Gravenhage (2e Wagenstraat 100).

Het auteursrecht voor den inhoud van dit Blad wordt verzekerd overeenkomstig de Wet van 28 Juni 1881 (Stbl. n°. 124).

hooge raad der nederlanden.

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 21 October 1901.

Voorzitter, Mr. J. J. van Mberbeke.

Raadsheeren, Mrs. : A. A. de Pinto, A. J. C'laxt van dub Mijll, B. h. M. Hanlo, E. w. Gdljé, Jhr. S. Laman Trip en Jhr. D. G. van Teylingen.

De algemeene aanduiding in de dagvaarding van het den beklaagde ten laste gelegde feit omschreef dit voldoende voor zijne verdediging.

Het voorschrift van art. 188 Strafvord. is niet op straffe

van nietigheid gegeven.

Ten einde het bewijs te leveren, dat de requirant zich aan de hem ten laste gelegde heling heeft schuldig gemaakt, moest tegenover hem worden onderzocht en beslist, dat de schilderijen door diefstal waren verkregen en dat de koop dier voorwerpen door hem heeft plaats gehad nadat die diefstal was voltooid.

In dat opzicht is het bij het bestreden arrest bevestigde vonnis niet voldoende met redenen omkleed.

L. S., oud 33 jaren, handelaar in oudheden, geboren te Harlingeui, wonende te 's Gravenhage, is requirant van cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's Gravenhage van 28 Maart 1901, waarbij, met aanvulling van de gronden en met bevel tot teruggave van een stuk van overtuiging, werd bevestigd het vonnis der Arrond.-Rechtbank te 's Gravenhage van 14 Jan. 1901, bij hetwelk de requirant werd schuldig verklaard aan het voortgezet misdrijf van heling, en met toepassing van de artt. 56, 310, 416 Strafrecht, 216 en 219 Strafvord., werd veroordeeld tot gevangenisstraf van twee jaren, met vrijspraak Vt*tl liet hem meer ten laste gelegde, en met last tot teruggave van overtuigingstukken.

N"adat was gehoord het verslag van den raadsheer Jhr. Laman

Trip,

en de advocaat van den req. Mr. L. W. van Gigch uit Amsterdam de voorziening had toegelicht, heeft de adv.-gen. «hr. Rethaan Macaré de volgende conclusie genomen1:

Edel Hoog Achtbare Heerenl

Bij pleidooi is als eerste middel van cassatie voorgesteld: Schending of verkeerde toepassing van de artt. 247, 211, 221, 391 en 392 Strafvord., jis. art. 143, 188 en 219 Strafvord., en de artt. 310 en 416 Strafrecht door te bevestigen het vonnis, | waarbij de beklaagde is schuldig verklaard aan heling van tusschen 100 en 200 schilderijen, zonder dat ten processe is gebleken door de Rechtbank is beslist welke van de door den beklaagde Bekochte 236 schilderijen door diefstal waren verkregen, terwijl in ten wiens nadeela de diefstal zou zijn gepleegd, niet

... St^&t is gesteld ter terechtzitting zich omtrent zijn eigendom an edk der gekochte schilderijen te verklaren en daaromtrent legd °°k geene enkele in specie nauwkeurige verklaring is afge-

Ik acht dit middel gegrond..

Bij het bevestigde vonnis wordt in de elfde overweging wel

scïefde fooTn P?)0e\0^ert,llgend is bewezen' da* de req8 tus«kocht ITZ 200 schildeken, van den eersten beklaagde heeft gekocht en dat die door diefstal waren verkregen, doch noch m deze overweging, noch elders in het vonnis wfrdt iete medegedeeld omtrent dö gronden, die den rechter er toe geleid hebben, tet cijfer 100 als mimmum en het cijfer 200 als maximum voor het aantal geheelde schilderijen aan te nemen.

Dienaangaande is het vonnis volstrekt niet met redenen omdeed, hetgeen te minder verklaarbaar is, nu de; rechter zich in elfde overweging bij de constructie van het bewijs beroept op e s<ib littera. d in het vonnis opgenomen erkentenis van req., waarbij deze opgeeft, dat hij minstens 2 36 schilderijen van den eersten beklaagde heeft gekocht, welk getal overeenstemt met ^ sub h in het vonnis vermelde verklaringen van de getuigen ' v' en C. P., naar welke verklaringen de rechter in de ovenr°V'erVVeg'ng mede verwijst, terwijl in de andere, in die iirlit aangehaalde verklaringen niets voorkomt dat eenig

is tot de rijfers lOO^^f Vraag' h°6' d® Rechtbank gekomen

^Zlt1* ^ge^rokmStrekt 0nZ6ker' waarvan de' re1' ten

da^li^ e^tHv=ewp7e^e^mtr|d+ ^ee^tbank en met haar het Hof aan, door diefstal " IS' i 0 236 in beslag genomen schilderijen schüderi n L,fJslot7 ?g6n' FT °mtle^ de welk6

voido6n',«

«•et tweede middel van cassatie luidt:

^d^art* (flOV!?e^e«ï<>Ta'SSxin? Tan art' 247 Strafvord. en f11 211 Strifvnrd a + Strafrecht m verband met de artt. 221, klaagde is' schuldig001" fi 6V,estlgen het vonnis, waarbij de bedo°l" diefstil mr-t verklaard aan het opzettelijk koopen van Waarort die" i- verkregen schilderijen, terwijl op het oogenbiik Pleegd in 'i °!>'' gesleten werd, die diefstal nog niet was ger heslist' (-!•,< ' geval zonder dat bij het vonnis is overwogen en ' ' reeds op het oogenbiik van den verkoop de wegne¬

ming van de schilderijen door den eersten beklaagde was geschied en dus de diefstal was gepleegd.

Aan dit middel ontbreekt m. i. de feitelijke grondslag.

Wat de req. beweert, dat met is beslist, wordt bij het bevestigde vonnis wel deugdelijk beslist, immers lees ik aan het slot der elfde overweging, dat de rechter als wettig en overtuigend bewezen aanneemt, dat de derde beklaagde 100 a 200 schilderijen in de woning van Mr. R. v. O. herft gekocht en dat d i e door diefstal waren verkregen.

Een zinbouw, die naar mijne meening geen anderen uitleg toelaat, dan dat in den gedachtengang van den rechter de diefstal aan den verkoop is vóórafgegaan.

In die opvatting vind ik mij nog versterkt door hetgeen aan het slot der 21ste overweging voorkomt, waar als wettio- en overtuigend bewezen wordt, aangenomen, dat de derde beklaagde, (d. i. de tegenwoordige req.), de schilderijen van den. eersten beklaagde koopende, wist, dat deze die gestolen had.

Het gebruik van den meer dan volmaakt verleden tijd duidt aan, dat de rechter aanneemt, dat de diefstal voltooid was, vóórdat de koop plaats greep.

Dit middel dus ongegrond achtende, concludeer ik op grond van het eerst voorgestelde middel tot vernietiging van het arrest met verwijzing der zaak raar een aangrenzend Hof, ten einde op het bestaande hooger beroep te worden behandeld en afgedaan.

De Hooge Baad enz.;

Gelet op de middelen van cassatie, namens den req. voorgesteld bij pleidooi:

ooï' Schending of verkeerde toepassing van de artt. 247, 211, ó n en 392 Strafvord., in verband met de artt. 143, 188 en 219 van dat Wetboek en de artt. 310 em 416 Strafrecht, door te bevestigen het vonnis, waarbij de beklaagde is schuldig verklaard aan heling van tusschen de 100 en 200 schilderijen, zonder dat ten processe is gebleken en door de Rechtbank is beslist, welke van de1 door den beklaagde gekochte' 236 schilderijen door diefstal waren verkregen, terwijl de getuige, ten wiens nadeele de diefstal zou zijn gepleegd, niet in staat is gesteld ter terechtzitting zich omtrent zijn eigendom van elk der gekochte schilderijen te verklaren en daaromtrent dan ook geene enkele in specie nauwkeurige verklaring is afgelegd;

XI. Schending of verkeerde toepassing van art. 247 Strafvord. en van de artt. 416 en 310 Strafrecht in verband met da artt. 211 en 221 Strafvord., door te bevestigen het vonnis, waarbij de beklaagde is schuldig verklaard aan het opzettelijk koopen van door diefstal verkregen schilderijen, terwijl op het oogenbiik, waarop die koop gesloten werd, die diefstal nog niet was gepleegd, in elk geval zonder dat bij, het vonnis is overwogen en beslist, dat reeds op het oogenbiik van den koop de wegneming van de schilderijen door den eersten beklaagde was geschied en dus de diefstal was gepleegd;

Gehoord den adv.-gen. Jhr. Rethaan Macaré, namens den procureur-generaal, in zijne conclusie, strekkende enz. ;

Overwegende dat het beroep onbeperkt is ingesteld, doch niet ontvankelijk is, voor zoover het is gericht tegen de in het bevestigd vonnis vervatte vrijspraak;

Voor zoover het beroep ontvankelijk is:

O. dat bij het bij 's Hofs arrest bevestigd vonnis ten laste van den req. als bewezen is aangenomen, dat hij tusschen de 100 en 200 schilderijen in de woning van Mr. R. v. O. te 's Gravenhage van den eersten beklaagde heeft gekocht en dat die door diefstal waren verkregen; — en dat hij de schilderijen van den eersten beklaagde koopende, wist dat deze die gestolen had en dat hij derhalve opzettelijk heeft gehandeld; — dat die be* wezen feiten, zijn gequalificeerd als het voortgezet misdrijf van heling, en de req. is veroordeeld gelijk hierboven is vermeld;

O. dat tot toelichting van het eerste middel van cassatie is aangevoerd : dat niet vaststaat, voor de heling van welke schilderijen de req. is veroordeeld, dat — terwijl hij had bekend 236 schilderijen van den eersten beklaagde ten huize van Mr. R. v. O. te hebben gekocht — hij werd veroordeeld ter zake van tusschen de 100 en 200 schilderijen te hebben gekocht zonder eenige aanduiding of beslissing, welke schilderijen daartoe behoorden; dat de identiteit der schilderijen niet konde worden vastgesteld, omdat deze —- hoewel als overtuigingstukken in het geding — niet ter terechtzitting aanwezig waren en aldaar niet aan de beklaagden en de getuigen zijn vertoond, waardoor zijne verdediging is benadeeld;

O. daaromtrent, dat aan req. subsidiair is ten laste gelegd, dat hij „tusschen de 100 en 200 schilderijen" had, gekocht, wetende dat ze door diefstal waren verkregen, en deze feiten in de 11de en 21ste overwegingen van het bevestigd vonnis door de daarin aangehaalde in het vonnis opgenomen wettige bewijsmiddelen als bewezen zijn aangenomen;

(-'at rei- bij de behandeling der zaak voor de Rechtbank en het Hof zich er niet op heeft beroepen, dat de door hem. gekochte schilderijen niet voldoende in de dagvaarding zouden zijn aangewezen, doch hij alleen zijne wetenschap dat die door misdrijf waren verkregen heeft ontkend;

dat dus de algemeene aanduiding in de dagvaarding het ten laste gelegde feit voldoende voor de verdediging van den req. opgaf, en de Rechtbank door die feiten als bewezen aan te nemen en den req. verder vrij te spreken van hetgeen hem meer ten laste was gelegd, de in het cassatiemiddel aangevoerdewetsartikelen noch eenig ander wetsvoorschrift heeft geschonden;

O. voorts, dat in het bevestigd vonnis is opgenomen de bekentenis van den req., dat dezelfde schilderijen, welke hij had gekocht hem op het hoofdcommissariaat van politie te 's Gravenhage zijn vertoond door den getuige A., en blijkens de verklaring van dezen getuige diezelfde schilderijen aldaar ook aan

de getuigen Mr. R. v. O. en W. waren vertoond, dat req. bij de behandeling der zaak voor de Rechtbank en het Gerechtshof de identiteit der schilderijen niet heeft betwist, en het overbrengen en vertoonen daarvan ter terechtzitting niet heeft gevorderd ;

dat uit het proces-verbaal der terechtzitting van de Rechtbank en van het Gerechtshof niet blijkt, dat de schilderijen aldaar

aanwezig waren en volgens art. 188 Strafvord. zijn vertoond;

dat echter het vertoonen der stukken van overtuiging in dat artikel niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven, en het niet vertoonen daarvan geen grond tot cassatie kan. opleveren terwijl req. daardoor niet in zijne verdediging is verkort nu hij zich daarop niet heeft beroepen en de identiteit der schilderijen niet heeft betwist;

O. dat dus het eerste middel niet tot cassatie kan leiden; O. omtrent het tweede middel van cassatie: dat tot toelichting daarvan is aangevoerd, dat voor het misdrijf van art. 416 Strafrecht wordt vereischt, dat de diefstal voltooid was toen de koop plaats had; dat zoolang de wegneming der goederen niet is geschied, de diefstal niet is voltooid ; dat req. de schilderijen kocht in de woning van den eigenaar Mr. R. v. O. en die schilderijen toen nog niet waren weggenomen, althans niet is onderzocht noch beslist of de wegneming toen reeds had plaats gehad ;

O. daaromtrent:

dat den req. is ten laste gelegd, dat hij ten tijde voormeld (nl. in het jaar 1900) te' 's Gravenhage op verschillende tijdstippen opzettelijk, immers wetende, althans begrijpende, dat de eerste beklaagde deze door diefstal had verkregen, schilderijen (te zamen ruim 200 stuks, althans tusschen de 100 en 200 schilderijen) afkomstig uit bovenbedoeld perceel (nl. in het Koordeinde en destijds in gebruik bij Mr. H. J. A. R. v. O.), van den eersten beklaagde heeft gekocht;

O. dat, ten einde het bewijs te leveren', dat req. zich aan de hem tem laste gelegde heling heeft schuldig gemaakt, tegenover hem moest worden onderzocht en beslist, dat de schilderijen door diefstal waren verkregen en dat de koop dier voorwerpen door hem heeft plaats gehad nadat die diefstal was voltooid';

dat in dit opzicht het vonnis niet genoegzaam met redenen is omkleed ;

dat wel als slotsom van de aangevoerde bewijsmiddelen nl de aanwijzingen gelegen in de bekentenis van' den beklaagde en de verklaringen der nadfer aangeduide getuigen, is beslist, dat daardoor wettig en overtuigend is bewezen, dat req. een aantal schilderijen heeft gekocht en dat die door diefstal waren ver kregen, maar noch in het vonnis noch in het arrest rekenschap wordt gegeven, waarom de rechter, die als bewezen aanneemt dat zoowel de wegneming met oogmerk van wederrechtelijke toeëigening als de koop der schilderijen in de woning van den

bestolene, waar die voorwerpen zich bevonden, plaats liad

de vraag of het eerste feit aan het tweede is voorafgegaan of daarop is gevolgd, m eerstgemelden zin beantwoordt; dat dit middel derhalve is gegrond;

Gezien art. 347 Strafvord. ;

Verklaart den req. niet-ontvankelijk in zijn beroep voor zoover dit is gericht tegen de in liet bevestigde vonnis vervatte vrijspraak;

Vernietigt voor het overige het arrest van het Gerechtshof te s Gravenhage van 28 Maart 1901 in deze zaak gewezen •

Recht_ doende krachtens art. 106 R. O. :

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam, ten einde op het bestaande hooger beroep te worden afgedaan,.

GERECHTSHOVEN.

GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN".

Kamer van Strafzaken.

Zitting van den 6 Juni 1901.

Voorzitter, Mr. H. Binnerts.

Raden, Mrs.: H. D. van Ketwich Verschuur, A. A. Greebe J. van Binsbergen, J. de Greve en L. D. W. Losecaat

vermeer.

Adv.-Gen., Mr. J. J. L. van Hangest Baron d'Yvoy. Verdediger, Mr. S. L. Outs, advocaat te Groningen.

Het vonnis bevat als bewijsmiddel eene meening bij redeneering opgemaakt.

Balken, uit zee aangespoeld, bewerkt en van niet onbeduidende handelswaarde, zijn niet te beschouwen als res pro delericto habitae.

In deze kan slechts sprake zijn van drie op zich zelve staande handelingen.

Het Openb. Ministerie, tegen

E. J. R., 22 jaren, van beroep korenmolenaar en houthandelaar wonende te Heveskes, gemeente Delfzijl, appellant en geïntimeerde van een vonnis op den 25sten April 1901 door de Arrond.-Rechtbank te Groningen te zijnen laste gewezen.

Het Hof enz.;

Sluiten